dinsdag 31 december 2013

Nu in handige meeneemverpakking





In 2011 publiceerde Ted van Lieshout een prachtboek voor kinderen: Driedelig paard. In het boek stonden teksten die als een blok op de pagina stonden: de regels uitgevuld en de hele pagina benut. Geen titel, geen verdeling in alinea's.

En dan waren het ook nog eens goede teksten. In de eerste afdeling stonden verhalen waarin sprookjesmotieven voorkwamen, bijvoorbeeld een kabouter of een zeemeermin, en er waren heel wat verhalen over ouders en kinderen. Verschillende keren beklaagden ouders zich over kinderen of andersom. Een moeder had kritiek op de tekening die ze voor Moederdag had gekregen; die was zo slecht, dat ze hem niet eens op de koelkast wilde hangen. En een kind uitte het vermoeden dat zijn ouders alleen een kind wilde, omdat dat klusjes voor hen op zou kunnen knappen. Als tegenwicht stond in het midden van het boek het titelverhaal: een mooi, broos verhaal over een vader en een kind.

Ook in Nu in handige meeneemverpakking staan de verhalen als blokken afgedrukt. Het thema ouders en kinderen speelt een minder belangrijke rol, maar het is er nog steeds. Een kind beklaagt zich erover dat moeder het grappig vindt als het ongelukkige bewoordingen heeft gekozen en dat ze dat verder vertelt. Verder vraagt een kind of het gezellig was met oom Marcel (een naam die verschillende keren in het boek terugkomt), terwijl moeder ontkent dat oom Marcel is blijven slapen.

Qua thematiek sluit Van Lieshout in enkele teksten ook aan bij Mijn meneer uit 2012. Eerlijk gezegd heb ik dat boek niet gelezen, maar ik heb er wel over gelezen. In dat boek beschrijft Van Lieshout hoe hij als jongetje van elf benaderd werd door een pedofiel en hoe de relatie met die meneer zich ontwikkelde. Van Lieshout praat wat de meneer gedaan heeft niet goed, maar hij nuanceert wel het beeld dat er van pedofielen bestaat. Deze meneer is bijvoorbeeld geen verkrachter.

In Nu in handige meeneemverpakking staat een tekst over de veertienjarige Nancy, die seksueel contact met een volwassene uitlokt, 'omdat zij van mening is dat zij alleen een gezonde seksuele ontwikkeling kan doormaken als zij daarbij hulp krijgt van iemand die daarin meer ervaring heeft.' Ook is er een tekst waarin iemand  betoogt 'dat het strelen door een volwassene van de penis van een kind door de maatschappij abjecter gevonden wordt dan het 'mutuleren' van een kind doordat een volwassene ongevraagd de penis van dat kind aanraakt om de voorhuid te kunnen wegsnijden'.

Verder veel teksten over consumentenleed: iemand van wie het bonuspasje niet gescand is, iemand die zich ergert aan de kreet 'Nu met meer inhoud', een ander die de leus 'vers van de plank' misleidend vindt en een telefonische hulplijn die iemand van het kastje naar de muur stuurt.

Opvallend veel teksten spelen zich af in de zorg, in allerlei inrichtingen. Vaak gedragen patiënten (tegenwoordig heten die cliënten, geloof ik) zo, dat het personeel er geen raad mee weet. Ze vragen hun collega's dan om advies. De zakelijke toon waarop die brieven gesteld zijn, is soms grappig, soms schrijnend.

Nu in handige meeneemverpakking is een vermakelijk boek. Het zijn wel erg veel teksten (zo'n honderd) en het is niet raadzaam om die allemaal na elkaar te lezen. Daarvoor varieert de toon te weinig. Ik was minder verrast dan door de teksten in Driedelig paard, maar misschien komt dat ook doordat het nieuwtje er nu af is.

