donderdag 22 maart 2012

Omkoping


Er is veel slechts in de wereld. Artsen krijgen reisjes aangeboden als ze bepaalde geneesmiddelen voorschrijven, scheidsrechters worden betaald als ze ervoor zorgen dat niet ploeg A maar ploeg B wint en politici laten zich voor karretjes spannen van allerhande lobbyisten. Je leest het in de kranten, je ziet het op tv. Het is gemakkelijk om daar verontwaardigd over te zijn en te schelden op een maatschappij die door en door rot is.

Maar onlangs kreeg ik zelf te maken met omkoping. In mijn mailbox vond ik een berichtje waarin mij gevraagd werd om reclame te maken voor een bepaalde voorstelling in Cultura. Als ik vanavond nou maar flink de zanger Alex Roeka aan zou prijzen, dan kon ik bonbons tegemoet zien, gratis kaartjes en seks met de zanger, maar eerlijk gezegd zat ik daar niet op te wachten.

U snapt dat ik mijn onafhankelijkheid niet zomaar op het spel wilde zetten, ook niet toen de prijs werd verhoogd. Ik kon zelfs kiezen uit, een cd van Jan Smit, een half staatslot, een boek van Nicci French (met handtekening van de boekhandelaar) en een avondje stappen met de jury die moet beslissen wie er stadsdichter wordt. Verontwaardigd wees ik het aanbod van de hand.

Maar in de nacht, toen de uilen riepen en de dromen maar niet wilden komen, begon ik te twijfelen. Niet vanwege de rijkdommen die ik afgewezen had. Had ik het kistje met Cubaanse sigaren, de fles korenwijn en mijn gewicht in Zeeuwse babbelaars al genoemd? Nee, ik begon te twijfelen vanwege Alex Roeka.

Het zou zomaar kunnen zijn dat niet ieder van u Alex Roeka kent en dat is zonde. Roeka is wel de Nederlandse Tom Waits genoemd. Dat klopt niet helemaal, al zitten er wel wat korreltjes schuurpapier in zijn stem. Maar als er één zanger is, die je ooit een keer gehoord moet hebben, dan is het wel Roeka.

Roeka zingt teksten waarbij je graag de gemiddelde Nederlandse liedtekst vergeet. Geen Rob de Nijs meer, geen Marco Borsato, geen Paul de Leeuw. De teksten die zij zingen verbleken bij de zindering die gaat door de teksten als Roeka zingt.

Zijn vorige programma, Beet van liefde, behelsde een liefdesgeschiedenis. Daarin zong hij het prachtige ‘Wat hou ik van die vrouw’ met regels als:

Dan zie ik hoe je lacht en naar me fonkelt met je blik.
Dan klim ik in dat volle lijf van jou.
Dan hoor ik hoe je klopt en hoe het fluistert in mijn strot,
als nooit tevoren: wat hou ik van die vrouw.

Na zo’n lied wil je alleen nog maar je geliefde naar je toe trekken, waarna je in elkaars lichaam klimt en de hoorn des overvloeds tot in het puntje uitlikt.

Maar Roeka zingt ook teksten waar je stil van wordt. Wat denk je van:

Neem dit kleine hart van mij,
het is alles wat ik heb.
Buiten wordt het langzaam stil en donker in de straat.
Laat me niet alleen.

Wat Alex Roeka ook zingt, altijd heb je heb het idee dat het over jou gaat en al zijn woorden kun je nazeggen. Daarom grijpen zijn teksten je naar de strot.

Daar moet je maar eens naar gaan luisteren en je hoeft er niet ver de deur voor uit. Volgende week vrijdag komt hij hier, in Cultura. Ik zal er zijn met mijn lief en ik hoop dat jullie er ook zijn. Vanavond is tot half tien de kassa open en bezoekers van Dante krijgen 2,50 per kaartje korting. Als je die knaak toch uit wilt geven, dan kun je die straks doen in – ik wou zeggen in de doos van Mieke, maar dat klinkt toch anders dan ik het bedoel.

Jullie kopen goedkope kaartjes en hebben volgende week een prachtige avond. Intussen sla ik me voor mijn kop dat ik toch niet die ets van Anton Heyboer heb aangenomen of het erelidmaatschap van de Heidelopers of dat kratje cola light.








En kijk ook nog even naar wat ik hier over Roeka schreef.


