dinsdag 29 april 2014
De gierenclub
De tijd dat je in stripvorm alleen maar aardige verhaaltjes kon vertellen, is al lang voorbij. Er zijn reeksen getekende biografieën en autobiografische boeken, documentaires in stripvorm en combinaties van strip en journalistiek. Aan het begin van dit jaar richtte Joos Pollmann de site stripjournalistiek.nl op, waarop over dat laatste genre meer te lezen is. Onder aan deze bijdrage zal ik nog wat linkjes aanleggen naar strips in het non-fictiegebied.
In dat gebied past ook De gierenclub van Rudi Vranckx en Caryl Strzelecki. Het boek kwam vorig jaar al uit en het lag bij mij al een tijdje op de stapel met boeken die ik in ieder geval wilde lezen, maar het kwam er maar steeds niet van. Nu dus wel. En gelukkig maar, want De Gierenclub is een goed boek.
De gieren uit de titel zijn de journalisten, die elkaar ontmoeten op plekken waar de wereld brandt, waar doden vallen. Het is een wat ironische benaming. Het is niet de bedoeling van de makers van het boek om afstand te nemen van de lijkenpikkers en die benaming is dan ook niet terecht. Bij een lijkenpikker denk ik aan iemand die uit is op eigen voordeel en dat is hier niet het geval.
Rudi Vranckx rekent zichzelf tot de gierenclub. Hij is oorlogsverslaggever en ik heb begrepen dat televisiekijkers hem kennen. In dit boek wordt niet alleen verteld wat hij meegemaakt heeft in de verschillende brandhaarden, maar er worden ook gesprekken weergegeven tussen hem en de tekenaar, Carl Strzelecki. Aan hem moet Vranckx natuurlijk eerst het verhaal vertellen.
In het gesprek stelt Strzelecki vragen die wij als lezers ook hebben: Wat doet dat een mens? Begreep je wat er gebeurde? Went het niet, al die gruwel? Vranckx vertelt. En dan worden we ineens naar de plaats van handeling geplaatst, door de strip. We zijn erbij en maken de gruwel mee.
Directer dan de krantenberichten brengt de stripreportage de beklemming over, de angst, de ellende, het hopeloze. Daarnaast geeft De gierenclub het overzicht. We reizen langs de fronten: Tunesië, Egypte, Libië, Syrië. Elke situatie is anders, elke situatie is hetzelfde. 'Het stopt nooit', heet het laatste hoofdstuk, een waarheid waarmee we het zullen moeten doen, maar waarmee niet te leven valt.
De journalisten in de oorlogsgebieden lopen natuurlijk gevaar en er vallen ook doden. In De gierenclub worden sommige van die journalisten herdacht. Aan het eind van het boek is een lijst opgenomen van collega's van Vranckx die vermoord zijn. De lijst vult een hele pagina.
Strzelecki heeft een bijna ouderwetse manier van tekenen met veel arcerinkjes. De pentekeningen kleurt hij in met waterverf, zodat de kleuren zich niet opdringen. In alles zijn de tekeningen dienstbaar aan het verhaal.
Opvallend zijn de bladzijden waarop Strzelecki het YouTubefilmpje uitgetekend heeft waarop te zien is hoe Khaddafi gevangengenomen en gedood wordt. Het zijn gruwelijke beelden. De plaatjes zijn dan ook geplaatst op zwarte bladzijden. De tekenaar gebruikte alleen rood als steunkleur, waardoor goed te zien is hoe bloederig het eraantoe ging.
De gierenclub is een goed boek. Het geeft persoonlijk verslag van de oorlogen die er de laatste jaren gewoed hebben of nog woeden. Het is zowel informatief als betrokken, zowel zakelijk als subjectief. De kinderen van Joe Sacco worden groot.
Eerder schreef ik over Joe Sacco:
Reportages
Onder Palestijnen
Moslimenclave Gorazde
Gaza 1956
Een keuze uit andere non-fictiestrips
Margreet de Heer, Strips! 200 jaar Nederlands beeldverhaal
Lars Fiske, Herr Merz
Mauri Kunnas, The Beatles. De begindagen.