Visueel werken de 'blokken' goed. In het voorwoord schrijft Van Lieshout dat hij de vormkenmerken van de verschillende genres heeft weggepoetst, zodat de tekst het echt moet hebben van de woorden. Soms blijkt hij toch niet helemaal zonder de vorm te kunnen. Bij een dialoog kun je de sprekers alleen uit elkaar houden, doordat van de een de tekst cursief gedrukt is. Vaak lees je door de vorm (of het gebrek eraan) heen: na een paar regels heb je wel in de gaten met wat soort tekst je te maken hebt. Noodzakelijk is de blokvorm dan ook niet. Mooi wel.

In het filmpje: de eerste versie van Nu in handige meeneemverpakking



'Stiefmoeder', tekst uit Nu in handige meeneemverpakking


Illustratie uit Nu in handige meeneemverpakking

vrijdag 27 december 2013

Kolenboer (Aan de deur 2)


In een eerdere bijdrage vertelde ik dat ik weinig herinneringen heb aan de olieboer. Aan de kolenboer heb ik er meer, waarschijnlijk doordat hij vaker kwam. Er waren mensen met een kolenhok, die de voorraad voor de hele winter in één keer lieten komen, maar dat hoorde ik pas veel later. Ik herinner het me niet uit mijn familie.

Zou de kolenboer wekelijks langsgekomen zijn? Het zou kunnen, maar ik vermoed dat we steeds brandstof voor enkele weken insloegen. Als het weer zover was, kwam de kolenboer met zijn vrachtwagen. Als ik het mij goed herinner, was het een rode Bedford. Op de spatborden aan voorkant stond aan beide kanten een naar buiten wijzende pin met een knop erop. Pas later heb ik me gerealiseerd dat die pinnen functioneerden als de snorharen van een kat. Ze gaven aan hoe breed de vrachtwagen was. Als de pinnen door de deuropening pasten, paste de hele vrachtwagen erdoor. De foto hierboven (uit 1951) is van een andere vrachtwagen, met andere 'pinnen' voorop.

In gedachten zie ik de kolenboer voorzichtig achteruit de deel op rijden, maar ik vraag me af of mijn geheugen me niet bedriegt. Als de kolenboer maar een beperkte hoeveelheid brandstof moest lossen, zou hij dan wel de moeite genomen hebben om de twee grote achterdeuren te openen, de paal in het midden te verwijderen en de vrachtwagen achteruit door de deuropeningen te manoeuvreren? Kon hij dan niet makkelijker een paar keer heen en weer lopen? Dat gebeurde in ieder geval ook. Ik zie de vrachtwagen ook achter het huis staan.

De kolenboer heette Elting. Zijn bijnaam was 'de cuum', wat ik in gedachten altijd met een 'c' schreef, maar misschien was het wel 'de kuum'. Of ik die naam als klein jongetje al kende of hem wat later hoorde, weet ik niet. Mijn ouders gebruikten die bijnaam nooit, maar hadden het altijd over Elting de kolenboer, om hem te onderscheiden van Jantje Elting, de kachelsmid. Die woonde in het pand naast hem, in Andelst, en ik weet dat hij ook pannen verkocht. Bij een van de twee op het erf stond een ijzeren gevaarte waarin paarden vastgezet konden worden als ze beslagen moesten worden. Ik weet niet zeker meer of ik dat wel eens meegemaakt heb.

Elting de kolenboer droeg een platte pet, een blauwe kiel, een zwarte broek en zwarte schoenen met ronde neuzen. Ik zeg het nog maar eens: voor zover mijn geheugen tenminste klopt. Terwijl ik dit neertik, vraag ik mij bijvoorbeeld af of de kiel oorspronkelijk niet grijs was. Kleuren waren sowieso lastig te zien, want de kolenboer was zwart door het stof van de kolen. De zakken die hij droeg, waren vanboven open. Zodat hij ze gemakkelijk kon storten natuurlijk, maar bij ons hoefde dat niet. De zakken werden voor op de deel neergezet. We schepten de kolen met een kolenschep uit de zak in de kolenkit.

