maandag 10 oktober 2016

Cross Comix Rotterdam

In Nederland zijn er heel wat stripfestivals, die in grote lijnen overeenkomen: er zijn interviews en optredens, er signeren striptekenaars, een paar exposities en natuurlijk heel veel stripboeken om in te snuffelen. De Stripdagen in Haarlem zijn ambitieuzer: meer locaties, meer diversiteit.

Is er dan nog ruimte voor een nieuw festival? Dat konden we gaan bezien en beluisteren op zaterdag 8 oktober in de Rotterdamse Schouwburg, waar de eerste editie van Cross Comix van start ging. Het werd aangekondigd als een pilot, een probeersel. Bij succes moet het uitgroeien tot een groter festival. 

Cross Comix gaat uit van strips, maar zoekt vooral de raakvlakken met andere gebieden: muziek, beeldende kunst, journalistiek, wetenschap, literatuur, film, games en meer. Bij het initiatief waren drie striptekenaars betrokken: Erik de Graaf, Robert van der Kroft en Hanco Kolk. 

De Rotterdamse Schouwburg is een gebouw waar je gemakkelijk naar binnen loopt. Misschien wel iets te gemakkelijk. Hoe is bijvoorbeeld te controleren of de aanwezigen een kaartje hebben? Ook bij de ingang van de Kleine Zaal werd daar niet op gecontroleerd.

Je liep wel meteen het festival in, want in de hal gebeurde al van alles. Er waren constant optredens en interviews. Dat programma is lekker vol, maar misschien had er iets meer ruimte tussen de onderdelen gepland kunnen worden, zodat een beetje uitloop gemakkelijker op te vangen was. De achterwand werd als scherm gebruikt, wat goed werkte. Ook het geluid was goed, zodat degenen die bijvoorbeeld een interview wilden volgen dat ook moeiteloos konden.


Bijzonder was het optreden van Spinvis, waarbij Hanco Kolk live tekende. Dat werd een prachtig geheel. Op het moment dat Spinvis ritmisch een van zijn teksten aan het opzeggen was, kwam het ritme ook terug in de tekening van Kolk. Die nam als het ware de beat over. 

In de hal  werd er overigens ook getekend. Er was een mini-expositie met tekeningen van Erik de Graaf waarin de biografie van Marten Toonder werd verbeeld in zes scènes, Stephan Brussche maakte doodles op een banaan en er werd gewerkt aan een nieuw tijdschrift, Kutlul. 
In de Kleine Zaal werd een debat gehouden over Rotterdamse jeugd. Dat werd maar matig bezocht. De loop van het debat werd door drie tekenaars gevolgd en geïllustreerd, wat een mooie combinatie was. Maaike Hartjes, Floris Oudshoorn en Kenny Rubenis. Na afloop werden alle tekeningen geëxposeerd. De cartoons, die toch onder tijdsdruk zijn ontstaan, konden er prima mee door. 

Het debat heb ik niet lang gevolgd. Er kwam een politica van Leefbaar Rotterdam aan het woord die wel twintig begrippen noemde en daarna zei: 'Dat is de kern'. Als je met een schot hagel schiet, raak je altijd wel iets.

Een andere politicus (PvdA) beweerde dat de generatiekloof tussen hem en zijn ouders veel kleiner was dan die tussen hem en zijn kinderen. Veel meer dan een gevoel was dat overigens niet; er was geen onderzoek naar gedaan. Het zou me niet verbazen als ouders een generatiekloof dieper ervaren dan kinderen en dat het dus gewoon een kwestie van perspectief is. Het gesprek nodigde me niet uit om er lang naar te luisteren. De tekenaars versloegen de politici met gemak. 
Het volgende programmaonderdeel in de Kleine Zaal was heel wat interessanter: verfilming van strips, met Guido van Driel, Erik de Graaf, Aimée de Jong en Philip Delmaar, onder leiding van Dana Linssen. Die leidde het gesprek overigens op een prettige manier: kundig zonder zichzelf op de voorgrond te dringen. De gesprekken werden afgewisseld met filmbeelden. De tijd vloog om, zodat er nog maar weinig tijd was voor vragen uit de zaal. 

