vrijdag 4 april 2025

Mythos 1 - Bliksemse jeuk (Cazenove / Larbier)


De strip is al van 2023, maar ik las hem nu pas en het zou zonde zijn om er niet over te schrijven: Mythos. Het eerste deel in de reeks heet Bliksemse jeuk. 

Aan de ene kant is Mythos duidelijk een strip voor kinderen: er zijn veel figuren waarmee kinderen zich kunnen identificeren en die ook als kinderen zijn getekend. Hun hoofd is bijvoorbeeld vrij groot ten opzichte van de rest van hun lichaam. Ze hebben ook de tijd aan zichzelf en hebben nog nauwelijks verantwoordelijkheden. 

Aan de andere kant kunnen ook volwassenen genieten van de strip. Wie enige kennis van de mythologie  heeft, ziet alle bekende verhalen voorbijkomen: het paard van Troje, Sysiphus die een steen de berg op moet rollen, Medusa met de slangen op haar hoofd, de Minotaurus in zijn labyrint, Midas die alles in goud verandert. 

Wellicht zijn er trouwens ook kinderen die een deel van de verhalen kennen en anders biedt de strip ook een ingang om die verhalen te leren kennen. 

Anachronismen

Er zijn in de gags bewust anachronismen aangebracht: Zeus slikt aspirines, de Minotaurus wordt met zijn kop in een moderne wc gezet en we zien een voorstadium van het voetbal: het doel is er al, maar het is nog niet duidelijk wat je ermee moet doen. Het zijn details die je mogen ontgaan, maar die de strip extra grappig maken als je ze wel ziet. 

De godenwereld is ontdaan van heiligheid: het is een heel aardse bedoening. Zeus staat boven de anderen, maar hij heeft weinig gezag. Op de cover zien we bijvoorbeeld hoe Totor (de Minotaurus) een bliksemschicht leent om zich te krabben. Niet voor niets heet dit deel Bliksemse jeuk.

Het bovennatuurlijke is niet helemaal afwezig. Zo moet je Medusa niet aankijken, verandert alles wat Midas aanraakt nog steeds in goud en Circe kan iemand nog steeds betoveren en in iets anders veranderen. Dat is niet altijd prettig voor de andere personages, maar de verhaaltjes blijven altijd luchtig en gezellig. Ook dat maakt de strip uitermate geschikt voor een jong publiek: het is een veilige leesomgeving, waarbij de lezer vooral een goed gevoel krijgt en vermaakt wordt. 

Grappen

Mythos is een gagstrip en dat betekent dat er aan het eind van elk verhaaltje een grap moet zitten. Dat heeft de scenarist, Cazenove, keurig verzorgd. Elk verhaaltje heeft een leuke pointe, die je elke keer weer doet glimlachen. De meeste gags beslaan een enkele pagina, maar het album opent met een verhaaltje dat vier bladzijden lang is en in het hart van het album is er een verhaal van twee pagina's. 

De tekeningen zijn van de hand van Larbier. Heldere tekeningen, die makkelijk 'lezen'. De clou van het verhaal is altijd eenduidig, niet alleen door de loop van het verhaal, maar ook doordat de tekening je meteen laat kijken naar waar het om draait. En de goedmoedige, gezellige sfeer komt ook voor een groot deel door de manier van tekenen. 

Enkele maanden geleden schreef ik over Darius, ook een gagstrip die uitgekomen is bij uitgeverij Personalia, die misschien wel te vergelijken is met Mythos. Beide zijn gesitueerd in een ver verleden, beide presenteren vrij sterke grappen en beide zijn geschikt voor een breed publiek. Op de cover van beide strips staat 'Bekend uit Jump'. Daar moet je dus zijn als je meer van dit soort strips wilt lezen. 