Niet alleen zijn kleren waren zwart van het stof, maar ook zijn handen en zijn gezicht. Dat vond ik altijd een fascinerend gezicht: zijn ogen lichtten bleek op, als van Zwarte Piet. Volgens mij rookte Elting van tijd tot tijd een sigaar, die voor mijn gevoel altijd al opgerookt was tot een stompje als hij bij ons aankwam.

eierkolen in een kolenkit
De zakken kolen droeg hij op zijn schouder/nek. Ik weet dat er kolenboeren waren die een jute zak op hun schouders legden en ik heb ook wel beelden gezien van mensen die een stukgesneden zak als een soort capuchon op hun hoofd hadden, waarbij de punt van de zak als een soort puntmuts op hun hoofd zat. Dat had onze kolenboer in ieder geval niet.

Hoe zwaar zou zo'n zak geweest zijn? Vijftig kilo, schat ik. Maar het zou ook veertig of vijfentwintig kunnen zijn. Of werd de hoeveelheid kolen niet uigedrukt in kilo's, maar in zoveel mud? Dat laatste, vermoed ik, maar dan wil ik toch graag weten hoeveel kilo er in zo'n zak ging. Nam de kolenboer af en toe twee zakken tegelijk op zijn schouders? Het zou kunnen; ik ben er niet zeker meer van.

Wij hadden eierkolen. Antraciet was voor mensen die het beter konden missen. Eierkolen hadden de vorm die de naam al suggereert. Ze bestonden uit samengeperst steenkoolstof. Op hoe we de kachels precies stookten kom ik later nog wel eens terug. In de eierkolen stond soms een tekentje of een letter geperst, herinner ik me.

Naast eierkolen leverde de kolenboer ons turf, dat bij het aanmaken van de kachel gebruikt werd. Turf was niet zwaar, maar wel stoffig. Een baal turf werd door ijzeren banden bij elkaar gehouden. Mijn vader knipte ze met de nijptang door. Dat deed hij ook met de banden die de briketten bij elkaar hielden.

briket
Briketten zagen eruit als een soort zwarte bakstenen. Als je ze in de kachel gegooid had, konden ze uren blijven gloeien. Wat gegoogel leert me dat er bruinkool- en steenkoolbriketten bestaan. Ik heb nooit beter geweten dan dat onze briketten van steenkool waren, maar misschien heb ik dat gewoon aangenomen omdat ik niet beter wist.

De kolenboer kwam ook bij ons in de keuken, herinner ik me. Na afloop, denk ik, als hij de kolen al gelost had. Dat zou dan betekenen dat hij de bestelling vooraf wist. Dat kan vanaf 1969 het geval geweest zijn. In dat jaar verhuisden we van de Merkenhorststraat naar de Schoolstraat. Toen kregen we telefoon, in de gang. Misschien dat we toen telefonisch doorgaven wat er bezorgd moest worden.

Tot die tijd zal de kolenboer waarschijnlijk gewoon zijn ronde gedaan hebben en aan de vrouw des huizes gevraagd hebben of er nog kolen moesten zijn. Werd de kolenboer contant betaald? Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed van wel. Terwijl ik de mogelijkheid opschrijf, zie ik de kolenboer zijn portemonnee pakken en met zijn zwarte vingers rommelt hij in het kleingeld. De bankbiljetten gingen in de portefeuille, die met een kettinkje bevestigd was aan het knoopsgat in de reverskraag van zijn kiel. Of verzint mijn geheugen dat? Uit de Heerenveensche koerier van 8 juli 1949 blijkt in ieder geval dat niet iedereen contant betaalde. Tenminste in die tijd, op die plaats.

Heeft de kolenboer af en toe thee bij ons gedronken als hij de kolen gelost had? Het zou zomaar kunnen, maar ik ben er niet zeker meer van. In ieder geval herinner ik me hem goed. Ik kan zijn stem horen, ik zie zijn handen, met de vrij korte vingers. Zou ik hem herkennen als hij schoongewassen op zijn fiets voorbij zou komen? Misschien wel niet. Ik zag hem immers altijd zwart.