Twee keer ging een groep festivalbezoekers de straat op om onder leiding van een gids een rondwandeling te maken langs 'streetart', muurschilderingen voornamelijk door Rotterdamse en Braziliaanse artiesten. De wandeling duurde een uur, maar de meelopers waren zo enthousiast dat het jammer was dat er niet een langere tocht ingepland had kunnen worden. 

Om halfzes begon in de Kleine Zaal het popconcert van Sonja van Hamel & The Leonids met een zelfgebouwde beeldmachine. Dat voelde als een afsluiting, hoewel er ook in de avond nog wat was: een optreden van Kamagurka: Vliegangst op de pechstrook.

De eerste aflevering van Cross Comix lijkt me geslaagd. De bedoeling is dat het festival uiteindelijk een heel weekend gaat beslaan, op verschillende locaties in Rotterdam. Hopelijk komt dat ervan.  

Bron foto's: Simple Studio

woensdag 28 september 2016

Verfhuid (Rascha Peper)


Het is alweer drie jaar geleden dat Rascha Peper overleed. Bij haar dood schreef ik deze bijdrage. Haar boeken zijn er gelukkig nog en ze worden nog steeds gelezen. Vooral Dooi doet het bij mijn leerlingen nog goed.

De meeste boeken van Peper heb ik gelezen. Maar Zwartwaterkoorts (2009) en Verfhuid (2005) heb ik indertijd aan me voorbij laten gaan. Dat laatste boek heb ik nu alsnog gelezen.

In Verfhuid zijn de hoofdpersonen de kunsthandelaar Arnold Kee en zijn vaste klant Terwindus. Deze Terwindus is een obsessief verzamelaar van werk uit de Duitse Romantiek, zo blijkt als Arnold, bij hoge uitzondering eens bij hem thuis mag kijken. Zijn pronkstuk is een onbekend schilderij van Caspar David Friedrich, dat binnenkort naar een expositie in Duitsland gaat.

Arnold heeft sympathie voor Terwindus, maar er lijken ook smetjes aan hem te kleven, als het al geen smetten zijn. Hij heeft wel eens een schilderij met een ongedekte cheque betaald en Arnold verdenkt hem ervan enkele werken gestolen te hebben.

Peper voert de spanning aardig op. De gedragingen van Terwindus zijn ongetwijfeld verdacht, maar in hoeverre deugt Arnold? Terwindus en zijn vrouw leven in hetzelfde huis, maar op verschillende verdiepingen. Eigenlijk hebben ze geen contact meer met elkaar. Terwindus is zo gericht op zijn collectie dat hij voor zijn vrouw geen ruimte meer heeft.

Maar hoe zit het met Arnold? Heeft die naast zijn werk nog wel tijd en ruimte voor zijn vriend? Dat is maar de vraag.

Tijdens de expositie komt de spanning in het boek tot een hoogtepunt, als er een gestoorde man de expositie binnendringt. Bij de gevolgen daarvan is ook Arnold betrokken, die zich mede verantwoordelijk voelt. Hij had Terwindus immers geadviseerd het werk in bruikleen te geven.

Als de ergste spanning achter de rug is, zakt het verhaal een beetje in en dat is jammer. Pas op de laatste bladzijden krijgt Peper het voor elkaar de lezer weer volop bij de les te krijgen.

In veel boeken van Rascha Peper komt een obsessie voor, tot in haar postume boek, Handel in veren aan toe. Daarover schreef ik hier. Een bekend voorbeeld is ook het echtpaar dat een leven lang schelpen verzameld heeft, in Rico's vleugels, misschien alleen maar om een andere obsessie te kanaliseren.