Reeks: Mythos
Deel 1: Bliksemse jeuk
Scenario: Cazenove
Tekeningen: Larbier
Vertaling: Peter Beemsterboer
Uitgever: Personalia
2023, 48 blz. € 8,95 (softcover)

Eerder schreef ik over:


donderdag 3 april 2025

Dag mijn zoet krekeltje (Guus Luijters)

Hij was een goed mens, maar een onbruikbaar maatschappij-lid. Als zonderling werd hij door engdenkenden gehaat of bespot als een goedaardige krankzinnige. Die hem kenden hadden hem lief.

Dat schreef Auguste Charles Hugo Boissevain aan Frederik van Eeden op 20 juli 1919, kort na het overlijden van Johan Andreas dèr Mouw (1863 - 1919). Hij schreef gedichten onder de naam Adwaita. Zijn beroemdste gedicht begint met de regel ''K ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.'

Dèr Mouw trouwde met Hendrika (Nans) van Enst, een huwelijk dat niet geconsummeerd werd. Dèr Mouw viel (ook) op mannen/jongens. In 1902 adopteerde het echtpaar een meisje, Teuntje (ook wel Toosje) Vink, wier moeder overleden was. Ze kreeg de naam Hetty. 

Over de brieven die hij aan deze dochter schreef is een mooi boekje verschenen: Dag mijn zoet krekeltje, van Guus Luijters (1943 - 2025). Van hem besprak ik het boek met zijn herinneringen, Laatste brood. Luijters geeft een schets van het leven van Dèr Mouw en daarna alle brieven aan Hetty, met aantekeningen. 

Het schandaal van Doetinchem

In 1888 was Dèr Mouw leraar geworden op een gymnasium in Doetinchem. In 1904 raakte hij in een arbeidsconflict. Het gymnasium had onder meer leerlingen die het op een andere school niet gered hadden. Die konden hier alsnog slagen. De leerlingen kregen namelijk vooraf inzage in de examenopgaven. Met medeweten van de docenten werden de examens gestolen (dat werd 'moeren' genoemd). Maar er moest wel voor betaald worden. 

Kinderen van minder gegoede ouders konden zich dat natuurlijk niet permitteren. Hiertegen kwam Dèr Mouw in opstand. Dus niet tegen de fraude op zich, maar tegen het feit dat niet iedereen daarvan kon profiteren. Het botste flink tussen de rector, Schwartz, en Dèr Mouw. Daar kwam nog bij dat Max, de zoon van de rector Dèr Mouw als docent had en dat de docent verliefd geworden was op zijn leerling. 

De ruzie blijft niet binnen de schoolmuren, maar groeit uit tot een heuse rel: stukken in de kranten, vragen in de Tweede Kamer. Rector Schwartz publiceerde de brochure De gebeurtenissen in verband met het laatst gehouden eindexamen aan het Gymnasium te Doetinchem. Daarin nam hij ook het afscheidsbriefje op dat Dèr Mouw aan Max Schwartz schreef:

Dag Maxje - vergeef me et verdriet, dat ik je heb aangedaan - Ik heb bij je geïnsinueerd tegen je vader. Dat was ploerterig. Ik weet niet hoe et kwam. Et was 'n langzaam sterker wordende obsessie. Ik heb je vader vaak verdacht - Maar ik ben geen fielt. - O Maxje, ik had vanmorgen zoo'n medelijden met je, toen je daar stondt met je bleeke gezicht. - [...] Maxje, je vergeeft me wel. Je moet voelen dat ik niet slecht ben. J.

De rector spande een zaak aan wegens smaad en Dèr Mouw werd schuldig bevonden. Hij werd veroordeeld tot een boete van vijfentwintig gulden of acht dagen hechtenis. 

Voor Krekeltje van Aatje

De brieven die Dèr Mouw aan zijn geadopteerde dochter schreef, zijn zonder uitzondering lief en bevatten veel koosnaampjes (krekeltje, spreeuwtje, wurmpje) en ook voor zichzelf gebruikt hij andere namen: Vaap, Atikijn, Aatje. In veel brieven komt terug dat het dochtertje lief moet zijn voor haar moeder. 