Hoe lang er in Nederland kolenboeren langs de deuren zijn gegaan weet ik niet. In het Limburgs Dagblad van 7 februari 1979 komt Nies Michiel aan het woord, die dan net als kolenboer gestopt. 'Tot 1970 ging het nog redelijk', zegt hij. 'Daarna loonde het nauwelijks de moeite meer.' Bij ons zal niet lang daarna de gaskachel zijn intrede hebben gedaan, vermoed ik. En veel mensen zullen toen al centrale verwarming gehad hebben.

In 1958 werd de Stichting Propaganda Vaste Brandstoffen opgericht. De stichting zette advertenties (zie hieronder) en bedacht slogans als 'Met kolen gezelligheid voor het opscheppen' (1964) en 'Waar een kolenvuur vlamt, leeft de gezelligheid' (1966). Maar het bekendst werd toch 'Gezellige mensen stoken kolen'. Vooral ook omdat die ook bij latere slogans ergens in de advertentie bleef staan.

Dat mensen die kolen stoken gezelliger zijn dan mensen met een centrale verwarming, gelooft niemand meer. Maar een beetje heimwee naar de gloed van de kolenkachel heb ik nog wel.



1966


donderdag 26 december 2013

Meideles



Meideles, van Leela Corman, is geschreven 'voor New York', alsof het een ode aan New York is. Dat is opmerkelijk. Weliswaar speelt een groot deel van de beeldroman zich in deze stad af, maar wel in het New York van begin twintigste eeuw. Ook blijkt dat New York niet ideaal: het leven daar is bepaald geen pretje, maar misschien geldt dat volgens Corman voor het leven in het algemeen. Misschien was New York wel de stad die het leven mogelijk maakte dat de meideles (meiden) leidden om wie het boek draait.

Die meiden zijn de tweelingzussen Fanya en Esther. Al op de eerste bladzijde krijgt Fanya een draai om haar oren van haar moeder, om een onbenulligheid, die haar ook nog 'idiotke' noemt. Uit de jiddische woorden die in alle gesprekken vallen, is al snel op te maken dat het verhaal zich afspeelt in de Joodse gemeenschap. Die woorden worden achter in het boek overigens allemaal verklaard.

Meideles had wat tijd nodig voordat het me overtuigd had. In het begin worden wat kleine voorvallen uit het leven van Fanya en Esther verteld. Die lijken willekeurig, maar Corman weet wel degelijk waar ze naartoe werkt. Ze laat ons zien hoe twee meisjes proberen greep te houden op hun leven. Ze lijken onbetekenend en het lot doet met ze wat het wil, maar ze proberen hun rug recht te houden, zich doelen te stellen en die die doelen te bereiken.

Fanya wordt assistente van een abortusarts, mevrouw Bronia, en krijgt steeds meer oog voor vrouwenrechten. Als ze condooms verstrekt aan vrouwen, om te voorkomen dat ze zwanger worden en geaborteerd moeten worden, gaat ze volgens Bronia te ver. Ze verstrekt de preservatieven immers ook aan mogelijk ongetrouwde vrouwen.

Esther wordt danseres en gaat werken in een bordeel. Ze verdient veel, maar ze moet wel haar best doen om te voorkomen dat ze uitgebuit wordt en binnen een paar jaar afgeschreven is. Ook weet ze wel dat ze niet bij iedereen aanzien geniet. De man die haar begeleidt op een chique feest zegt tegen haar: 'Liefste, jij staat nooit voor gek. Jij bent mijn grootste schat.' Esther antwoordt dan: 'Jouw schat, hun vuilnis. Ik maak me geen illusies.' Graag zou ze een eigen theater hebben.

Om te laten zien welke weg al afgelegd is voor de geboorte van de meisjes, worden we in enkele hoofdstukken teruggevoerd naar de tijd voor hun geboorte, toen hun vader nog niet in Amerika woonde. Ook toen was het sappelen. Hij was zelfs zijn leven niet altijd zeker.

