Het is 26 maart 1966, Joost den Draaijer presenteert de top 40. Mijn oude oren horen het op dit moment. Mijn jonge oren hadden het kunnen horen toen ik zes was, maar ik weet niet zeker of wij toen al een radio hadden. En dan zou die radio zeker niet de wereldse muziek van Veronica hebben laten klinken.
Het was koud die dag. Voor het gevoel vroor het en de zon scheen nauwelijks. Het is mij niet bijgebleven. Ik zal binnen bij de houtkachel gespeeld hebben met mijn autootjes of op de divan gelegen hebben met een boekje.
De dag ervoor was mijn vader zesendertig geworden. Het zal gevierd zijn, met taart en sigaretten in glaasjes op de tafel. Tantes lepelden boerenjongers en ooms morsten sigarenas tijdens het vertellen van sterke verhalen.
Mijn zusje was bijna vijf, mijn broertje bijna twee, mijn moeder nog geen dertig. Het is onvoorstelbaar, maar ooit sprak het vanzelf. Zoals Joost den Draaijer vanzelfsprekend de top 40 presenteerde. Hij zou vertellen dat Nancy Sinatra voor de tweede week op de eerste plaats stond. These boots are made for walkin'. En op dat moment wist nog niemand dat ze ook de drie weken daarna boven aan de lijst zou staan.
Voor wie een uur naar Joost wil luisteren (voor zo lang het bestand beschikbaar is): hier te downloaden.
donderdag 31 januari 2013
maandag 28 januari 2013
Genoeg christelijke literatuur van niveau?
Vandaag schreef boekhandelaar Willy Wouters in het Reformatorisch Dagblad een artikel onder de titel 'Genoeg christelijke literatuur van niveau', waarvan de strekking nogal verschilt van mijn artikel, waarboven de opmaakredacteur zette: 'Christelijke lezer moet buiten het eigen straatje kijken'. Ik schrijf daarin: 'Uit de protestantse hoek is er geen enkele auteur die zich kan meten met de top van de seculiere auteurs, laten we zeggen Arnon Grunberg, Thomas Rosenboom en A.F.Th. van der Heijden.' Het was maar een greep hoor, die drie namen. Ik had ook Cees Nooteboom, Jeroen Brouwers en Remco Campert kunnen noemen, om maar eens een andere generatie te nemen.
Grunberg? Rosenboom? Van der Heijden? Daar kan Wouters wel wat naast zetten. Lisette van de Heg bijvoorbeeld, wier uitgever zegt dat een van haar boeken niet als literatuur bedoeld is; Rien van den Berg, die zelf zegt dat zijn Aslanderboeken niet als literatuur bedoeld zijn; Maria Rosseels bijvoorbeeld, die al dood is.
Goed, goed, als de doden meetellen, dan heeft Wouters gelijk: Vondel, Huygens, Bredero waren uitstekende schrijvers en nog gelovig ook. Ik kan niet meteen een seculiere schrijver uit hun tijd noemen die hetzelfde niveau haalde. Maar ik ging ervan uit dat we het over hedendaagse literatuur van christenen zouden hebben.
En dan komt Wouters met een stel buitenlandse auteurs. Ze heeft ongetwijfeld gelijk, maar ik wil het even over de situatie in Nederland hebben. Kom op, noem een auteur wiens boek kan wedijveren met het laatste van Tommy Wieringa, Peter Buwalda of Toine Heijmans. Een christelijke Tomas Lieske, Leon de Winter of Jan van Mersbergen. Dit zijn de paarden; zorg maar voor de ruiters.
Willem Jan Otten, Vonne van der Meer en Désanne van Brederode noemde ik zelf al. Een boek als Specht en zoon van Otten, doet niet onder voor bijvoorbeeld VSV van Leon de Winter. Maar zijn boek noemt Wouters juist weer niet.
Volgens Wouters is het een uiting van 'cultuurpessimisme' als ik beweer dat de meeste van de door Wouters genoemde schrijvers niet of nog niet het niveau hebben waarover we tevreden kunnen zijn. Ik ben niet pessimistisch. Ik heb auteurs genoemd die nog in ontwikkeling zijn en die, naar mijn inschatting, hun beste boek nog moeten schrijven. 'Er is wel groei mogelijk', schreef ik.
Wouters geeft toe dat de christelijke auteurs 'inderdaad geen hoog waaggehalte' hebben. 'Ze hebben de neiging de realiteit te verbloemen omdat er altijd hoop moet zijn en het happy end bereikt moet worden.' Ze geeft toe dat dat een manco is. Sterker nog: boeken die de werkelijkheid verbloemen en die geschreven worden met de bedoeling van een happy ending, zijn bij voorbaat oninteressant. Boeken zonder 'waaggehalte', veilige boeken dus, zijn misschien goed voor op het nachtkastje omdat je er zo gemakkelijk bij in slaap valt. Kwaliteitsboeken kunnen het niet zijn.