Luijters heeft alle brieven ontcijferd en overgetikt en hij geeft zoveel mogelijk context. Als Hetty op een ander adres is of als Dèr Mouw op vakantie is, is dat een aanleiding om te schrijven. Victor van Vriesland was een leerling van Dèr Mouw. Ze zijn altijd bevriend gebleven. Deze Van Vriesland vertelt hoe Dèr Mouw in Zwitserland de strijd met zijn hoogtevrees aanging:

Hij was er met leerlingen of misschien met vriendjes, ging schrijlings op een overhangend boompje zitten boven een steile helling, vroeg de jongens om hem vast te binden en na een paar uur terug te komen. Ze deden wat hij vroeg en zo staarde hij in de eindeloze diepte. De jongens kwamen terug en vonden hem bewusteloos. Maar zijn hoogtevrees was hij kwijt.

Gedichten

De gedichten van Dèr Mouw zijn geschreven in de laatste zeven jaren van zijn leven. Ze werden gepubliceerd in tijdschriften, maar de uitgave in een bundel heeft hij niet meer meegemaakt. Brahman I verscheen in hetzelfde jaar van zijn dood. 

Dag mijn zoet krekeltje bevat alle brieven aan Hetty en die zijn lief, maar inhoudelijk nu ook weer niet zo bijzonder. Ze laten wel duidelijk de affectie zien van Dèr Mouw voor zijn aangenomen dochter. Door de aantekeningen van Luijters krijgen we een goed beeld van de context en we volgen niet alleen Dèr Mouw, maar ook zijn dochter door de jaren heen. Ze houdt contact met Van Vriesland, ook na de dood van Dèr Mouw. 

Wie geïnteresseerd is in het leven Dèr Mouw kan zijn biografie lezen, geschreven door Lucien Custers, Alleen in wervelende wereld. Het elegante boekje van Guus Luijters geeft een mooie samenvatting van dat leven. En natuurlijk de brieven. 

Guus Luijters, Dag mijn zoet krekeltje. Brieven van J.A. dèr Mouw aan zijn pleegdochter Hetty. Uitg. Flanor, 2025. 92 blz. € 19,50

Foto van Dèr Mouw, collectie Literatuurmuseum

woensdag 2 april 2025

Schaak (Victor L. Pinel)

Vroeger zou ik het een bejaardenhuis genoemd heb, maar ik weet dat dat niet meer de juiste benaming is. Een seniorencentrum misschien? Daar huist in ieder geval de tegendraadse mevrouw Dubois. Ze bemoeit zich niet met andere bewoners, slaat een geïrriteerde toon aan, klaagt erover dat ze niet mag roken en en geen alcohol mag drinken. Ze is weinig toegankelijk. 

Ze krijgt bezoek van een vrijwilliger, Samir, die zich niet door haar laat afschrikken. Mevrouw Dubois laat hem toe, als hij aangeeft dat hij wel wil leren schaken. Dat schaken is belangrijk, want Victor L. Pinel noemde zijn graphic novel Schaak.

Naast mevrouw Dubois en Samir zijn er veel andere personages, die allemaal hun eigen verhaal hebben. Vaak raken hun levens elkaar ergens. Marion heeft een directiefunctie in het bejaardenhuis (dat ik toch maar voor het gemak zo noem). Ze is altijd met haar werk bezig en is erg op zichzelf aangewezen. Renaud loopt als verzorger of verpleger rond in het huis. Hij is zijn eigen huis aan het opknappen, zodat zijn vriend in een mooi huis terecht zal komen. Die vriend verblijft echter in het buitenland en heeft het druk. De acteur Mathieu is bekend onder de naam King. Hij speelt de rol van professor Leroy en geniet bekendheid, maar hij wil eigenlijk gewoon Mathieu zijn.

