Van het werk van Renate Dorrestein heb ik aardig wat gelezen (als ik goed geteld heb, achttien boeken), maar van wat ze na 2000 schreef las ik wat minder. Ik heb nog verschillende van haar boeken op een stapel liggen. Het laatste wat ik van haar besprak, was Reddende engel. Toen ze in 2018 overleed, blikte ik hier terug op haar leven.
In 1987 verscheen Dorresteins vierde roman, Een nacht om te vliegeren. Ik besprak het voor 't Kofschip. Mijn bespreking werd gepubliceerd in de zestiende jaargang, nummer 2 (maart/april) van 1988. Eronder stond mijn voornaam weer eens verkeerd gespeld: Theunis. In hetzelfde nummer schreef ik ook over Het dolhuis van Boudewijn Büch. Daar had mijn naam wel de correcte spelling.
Met potlood schreef ik bij de Recensie van het boek van Dorrestein '4-12-87', waarschijnlijk de datum dat ik de recensie heb opgestuurd. Per post natuurlijk.
Ik heb het bewuste nummer van 't Kofschip goed gelezen, te oordelen naar de aantekeningen die ik er met potlood in maakte. En blijkbaar vond ik het belangrijk om over verschillende bijdragen mijn mening te geven. In de afdeling 'Hoofdredactioneel' schrijft Laurine Vandepitte anderhalve bladzijde vol onder de titel 'Recenseren, een kunst op zich.' Ik heb het stukje nu niet nagelezen, maar toen vond ik het niks: 'Geklets, Vandepitte'.
Bij een gedicht van Ubbo-Derk Hakholt schreef ik: 'Brandhout', bij een gedichten Edith Oeyen: 'flut', bij gedichten van Betty Janssen: 'clichés' en: 'burps'.
Johan van Delden besprak Het ogenblik: terwijl van Gerrit Kouwenaar. Daarbij schreef ik: 'heeft bundel nauwelijks begrepen'. E.O. (Edith Oeyen) besprak de dichtbundel Vastgenageld aan de eeuwigheid van Ina Stabergh. Daar zette ik onder: 'bööh'. Bij een opmerking in de recensie plaatste ik ook nog opmerking. Oeyen schreef dat een gedicht haar aansprak, omdat het opgedragen was aan Milan Kundera. Ik noteerde: 'ach ach'.
In de afdeling 'Essay' plaatste ik twee vraagtekens achter dat woord. Ellen de Jong-de Wilde schrijft vlak daaronder ook eigenlijk geen essay. Het is meer een heel kort interview met Tom Pauka. Ik schreef erbij: 'Bööööh!' Dat woord gebruikte ik blijkbaar nogal eens in die tijd. Leest iemand nog wel eens wat van Tom Pauka? Dat oeuvre is onterecht vergeten, lijkt me.
Ik vond ook wel eens iets goed. Bijvoorbeeld een stuk van G.H.O. Reitsma met een heel lange titel: 'Invloed van Vestdijk op Stenen voor een ransuil van Maarten 't Hart. Plagiaat of eerbetoon? De bruine vriend aan het water'. En ook de recensie van Frank Herzen van Kimberley van Hellema vond ik goed. Een recensie van Dany de Wispelaere: 'aardig'.
En wat vind ik na zoveel jaar van mijn eigen recensie? Ik geef van het boek van Dorrestein wel een heel erg uitgebreide samenvatting. Ik noem verwijzingen naar de Griekse mythologie en naar het sprookje De sneeuwkoningin maar dat leg ik verder niet uit. Daar was nog wel wat aan te verbeteren geweest.
Verder beweer ik dat Renate Dorrestein niet snel tot de grote literatuur gerekend zal worden, omdat ze tot de vertellers behoort. Dat vind ik nu een rare zin. Maar misschien zegt die ook iets over het literaire klimaat van toen.
Het herlezen van de recensie bracht me wel Een nacht om te vliegeren dichterbij. De roman was een beetje weggezakt in het drijfzand van mijn geheugen, maar ik weet nu weer wat voor boek het was.
Een midzomernachtsfeest
Renate Dorrestein brengt in haar boeken de personages vaak op moeilijk te bereiken plaatsen. Meestal zijn dat aparte wereldjes, die hun eigen regels en afspraken hebben. In Buitenstanders was zo'n wereldje een afdeling van een krankzinnigeninrichting, in Vreemde streken was het een plaatsje ergens in Afrika en in Noorderzon was het een eiland.