'Toch zit er verbetering in', schrijft Wouters. Vertel, mevrouw Wouters, ik ben benieuwd. Ach, het blijkt een losse flodder te zijn, een bewering zonder onderbouwing. We moeten het blijkbaar geloven op gezag van Wouters.
'Dat deze boeken niet doordringen in de seculiere literaire wereld heeft meer te maken met vooroordelen dan met niveau. De "Vijftig tinten grijs"-trilogie ontbeert elk niveau en daarvan zijn meer dan een miljoen exemplaren verkocht." Dat is een wel heel rare redenering: verkoopcijfers gelijk stellen aan 'doordringen in de seculiere literaire wereld'. Dus ook Gijp is doorgedrongen in de seculiere literaire wereld. En Haar naam was Sarah ook. En alle boeken van Sonja Bakker. Hou op, schei uit!
De boeken van James zijn, voor zover ik weet, afgekraakt of genegeerd in 'de seculiere literaire wereld'. Wel is James geïnterviewd en is het fenomeen dat haar boeken zo grif gekocht worden door veel kranten aan de orde gesteld. Maar ik heb nergens gelezen dat de boeken literair zo hoogstaand zijn.
Nog even over dat zinnetje 'Dat deze boeken niet doordringen in de seculiere literaire wereld heeft meer te maken met vooroordelen dan met niveau.' Weer een bewering die niet beargumenteerd wordt en ik geloof er geen bal van. Wat zou dan het vooroordeel moeten zijn? Een boek is niet goed omdat het uit de christelijke hoek komt? In de Volkskrant van 12 januari las ik iets wat een heel andere kant op wijst: 'Désanne van Brederode schrijft zo innemend over het geloof dat ook ongelovigen of niet-zo-gelovigen er sympathie voor moeten opvatten.'
Ik denk dat het christelijke literaire wereldje genoeg in een hoekje heeft zitten miezen dat het niet mee mag spelen met de grote jongens. Altijd ligt het aan de anderen. De trainer van het voetbalteam uit Knollen-Buiten vond het ook al vreemd dat Ajax geen enkele waardering had voor zijn spelers, terwijl het toch zulke leuke voetballers waren. Schuld van Ajax natuurlijk. De trainer had ook kunnen kijken naar wat hij zelf kon doen, hoe hij zijn spelers beter kon laten voetballen. Wat goed is, komt er wel.
Kijk eens naar de dichters! Dat Hilbrand Rozema een uur lang in Kunststof te horen was, had te maken met de kwaliteit van zijn werk en nergens anders mee. Dat Komrij gedichten van Geerds opnam in zijn bloemlezing: kwaliteit. Dat er werk van christelijke dichters terechtkwam in de jaarlijks verschijnende selectie De beste gedichten van...: kwaliteit.
Natuurlijk worden er wel eens christelijke auteurs over het hoofd gezien. Dan kun je een pruillip trekken, maar je kunt je ook afvragen of deze auteurs niet misschien wat beter onder de aandacht gebracht moeten worden.
Dat boeken van christenen niet overal juichende recensies krijgen, ligt echt voornamelijk aan de kwaliteit. Ik snap natuurlijk wel dat mevrouw Wouters de boeken die ze noemt, bestempelt als goede boeken. Ze is boekhandelaar en ze moet het spul verkopen.
Ik heb de indruk dat de schrijvers zelf veel bescheidener zijn. Zij weten dat er hard gewerkt moet worden en dat ze er nog lang niet zijn. Dan helpt het niet erg als er iemand vanaf de tribune gaat roepen dat je best hoog gesprongen hebt als je met je vingers de lat hebt geraakt in plaats van dat je eroverheen hebt gesprongen.
Laten we met zijn allen er alles aan doen om de christelijke literatuur op een hoger niveau te tillen. Velen zijn van goede wil. Maar met roepen dat we zo goed zijn, komen we niet verder.
Grunberg? Rosenboom? Van der Heijden? Daar kan Wouters wel wat naast zetten. Lisette van de Heg bijvoorbeeld, wier uitgever zegt dat een van haar boeken niet als literatuur bedoeld is; Rien van den Berg, die zelf zegt dat zijn Aslanderboeken niet als literatuur bedoeld zijn; Maria Rosseels bijvoorbeeld, die al dood is.