Het boek is doortrokken van de hardheid van het leven. Je moet je tanden in de onderlip zetten en zorgen dat je staande blijft. Dan nog is het onzeker of je het redt. Langzaamaan krijgt de lezer mededogen met deze zelfbewuste vrouwen, die hun kleine rol op het grote wereldtoneel zo overtuigend mogelijk proberen te spelen. Of ze het uiteindelijk redden om overeind te blijven, blijkt aan het eind van het boek.

Leela Corman won met dit boek de Prix Millepages, kreeg een nominatie voor een Eisner Award en won de LA Times Book Award en de Prix Artemisia. Meideles verscheen oorspronkelijk onder de titel Unterzakhn, wat jiddisch is voor ondergoed.

Op haar beste momenten tekent Corman met een soepele lijn en sommige van haar tekeningen doen wel wat denken aan die van Craig Thompson. Maar niet alle plaatjes zijn geslaagd. De beharing van sommige personen is naar mijn smaak soms lelijk getekend. Uiteindelijk blijkt het verhaal zo sterk, dat je dat voor lief neemt. Je wilt vooral weten hoe het met de meideles afloopt. Je hoopt van harte dat ze het gaan redden. Als je het boek dichtslaat, weet je of hun dat gelukt is en daarna spoken ze nog een tijdje rond in je hoofd.

Esther Corman over Unterzakhn:

Hieronder een kort filmpje waarin Leela Corman Esther tekent. 


Op YouTube zijn ook heel wat filmpjes te vinden waarin Leela Corman als buikdanseres te zien is. 

dinsdag 24 december 2013

Ventoux


Het is een beproefd recept voor een roman: een groep vrienden, vlak voor de volwassenheid. De tijd van de middelbare school is voorbij en het leven ligt voor hen open. Ze zijn nog een keer bij elkaar en daarna verliezen ze elkaar uit het oog. Na jaren komen ze weer samen.

Mij schieten meteen enkele titels te binnen: De provincie van Jan Brokken, De dijk waarlangs we lagen van Fleur Bourgonje, De weg naar Caviano van Doeschka Meijsing, Grip van Stephan Enter. Al die boeken herinner ik mij als 'mooi', wat te maken zal hebben met de melancholie die altijd in dit soort romans sluipt. En met mijn leeftijd natuurlijk, waarin je van tijd tot tijd op een reünie oude schoolmakkers in de ogen kijkt.

De beloften van vlak voor de volwassenheid zijn intussen al dan niet ingelost. Van alles waaruit je kon kiezen heb je enkele dingen gekozen en heel veel dus niet gekozen. Je verleden is groter dan je toekomst.

Ook Ventoux is zo'n boek: in 1982 was een groep jongeren bij elkaar bij de Mont Ventoux: de verteller, Bart, die misdaadverslaggever geworden is; de dichter Peter Joost die een beroemd (en frauderend) wetenschapper zou worden; André, die in de drugshandel terecht zou komen; David, die het reisbureau van zijn vader zou overnemen en de beeldschone Laura, muze van Peter. Na dertig jaar komen ze weer samen op die plek.

Toen ik eraan begon, wist ik dat Ventoux een boek is dat lekker leest. Iemand had op Facebook gepost dat hij het een prachtboek vond, maar dat is iemand die zelf geregeld op een racefiets stapt. De recensies waren, geloof ik. wel positief.

Maar in het begin van het boek gaat het meteen mis. Op pagina 17 zijn we in het jaar 1970, de hoofdpersoon is zes jaar oud. Zijn vriend André ligt op de bank de Sjors te lezen: 'Sjakie en de Wondersloffen'. Die strip heet net iets anders: De wondersloffen van Sjakie, maar dat vind ik nog niet zo erg. Beroerder is dat in 1970 die strip helemaal niet in de Sjors stond. Die wordt pas in 1972 geplaatst, in nummer 19. Aan het begin van dat jaar is Kangoeroe Binkie nog de voetbalstrip en zelfs die stond er in 1970 nog niet in.