Stadsdichter (6)

Tot vandaag konden kandidaten voor het stadsdichterschap in Ede zich aanmelden. Zij kregen de volgende informatie thuis:


Informatie verkiezing stadsdichter: Op woensdagavond 18 april organiseert Cultura, de gemeente Ede en De Edese Post een verkiezingsavond. Het programma begint om 20.00 uur, deelnemers worden om 19.30 uur verwacht. De dichters zullen tijdens een aantal voorronden enkele gedichten voordragen. Zij ontvangen hiervoor een aantal thema’s/ opdrachten. Naast vrije gedichten kan men aan thema's als 'Ede in 2025'.
Het publiek heeft een stem in wie er de finale zal halen. Uiteindelijk bepaalt de jury de winnaar (de jury bestaat uit Gerry Poelert, directeur Cultura, Evert van Milligen, de wethouder van cultuur, Jan van Es, coördinator redactie Wegener en Julia Hofstede, Paard van Troje). 
Informatie stadsdichter Ede: De stadsdichter van Ede krijgt van de gemeente een contract aangeboden waarin een aantal afspraken worden vastgelegd. Bij een vijftal bijzondere gebeurtenissen en/of evenementen, nog nader te benoemen door de gemeente Ede, zal de stadsdichter een zelf geschreven gedicht, speciaal voor de gelegenheid, voordragen. Uitgangspunt hierbij is de poëzie dichter bij de Edenaar te brengen. De stadsdichter ontvangt hiervoor van de gemeente een vergoeding. De stadsdichter wordt benoemd voor een periode van 3 jaar.

In de eerste regel van de informatie treffen we een congruentiefout aan: 'organiseert' in plaats van 'organiseren' en verderop is waarschijnlijk het woord 'denken' weggevallen. Dat zal wel aan de tijdsdruk te wijten zijn.

Uit het tweede deel blijkt dat de stadsdichter toch door de gemeente wordt benoemd, zoals het hoort. Onlangs beweerde de afdeling voorlichting nog dat niet gemeente maar de gemeenschap de dichter zou benoemen. 

Dat er in een contract afspraken worden vastgelegd, lijkt me duidelijk, maar hier wordt het nog maar eens expliciet gemaakt. Vroeger moest je overigens bij het onderwerp 'aantal' een persoonsvorm in het enkelvoud gebruiken, maar tegenwoordig is men daar wat soepeler in, geloof ik. 

Intussen is blijkbaar duidelijk dat de stadsdichter vijf gedichten per jaar moet schrijven. De hoogte van de vergoeding staat nog steeds niet vast. De dichter die dacht gemakkelijk aan zijn centen te komen door af en toe een gedichtje van een ander voor te lezen, wordt bij voorbaat tot de orde geroepen: het moeten 'zelf geschreven gedichten' zijn. 

Goed, we zijn weer een stapje verder. Op naar de verkiezingsavond!

Hieronder nog een stadsdichter aan het woord. Die van Deventer.Bij sommige delen doet hij zelfs een halfslachtige poging tot zingen. 



dinsdag 20 maart 2012

Heldere hemel



Bij een boekenweek hoort een boekenweekgeschenk en al decennia lang is dat gelukkig een literair geschenk. Ik herinner mij de tijd nog dat Wim Kan een boekie mocht afscheiden, maar daarna waren er geschenken van (ik doe maar een greep) Remco Campert, Marga Minco, Hugo Claus, A.F.Th. van der Heijden en Cees Nooteboom. Dit jaar is het geschenk Heldere hemel van Tom Lanoye.


Lanoye ben ik meteen in de jaren tachtig gaan lezen: ik genoot van zijn scherpe stukken in Rozegeur en maneschijn waarin hij ook de grote namen aanpakte (‘Het klappen van de banden van Hugo Claus’), van de melige gedichten in Bagger, van het grappige, maar niet alleen maar grappige Alles moet weg en van het ontroerende Kartonnen dozen.

Lezen van Lanoye heb ik lang volgehouden, maar aan het eind van de jaren negentig raakte ik hem kwijt. Het goddelijke monster heb ik nog gelezen en daarna was het over. Zo gaat dat soms, ook als er niet direct een oorzaak is. Dat monsterboek vond ik knap, maar het deed me niet zoveel. Dat hoeft niet aan het boek te liggen; misschien heb ik het gewoon met te weinig aandacht gelezen. Een boekenweekgeschenk is een goede aanleiding om de lectuur van Lanoye weer op te pakken.

De titel Heldere hemel is al goed. Klinkt lekker, door die alliteratie en er klinken ook meteen twee betekenissen in mee: geen wolkje aan de lucht en als een donderslag bij heldere hemel. Misschien is dat ook wel wat Heldere hemel laat zien. Jarenlang heb je het idee dat er niets aan de hand is en ineens is dat anders en zit je midden in een onweer.