Goed, goed, als de doden meetellen, dan heeft Wouters gelijk: Vondel, Huygens, Bredero waren uitstekende schrijvers en nog gelovig ook. Ik kan niet meteen een seculiere schrijver uit hun tijd noemen die hetzelfde niveau haalde. Maar ik ging ervan uit dat we het over hedendaagse literatuur van christenen zouden hebben.
En dan komt Wouters met een stel buitenlandse auteurs. Ze heeft ongetwijfeld gelijk, maar ik wil het even over de situatie in Nederland hebben. Kom op, noem een auteur wiens boek kan wedijveren met het laatste van Tommy Wieringa, Peter Buwalda of Toine Heijmans. Een christelijke Tomas Lieske, Leon de Winter of Jan van Mersbergen. Dit zijn de paarden; zorg maar voor de ruiters.
Willem Jan Otten, Vonne van der Meer en Désanne van Brederode noemde ik zelf al. Een boek als Specht en zoon van Otten, doet niet onder voor bijvoorbeeld VSV van Leon de Winter. Maar zijn boek noemt Wouters juist weer niet.
Volgens Wouters is het een uiting van 'cultuurpessimisme' als ik beweer dat de meeste van de door Wouters genoemde schrijvers niet of nog niet het niveau hebben waarover we tevreden kunnen zijn. Ik ben niet pessimistisch. Ik heb auteurs genoemd die nog in ontwikkeling zijn en die, naar mijn inschatting, hun beste boek nog moeten schrijven. 'Er is wel groei mogelijk', schreef ik.
Wouters geeft toe dat de christelijke auteurs 'inderdaad geen hoog waaggehalte' hebben. 'Ze hebben de neiging de realiteit te verbloemen omdat er altijd hoop moet zijn en het happy end bereikt moet worden.' Ze geeft toe dat dat een manco is. Sterker nog: boeken die de werkelijkheid verbloemen en die geschreven worden met de bedoeling van een happy ending, zijn bij voorbaat oninteressant. Boeken zonder 'waaggehalte', veilige boeken dus, zijn misschien goed voor op het nachtkastje omdat je er zo gemakkelijk bij in slaap valt. Kwaliteitsboeken kunnen het niet zijn.
'Toch zit er verbetering in', schrijft Wouters. Vertel, mevrouw Wouters, ik ben benieuwd. Ach, het blijkt een losse flodder te zijn, een bewering zonder onderbouwing. We moeten het blijkbaar geloven op gezag van Wouters.
'Dat deze boeken niet doordringen in de seculiere literaire wereld heeft meer te maken met vooroordelen dan met niveau. De "Vijftig tinten grijs"-trilogie ontbeert elk niveau en daarvan zijn meer dan een miljoen exemplaren verkocht." Dat is een wel heel rare redenering: verkoopcijfers gelijk stellen aan 'doordringen in de seculiere literaire wereld'. Dus ook Gijp is doorgedrongen in de seculiere literaire wereld. En Haar naam was Sarah ook. En alle boeken van Sonja Bakker. Hou op, schei uit!
De boeken van James zijn, voor zover ik weet, afgekraakt of genegeerd in 'de seculiere literaire wereld'. Wel is James geïnterviewd en is het fenomeen dat haar boeken zo grif gekocht worden door veel kranten aan de orde gesteld. Maar ik heb nergens gelezen dat de boeken literair zo hoogstaand zijn.
Nog even over dat zinnetje 'Dat deze boeken niet doordringen in de seculiere literaire wereld heeft meer te maken met vooroordelen dan met niveau.' Weer een bewering die niet beargumenteerd wordt en ik geloof er geen bal van. Wat zou dan het vooroordeel moeten zijn? Een boek is niet goed omdat het uit de christelijke hoek komt? In de Volkskrant van 12 januari las ik iets wat een heel andere kant op wijst: 'Désanne van Brederode schrijft zo innemend over het geloof dat ook ongelovigen of niet-zo-gelovigen er sympathie voor moeten opvatten.'
Ik denk dat het christelijke literaire wereldje genoeg in een hoekje heeft zitten miezen dat het niet mee mag spelen met de grote jongens. Altijd ligt het aan de anderen. De trainer van het voetbalteam uit Knollen-Buiten vond het ook al vreemd dat Ajax geen enkele waardering had voor zijn spelers, terwijl het toch zulke leuke voetballers waren. Schuld van Ajax natuurlijk. De trainer had ook kunnen kijken naar wat hij zelf kon doen, hoe hij zijn spelers beter kon laten voetballen. Wat goed is, komt er wel.