Alle verhaallijnen in Schaak hebben gemeen dat ze draaien om relaties: relaties met anderen, die ook te maken hebben met hoe je met je eigen leven omgaat en met de keuzes die je daarin maakt. Je zou kunnen zeggen dat alle personen schaakstukken zijn op het schaakbord van het leven. Elk schaakstuk heeft zijn eigen mogelijkheden en moet zijn eigen weg zoeken. In het schaakspel moeten de stukken samenwerken om een doel te bereiken, in Schaak heeft elk stuk zijn eigen doel. 

Nadrukkelijke symboliek

De nadrukkelijke symboliek in Schaak irriteerde mij wel wat. Zinnen als 'Het leven is als een schaakspel. Makkelijk te leren, leuk om te spelen, moeilijk om te winnen... onmogelijk om te controleren!' klinken diepzinnig, maar je kunt je afvragen in hoeverre ze ook echt iets betekenen. Is het leven makkelijk te leren? Gaat het in het leven om het winnen? Dat is maar de vraag. Al die met enig aplomb gebrachte levenswijsheden gingen me op den duur wel tegenstaan.

Het ergerde me nog meer dat op alle tekeningen waar er geschaakt wordt (op de laatste na) het bord verkeerd ligt: het is een kwartslag gedraaid. Er hoort altijd een zwart veld aan je linkerhand te liggen en bij Pinel is dat een wit veld. Als je het schaakspel zo belangrijk vindt voor je album, had je je er ook wel een beetje in mogen verdiepen. 

Verder zijn de verschillende verhaallijnen wel aardig trouwens. Niet altijd zijn ze even verrassend: je voorvoelt soms al hoe ze zich gaan ontwikkelen, maar dan wil je toch wel weten hoe de personages zullen reageren op de teleurstelling of op het uitkomen van hun verlangen. De afwisseling van de verhalen is prettig en ze 'mengen' goed. Het is Pinel wel gelukt om er een geheel van te maken, maar het is me net te braaf, net te gladjes. 

Zoetsappig

Mevrouw Dubois was afwerend tegenover haar medemensen, maar Samir krijgt haar mee naar buiten en ze gaat ook het contact met andere mensen aan. Dat voelde je op je klompen aankomen. Daardoor is deze verhaallijn ook een beetje zoetsappig, zoals ook sommige andere verhaallijnen dat zijn. Maar als geheel leest de strip aardig. 

Eerder besprak ik de strip Kopje onder (link: onderaan), waarvoor Pinel alleen de tekeningen maakte en niet het scenario schreef. Maar die strip lijdt een beetje aan hetzelfde euvel: nergens worden de zaken echt op scherp gesteld, nergens wordt het verhaal echt wrang of gevaarlijk, nergens hoef je als lezer rechtop te gaan zitten. Je hebt dan nog steeds een aardige strip in handen, waarmee je je best kunt vermaken, maar dat is het dan ook wel. 

Titel: Schaak
Tekst en tekeningen: Victor L. Pinel
Vertaling: Mariella Manré
Uitgever: Silvester
2025, 176 bladzijden, € 39,95 (hardcover, stofomslag)

Eerder schreef ik over:

dinsdag 1 april 2025

Afgestoft: Een nacht om te vliegeren (Renate Dorrestein)

Van het werk van Renate Dorrestein heb ik aardig wat gelezen (als ik goed geteld heb, achttien boeken), maar van wat ze na 2000 schreef las ik wat minder. Ik heb nog verschillende van haar boeken op een stapel liggen. Het laatste wat ik van haar besprak, was Reddende engel. Toen ze in 2018 overleed, blikte ik hier terug op haar leven. 

In 1987 verscheen Dorresteins vierde roman, Een nacht om te vliegeren. Ik besprak het voor 't Kofschip. Mijn bespreking werd gepubliceerd in de zestiende jaargang, nummer 2 (maart/april) van 1988. Eronder stond mijn voornaam weer eens verkeerd gespeld: Theunis. In hetzelfde nummer schreef ik ook over Het dolhuis van Boudewijn Büch. Daar had mijn naam wel de correcte spelling. 

Met potlood schreef ik bij de Recensie van het boek van Dorrestein '4-12-87', waarschijnlijk de datum dat ik de recensie heb opgestuurd. Per post natuurlijk. 