Er zijn in Pepers werk ook personages die geobsedeerd zijn door personen. Bijvoorbeeld in Dooi waarin een man wil weten wie die raadselachtige roodharige vrouw is die hem bezocht heeft, of in Vossenblond (zie hier) waarin ook een vrouw verdwijnt. Arnold Kee is met zijn gedachten veel bij Terwindus. Of hij geobsedeerd is door hem is lastig te zeggen. Arnold is niet onbaatzuchtig: hij hoopt een graantje mee te pikken van de collectie van Terwindus.

Verfhuid is een aardig boek, maar er is ook wel wat op aan te merken. Vooral de manier waarop Peper de spanning weg laat zakken tegen het einde is een duidelijk minpunt. Ondanks dat blijft het een prettig leesbaar boek. Intussen is het een beetje weggezakt uit de belangstelling vermoed ik. Bij Peper hoor je toch steeds weer dezelfde titels: Rico's vleugels, Russisch blauw, Oesters. Dat laatste is niet haar beste boek, maar een debuut blijft mensen lang bij. Voor wie haar werk niet kent, valt er nog genoeg goeds van Peper te lezen.

dinsdag 27 september 2016

Comanche. Het brandmerk van Dobbs (Hermann/Greg)


Waarom lees ik westerns en waarom hou ik ervan? Die vragen stelde ik nadat ik opnieuw enkele verhalen van de serie Comanche had gelezen. Natuurlijk kan ik beginnen over het prachtige tekenwerk van Hermann of over de goede verhalen van Greg, maar dat is het halve verhaal. Ook minder goede westerns heb ik immers toch vaak met plezier gelezen.

Natuurlijk zal het te maken hebben met de setting van 'het wilde westen'. Als kind heb ik mij nooit afgevraagd wanneer de westerns zich afspeelden. Voor mijn gevoeld hadden ze zich op datzelfde moment kunnen voltrekken, alleen niet in het dorpje waar ik opgroeide, maar in een totaal andere wereld, waarin mensen op paarden reden, waarin indianen met pijl en boog schoten en waarin er stoomtreinen reden.

Het was een ruige wereld, waarin je je leven niet zeker was en waarin je dat leven moest verdedigen met je eigen revolver. Altijd vloeide er bloed en gelukkig waren het vaak de slechteriken die overhoopgeschoten werden - degenen met wie je je toch niet identificeerde.

Veel westerns doen een beroep op je rechtvaardigheidsgevoel. Er moet recht gedaan worden en iemand moet dat doen. Vaak zijn er wel rechters, maar er zijn in dit soort verhalen veel meer gevallen van eigenrichting.

De verhalen over Comanche heb ik als jongeling allemaal gelezen, net als die over Bernhard Prince en Jeremiah. Natuurlijk viel ik op de tekeningen van Hermann, die als geen ander karakterkoppen kan tekenen. Zijn koppen zijn altijd interessant, doordat ze zoveel uitdrukken en doordat ze karakteristiek zijn, mooi van lelijkheid soms. Je hebt het gevoel dat je niet te maken hebt met plaatjes, maar met mensen.

In Comanche is Red Dust de held, maar hij is geen solist. Hij is ingebed in de gemeenschap van de triple-six-ranch. Hij doet gewoon zijn werk op de ranch, maar de status van revolverheld kan hij nooit helemaal achter zich laten. En soms, zoals in deze uitgave moet hij eraan toegeven en er toch alleen opuittrekken.

Uitgeverij Sherpa heeft een mooie, integrale uitgave verzorgd van drie albums:De wolven van Wyoming (1974), De hemel is rood boven Laramie (1975) en Nacht over de woestijn (1976), die enkele jaren daarvoor verschenen in het weekblad Kuifje. Niet alle platen uit Kuifje verschenen indertijd in de albums. In deze uitgave zijn de verhalen weer compleet.

De verhalen volgen op elkaar. In De wolven van Wyoming maken we kennis met de vreemde prediker Braggshaw, die verdacht goed met een revolver weet om te gaan. De bad guys zijn de gebroeders Dobbs, wreed en nietsontziend. Braggshaw komt om en stervend geeft hij Red Dust de opdracht om achter Russ Dobbs aan te gaan. Zolang die leeft, zullen tientallen onschuldigen immers sterven.