Kijk eens naar de dichters! Dat Hilbrand Rozema een uur lang in Kunststof te horen was, had te maken met de kwaliteit van zijn werk en nergens anders mee. Dat Komrij gedichten van Geerds opnam in zijn bloemlezing: kwaliteit. Dat er werk van christelijke dichters terechtkwam in de jaarlijks verschijnende selectie De beste gedichten van...: kwaliteit.
Natuurlijk worden er wel eens christelijke auteurs over het hoofd gezien. Dan kun je een pruillip trekken, maar je kunt je ook afvragen of deze auteurs niet misschien wat beter onder de aandacht gebracht moeten worden.
Dat boeken van christenen niet overal juichende recensies krijgen, ligt echt voornamelijk aan de kwaliteit. Ik snap natuurlijk wel dat mevrouw Wouters de boeken die ze noemt, bestempelt als goede boeken. Ze is boekhandelaar en ze moet het spul verkopen.
Ik heb de indruk dat de schrijvers zelf veel bescheidener zijn. Zij weten dat er hard gewerkt moet worden en dat ze er nog lang niet zijn. Dan helpt het niet erg als er iemand vanaf de tribune gaat roepen dat je best hoog gesprongen hebt als je met je vingers de lat hebt geraakt in plaats van dat je eroverheen hebt gesprongen.
Laten we met zijn allen er alles aan doen om de christelijke literatuur op een hoger niveau te tillen. Velen zijn van goede wil. Maar met roepen dat we zo goed zijn, komen we niet verder.
Kopstukken uit de christelijke literatuur
Lijstjes zijn altijd heerlijk. Onlangs publiceerde ik er drie over de literatuur in 2012. Zaterdag stond er in het Reformatorisch Dagbladeen lijstje met 25 'Kopstukken uit de christelijke literatuur'. De nummering gaat tot 24, maar Willem Jan Otten en Vonne van der Meer delen een plek. Het is een leuk lijstje, geschreven door Enny de Bruijn en Rudy Ligtenberg, met een twinkeling in het oog en een grijns om de mond.
Maar het is ook een beetje een vreemd lijstje. Degenen die genoemd worden, zijn meestal niet opgenomen omdat ze zelf literatuur schrijven, maar omdat ze zich met literatuur bezighouden: uitgevers, recensenten, een boekhandelaar, bestuursleden van organisaties die met de christelijke literatuur te maken hebben, redactieleden van tijdschriften, voorzitters van schrijversverenigingen. Daartussendoor staan her en der wat schrijvers.
Prozaschrijvers zijn goed vertegenwoordigd: Janne IJmker, Willem Jan Otten, Vonne van der Meer, Joke Verweerd en Els Florijn. Désanne van Brederode ontbreekt. Er staan wel meer prozaschrijvers in het lijstje, maar mensen als Hans Werkman of Rien van den Berg staan er niet in de eerste plaats als prozaïst in, neem ik aan.
De dichters zijn bijna geheel overgeslagen. Degenen die erin staan (Jaap Zijlstra en Len Borgdorff) zouden waarschijnlijk ook genoemd zijn als ze geen gedichten hadden geschreven. Ze zijn respectievelijk voorzitter van Schrijverscontact en redactievoorzitter van Liter. Bij nummer 25 worden nog kandidaten genoemd, waaronder Menno van der Beek. Maar waar zijn Henk Knol, Hilbrand Rozema en Koos Geerds? En dan noem ik alleen nog maar de meest prominente dichters.
Bij de genoemde kandidaten trof ik ook Lisette van de Heg aan. Van haar heb ik nooit iets gelezen, maar toen het boek Noor werd aangevraagd om gerecenseerd te worden in Liter, weigerde de uitgever (Peter van Dijk, ook in het lijstje), omdat het boek niet als literatuur bedoeld was.
Enny de Bruijn is bescheiden. Onder aan het lijstje staat bij de kandidaten 'En wijzelf natuurlijk'. Maar Enny verdient natuurlijk een prominente plaats in de lijst. Nadat zij bij het Reformatorisch Dagblad kwam, is de literatuurkritiek in die krant veel en veel beter geworden. Als biograaf heeft ze recensies met vijf sterren gekregen en als er iets gebeurt op het gebied van de christelijke literatuur zonder dat Enny erbij is, telt het eigenlijk niet.
Maar het is ook een beetje een vreemd lijstje. Degenen die genoemd worden, zijn meestal niet opgenomen omdat ze zelf literatuur schrijven, maar omdat ze zich met literatuur bezighouden: uitgevers, recensenten, een boekhandelaar, bestuursleden van organisaties die met de christelijke literatuur te maken hebben, redactieleden van tijdschriften, voorzitters van schrijversverenigingen. Daartussendoor staan her en der wat schrijvers.