Margreet de Heer, Fijne vrienden
zondag 27 april 2014
Chrétien Breukers en de paus
In Een zoon van Limburg wijdt Chrétien Breukers een kort hoofdstuk ('Rooms', blz. 55-57) aan wat hij gelezen heeft in de Katholieke Encyclopedie. Ik heb er wat 'hm's' bij in de kantlijn geschreven. Laten we even naar dat hoofdstuk bladeren.
Breukers begint met dit citaat:
Alleen het geloof vormt de weg waarop de mens te weten komt hoe hij verlost kan worden uit zonde en dood. De rede staat machteloos als ze geconfronteerd wordt met de diepste vragen en verlangens van de mens. Daarvoor is de goddelijke openbaring vereist.Dat betekent dat Breukers aan het lezen was op de encyclopediepagina over Geloof en rede. Op het citaat lijkt me nogal wat af te dingen. Bij elk van de drie zinnen zou je 'Hoezo?' kunnen vragen. Breukers gaat alleen in op het woord 'diepste': volgens hem zijn er wel vragen en verlangens, maar is er geen diepte: 'Er is alleen maar oppervlakte, en dat is al meer dan genoeg.'
Daarover verschil ik met hem van mening. Ik denk dat er verschil is tussen 'ik zou nu wel een neut lusten' en het verlangen naar bevrijding door iemand die zucht onder terreur. Het een is een verlangen naar wat ik maar iets kleins noem, het ander naar iets groots. Als die neut nog even niet beschikbaar is, is dat minder erg dan dat de onderdrukking nog lang duurt.
Er zijn verlangens die op hun fiets voorbijkomen en die je zo vergeten bent als je even afgeleid wordt en er zijn verlangens die een leven kunnen beheersen. Dan leg ik 'diepste verlangens' uit als 'wezenlijkste verlangens'.
Er is ook een andere uitleg mogelijk. Er zijn verlangens aan de oppervlakte, in die zin dat ze voor iedereen zichtbaar zijn. Er zijn ook verlangens die iemand diep in zich verborgen houdt. Dat zal de Encyclopedie niet bedoelen. Ik noem het alleen maar omdat ik het nog niet zo gek vind dat er gesproken wordt over 'de diepste vragen en verlangens'.
Maar eigenlijk wilde ik het over iets anders hebben. Ik citeer Breukers die de Encyclopedie citeert:
Op dezelfde encyclopediepagina lees ik: 'Johannes Paulus II doceert in zijn encycliek [Fides et ratio, 1998] dat filosofie noodzakelijk blijft in het oprecht zoeken naar zin. Met spijt stelt hij vast dat sommige wijsgerige stromingen de mens op een dwaalspoor brengen: "Sommige filosofen hebben de zoektocht naar waarheid opgegeven. Het enige doel van hun wijsgerige activiteit is een subjectieve zekerheid of een bepaalde zin die in pragmatisch opzicht nuttig blijkt te zijn. Dat soort denken verduistert de ware waardigheid van de rede. Want die is dan niet meer toegerust om kennis te verwerven van de waarheid en het absolute te zoeken"'.Meteen na dit citaat reageert Breukers met: 'Wat deze paus deed, is geformuleerd in een mooie katholiek lus, niet minder dan schokkend.' Breukers zegt niet voor wie dit schokkend is. Voor de gemiddelde katholiek? Ik denk dat hij bedoelt: voor hemzelf. Dan is wat in de rest van de alinea volgt de uitleg waarom hij het schokkend vindt wat de paus beweert.
Ik kan dan weliswaar niet geloven, maar ik vertrouw soms wel op de wetenschap, op de 'subjectieve zekerheid' die kan worden gecontroleerd en desnoods verworpen. De paus gebruikt 'filosofie' als vlag op zijn modderschuit, het is zonde dat ik het zeg, en hij eist ook nog eens dat die filosofie in dienst staat van het geloof, van God.'Dat vind ík nou weer schokkend. Niet het feit dat Breukers het opneemt voor de wetenschap, maar wel het feit dat hij zo slecht leest. Dat ben ik niet van hem gewend. In bijvoorbeeld Het eerste gedicht staan mooie voorbeelden van hoe nauwkeurig Breukers kan lezen. Een enkele keer heb ik ook bij dat boek de indruk dat Breukers een voor de hand liggende interpretatie mist. Bijvoorbeeld waar hij een God in een gedicht van Geert van Istendael leest, terwijl het logischer zou zijn om de 'hij' te zien als een ladder. Het betreffende gedicht heette niet voor niets 'Ladder'.