Hm, ik merk dat ik met een zekere argwaan aan Ventoux begin en dat ik scherp let op tijdsaanduidingen. Maar nergens vind ik verder een anachronisme. Goed documenteerwerk. Bovendien heeft het verhaal me al snel te pakken.

Ook heeft Wagendorp behoorlijk wat krediet. In 2005 las ik zijn verhalenbundel De dubbele schaar, met daarin prachtige sportverhalen. Ergens moet het boek nog zijn, maar zonder het na te kijken herinner ik me in ieder geval de verhalen over Greg Lemond en Bob Beamon. Eigenlijk zijn het documentaires, maar ze lezen als verhalen.

In 1982 zijn de vrienden bij elkaar. Joost en Bart zullen de Mont Ventoux op fietsen. Ieder die iets van wielrennen weet, moet natuurlijk meteen denken aan Tommy Simpson, die in 1967 de dood vond tijdens de bestijging, door een combinatie van amfetamine, alcohol en de hitte. Jan Janssen won toen de etappe.

En wie iets van literatuur weet, denkt aan Jan Kal: 'Dichten is fietsen op de Mont Ventoux, / waar Tommy Simpson nog is overleden. / Onder zo tragische omstandigheden / werd hier de wereldkampioen doodmoe.' Als de dichter het einde van het gedicht heeft bereikt, lijkt hij de top behaald te hebben. Maar stelt dat iets voor? 'Toch haal ik, ook al is de hitte schroeiend, / de top van deze kaalgeslagen berg: / ijdelheid en het najagen van wind.'

 Over wielrennen weet Wagendorp alles. Losjes strooit hij met leuke feiten. Zijn beschrijvingen van zware beklimmingen zijn heerlijk. Dat begint al met de beklimming van de Galibier door Joost en Bart in 1982. Ze moeten tot aan en misschien zelfs tot over hun grenzen gaan. Wat nog werkelijkheid is en wat hallucinatie, is dan niet meer duidelijk. Het is een mooie voorbereiding op een latere beklimming, waarin Bart ook iets meent te zien waarvan hij vermoedt dat dat niet echt kan zijn.

Joost, Bart en Peter zullen de Mont Ventoux beklimmen. Maar op dat moment wordt er al gevreten aan de vriendschap. Ik wil hier niet te veel over vertellen, omdat ik zo min mogelijk van de plot wil weggeven, maar in ieder geval is het verraad al binnengeslopen. De zuiverheid is verdwenen.

Ook de cruciale beklimming van de Mont Ventoux en later de afdaling zijn geweldig beschreven. Volgens mij zit elke lezer tijdens die bladzijden op de fiets, in het wiel van Bart en voelt hij de pijn in zijn benen en in zijn luchtpijp.

 Dertig jaar later beklimmen de vrienden opnieuw de Mont Ventoux. Als een ode aan hun vriendschap en wat daarmee gebeurd is. Als nagedachtenis als aan wie er niet meer bij is. Wellicht als delging van schuld, zo die er al is. Ook in die tijd loopt niet alles soepel tussen de vrienden. Zo hebben Bart en Joost de dag ervoor nog ruzie gehad.

Na de beklimming volgt er nog een  plotwending. Wagendorp blijkt een goede plotter: hij doseert de informatie goed, bereidt wendingen voor en verrast toch. Misschien dat ik de epiloog net iets te nadrukkelijk vind, maar ach, daar valt mee te leven.

Het boek zit goed in elkaar. De films die worden bekeken (Night Porter, Beyond good and evil) blijken een belangrijker rol te spelen dan ik aan zag komen. Anna, de dochter van Bert, is een personage dat prima werkt in het verhaal: aan de ene kant is ze een soort spiegelfiguur voor Laura en aan de andere kant kan Bart met haar gesprekken voeren over de werking van de tijd en haar dingen uitleggen die de lezer ook wil weten.

De frauderende wetenschapper Joost doet actueel aan. De fraude is functioneel, omdat bedrog en verraad steeds door het verhaal heen sijpelen. Ook André is een crimineel, al is hij vrijgesproken. Naast de officiële criminaliteit heb je natuurlijk het verraad dat je aan elkaar of jezelf pleegt en dat misschien nog wel erger is.