In De hemel is rood boven Laramie gaat Red Dust achter Russ Dobbs aan, die intussen al tientallen nieuwe slachtoffers heeft gemaakt. Hij schiet hem uiteindelijk in koelen bloede neer. Niet uit moordzucht, maar omdat dat recht doet aan zijn rechtvaardigheidsgevoel.

Natuurlijk wordt hij daarvoor veroordeeld. In het begin van Nacht over de woestijn is Red Dust nog gevangene, maar hij komt vrij. Voorwaardelijk; hij mag geen wapen meer dragen en moet zich veel laten welgevallen, omdat hij het zich niet kan permitteren erop los te slaan.

Hij is overigens meer dan ooit nodig en hij wordt benoemd tot hulpsheriff om een nieuwe schurk uit te schakelen. Ook deze overleeft het niet.

Mogen we iemand het leven benemen? Die vraag lijkt Greg ons te stellen in deze verhalen. Mogen wij doden, omdat ons dat rechtvaardig lijkt? En hoe kunnen we daarna met onszelf leven? Misschien is het juiste antwoord dat je een ander niet mag doden, maar dat het soms toch moet en dat je daarna je hele leven daarmee moet leven.

De drie verhalen zijn spannend, maar ze zijn ook aangrijpend. In een uitgesproken gewelddadige omgeving zijn er morele dilemma's en die voel je als lezer. Het is geen lieflijke wereld, die van Greg en Hermann. Je mag blij zijn als je het er levend afbrengt.

De integrale uitgave is overigens bijzonder fraai. Het formaat is groter dan van andere heruitgaven, waardoor de tekeningen werkelijk prachtig uitkomen. De rug toont goed in de boekenkast. Het dossiergedeelte van deze uitgave is bescheiden. Mooie illustraties, maar de tekst voegt niet heel veel toe. Eerlijk gezegd vind ik dat niet zo erg. Zo komt de nadruk voluit bij de verhalen te liggen en die blijven het lezen, het herlezen en het herherlezen meer dan waard.


Titel: Comanche. Het brandmerk van Dobbs
Tekst: Greg
Tekeningen: Hermann
Uitgever Sherpa
Haarlem, 2016
Hardcover, linnen rug, groot formaat, 176 blz. € 65,-

Aanvankelijk had ik in bovenstaand stuk vijf (5!) keer de naam Comanche foutief gespeld, namelijk als Commanche. Waarschijnlijk schrijf ik dat mijn hele leven al verkeerd, zoals ik ook jarenlang het kruid tijm als thijm heb gespeld. Het bracht de uitgever tot de onderstaande illustratie:


donderdag 22 september 2016

Jheronimus Bosch (Griffo)



Op de site Literair Nederland besprak ik het album Jheronimus Bosch van Griffo, waarin de vreemde wezens op de doeken van Jeroen Bosch worden gezien als vastgelegde demonen.

Hoe lang kun je demonen bedwingen?


Jeroen Bosch is hot dit jaar, niet alleen in de kunstwereld, maar ook in de stripwereld. Zo verscheen er een stripbiografie door Marcel Ruijters en Suske en Wiske gingen met de tijdmachine terug naar de tijd van de schilder. Evi Nijs schreef en tekende Alex, en het geheim van Jeroen Bosch. Ook Griffo (Werner Goelen) sluit zich aan bij dit rijtje, met zijn album Jheronimus Bosch.

Griffo neemt ons mee naar de jonge Bosch, die bezocht wordt door demonen. Hij schildert ze, maar demonen laten zich niet zo gemakkelijk vastleggen. Daar heeft hij een demonicide voor nodig. Zo gauw hij dat heeft, kan hij de demonen vangen in zijn schilderijen en daardoor onschadelijk maken.