Het verhaalgegeven mag intussen bekend verondersteld worden: in 1989 stortte er een Sovjettoestel (een MiG) neer op een huis in België. Intussen was bijna iedereen dat vergeten, maar Lanoye weet ons prima terug te halen naar die tijd. Je beseft weer wat voor tijd dat was en wat er toen speelde.

Lanoye schrijft helder en hij neemt ons gemakkelijk mee de levens in van zijn personages: een piloot, hoge Navomedewerkers, een redacteur en Vera, die net heeft moeten vernemen dat haar man het aangelegd heeft met de vroegere vriendin van hun beider zoon. Juist die verhaallijn sleurt de lezer mee.

Je weet dan al wat er aan de hand is, je weet al dat het vliegtuig onderweg is, dat er van alle plannen die er gemaakt zijn niet veel terecht zal komen. Maar de personages, die het nog niet weten, leven argeloos door, druk bezig hun leven op orde te krijgen of te houden. Je vraagt je af welk vliegtuig op weg is naar jouw huis en je weet dat ook het bouwwerk van jouw leven in één klap vernield kan worden. How fragile we are.


Achter in het boek eert Lanoy de nagedachtenis van de negentienjarige Wim Delaere, die bij heet werkelijk gebeurde ongeval om het leven kwam. ‘Sommige pijnen slijten niet, al gaan er jaren overheen.’

maandag 19 maart 2012

Alex Roeka

Er zijn zangers en zangeressen die in het Nederlands zingen en die iedereen, of bijna iedereen, kent: Marco Borsato, Willeke Alberti, Rob de Nijs, Corry Konings, Vader Abraham, André Hazes, Jan Smit. Je hoeft zo'n naam maar te noemen of iemand anders in het gezelschap kan je vertellen wat hij van de betreffende zanger of zangeres vindt.

Bij sommige andere namen blijft het stil: Milou Frencken? Zijlsta? Theo Nijland? Alex Roeka? Men kijkt naar het tapijt, haalt zijn schouders op, praat verder over Ali B., Lange Frans of Gordon. Jammer.

Over sommige zangers zouden we best wat meer mogen weten. Over Alex Roeka bijvoorbeeld. Zijn vorige programma heette Beet van liefde en ik zag het in Arnhem. In dat programma kregen we de geschiedenis van een liefde, vanaf het prille begin. Mooie liederen, met ironie aan elkaar gepraat. Dat het allemaal ook nog zijn basis had in de werkelijkheid, zag je na het optreden, toen de vrouw uit de verhalen, van de liederen, van poster en de cd-hoes, meehielp bij de verkoop van de cd's.

Ik heb toen een cd gekocht en van tijd tot tijd draai ik die nog. Dan luister ik naar teksten als:
O, ook al kan het niet - zo hevig
Ook al mag het niet - zo schaamteloos
Ook al gaan we hier uiteindelijk aan kapot
Toch vreten we deze liefde helemaal op, ja
We vreten deze liefde helemaal op
Van wie gaat het bloed niet borrelen als zoiets gezongen wordt?  Of dit lied:



Ik praat Roeka maar even na:
En ik moet die vrouw nog gaan zoeken,
die zwerfkat van komen en gaan,
die er zo grimmig, gretig en hevig in geloofde
dat ze eraan kapot leek te gaan.
Ja, met haar moet ik terug naar het zuiden,
naar de zwiep van het koperen beest,
om nog één keer te weten dat er niets is veranderd
aan wat altijd al heet is geweest.
Laat me nog schreeuwen, nog één keer schreeuwen
voordat ik achterover val.
Het is zo mooi, 't is zo vuil, 't is zo hard, 't is zo zacht,
je springt erop en het gooit je eraf.
Maar laat me nog schreeuwen, nog één keer schreeuwen
voordat ik achterover val
in de modder
in de modder
in de modder van mijn graf.
Daar hoef ik verder toch niets meer over te zeggen? Dat is toch heel wat anders dan 'De meeste dromen zijn bedrog,/maar als ik wakker word naar jou dan droom ik nog' of 'Kon ik maar even bij je zijn. / Ik moet nog zoveel aan je vragen. / Wat doet het ongelofelijk veel pijn.'

Donderdag zal ik bij Dante in mijn column Alex Roeka ook noemen. Kom maar luisteren, dan krijg je 2,50 Dante-korting op een kaartje voor Roeka's optreden in Cultura op vrijdag 30 maart.

