zaterdag 31 december 2011

Bob in China (Zwart en wit 6)




Wie het boek Bob in China geschreven heeft, is mij niet bekend. Op de titelpagina staat dat het een verhaal voor de jeugd is 'naar het Duitsch'. Het boek begint met 'Een woord vooraf', ondertekend door 'De schrijfster'. Verder niets: geen uitgever, geen plaatsnaam, geen jaar, geen naam van de illustrator. Het wereldwijde web helpt mij ook niet veel verder. Een antiquariaat biedt het boekje aan en vermeldt als jaartal 1890.

Dat laatste zou kunnen. Van de keizer ‘Kuangsu’ wordt verteld dat hij nog maar een knaap is; ‘hij zal ongeveer 14 of 18 jaren oud zijn'. Zijn naam wordt tegenwoordig als Guangxu gespeld; vroeger kwam men ook wel de schrijfwijze Kwang-siu tegen. Hij regeerde van 1875 tot 1908. Guangxu werd geboren in 1871 en was dus nog een kind toen hij op de troon kwam. Als we uitgaan van de geschatte leeftijd die we in het boek tegenkomen, moet het verhaal zich ergens tussen 1885 en 1889 afspelen.

De hoofdpersonen in het boek zijn Bob, de zoon van de Engelse consul ‘te Canton’ en zijn Chinese vriendje Hain. Het boek is duidelijk bedoeld om ons kennis te laten maken met China: er worden veel verhalen verteld waarin ons duidelijk wordt hoe men bijvoorbeeld in China omgaat met de doden, dat er in China een belasting op wandelstokken is en waarom men daar honden en ratten eet.

De schrijfster is er duidelijk niet op uit om Chinese gebruiken en opvattingen af te wijzen. Als Hain vertelt hoe Punku-Mong de wereld schiep, zegt Bob: 
‘die heet bij ons geheel anders, maar dat is een lang vertelsel’. Wel worden de beelden van goden consequent ‘afgodsbeelden’ genoemd.

Bob en Hain hebben wel geregeld ruzie. Bob zegt daarover: ‘Maar een Engelschman en een Chinees verschillen heel wat van karakter; al houden zij veel van elkaar, twitsten moeten zij toch, is niet zoo?’

Blijkbaar is het verschil tussen westerlingen en Chinezen erg groot. De schrijfster zegt dan ook in het woord vooraf: 
‘Al kunnen wij den Chinees op het eerste gezicht niet lief krijgen, toch moeten wij hem achten, en als mijn jonge vriendjes dit boekje met aandacht gelezen hebben, geloof ik, dat zij Hain, den zoon van Haincio even lief gekregen hebben als ik.'

Het verschil in uiterlijk tussen Bob en Hain komt verschillende keren terug:
 ‘Aardig om te zien is het, wanneer hij [= Hain] bij den blondlokkigen Bob is; hij kan de gele haren van den kleinen Engelschman maar niet genoeg bekijken. “En hij heeft niet eens een kaalkop.” Dat hij zich niet schaamt! Hoe kan iemand zonder kaal hoofd rondloopen, men moet toch geen huid en haar op het hoofd hebben, als een dier?’

Dat is gezien vanuit Hain, maar meestal worden Bob en Hain bezien met westerse ogen, waarbij de westerling altijd mooier is dan de Chinees: 
‘Wat een verschil tusschen de vriendjes! Bob met zijn schoone slanke gestalte, het blonde gekrulde haar en schitterende, groote, blauwe oogen, een huid zo frisch als morgenrood. Hain met het groote, breede voorhoofd, het dunne staartje, de scheeve, slimme, bruine oogen en de korte ineengedrongen gestalte. Hij steekt met zijn donkergele gelaatskleur vreemd af bij den kleinen Engelschman, maar dat geeft Bob en Hain niets, dat zij verschillen; toch blijven zij vriendjes.