In zijn reactie op de uitlating van Paus JPII verbindt Breukers 'subjectieve zekerheid' met 'wetenschap'. Waar haalt hij dat vandaan? Op de pagina over 'Geloof en rede' neemt de paus het juist op voor de wetenschap. Van hem wordt bijvoorbeeld geciteerd: 'Nieuwe kennis brengt ons tot de erkenning dat de evolutietheorie meer is dan een hypothese.'
De paus verzet zich (althans in dit citaat) niet tegen de wetenschap, maar tegen de postmoderne opvatting dat er geen objectieve waarheid is. Ik citeer nog maar een keer:
Sommige filosofen hebben de zoektocht naar waarheid opgegeven. Het enige doel van hun wijsgerige activiteit is een subjectieve zekerheid of een bepaalde zin die in pragmatisch opzicht nuttig blijkt te zijn.Volgens hen is er geen absolute waarheid; iedereen heeft zijn persoonlijke waarheid. Het heeft dus geen zin om te kijken wat nu 'echt' waar is, maar we moeten ons richten op hoe we om kunnen gaan met wat wij als waarheid ervaren, wat 'in pragmatisch opzicht nuttig blijkt te zijn'.
Ook de wetenschap kampt met het probleem dat het lastig is om absolute uitspraken te doen. We kunnen de werkelijkheid observeren, maar beïnvloeden die al doordat we ze observeren. Dat gezegd hebbende, kan ik ik toch niet anders zien dat dat juist de wetenschap nogal ver verwijderd is van een subjectieve zekerheid. Wetenschap probeert juist tot 'harde' resultaten te komen.
Het lijkt me dat de paus zich daar positief over uitlaat. Blijkens het citaat dat Breukers geeft, wil de paus dat kennis van de waarheid verworven wordt en dat het absolute gezocht wordt.
Die filosofie waarover de paus het heeft, wordt hier volgens mij juist als tegenhanger van het geloof geposteerd. In Fides et ratio neemt de paus zowel stelling tegen het rationalisme als tegen het fideïsme. Kortweg zegt de paus: niet alleen het geloof, niet alleen de rede.
Ik lees het citaat dan ook als volgt: Naast geloof blijft filosofie noodzakelijk in het oprecht zoeken naar zin. Dat zou schokkend kunnen zijn voor de katholiek die altijd het Sola fide heeft aangehangen, maar ik kan mij niet voorstellen dat Breukers dat het schokkende vindt.
Intussen bevind ik mij in een lastige positie. Ik geef hier weer wat een paus volgens mij bedoelt, terwijl ik de paus helemaal niet wil verdedigen. De hoezo's die ik hierboven noemde, kan de paus niet wegnemen; hij heeft ze juist opgeroepen. Ik wil nog wel erkennen dat er meer is dan alleen de rede, maar dat er goddelijke openbaring nodig is wanneer we worden geconfronteerd met de diepste vragen en verlangens, ontken ik. Dat is mijn 'subjectieve zekerheid'.
Aan de andere kant zit ik ook helemaal niet te springen om Breukers aan te vallen, die met een zoon van Limburg een mooi boek geschreven heeft. Maar het hoofdstukje 'Rooms' acht ik dubieus.
En dan heb ik het nog niet eens gehad over de 'hm' die ik noteerde bij deze observatie van Breukers:
Daarnaast wil de mens boeten, almaar boeten. Ook als er geen sprake is van schuld, en er is nooit sprake van schuld.Van zichzelf zegt Breukers dat hij geen aanleg heeft voor schuldgevoel. Hoe komt hij dan op het idee dat 'de mens' altijd wil boeten? Ik vraag mij af of de mens wel zo boetvaardig is. En is er nooit sprake van schuld? Misschien moet ik, in navolging van Breukers zo'n uitspraak 'schokkend' noemen. Wat moeten we met ons rechtssysteem als schuld niet bestaat?
Goed, dat laat ik nu verder maar zitten. We hoeven niet roomser te zijn dan de paus.
Meer over Breukers:
Over Een zoon van Limburg.