Prozaschrijvers zijn goed vertegenwoordigd: Janne IJmker, Willem Jan Otten, Vonne van der Meer, Joke Verweerd en Els Florijn. Désanne van Brederode ontbreekt. Er staan wel meer prozaschrijvers in het lijstje, maar mensen als Hans Werkman of Rien van den Berg staan er niet in de eerste plaats als prozaïst in, neem ik aan.
De dichters zijn bijna geheel overgeslagen. Degenen die erin staan (Jaap Zijlstra en Len Borgdorff) zouden waarschijnlijk ook genoemd zijn als ze geen gedichten hadden geschreven. Ze zijn respectievelijk voorzitter van Schrijverscontact en redactievoorzitter van Liter. Bij nummer 25 worden nog kandidaten genoemd, waaronder Menno van der Beek. Maar waar zijn Henk Knol, Hilbrand Rozema en Koos Geerds? En dan noem ik alleen nog maar de meest prominente dichters.
Bij de genoemde kandidaten trof ik ook Lisette van de Heg aan. Van haar heb ik nooit iets gelezen, maar toen het boek Noor werd aangevraagd om gerecenseerd te worden in Liter, weigerde de uitgever (Peter van Dijk, ook in het lijstje), omdat het boek niet als literatuur bedoeld was.
Enny de Bruijn is bescheiden. Onder aan het lijstje staat bij de kandidaten 'En wijzelf natuurlijk'. Maar Enny verdient natuurlijk een prominente plaats in de lijst. Nadat zij bij het Reformatorisch Dagblad kwam, is de literatuurkritiek in die krant veel en veel beter geworden. Als biograaf heeft ze recensies met vijf sterren gekregen en als er iets gebeurt op het gebied van de christelijke literatuur zonder dat Enny erbij is, telt het eigenlijk niet.
donderdag 24 januari 2013
Doping
Nu Lance
Armstrong een verklaring heeft afgelegd over zijn dopinggebruik, krijgen we van
steeds meer wielrenners te horen wat zij toegediend kregen om beter te
presteren. Het lijkt me daarom redelijk dat ook ik een verklaring afleg.
Niet de koffie, niet de epo, niet de anabole steroïden, maar je dromen
zijn de doping waarmee je in het leven bergop kunt blijven gaan. Vooral kunst kan onze dromen voeden, wat betekent dat u hier, op deze avond, druk bezig bent doping tot u te nemen. Wees gerust: het is volledig
legaal.
(Column, voorgelezen in cultureel café Dante)
Al ruim dertien jaar lees ik hier mijn columns voor. In al die jaren heeft de
voorzitter van Dante mij nimmer stiekem pillen toegestopt, de medisch verzorger
van het cultureel café heeft nooit flesjes in mijn koelkast gezet en nooit
hoefde ik naar Italië voor een bloedtransfusie. Zelfs mijn beste columns zijn
niet geschreven met bloed met een te hoge hematocrietwaarde. Eigenlijk durf ik
wel te zeggen dat ik altijd clean geweest ben.
Goed, ik heb
wel eens twee koppen koffie gedronken, voordat ik opkwam en ik heb ook wel eens
flink aan de koffie gezeten als ik aan het schrijven was. Ik weet niet precies
hoeveel cafeïne toegestaan is, maar ik had het idee dat ik daarbij wel aan de
veilige kant gebleven ben.
Bovendien
ben ik door Dante nooit gedwongen om koffie in te nemen. Ik ben wel altijd
ruimhartig voorzien van consumptiebonnen, maar daar had ik ook sinas of
chocomel van kunnen kopen.
Dat ik nooit
gebruik gemaakt heb van stimulerende middelen komt niet doordat ik zo integer
ben en het was ook niet uit schijterigheid. Maar op het amateurniveau waarop ik
mij beweeg, doet doping er helemaal niet toe. Bij een wielrenclubje in de
vierde klasse onderbond wordt er ook niet gespoten of geslikt.
Dat is meer
iets voor de grote jongens, voor wie er veel op het spel staat en in wie de
sponsor grote bedragen heeft geïnvesteerd, die ook weer terugverdiend moeten
worden. Dan maakt het nogal wat uit of je eerste of zevende wordt en ik snap
dan ook wel dat die wielrenners er alles aan hebben gedaan om te winnen. Dat
mag niet en dus moet je erover liegen.