Ik heb het bewuste nummer van 't Kofschip goed gelezen, te oordelen naar de aantekeningen die ik er met potlood in maakte. En blijkbaar vond ik het belangrijk om over verschillende bijdragen mijn mening te geven. In de afdeling 'Hoofdredactioneel' schrijft Laurine Vandepitte anderhalve bladzijde vol onder de titel 'Recenseren, een kunst op zich.' Ik heb het stukje nu niet nagelezen, maar toen vond ik het niks: 'Geklets, Vandepitte'. 

Bij een gedicht van Ubbo-Derk Hakholt schreef ik: 'Brandhout', bij een gedichten Edith Oeyen: 'flut', bij gedichten van Betty Janssen: 'clichés' en: 'burps'.

Johan van Delden besprak Het ogenblik: terwijl van Gerrit Kouwenaar. Daarbij schreef ik: 'heeft bundel nauwelijks begrepen'. E.O. (Edith Oeyen) besprak de dichtbundel Vastgenageld aan de eeuwigheid van Ina Stabergh. Daar zette ik onder: 'bööh'. Bij een opmerking in de recensie plaatste ik ook nog opmerking. Oeyen schreef dat een gedicht haar aansprak, omdat het opgedragen was aan Milan Kundera. Ik noteerde: 'ach ach'.

In de afdeling 'Essay' plaatste ik twee vraagtekens achter dat woord. Ellen de Jong-de Wilde schrijft vlak daaronder ook eigenlijk geen essay. Het is meer een heel kort interview met Tom Pauka. Ik schreef erbij: 'Bööööh!' Dat woord gebruikte ik blijkbaar nogal eens in die tijd. Leest iemand nog wel eens wat van Tom Pauka? Dat oeuvre is onterecht vergeten, lijkt me. 

Ik vond ook wel eens iets goed. Bijvoorbeeld een stuk van G.H.O. Reitsma met een heel lange titel: 'Invloed van Vestdijk op Stenen voor een ransuil van Maarten 't Hart. Plagiaat of eerbetoon? De bruine vriend aan het water'. En ook de recensie van Frank Herzen van Kimberley van Hellema vond ik goed. Een recensie van Dany de Wispelaere: 'aardig'. 

En wat vind ik na zoveel jaar van mijn eigen recensie? Ik geef van het boek van Dorrestein wel een heel erg uitgebreide samenvatting. Ik noem verwijzingen naar de Griekse mythologie en naar het sprookje De sneeuwkoningin maar dat leg ik verder niet uit. Daar was nog wel wat aan te verbeteren geweest. 

Verder beweer ik dat Renate Dorrestein niet snel tot de grote literatuur gerekend zal worden, omdat ze tot de vertellers behoort. Dat vind ik nu een rare zin. Maar misschien zegt die ook iets over het literaire klimaat van toen. 

Het herlezen van de recensie bracht me wel Een nacht om te vliegeren dichterbij. De roman was een beetje weggezakt in het drijfzand van mijn geheugen, maar ik weet nu weer wat voor boek het was. 

Een midzomernachtsfeest

Renate Dorrestein brengt in haar boeken de personages vaak op moeilijk te bereiken plaatsen. Meestal zijn dat aparte wereldjes, die hun eigen regels en afspraken hebben. In Buitenstanders was zo'n wereldje een afdeling van een krankzinnigeninrichting, in Vreemde streken was het een plaatsje ergens in Afrika en in Noorderzon was het een eiland. 

In Dorresteins nieuwste boek, Een nacht om te vliegeren, trekt het meisje Linde naar het afgelegen landhuis van haar oom om daar wat bij te komen na een abortus. Ze arriveert er vlak voor de aanvang van het midzomernachtsfeest. Dat feest zal, zoals elk jaar, een dol feest worden, met veel eten en drinken en met een groot gemaskerd bal. 