Over Naar een einde waar niemand ons bijstaat
Over Het eerste gedicht
vrijdag 25 april 2014
De scharensliep (Aan de deur 9)
![]() |
| Scharensliep, ongemotoriseerd, 1974 |
Zo gaat dat tegenwoordig dus. Ik herinner me de scharensliep als iemand die aanbelde om te vragen of de vrouw des huizes messen of scharen te slijpen had. Je had goede scharenslijpers en klungels, die je messen of scharen zo konden slijpen dat ze nooit meer te gebruiken waren.
Op één scharenslijper kon je blind vertrouwen. Ik weet niet of ik zijn naam goed spel, maar mijn moeder sprak die uit als Valiezen. Valiezen leverde altijd goed werk. Ik herinner me ook wel slijpers waarover mijn moeder niet tevreden was.
![]() |
| Het vrije volk, 2 december 1968 |
Een van die slijpers nam een groot mes van mijn moeder aan om dat te slijpen. Ze vroeg vooraf hoeveel het was. Hij noemde de prijs. 'Een knaak of zo', vertelde mijn moeder die zich het exacte bedrag niet meer kon herinneren. Een jonge vrouw (zijn dochter?) bracht het mes terug en zei dat het vijf gulden was, wat mijn moeder natuurlijk niet wilde betalen. Het was erg veel werk geweest, vertelde de vrouw, maar daarmee vermurwde ze mijn moeder niet. De vrouw dreigde het mes te houden, waarop mijn moeder zei dat dat goed was, maar dat ze dan wel de politie ging bellen. Ze kreeg het mes terug en betaalde de vooraf afgesproken prijs.
Het verhaal is te vergelijken met dat van de scharensliep met wie ik opende: een bedrag afspreken en dan achteraf zeggen dat het duurder was. Indertijd was het zeker niet de gebruikelijke gang van zaken; anders had mijn moeder het verhaal over deze ene keer niet op die manier verteld. Uniek was het ook niet: In Het vrije volk van 2 december 1968 wordt er gewaarschuwd tegen dergelijke slijperspraktijken.
Scharenslijpers had je volgens mij alleen maar langs de weg. Nergens bij ons in de omtrek was een slijperij waar je met je botte messen naar toe kon. Ik vroeg mij af of het woord 'straatslijper' daarmee te maken had. De etymologiebank leert mij dat een straatslijper hetzelfde is als een baliekluiver, een kaailoper of een lanterfanter. Iemand die de straat 'slijpt', dus glad maakt, doordat hij altijd buiten rondloopt.
Al in de jaren zestig (als ik het mij tenminste goed herinner) waren de scharenslijpers gemotoriseerd: ze zetten een motortje aan dat de slijpsteen rond liet draaien. Nog langer geleden moest de slijper zelf de steen in beweging brengen: er hing een boom onder de slijpwagen waarop de scharensliep trapte. Het aandrijfsysteem zal wel ongeveer hetzelfde gewerkt hebben als bij de trapnaaimachine van mijn moeder.
Dat gegeven was in mijn jeugd nog wel bekend. Ik heb 'op bruiloften en partijen' nog wel opgetreden als scharensliep, samen met iemand anders. De eerste keer was dat mijn kamergenoot op het internaat, later vervulden neven de rol van slijperskar. We kwamen binnen, al kruiwagen rijdend: ik had mijn hulp bij de enkels vast en hij liep op zijn handen vooruit. Met enige fantasie zag het eruit als een kruiwagen.Daarbij zong ik een eenvoudig lied, dat slechts bestond uit twee regels die steeds herhaald werden:
Scharensliep! Scharensliep!
Alles wat de man verdient, verzuupt het wief.
![]() |
| 1977 |
![]() |
| 1982 |
Onder het slijpen vertelde ik over mijn leven als scharensliep. Eigenlijk kwam het verhaal neer op een stel moppen die ik verzameld had. Tussendoor nam ik slokken water uit een jeneverfles. Omdat de steen nogal droog was, spuugde ik er geregeld water over en aan het eind gooide ik mijn hulp helemaal nat. Men vond dat leuk.