Daarnaast lezen we het verhaal van Mathilde de Vlaeminck, die in de huidige tijd belast is met de restauratie van een schilderij van Bosch. Zullen de demonen vrijkomen als zij met het schilderij aan de slag gaat?

Lees de rest van de recensie hier.


woensdag 21 september 2016

Engelenwoede (Frans Willem Verbaas)


Het heeft een tijdje geduurd voor ik wat ging lezen van Frans Willem Verbaas.  Het eerst las ik zijn vierde roman, De vierde vrouw (2015) over Karl Barth. Ik schreef daarover hier. Het boek verraste me.

Zijn debuut, Sneeuw in Afrika (2006) las ik later (zie hier). Dat is duidelijk minder, maar het is nog steeds een aardig boek. Nu heb ik ook Engelenwoede gelezen. Vreemd genoeg is in het boek niet te vinden van welk jaar het is. Waarom de uitgever dat niet vermeldt is mij onduidelijk. Het blijkt van 2007 te zijn.

Erik Gouderak is predikant, met hart voor zijn vak. Dat vak slokt veel tijd op. Zijn vrouw Lucia stelt hem daarom voor de keus: of het gezin of het predikantschap. In afwachting van zijn beslissing trekt ze bij haar broer in.

In de tijd dat Lucia weg is, houdt Erik een dagboek bij en dat dagboek is de roman Engelenwoede. Een dagboek nodigt uit tot gepeins en dan ook nog gepeins van een predikant. Dat doet het ergste vermoeden.

Voor een deel komen die vermoedens uit. Eriks notities over de preken die hij voorbereidt en over de situatie waarin hij zich bevindt zijn niet altijd even boeiend. Hij beschrijft ook wat hij meemaakt en daarvan vraag je je weer af of een dagboekschrijver daarvan zo uitgebreid verslag had gedaan.

Het aardige van Engelenwoede is dat de hoofdpersoon zijn irritante kantjes heeft. Verbaas heeft hem bepaald niet geïdealiseerd. De kinderen, die bij Erik blijven, komen een groot deel van de roman nauwelijks uit de verf. Van de zoon wordt alleen maar verteld wat hij kookt, want daarin heeft hij lol, en het meisje ligt vaak te lezen op de bank. Pas tegen het eind, als het meisje wegloopt van huis, lijken ze mee te gaan doen.

Stilistisch is Verbaas soms aardig en soms wordt de lezer getrakteerd op clichés. Dan lijken lippen op rijp fruit, bijvoorbeeld.

Engelenwoede is niet een boek dat ik aan anderen zou aanbevelen. Blijkbaar is het een voetstap die Verbaas heeft moeten zetten om bij De vierde vrouw aan te komen. In te grote delen is Erik verdiept in zijn eigen leven en bezigheden, zonder dat dat voor de lezer interessant wil worden. Tegen het einde heeft Verbaas een droom nodig die natuurlijk betekenis heeft voor het verhaal. Dat is meestal geen best teken.

Om een indruk te geven van passages die mij uitnodigden om de lezing van het boek te staken:
Heb anderhalve nachtfilm gekeken, ben tegelijk doodmoe en klaarwakker. Kan het niet opbrengen naar bed te gaan. Naar ons bed. Ons bed. Een echtelijk bed is heilige grond, zoiets als een kerk, een plaats van ontmoeting en intimiteit, een plek des heils. Doe uw kleren van uw lichaam, want de plaats waar gij gaat liggen naast uw vrouw, is een heilige plaats. Maar alles wat heilig is, wordt vroeg of laat geschonden. Ze heeft door haar vertrek ons bed verontheiligd. Ik zou in de logeerkamer kunnen gaan slapen, maar die gedachte is zo treurig. 
Zelfs als Gouderak zwelgt in zelfmedelijden kan hij de preektoon niet achter zich laten. Misschien wilde Verbaas wel juist duidelijk maken hoe interessantdoenerig Erik is, maar na zo'n passage had ik vooral de indruk dat het boek niks meer kon worden.