Nu Lance
Armstrong uiteindelijk eerlijk opgebiecht heeft dat hij gedrogeerd zijn zeven Tours
gewonnen heeft, zijn mensen ineens boos en dat snap ik weer niet. Stiekem
wisten we toch al dat alle renners in de Tour flink onder de epo, de cortisone,
de haarlemmerolie en de yakult zaten? Niet Armstrong heeft ons bedrogen, maar
wijzelf hebben ons bedrogen, door onszelf wijs te maken dat die wielrenners
alleen op borden macaroni en op bananen die bergen op konden fietsen. Wij geloofden
in illusies en we worden boos als die doorgeprikt worden.
We willen nu
eenmaal graag in sprookjes geloven en zijn teleurgesteld als blijkt dat
Roodkapje, Assepoester en Doornroosje in het echt helemaal niet bestaan. Daar
kun je teleurgesteld over doen, maar dat is zonde. Ik weet ook best dat
Sinterklaas niet bestaat, maar met veel genoegen denk ik terug aan de tijd dat
ik echt geloofde dat er een bisschop met zijn paard over het dak reed, al zal
ik ook toen al wel ergens diep vanbinnen geweten hebben dat een paard helemaal
niet over de nok van het dak kan lopen en dat Zwarte Piet nooit door de
schoorsteen past.
Laten we dus
met weemoed de beelden terugkijken van de rondes die Armstrong gewonnen heeft.
Laten we ons verbazen over het gemak waarmee hij tijdens een helse
bergbeklimming ontsnapte uit de kopgroep. Hoe licht pedaleerde hij naar de
finish, terwijl de stumpers achter hem bonkend en hobbelend zich aan hun stuur
meter voor meter de berg op trokken!
We hoeven ons
het sprookje niet af te laten nemen, ook niet als al duidelijk is dat het maar
een sprookje is. En dat geldt niet alleen voor het sprookje van de jongen met
de gele trui. De vrouw die we ’s ochtends wakker kussen is ons eigen
Doornroosje en we zijn eventjes de prins. Daar wil ik graag in blijven geloven,
desnoods tegen beter weten in.
Straks is
het pauze en dan zal ik weer een bak koffie bestellen en misschien nog wel
eentje. Van koffie word je wakker, zeggen ze. Maar hoeveel koffie je ook
drinkt, altijd zul je je dromen houden.
(Column, voorgelezen in cultureel café Dante)
![]() |
| foto door Edwin Nieuwstraten |
woensdag 23 januari 2013
Het laatste gezicht.
Thrillers heb ik maar weinig gelezen. Meestal vervelen ze me. Ooit ben ik wel begonnen aan een zogeheten 'literaire thriller', maar daar bleek weinig literairs aan. Wel las ik indertijd Aslander van Rien van den Berg en wijdde daar een stukje aan. Ik vermoedde toen al dat er meer Aslanders zouden volgen en intussen is het tweede deel er: Het laatste gezicht.
In het eerste deel wordt er voornamelijk gepraat en gebeurt er weinig. In Het laatste gezicht is er gelukkig meer handeling: er is een seriemoordenaar aan het werk en een lid van het 'team Aslander' wordt daarvan het slachtoffer. Dat had tot gevolg dat ik in ieder geval door wilde lezen lezen.
Dat gaat ook vrij vlot, want Van den Berg houdt van korte hoofdstukjes. Verschillende keren was het mij wel onduidelijk waarom hij een nieuw hoofdstuk begon, terwijl het verhaal gewoon doorliep. Stilistisch is het boek niet zo bijzonder. Zinnen als 'de vrouw produceerde een beleefde glimlach' en 'Aslander kon een grijns niet onderdrukken' zijn nogal duf.
Maar de Aslanderboeken zijn uitdrukkelijk niet literair bedoeld en moeten als zodanig dus ook niet beoordeeld worden. Op de flap staat over de eerste Aslander dat het een 'strak literair prozadebuut' zou zijn, wat een beetje een vreemde typering is. Maar dat was dan ook een recensie in de krant waarbij Van den Berg redacteur is.
Het laatste gezicht is een detective en als zodanig is het wel geslaagd, geloof ik. Er moet een misdaad opgelost worden en je wilt als lezer wel weten hoe dat allemaal zal gebeuren. Er wordt wel veel gepraat in het boek, maar daar lees je toch nog aardig snel doorheen.