Het mooie van Ventoux is dat het de lezer ook vragen aan zichzelf laat stellen. In hoeverre is hij nog degene die hij was toen hij achttien was? Heeft hij verraad gepleegd aan zichzelf of aan anderen? Aan zijn verleden? Wat is er uitgekomen van de dromen die we als jongeren hadden?

In de Verantwoording vertelt Wagendorp dat de roman ontstaan is uit het scenario voor de film Ventoux. Wie weet komt die film er ook. Ook als het een goede film wordt: het boek is beter. Denk ik.


maandag 23 december 2013

Alles van waarde is weerloos (Knipoog 28)



De regel 'alles van waarde is weerloos' zag ik altijd vanuit de trein rood oplichten boven Rotterdam, als ik daar een vriend bezocht. Ik heb heb nooit uitgezocht op welk gebouw de tekst stond, maar nam aan dat het een verzekeringsmaatschappij was. Zo verdient er tenminste nog iemand aan de poëzie. 


Van wie de regel is, hoeft niemand zich af te vragen, want dat staat erbij: Lucebert. Het gedicht waarin het staat, is minder bekend. Ik moest ook even opzoeken hoe het ook alweer zat. Dit is het gedicht:
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Afgelopen weekend, zaterdag 21 december 2013, nam het dagblad Trouw de eerste helft van de regel als rode draad in twee bijlagen: 'Tijd' en 'Letter en geest'. In de laatstgenoemde kwam de naam van Lucebert nog even voorbij.
Hier had ook Sybren Polet genoemd kunnen worden, die op de regel van Lucebert varieerde met 'Alles van waarde is weerbaar', een bewering die net zo houdbaar is. 
Hieronder een filmpje, waarin A.H.J. Dautzenberg mensen ondervraagt met het gedicht van Lucebert in de hand. 





Domweg gelukkig in de Dapperstraat (Knipoog 27)



Ook mensen die weinig poëzie lezen, kennen heel wat dichtregels. Dat komt doordat dichtregels op de vreemdste plaatsen opduiken. In krantenkoppen bijvoorbeeld. De journalist varieert op een regel uit een gedicht en vertrouwt erop dat de lezers de knipoog naar het origineel opmerken. In deze knipoogserie kwam al eens eerder een knipoog aan de orde naar het gedicht De Dapperstraat, van J.C. Bloem, dat eindigt met:
Dit heb ik mijzelven overdacht,
Verregend op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.
 Als er naar het gedicht verwezen wordt of als de slotregel geciteerd wordt, is daaruit altijd de komma verdwenen, waardoor het gelukkig net iets minder nadruk krijgt. Voor het gehele gedicht klikke men op de link hierboven of op het filmpje hieronder, waarin Rozemarijn van Leeuwen het gedicht leest.

In Vrij Nederland van 21 december 2013/8 januari 2014 (het is een dubbelnummer) knipoogt Auke Kok naar het gedicht van Bloem met de kop 'Domweg ongelukkig in de Javastraat'.

Dat klinkt wel goed, vooral ook doordat Javastraat net zoveel lettergrepen heeft als Dapperstraat, met de klemtoon op dezelfde lettergreep. Noodzakelijk is dat niet. Ook bij de eerder behandelde kop 'Domweg gelukkig in een verzorgingshuis' werkte de knipoog.


vrijdag 20 december 2013

Olieboer (Aan de deur 1)



Vroeger, sprak opa en hij lurkte flink aan zijn pijp, kwamen er nogal eens mensen aan de deur. De bakker en de kruidenier natuurlijk, maar ook de scharensliep, de verkopers van garen, band, elastiek en haarspelden, zwervers die om eten vroegen en de Jehova's Getuigen. Aan sommige periodieke bezoekers heb ik levendige herinneringen, van andere kan ik maar moeilijk het beeld bovenhalen.