Het loopt trouwens allemaal goed af, al gaat dat niet vanzelf. Maar iets zoets heeft het eind wel. Verbaas heeft ook nog de roman Heilig vuur geschreven, maar voorlopig heb ik wel even genoeg Verbaas gehad.

zondag 18 september 2016

Lezing Colet van der Ven: De wortels van het kwaad


Op zondag 18 september heeft Colet van der Ven een lezing gehouden in de Vluchtheuvelkerk in Zetten over het kwaad. Zit het kwaad in ieder van ons? En hoe komt het dat sommigen zich wenden tot geweld en anderen niet?

Van der Ven illustreert haar verhaal met bekende experimenten als het Milgramexperiment (zie hier), waarbij mensen bereid bleken een ander stroomstoten tot een dodelijke sterkte toe te dienen en het experiment van de Stanfordgevangenis, waarbij mensen de rol van gevangene of van bewaker moesten spelen (zie hier).

Het aanwenden van geweld kan zowel op kleine als op grote schaal: van pesten tot genocide. In de voorbeelden die Van der Ven geeft, blijken dezelfde mechanismen werkzaam te zijn: bijvoorbeeld groepsdruk, mensen reduceren tot één eigenschap, het taalgebruik, het wij/zij-denken.

Ze verzet zich tegen Abram de Swaan en zijn boek Compartimenten van vernietiging (zie bijvoorbeeld hier). De Swaan zou daarin degenen bestreden hebben die zeggen dat het kwaad in elk mens schuilt. Van der Ven nuanceert: 'Het kwaad schuilt ook in elk mens.'

Ook Philip Zimbardo heeft zich in een Tedtalk uitgelaten over de manier waarop goede mensen tot het kwaad komen. (Zie hier).

Van der Ven noemt Hannah Arendt en 'de banaliteit van het kwaad'. We bekijken daarbij een stukje van de speelfilm uit 2013.


Niet alle mensen maken in dezelfde situatie dezelfde keuzen. Van der Ven noemt het Reservebataljon 101 in de Tweede Wereldoorlog, waar ook Richard Browning over sprak (zie hier). Het bataljon schoot op 13 juli 1942 vijftienhonderd Joden dood in het plaatsje Jezefow. De commandant, majoor Trapp, gaf de soldaten de gelegenheid om er niet aan mee te doen en hun wapen in te leveren. Slechts een klein deel deed dat daadwerkelijk.

Hoe komen mensen ertoe om niet mee te doen met de groep? Hoe nemen ze verantwoordelijkheid, desnoods tegen de stroom in? Bewustzijn, zegt Van der Ven. Je realiseren waarmee je bezig bent. Beseffen dat je een mens bent en dat de ander dat ook is. Je kunt je trainen in situaties die een morele beslissing van je vragen.

Halverwege de lezing luisterden we naar Wende Snijders, die bezingt hoe je iemand met messen in zijn zakken en spijkers in zijn schouders tegemoet kunt treden. Door zijn verdriet te zien, door hem te erkennen.


Na afloop worden er nog vragen gesteld en onder de koffie daarna gaan de gesprekken nog door. 

donderdag 15 september 2016

Zandkasteel (Peeters/Lévi)


Er zijn in de loop van de tijd al heel wat verhalen verteld waarin de tijd gemanipuleerd wordt. A.F.Th. van der Heijden schetste het leven van de eendagsmensen in Het leven uit een dag, Martin Amis liet de tijd teruglopen in Time Arrow, net als Jan Hanlo in het gedicht 'Wij komen ter wereld'. Er is discussie geweest over het gedicht 'Tijd' van M. Vasalis, dat begint met:
Ik droomde, dat ik langzaam leefde ....
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt. 'k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen .....
Leeft de ik langzaam of juist snel? was het discussiepunt. Zie bijvoorbeeld hier.

Scenarioschrijver Pierre Oscar Lévi doet iets soortgelijks in de beeldroman Zandkasteel. Hier zijn het de mensen die snel leven, terwijl de natuur zijn normale tempo behoudt.