Als de misdaad opgelost is, is de spanning ook wel uit het boek. Daarna zakt het helemaal in elkaar. Er volgen nog zes hoofdstukken waarin het tempo helemaal weg is en waarin de schrijver nog moeizaam probeert wat verhaallijntjes aan elkaar te knopen. Zo'n slot bederft veel. Eigenlijk hoeven de laatste zes hoofdstukken niet gelezen te worden. Na hoofdstuk 43 volgt er alleen nog maar uitleg en gepreek. Dat had ik graag gemist.
dinsdag 22 januari 2013
Pierre H. Dubois over Remco Campert (1961)
In 1961 verscheen Het leven is vurrukkulluk, het romandebuut van Remco Campert. Pierre H. Dubois besprak het in Het Boek van Nu. In de inleiding van zijn recensie laat Dubois meteen zijn enthousiasme blijken:
Het is misschien geen meesterwerk, maar het is een allerplezierigst en voortreffelijk boek, dat men met ononderbroken genoegen leest, hetgeen men werkelijk niet van iedere roman die op het ogenblik verschijnt, kan zeggen.Hij noemt Vurrukkulluk 'een spontaan boek', waarbij hij aantekent dat hij natuurlijk niet weet of Campert met veel of weinig moeite het boek heeft geschreven. Die moeite is in ieder geval niet aan het boek af te zien.
Bijna achteloos, en tegelijk sierlijk, met een weinig voorkomende kunstigheid, die volmaakt ongekunsteld is en een talent openbaart, zoals we er in ons land eigenlijk geen ander vergelijkbaar kennen.Ik vermoed dat Dubois hiermee niet bedoelt dat jonge schrijvers als Hermans en Mulisch minder talent zouden hebben dan Campert, maar dat dat een ander talent is. Nadat Dubois geconstateerd heeft dat Camperts roman 'door en door dichterlijk' is vertelt hij nog maar eens dat Campert een bijzonder boek heeft geschreven.
Er zijn maar weinig auteurs in ons land in staat om met een zo argeloos handgebaar zoveel leven op het papier te brengen.Dubois vertelt iets over de verhaallijn, die hij 'eenvoudig' noemt en vindt in het boek steeds 'de sfeer van het "understatement"'. Hij legt uit dat Camperts ironie 'te gevoelig is om genadeloos sarcasme te worden, maar ook niet te spits en te spiritueel om louter goedige humor te worden.'
De personages Mees en Boelie ziet Dubois als twee kanten van één en dezelfde figuur, 'die Campert zèlf is, niet autobiografisch, maar een personage dat zijn eigen geaardheid meekrijgt [...]' Wat de twee personages gemeen hebben, is volgens Dubois 'de eenzaamheid van het isolement'.
Het leven is vurrukkulluk heeft ook een documentaire waarde, vindt Dubois: het geeft een beeld van een generatie, die 'zo concreet, spontaan, intuïtief, instinctief mogelijk [wil] leven'. Daarbij ziet hij Campert niet als een wilde levensgenieter:
hij is er te fijn, te teer te subtiel voor. Hij heeft begrip voor de houding van wie maar raak willen leven, hij heeft er zelfs sympathie voor, vooral als het er op een zeker moment inderdaad van komt. Maar hij staat er sceptisch en ironisch tegenover.Nog maar een citaat, want Dubois meent heel wat te ontdekken in het boekje van Campert:
Die wonderlijke combinatie van rust en onrust weerspiegelt zich rechtstreeks in wat hij schrijft: onder het oppervlak van een vloeiende, ironische volkomen beheerste, lichte en schijnbaar ook aan de oppervlakte blijvende stijl gaan tal van spanningen schuil, algemeen-menselijke, persoonlijke, psychologische, erotische e.d. die men soms als een zenuwtrilling langs de huid van zijn proza ziet vluchten, snel en onmiddellijk weer bedwongen, maar net voldoende om er een waarde aan te geven die men in de moedwil van al te veel proza mist.Van de woordgrapjes van Campert en de vreemde spelling van sommige woorden ('sunnyle', 'oh fon', 'saaj-jans-fiction') is Dubois minder gecharmeerd, maar hij vindt ze niet storend.
Hij sluit zijn stuk af met:
Maar hoe dan ook, wie zich even natuurlijk voor deze roman openstelt als Remco Campert de indruk wekt zijn verhaal natuurlijk te schrijven, zal aan dit uitstekende boek, dat een voortreffelijk staal van Camperts zeer persoonlijk talent is, veel plezier kunnen beleven, plezier van een dichterlijke orde.Het boek van Campert las ik een goed jaar geleden; ik schreef er een klein stukje over. Ik hou erg van het werk van Campert, maar dit boek viel me juist een beetje tegen. Toch moet het bij verschijnen iets bijzonders zijn geweest, anders had Dubois niet zo uitgepakt.
Mijn leerlingen vonden er niet zoveel meer aan en ik vermoed dan ook dat de reanimatie door de actie Nederland Leest niet werkelijk meer het leven in het boek kan blazen. Het heeft een mooie tijd gehad, maar die zal nu wel voorbij zijn.