Of scharenslijpers een reputatie als dronkelap hadden, weet ik niet. Ik weet ook niet of ze sowieso een slechte reputatie hadden. In Neerlands volksleven van D.J. van de Ven uit 1920 las ik:
De scharesliep was in den Gelderschen en Overijselschen Achterhoek lang niet de maatschappelijke paria, zooals sentimenteele zedeprekes wel eens hebben trachten aan te toonen. Lustige, vroolijke kwanten waren het.Verderop wordt het nog gesproken over ‘de bandelooze vrijheid, welke het scharenslijpersvolkje altijd als eerste en voornaamste recht heeft beschouwd in zijn tekkend bestaan.’ Het lijkt me dat Van der Ven niet vies is van generaliseren. Ik kan me niet voorstellen dat scharenslijpers alleen maar 'vroolijke kwanten' waren.
Van de Ven citeert een slijperslied:
Toen ik jong was van jaren
Liep ik met mijn slijpersteen
In mijn vak zeer goed ervaren
Liep ik naar alle oorden heen
‘k Liep overal in ’t rondIn de Indische Courant van 15 januari 1942 staat een berichtje over een 'scharensliep-fonds'. Ik kan niet achterhalen wat de context is. Ging het de scharenslijpers slecht en moest er voor hen een fonds opgericht worden?
Of ik iets te slijpen vond
Al van den vroegen morgen
Tot aan den avondstond.
De scharensliep is er in ieder geval al heel lang. Al in de zeventiende eeuw komen er afbeeldingen voor van de scharensliep.
![]() |
| Adriaan van Ostade, ca. 1671 |
Sa vrienden voor het leste:
Al' ambachten zijn goed,
Maar 't mijn is toch het beste,
Schoon ik soms slapen moet
Op hooi of stro of in enen stal,
Daar heb ik kost voor niemendal.
Ik vond nog een andere, langere versie, maar ik weet niet hoe betrouwbaar die is. De strekking is dezelfde.
Er is tegenwoordig niemand meer die zijn keukenmessen of zijn scharen laat slijpen. Wat niet goed meer functioneert, wordt vervangen. Vroeger werd het slijpen trouwens niet altijd aan professionals overgelaten. Mijn opa had bij het kippenhok een slijpsteen staan, met een waterbak eronder. Als je die vulde, draaide de steen door het water, zodat hij nat bleef. Mijn moeder haalde wel eens buiten een mes over de stenen bij een hoek van het huis. Ik ken ook nog verhalen over aanzetriemen waarlangs scheermessen gehaald werden. Dat heb ik niet meer meegemaakt.
| Strekel, haarhamer, haarspit |
Eens in de zoveel tijd werd de zeis 'gehaard'. Daartoe werd er een metalen aambeeldje (haarspit) met een pin in de grond geslagen. Mijn vader ging er plat op zijn billen bij zitten, benen om het aambeeldje heen. Met zogeheten haarhamer klopte hij dan het snijvlak van de zeis weer scherp. Volgens mij gebeurde het maar een paar keer per jaar. Er zullen nog wel folkloristische groepen zijn die dat in ere houden, maar het is nu een curiositeit geworden; vroeger zag je het geregeld.
Voor de scharensliep is er intussen geen werk meer, net zoals voor de olieboer, kolenboer of de koeienschetser.
maandag 21 april 2014
Kop en staart (Catherine Lewis)
Als je een verhaal vertelt, moet er wel een kop en een staart aan zitten. Catherine Lewis noemde haar boek dat de verhaaltheorie behandelt dan ook Kop en staart. Ze neemt daarbij een heel kort gedichtje als uitgangspunt:
Drie blinde muizen renden de boerin achterna.Je zou kunnen zeggen dat dat nu juist een verhaal zonder staart is, maar de mededeling is duidelijk. Dit gedichtje staat op de bladzijde 'Verhaal'. In de rest van het boek komt dit gegeven steeds terug. Bij elk onderwerp dat Lewis behandelt, illustreert ze het aan de hand van de muizengeschiedenis.
Ze hakte hun de staart af met een vleesmes uit de la.