Het gezin van Lindes oom bestaat, naast hemzelf, uit zijn vrouw en zijn vijftienjarige dochter Asa. Zoon Alex is verdwenen. 

Asa vertelt aan Linde hoe die verdwijning in zijn werk gegaan is: Alex, door zijn vader gedoodverfd als diens opvolger, heeft er genoeg van zo te zijn als zijn vader wil. Hij gaat naar het vliegerbalkon van het huis en verdwijnt aan een reuzenvlieger de lucht in. Asa, die een klap van het vliegertouw krijgt, verliest daarbij een van haar ogen. Moeder weigert na Alex' verdwijning verder nog te spreken. 

Dit is echter niet de werkelijkheid, maar Asa's werkelijkheid. Voor de lezer is het echter niet altijd even gemakkelijk die twee werkelijkheden gescheiden te houden, doordat het perspectief grotendeels bij Ada gesitueerd is. Wel weten we dat de waarnemingen van Asa niet altijd kloppen. Zo ziet ze geregeld iemand (de jongen met de gong) die er helemaal niet is. 

Asa heeft wel meer eigenaardigheden. Ze hangt de leer van Swami Rama aan, waardoor ze alle wellust verafschuwt en altijd kleding draagt die zoveel mogelijk van het lichaam bedekt laat. 

Met de komst van Linde is Asa niet zo blij. Vooral niet als ze merkt dat haar vader tijdens het feest 'naar Linde staart alsof ze met z'n tweeën alleen zijn'. Als ze Linde ook ziet als een mogelijke partner voor haar broer (van wie ze zich inbeeldt dat hij deze nacht terug zal komen), besluit ze Linde uit de weg te ruimen. 

Linde vindt uiteindelijk ook de dood, maar alles gaat heel anders dan Asa zich voorgesteld heeft. Ook blijkt dat ze heel iemand anders voor haar broer aangezien heeft. 

Intussen weet de lezer al zo veel, dat hij een andere lezing kan geven van wat er in het verleden gebeurd is. Asa is door haar moeder mishandeld, omdat die niet kon verdragen dat haar dochter nog leefde, terwijl haar zoon (met wie zij een incestueuze verhouding had) er niet meer was. Bij die mishandeling is Asa haar oog kwijtgeraakt. Ook op haar lichaam bevinden zich littekens en dat is de reden van de kleding die ze draagt. Asa's moeder wordt naar een inrichting gebracht, terwijl Asa in het ziekenhuis van haar verwondingen  moet herstellen. Als moeder weer thuiskomt, praat ze niet meer. Ze sluit zich op in zichzelf, heeft geen contact meer met de buitenwereld. Asa wil dat moeder opnieuw aandacht voor haar krijgt. Ze denkt dit te kunnen bereiken als ze Alex terugbezorgt aan haar moeder. Dat mislukt, zoals we al weten, maar aan het einde van het boek praat moeder weer. Ze roept Asa, maar voor die is het dan al te laat. Zij is al op weg naar het vliegerbalkon. 

In mijn samenvatting komt het niet zo duidelijk naar voren, maar in het boek gebeurt ontzettend veel. Uit al haar boeken blijkt dat Renate Dorrestein over een rijke fantasie beschikt en die komen we ook weer tegen in In een nacht om te vliegeren: ontsnappende reptielen, een opstand van het keukenpersoneel, een kokkin die een kind baart na een dracht van twaalf maanden en nog veel meer, dat ik onmogelijk hier allemaal kan vertellen. En dat is maar goed ook, want ik wil dat u het boek zelf gaat lezen. 

Fraai vind ik de manier waarop Dorrestein in dit boek alludeert op de Griekse mythologie en op het sprookje De sneeuwkoningin

In Nederland zal Renate Dorrestein wel niet snel tot de grote literatuur gerekend worden; men heeft het daar nu eenmaal niet zo begrepen op vertellers. Maar dat ze met haar fantasievolle boeken onderhand en eigen plaats in de literatuur inneemt, zal wel niemand meer ontkennen.