Laten we Roeka het laatste woord maar geven:




zaterdag 17 maart 2012

Pierre Dubois over Harry Mulisch in 1959

Portret bij het artikel van Dubois

In 1959 publiceerde Harry Mulisch een van zijn grote romans: Het stenen bruidsbed. Tot die tijd had hij drie romans geschreven. Zijn eerste, uit 1952, archibald strohalm (waarom moet dat toch zonder hoofdletters?) was verrassend, maar ik vrees dat het bij herlezing nauwelijks houdbaar zal blijken. De diamant (1954) was niet veel bijzonders, maar in Het zwarte licht (1957) begint Mulisch op stoom te komen en bijvoorbeeld het beiaardconcert van Maurits Akelei in dit boek is onvergetelijk.

Maar Het stenen bruidsbed, over het bombardement op Dresden, was andere koek. Hier leren we de schrijver kennen die later van zichzelf zou zeggen: 'Ik ben de oorlog'. Na 1959 was Mulisch overigens niet scheutig met romans. Het duurde meer dan tien jaar voor De verteller (1970) er was daarna duurde het vijf jaar tot Twee vrouwen (1975), waarmee er een nieuwe helderheid in het proza van Mulisch kwam. Dan weer een stilte van zeven jaar tot de klapper De aanslag gepubliceerd werd. Daarmee begon voor Mulisch, qua romans de meest productieve periode, met vijf romans in tien jaar. De andere vier zijn Hoogste tijd, De pupil, De elementen en De ontdekking van de hemel, in 1992. Dat laatste boek is Het Grote Werk van de grote schrijver, maar eigenlijk hou ik meer van Hoogste tijd. 

Terug naar 1959. Pierre Dubois besprak in Het Boek van Nu Mulisch' nieuwe roman en herkende meteen de kwaliteit van het werk:''t boeiendste boek dat hij tot nu toe heeft geschreven'. De titel van zijn recensie is zelfs: 'Roman van apocalyptische allure'. Verder noemt hij het boek:
het eerste boek van Mulisch waarin hij werkelijk een schrijver is, niet meer een talentvol litterator. Er is niet meer de wat blufferige lust om te laten zien wat hij allemaal wel kan, een volstrekt "uiterlijke" schrijflust, hoe bewonderenswaardig dat zuiver als vermogen ook kan zijn. De nieuwe roman is klaarblijkelijk geschreven, omdat Mulisch getroffen is door een ontdekking van menselijke, of als men wil onmenselijke, onlust, hopeloosheid, zinloosheid, wreedheid.
Dubois ziet dat Het stenen bruidsbed anders is dan de vorige boeken van Harry Mulisch, die hij nu beschouwt als vingeroefeningen, meer voortgekomen uit besef dan uit ervaring. Verder vertelt Dubois ons dat Mulisch in 1956 naar Oost-Duitsland is geweest, naar Dresden. Dat ligt misschien voor de hand en het kan zijn dat het algemeen bekend is, maar ik wist het niet.

Het bombardement op Rotterdam, schrijft Dubois, 'zo evident barbaars', maakte ons normgevoel niet tot een absurditeit, maar bevestigde het. Dat was anders bij het bombardement op Dresden, waar mensen die aan 'onze' kant stonden een bombardement aangingen dat je misschien ook wel kunt zien als 'pure wraak of loutere moordlust'.
Dat betekent dat het morele waardebesef in die tijd wel degelijk was aangetast en dat het persoonlijke morele normgevoel inderdaad een absurditeit werd. En het gevolg daarvan kon dus ook wezen dat het individuele geweten van oorlogvoerenden bekneld raakte, dat zij ieder op zich geconfronteerd konden worden met de vraag naar hun persoonlijke verantwoordelijkheid voor hun oorlogsdaden. 
Daarna gaat Dubois dieper in op de inhoud van Het stenen bruidsbed. Hij haalt er mooie dingen uit, maar die laat ik even zitten. Ik stap over naar het eindoordeel:
Het boek is niet in alle opzichten geslaagd. Het weefsel ervan is niet overal even hecht en niet overal is het verhaal even fascinerend. Maar dat neemt niet weg dat het geheel toch de indruk nalaat van een opmerkelijk sterk boek, een roman die ons iets "doet" en die, afgezien van particuliere -en nogal aanvechtbare- visies zoals de theorie van historie en anti-historie, soms korte maar penetrante bespiegelingen en observaties bevat (over liefde en huwelijk bv.), welke het scherp en verrassend markeren.
Dat het geen "katharsis" geeft, is in dit geval nogal aannemelijk en men voelt er ook de behoefte niet zo aan, al vormt de brandende auto aan het slot meer een symbolisch afgerond dan een werkelijk bevredigend einde.
Het valt me op dat je in 1959 'penetrante' nog in de betekenis van 'doordringende' of 'scherpe' kon gebruiken, zonder dat dat een oordeel inhield. Misschien vergis ik me, maar ik heb het idee dat we tegenwoordig 'een penetrante geur' of 'een penetrant geluid' vooral onaangenaam vinden.