De titel verwijst naar de lokatie, het strand. Maar een zandkasteel is ook het minst stevige kasteel dat er bestaat: een flinke golf en het is weg. Die kwetsbaarheid, de zekerheid van verval, ligt ook in de titel besloten. Misschien is zelfs ons leven een zandkasteel. We staan niet stil bij het fragiele ervan, totdat de golven komen. Alle muren die we optrekken zullen de tand des tijds niet kunnen weerstaan. Uiteindelijk zijn we weerloos.

Het verhaal, getekend door Frederik Peeters, speelt zich af op een stukje strand. Er drijft een lijk in het water en we denken al gauw aan een misdaad. Maar er blijkt meer aan de hand. De mensen op het strand zijn in een versnelde tijd terechtgekomen. De kinderen worden zienderogen groter en volwassen en ook de andere mensen verouderen snel. Het vreemde is dat de omgeving zich niets van deze versnelde tijd aan lijkt te trekken: de natuur verandert niet, de dagen blijven even lang.

De versnelling van de tijd is misschien gebonden aan die ene plek, maar de mensen kunnen die plek niet verlaten. Ze zijn gedoemd te wachten op hun dood. In de tussentijd houden ze zichzelf en elkaar bezig. Zo wordt er een verhaal verteld over een koning, die de dood aangezegd krijgt. Binnen zeven jaar zal de boodschapper terugkomen om de ziel van de koning op te eisen.

De koning laat een burcht bouwen die de boodschapper buiten moet sluiten en op die manier denkt hij de dood op afstand te houden. De burcht zal zijn tombe worden. Voor de dood is ook een stevige burcht slechts een zandkasteel.

Aan het eind van het verhaal leeft er nog maar één personage. Ze bouwt een zandkasteel. Natuurlijk weet ze dat het geen stand zal houden, zoals ze weet dat ze het niet zal overleven, maar wat kan ze anders? Als lezer kun je je op die laatste bladzijden alleen nog maar met dit personage identificeren. Jij bent degene die zandkastelen bouwt. Tegen beter weten in.

Levi en Peeters zuigen de lezer gemakkelijk het verhaal in. Vanaf het begin zijn er vragen waar de lezer antwoord op wil hebben. Dan wil je wel doorlezen. En als je weet wat er aan de hand is, wil je weten hoe de personages zich in deze situatie zullen houden.

De tekeningen zijn in zwart-wit en eerlijk gezegd heb ik de kleur niet gemist. Peeters heeft zeker aandacht voor het decor en voor de natuur, maar meer ligt de nadruk op de personen: hen volg je. Het verouderingsproces van de personen heeft Peeters goed weergegeven. Vreemd is wel dat de haren niet mee lijken te groeien en je merkt ook niet dat de nagels snel langer worden. Ik realiseerde me dat pas nadat ik het boek uit had.

Je kunt zeggen dat Peeters (of Lévi) de situatie toch niet helemaal goed doordacht heeft, maar bij een zo symbolisch verhaal, zijn zulke details misschien minder belangrijk. Het boek werkt waarschijnlijk op een dieper niveau dan dat van het verhaal. Dat verhaal wordt overtuigend verteld. Je vraagt je bijvoorbeeld niet af hoe dat nu precies zit met de snelle tijd en ook niet hoe dat nu gekomen is. Daar wordt (gelukkig) ook niets over uitgelegd. Het is een werkelijkheid die we accepteren.

Daaronder ligt de laag waarop wij worden aangesproken. We stellen ons geen vragen over de details van het verhaal, maar over de betekenis ervan. We worden geraakt op zingevingsniveau. Dat is de kracht van Zandkasteel.


Eerder schreef ik over de serie Aama van Frederik Peeters. Die bijdragen vind je hier en hier.



Titel: Zandkasteel
Tekeningen: Frederik Peeters
Scenario: Pierre Oscar Lévi
Uitgever: Sherpa
Haarlem 2016; hardcover, 112 blz. € 24,95