'Stijl' legt ze bijvoorbeeld uit door het verhaal te vertellen in verschillende stijlen. In de stijl van Dickens wordt het:
Het waren de besten der muizen, het waren de slechtsten der muizen, ze leefden in een kooi van wanhoop, ze leefden in een eeuw van wijsheid, ze hadden alles voor zich in het lab, ze hadden niets voor zich in het wild, ze zouden het allemaal overleven, ze zouden dat allemaal niet doen - kortom, hun leven was tot dusver precies als het onze...Homerus zou het anders doen:
Muze, verhaal van de muizen van velerlei wegen, die jarenlang rondzwierven na heel het lab in vlammen te hebben doen opgaan.Fraai is de Hemingwaynabootsing:
Drie muizen. Vrouw met mes. Geen staarten.Intussen krijgen we ook het een en ander van de voorgeschiedenis mee: de muizen zaten in een lab, waar er proeven met hen werden gedaan. Daardoor zijn ze blind. Ze zijn ontsnapt uit het lab, waarbij het hele gebouw in de hens is gegaan.
De behandeling van de verschillende aspecten van een verhaal doet Lewis nauwkeurig, maar dat doen meer studieboeken. Lewis blijft er ook nog lichtvoetig en onderhoudend bij, waardoor Kop en staart ook nog eens leuk is om te lezen.
Achter in het boek staan alle aspecten keurig op een rijtje, nog wat verder uitgewerkt, los van het muizenverhaal. Dat gedeelte kan als naslagwerk dienen. Wie wil weten wat een allegorie, een archetype, een leidmotief of een onbetrouwbare verteller is, kan dat snel opzoeken.
De aantrekkelijkheid van het boek van Lewis wordt nog eens verhoogd door de schitterende tekeningen van Joost Swarte. Het is hem gelukt om bij elk onderdeeltje een mooie, strakke muizentekening te maken. Dat was niet altijd gemakkelijk: hoe teken je 'Personage' of 'Bildungsroman' of 'Vertaling'? Swarte kan het.
Ten slotte is Kop en staart ook nog als boek mooi: harde kaft, gebonden, het goede papier. Als ik het niet al had, ging ik het kopen.
![]() |
| Illustratie bij 'Vertaling' |
![]() |
| Illustratie bij 'Proloog' |
zondag 20 april 2014
Beproevingen (Jan-Willem Anker)
Tja, wat heeft Jan-Willem Anker eigenlijk geschreven in het boekje Beproevingen? Achterin schrijft hij 'teksten' en dat is waar. Ze zien er niet uit als gedichten, al heeft het boekje toch iets dichtbundelachtigs. Maar verhaaltjes zijn het eigenlijk ook niet. Daarvoor hebben ze te weinig verhaal.
Laten we er eerst maar eens eentje lezen:
Buitenstaander
Ik hoorde er niet meer bij. Ik deed niet mee. Ik lag uit de groep. Waarom had ik niet het borsthaar van een Siciliaan? Of een brede, geoliede tors? Ik was hip noch gewild. Ik had er de kop ook niet voor. Op cocktailparty's zat niemand op mij te wachten, hoewel ik thuis mijn eigen shaker had. Natuurlijk, ik wilde er niet bij horen en meedoen interesseerde me al helemaal geen moer. Ik hulde me nooit in designerlompen en hield me ver van kreten en credo's. Ik laafde me aan verschoppelingen die elkaar buiten bereik van de televisiecamera's snotterend stonden te omhelzen.Dit is wel een typerende tekst uit 'Beproevingen', maar misschien zijn alle teksten daarin wel typerende teksten. 'Buitenstaander' gaat over een 'ik', zoals alle teksten in de bundel. Die 'ik' houdt zich afzijdig van de anderen. Er zijn anderen, maar hij hoort er niet bij.
In veel verhalen (zo noem ik ze dan toch maar) is er een ik die binnen blijft en juist in het verhaal de buitenwereld opzoekt. Eigenlijk wordt het nooit wat. Soms maakt hij vreemde dingen mee, die echter verteld worden alsof ze de gewoonste zaak van de wereld zijn. Het gebeurt om hem heen, maar meestal is hij niet degene die de actie onderneemt, behalve dan het op pad gaan.
In veel stukken zitten mooie zinnen en sommige zijn ook humoristisch: 'Dagelijks fouilleerde ik mezelf, hoewel dat kietelde.' Of: 'Ik overwoog mijn laatste geld te spenderen aan een reis naar Beiroet om daar bij een aanlandig windje stijlvol te verkommeren.' Van die zinnen moet Beproevingen het, wat mij betreft, dan ook wel hebben.