Verder wil ik even mijn vinger leggen bij die katharsis. Dubois schrijft dat hij die niet mist, maar blijkbaar vindt hij toch dat hij zo'n katharsis even moet noemen. Kennelijk verwachtten lezers zoiets. De zinloosheid van het oorlogsgeweld zou dan toch nog tot iets goeds moeten leiden, al is het maar binnen het personage Norman Corinth. De gemak gunt Mulisch ons gelukkig niet.

vrijdag 16 maart 2012

Stadsdichter (5) - Jury

Intussen is de complete jury bekend. Daarin hebben zitting:
  • Evert van Milligen (wethouder cultuur)
  • Jan van Es (Coördinator redacties bij Wegener)
  • Gerry Poelert (Cultura)
  • Julia Hofstede (Het Paard van Troje)
Jolinda van Alfen (Edese Post) is op de verkiezingsavond presentatrice. 

Hoeveel opdrachten de dichters krijgen, is nog niet bekend. Tot volgende week woensdag kunnen de dichters zich opgeven. Dan weet de organisatie hoeveel kandidaten er zijn en dan kan berekend worden hoeveel tijd er voor elke dichter is en hoeveel voorronden er zullen zijn. 

Kan het zijn dat bij een 'battle' (ik krijg het woord bijna niet over mijn toetsenbord) een goede dichter, die nog warm moet draaien in de wedstrijd, meteen wordt uitgeschakeld door een dichter die al goed op dreef is? Daar is aan gedacht, volgens een medewerker van de Edese Post.  Wat eraan gedaan wordt, is mij nog niet bekend. 



donderdag 15 maart 2012

Afspraak in Nieuwpoort



De Eerste Wereldoorlog heet nog steeds de Grote Oorlog. Aangezien die oorlog aan Nederland voorbijging, leeft die veel minder dan de Tweede. Maar in België is er nog veel over die Eerste oorlog te vinden. Niet alleen de graven, de loopgraven, de musea, maar ook boeken. Tom Lanoye heeft bijvoorbeeld een prachtige uitgave verzorgd van de gedichten van de zogeheten War Poets, Niemands land.

Er zijn ook strips over de Eerste Wereldoorlog. De bekendste auteur is Tardi die boeken maakte als Loopgravenoorlog en De grote slachting. Sinds kort is er ook Afspraak in Nieuwpoort van Ivan Petrus Adriaenssens. 


Adriaenssens heeft een wat naïeve manier van tekenen. Soms zijn de bewegingen van de personen wat houterig en hij is ook niet al te subtiel in het weergeven van gezichtsuitdrukkingen. Maar de inkleuring van zijn tekeningen (grijzen, sepia, enkele accenten in rood en geel) is fraai en het verhaal dat hij te vertellen heeft, is indrukwekkend.

Drie militairen, een Fransman, een Engelsman en een Belg ontmoeten elkaar in de Eerste Wereldoorlog en spreken af dat ze elkaar tien jaar later (op 11 januari 1024) zullen ontmoeten in Nieuwpoort. Een van hen ontmoet een vierde (ook een Engelsman) en maakt met hem dezelfde afspraak.

De drie personen (Jean-Marie Philippe de Blick, T.E. Hulme en Raoul Snoeck) hebben echt bestaan en Adriaenssens heeft hun leven al tekenend en vertellende gereconstrueerd. Dat ze elkaar ontmoet zouden hebben en een afspraak zouden hebben gemaakt, is fictie. De auteur verantwoordt zich overigens keurig.

Geen van de drie overleeft de oorlog en de vierde, George Sheldon, staat dus alleen in Nieuwpoort in 1924. Elke tien jaar zal hij terugkomen om de drie gevallenen te herdenken.

Het is een mooie daad van Adriaenssens om drie mensen die anders wellicht vergeten zouden worden, op deze manier voort te laten leven. Als lezer moet je wel met hen meeleven en ook met de George Sheldon, die hen gedenkt. Zo gedenk je tijdens het lezen (en daarna) al die slachtoffers, waarvan dit er slechts drie zijn. Afspraak in Nieuwpoort laat ons zien dat het niet gaat om de grote getallen, maar om duizenden keren een individu. Indrukwekkend boek.