In Dorresteins nieuwste boek, Een nacht om te vliegeren, trekt het meisje Linde naar het afgelegen landhuis van haar oom om daar wat bij te komen na een abortus. Ze arriveert er vlak voor de aanvang van het midzomernachtsfeest. Dat feest zal, zoals elk jaar, een dol feest worden, met veel eten en drinken en met een groot gemaskerd bal.
Het gezin van Lindes oom bestaat, naast hemzelf, uit zijn vrouw en zijn vijftienjarige dochter Asa. Zoon Alex is verdwenen.
Asa vertelt aan Linde hoe die verdwijning in zijn werk gegaan is: Alex, door zijn vader gedoodverfd als diens opvolger, heeft er genoeg van zo te zijn als zijn vader wil. Hij gaat naar het vliegerbalkon van het huis en verdwijnt aan een reuzenvlieger de lucht in. Asa, die een klap van het vliegertouw krijgt, verliest daarbij een van haar ogen. Moeder weigert na Alex' verdwijning verder nog te spreken.
Dit is echter niet de werkelijkheid, maar Asa's werkelijkheid. Voor de lezer is het echter niet altijd even gemakkelijk die twee werkelijkheden gescheiden te houden, doordat het perspectief grotendeels bij Ada gesitueerd is. Wel weten we dat de waarnemingen van Asa niet altijd kloppen. Zo ziet ze geregeld iemand (de jongen met de gong) die er helemaal niet is.
Asa heeft wel meer eigenaardigheden. Ze hangt de leer van Swami Rama aan, waardoor ze alle wellust verafschuwt en altijd kleding draagt die zoveel mogelijk van het lichaam bedekt laat.
Met de komst van Linde is Asa niet zo blij. Vooral niet als ze merkt dat haar vader tijdens het feest 'naar Linde staart alsof ze met z'n tweeën alleen zijn'. Als ze Linde ook ziet als een mogelijke partner voor haar broer (van wie ze zich inbeeldt dat hij deze nacht terug zal komen), besluit ze Linde uit de weg te ruimen.
Linde vindt uiteindelijk ook de dood, maar alles gaat heel anders dan Asa zich voorgesteld heeft. Ook blijkt dat ze heel iemand anders voor haar broer aangezien heeft.
Intussen weet de lezer al zo veel, dat hij een andere lezing kan geven van wat er in het verleden gebeurd is. Asa is door haar moeder mishandeld, omdat die niet kon verdragen dat haar dochter nog leefde, terwijl haar zoon (met wie zij een incestueuze verhouding had) er niet meer was. Bij die mishandeling is Asa haar oog kwijtgeraakt. Ook op haar lichaam bevinden zich littekens en dat is de reden van de kleding die ze draagt. Asa's moeder wordt naar een inrichting gebracht, terwijl Asa in het ziekenhuis van haar verwondingen moet herstellen. Als moeder weer thuiskomt, praat ze niet meer. Ze sluit zich op in zichzelf, heeft geen contact meer met de buitenwereld. Asa wil dat moeder opnieuw aandacht voor haar krijgt. Ze denkt dit te kunnen bereiken als ze Alex terugbezorgt aan haar moeder. Dat mislukt, zoals we al weten, maar aan het einde van het boek praat moeder weer. Ze roept Asa, maar voor die is het dan al te laat. Zij is al op weg naar het vliegerbalkon.
In mijn samenvatting komt het niet zo duidelijk naar voren, maar in het boek gebeurt ontzettend veel. Uit al haar boeken blijkt dat Renate Dorrestein over een rijke fantasie beschikt en die komen we ook weer tegen in In een nacht om te vliegeren: ontsnappende reptielen, een opstand van het keukenpersoneel, een kokkin die een kind baart na een dracht van twaalf maanden en nog veel meer, dat ik onmogelijk hier allemaal kan vertellen. En dat is maar goed ook, want ik wil dat u het boek zelf gaat lezen.
Fraai vind ik de manier waarop Dorrestein in dit boek alludeert op de Griekse mythologie en op het sprookje De sneeuwkoningin.
In Nederland zal Renate Dorrestein wel niet snel tot de grote literatuur gerekend worden; men heeft het daar nu eenmaal niet zo begrepen op vertellers. Maar dat ze met haar fantasievolle boeken onderhand en eigen plaats in de literatuur inneemt, zal wel niemand meer ontkennen.