Over het algemeen worden de omstandigheden vaag gehouden en het lijkt alsof ook voor de 'ik' veel onduidelijk is: 'Ik dacht aan ontsnappen maar vroeg me af waaraan.' Mij was dat op den duur te onbestemd. Het zal wel de bedoeling zijn, maar het had tot gevolg dat ik er maar moeilijk mijn aandacht bij kon houden. Gaandeweg kreeg ik het idee dat Anker met gemak nog tweehonderd van dit soort teksten zou kunnen schrijven of dat hij had kunnen volstaan met de helft van de teksten en dat dat eigenlijk niet uitgemaakt zou hebben.
Een sfeer, een 'ik', wat gebeurtenisjes, wat mooie zinnen - meer hou ik niet over aan Beproevingen. Dat is me te weinig.
Jan-Willem Anker, Beproevingen.
Uitg. De Arbeiderspers, Utrecht/Amsterdam/Antwerpen 2013
64 blz. € 18,95
Vijftig tinten grijs (Knipoog 32)
In zo'n beetje iedere krant kreeg het boek een slechte kritiek, maar de verkoopcijfers waren duizelingwekkend van Vijftig tinten grijs en in iets mindere mate van de opvolgers Vijftig tinten donkerder en Vijftig tinten vrij. Vooral vrouwen zouden deze boeken van E.L. James lezen, al weet ik niet in hoeverre dat daadwerkelijk onderzocht is.
Ook iedereen die het boek niet gelezen heeft, en daar behoor ik ook bij, kent op zijn minst de titel. Toen ik in een antiquariaat de dichtbundel Veertien tinten blauw van Aleidis Dierick zag liggen, moest ik meteen aan de boeken van James denken. Zo dringt de pulp de literatuur binnen.
Intussen is er al heel wat geknipoogd naar Vijftig tinten grijs. De uitdrukking 'Zoveel (vul zelf een getal in) tinten (vul zelf nog wat in)' ben ik al tientallen keren (gok ik) tegengekomen. In krantenkoppen nog niet.
Maar nu wel. Boven het artikel van Robert van Dijk, dat aangekondigd stond met een knipoog naar Liefde in tijden van cholera (zie hier), in Trouw van zaterdag 19 april 2014, staat de kop 'Vijftig tinten Tinder'. De titel van James is zo bekend, dat deze knipoog voor veel mensen acceptabel zal zijn. Het woord 'tinten' heeft zijn oorspronkelijke betekenis in deze kop verloren. Het gaat hier immers niet om kleuren.
Ik neem aan dat 'tinten' in deze context niet meer 'kleurnuances' betekent, maar 'nuances' of misschien wel 'soorten'. Het zal me niet verbazen als er in het komende jaren vaker koppen variëren op Vijftig tinten grijs en als het over Tinder gaat, gaat iemand misschien nog knipogen naar Elvis: 'Love me Tinder'.
zaterdag 19 april 2014
Liefde in tijden van cholera (Knipoog 31)
Deze week overleed de grote Gabriel García Márquez. In Colombia reageert men gepast: er is een periode van drie dagen nationale rouw afgekondigd. De vlaggen op de overheidsgebouwen hangen dan halfstok en de burgers is gevraagd dat met hun vlag ook te doen.
Het werk van Márquez is nog bijzonder levend. Verschillende keren wordt er in krantenkoppen verwezen naar Kroniek van een aangekondigde dood. Ik wees daar bijvoorbeeld hier op. Ook noemde ik verwijzingen naar Honderd jaar eenzaamheid (hier) en naar Liefde in tijden van cholera (hier).
Naar dat laatste boek werd dit weekend opnieuw verwezen, in Trouw, op de voorpagina van het bijvoegsel 'Tijd' én op de voorpagina van de krant: 'Liefde in tijden van Tinder'. Dat is een mooie knipoog, vooral vanwege de alliteratie tijden/Tinder. Degene die het bedacht heeft, ging ervan uit dat iedereen die het leest, automatisch aan de titel van Marquez moest denken. Terecht, vermoed ik.
Ik neem aan dat de bijlage al zo ongeveer klaar was toen Marquez zijn laatste adem uitblies. Dan wordt hij onbedoeld postuum geëerd. Dat vind ik wel mooi.
Boven het artikel zelf stond ook nog een knipoog. Daarover schrijf ik in mijn volgende bijdrage.
Abonneren op:
Posts (Atom)
