Zo weet ik niet meer hoe het zat met de olieboer. Ik weet zijn naam, Martens, maar ik heb geen beeld van hem. Bij de naam Martens zie ik wel iemand voor me: stofjas aan, hoedje op. Maar dat was de man die bij de fruitveiling werkte. Misschien was het een broer van de olieboer.

Wij hadden op de deel altijd een kan 'peterolie' staan, die mijn moeder gebruikte bij het aanmaken van de kachel. Wij gebruikten geen aanmaakhoutjes, maar turf. Die was vrij zacht, op het pluizige af. Later heb ik in musea wel turf gezien die veel harder en compacter was. Wij spraken trouwens niet over de peteroliekan, maar over de peteroliebus.

Mijn moeder legde een of twee turven onder in de kachel en doordrenkte die met petroleum. Daarop liet ze een brandende lucifer vallen. Je kon de petroleum ruiken als de kachel net brandde. Als het goed brandde, ging er hout of kolen op.

Die kan stond dus op de deel. Eerst hadden we een kan met een vierkante bovenkant. Hij had een roestig uiterlijk. Als er verf op had gezeten, was dat eraf en het metaal was wat bruinig geworden. Maar misschien is het blik niet geverfd geweest en was het in nieuwstaat blank. Er zaten wat deukjes in, door het gebruik.

Later kregen we een wat grotere kan, een ronde dit keer. In mijn herinnering was die heldergroen. Van tijd tot tijd moet die kan bijgevuld zijn, maar hoe? Gingen wij naar de olieboer toe? Dat lijkt me sterk, want hoe krijg je die kan dan weer thuis zonder dat er steeds wat door het tuitje naar buiten klotst?

Ik vroeg het mijn jongere broer. Die had alleen herinneringen aan een latere olieboer, die met een vat op zijn auto aan de deur kwam. Uit dat vat tapte hij onze oliekan vol. Daar weet ik niets meer van. Martens zal dus ook wel langs de deuren gegaan zijn. Met de auto, neem ik aan. Hij had namelijk al een auto in 1956, toen mijn tante Cor trouwde. Mijn oma en haar kinderen reden namelijk met hem mee. Iedereen rook daarna naar peterolie, vertelde mijn moeder.

Martens kwam waarschijnlijk niet vaak, anders had ik het me wel herinnerd. Misschien gebruikten we maar weinig petroleum. Dat zal iets meer geweest zijn toen we nog woonden in wat ik nog steeds 'het oude huis' noem, het huis aan de Merkenhorststraat, waar ik geboren ben en bijna tot mijn tiende gewoond heb. Daar stond in de 'geut', wat eigenlijk de keuken was, een petroleumstel, dat mijn moeder gebruikte bij het koken, naast het tweepitsgasstel. Het verbruik van zo'n 'peteroliestel' zal toch wel bescheiden geweest zijn, vermoed ik.

De olieboer/olieman is uit het straatbeeld verdwenen. Eerst kwamen de oliekachels, die de brandstof aangevoerd kregen uit een olievat van minstens honderd liter. Zo'n vat werd door een tankwagen gevuld en later verdwenen ook dit soort kachels en dus deze vaten.


In 1979 kwam de olieman nog even in de belangstelling, doordat Het Börker Trio een lied over hem maakgen: 'De Pietröliekar'. Het nummer kwam in week 47 de Top 40 binnen op nummer 15, steeg de week erna naar nummer 7 en dobberde in totaal negen weken rond op de hitparadezee tot het wegzonk. Het was duidelijk dat de olieman toen al nostalgie was, in tegenstelling tot de tijd van Louis Davids, die in 1933 zong over de olieman die een Fordje opgedaan had. De tekst vind je hier.




De olieman past niet meer in deze tijd. Als hij er nog geweest zou zijn, hadden we de peterolie waarschijnlijk online besteld. Ja, ja, Als. As zeiden wij, in ons dialect. En als iemand een mogelijkheid opperde die begon met 'as': 'As is verbraande turf.'