De foto van Campert stond afgedrukt bij de recensie in Het Boek van Nu
maandag 21 januari 2013
Post Mortem
Soms komt het er gewoon niet van. Al een paar jaar geleden hoorde ik de naam Peter Terrin, een schrijver om in de gaten te houden; een schrijver om eens wat van te lezen. Het kwam er niet van. Ik downloadde ooit een keer een gesproken verhaal van hem en ik vond het gelook ik ook 'wel goed', maar dat was het dan.
Terrin won de AKO-prijs en dat was een goede aanleiding om het voornemen om werk van hem te lezen nu ook eens uit te voeren. Het heeft even geduurd, maar nu heb ik dan toch Post Mortem gelezen. Wat een boek!
In het begin van het boek was er nog niet zoveel aan de hand: de schrijver Emiel Steegman krijgt het idee om te gaan schrijven over T, een personage dat wel heel dicht bij hem staat. Ineens wordt alles wat hij meemaakt, of meegemaakt heeft, materiaal voor een roman.
In deel 2 overkomt het dochtertje van Emiel iets. Van de ene op de andere dag overkomt haar iets, waarvoor de artsen aanvankelijk geen verklaring hebben: ze valt in slaap en wordt niet meer wakker. Terrin beschrijft nauwkeurig wat er gebeurt. In zijn soberheid is dat een aangrijpend deel. Ik wist niet of dat deel autobiografisch was en voor de kwaliteit van het boek doet het er ook niet toe. Wel wist ik dat Post Mortem ging over 'iets met een dochtertje', en ik had het idee dat deel twee dan ook de kern van het boek was. Mocht het allemaal niet waar gebeurd zijn, dan was het wel verrekt goed ingeleefd.
Maar dan komt het derde deel, dat laat zien hoe de structuur van het boek is en dan merk je ook pas hoe goed dit boek eigenlijk is. In deel 3 is T al verschenen en een succesvol boek geworden. De biograaf van Steeegman vraagt zich natuurlijk af hoe het zit met het autobiografische gehalte, vooral omdat er een dode gevallen is, die ook met naam en toenaam in het boek genoemd wordt. Is Steegman schuldig? Verklaart het boek hem schuldig of is het juist zijn alibi?
Het tweede deel van Post Mortem gaat inderdaad terug op iets wat gebeurd is met dochtertje van Peter Terrin. Hij heeft het indringend beschreven, zijn waarnemingen zijn bijzonder scherp. Vooral de analyse van wat er gebeurt. Als iemand iets zegt of doet, kan dat vaak op verschillende manieren uitgelegd wordt. Die verschillende mogelijkheden gaan ook door het hoofd van de hoofdpersoon en wij worden er deelgenoot van. Niet alleen in dit tweede deel trouwens.
Als er mensen in zijn tuin aan het werk gaan, vraagt Steegman zich af of hij hen koffie aan zal bieden:
'Zou het niet vreemd zijn, tuttig vooral, om nu al koffie aan te bieden? Of zouden ze zich daardoor welkom voelen, te gast, en vervolgens moreel verplicht om hun gastheer onder geen beding teleur te stellen? Koffie? Voor hardwerkende buitenmensen op een zonovergoten lentedag? Bier leek hem geschikter. Nu kon het nog niet, niemand zou durven te aanvaarden, en hij zou een rare indruk wekken, dat hij het normaal vond zo vroeg aan de drank te gaan. Straks, na een uurtje of twee. [...] Maar misschien vonden ze alleen al de veronderstelling dat zij alcohol drinken tijdens het werk een belediging: ze waren dure, plichtsbewuste vakmensen, toch geen Poolse knutselaars op een zwarte bouwwerf?Dit is een voorbeeld uit het eerste deel.
Dat tweede deel is al knap, maar nog knapper is wat Terrin er vervolgens mee doet is nog knapper. Hij neemt geen genoegen met het optekenen van wat hem en zijn gezin overkomen is, hoe goed hij dat ook doet. Hij maakt het onderdeel van een duizelingwekkend knappe roman, die ons na laat denken over hoe vreemd fictie en werkelijkheid op elkaar kunnen inwerken.
Altijd als ik een goed boek gelezen heb, wil ik meer van de auteur lezen. Dat had ik nu ook. Maar ik weet ook dat er altijd nog andere boeken liggen te wachten, van Anton Valens bijvoorbeeld. Die gaan voor. Ik weet voorlopig nog niet hoe ik mijzelf tekortgedaan heb door niet meer van Terrin te lezen. Dit boek had ik in ieder geval niet graag willen missen.
Abonneren op:
Posts (Atom)