Kortom: als is Hain lelijk, Bob houdt toch van hem. Een gedachte die terugkomt als Bob de oude vrouw Abeong bekijkt, die Hain verzorgt: 
‘Hoe schoon is toch mijn lieve moeder tegen deze oude rimpelige vrouw; maar goed zijn beiden en dat is de hoofdzaak.’

Niet alleen Bob heeft zijn oordelen en vooroordelen over de Chinezen, andersom geldt dat ook.  Als Bob Hain een boek laat zien over veldslagen van het Engelse volk, zegt Hain: 
‘Dat is niets nieuws voor mij, dat zijn onze veldslagen en gevechten; de Engelschman, die dat geschreven heeft, liegt. Gij kunt geen veldslagen winnen, gij zijt te laf; op zijn best kunt gij te water iets uitvoeren, als er niemand is, dan een vijandelijk bootje.’

Bob neemt dat natuurlijk niet: 
‘Onbeschaamde Chinees!’ roept hij uit en slaat den kleinen kaalkop met het boek om de ooren.’ […] Huilend klaagde Hain aan Abeong zijn nood. Deze was natuurlijk buiten zich zelven, omdat Bob haar lieveling geslagen had, maar zij troost[t]e en liefkoosde hem, totdat de kleine weer gelukkig uit zijn scheeve oogen keek.’

Wat uiterlijk betreft, zijn de westerlingen superieur aan de Chinezen, zoveel is wel duidelijk. Graag wil ik uitgaan van de goede bedoelingen van de schrijfster, maar op dit punt stelt ze haar eigen ras boven dat van Hain.

Natuurlijk is het boek wel in een heel andere tijd dan de onze geschreven. Weliswaar was hier de slavernij afgeschaft, maar in China bestaat die blijkbaar nog. Bobs ouders kopen een slavinnetje vrij.

In die tijd mogen Chinezen hun kinderen doden, als we Bob in China mogen geloven. Maar westerlingen gaan ook niet zachtzinnig met hun kinderen om. Als Bob hoort over een verbod op wandelstokken, zegt hij: 
‘Maar mama, verscheidene vaders hebben toch een wandelstok noodig, waarmede zouden zij anders hun ondeugende kinderen straffen?’

Het is gemakkelijk om Bob in China neer te zetten als een racistisch boek, vol vooroordelen over Chinezen en als het boek nu geschreven en gepubliceerd zou zijn, zou dat ook terecht zijn. Maar het zou mij niet verbazen als aan het eind van de negentiende eeuw dit boek juist enig begrip van en voor de Chinese cultuur overbracht.

Ouders hebben het wellicht als een leuk en leerzaam boek ervaren. Ze gaven het in ieder geval hun kind bij het sinterklaasfeest cadeau. Voor in het exemplaar dat ik bezit staat met potlood ‘6 dec. 98’ De naam van de eigenaar kan ik niet goed ontcijferen. ‘G.w. c. vandetaa’ lees ik, maar dat zal wel niet kloppen. Het jongetje dat het boek in zijn schoen vond , heeft misschien wel, zoals de schrijfster hoopte Hain lief gekregen. Volgens de schrijfster ging hij een grote toekomst tegemoet: 
‘Hij zal mettertijd een beroemd, aanzienlijk Mandarijn (= ambtenaar) van het hemelsch Rijk worden.’ 
Of daar nog een apart boekje aan gewijd is, is mij niet bekend.


Illustratie uit het boek


vrijdag 30 december 2011

Greatest Hits



Met lezen ben ik altijd achter. Er is immers altijd meer te lezen dan waar ik tijd voor heb. Daarom ligt er altijd een stapel ‘nog te lezen’ klaar en op die stapel liggen sommige boeken al jaren. Kamertjeszonde van Herman Heijermans bijvoorbeeld, Tegels lichten van Henk Hofland en ook Vladiwostok! van P.F. Thomése.

Om eerlijk te zijn: dat laatste boek heb ik nog niet in huis. Maar ik wil het wel graag lezen. Thomése is een van de betere schrijvers, vind ik. Van bijvoorbeeld J. Kessels: The Novel heb ik heel erg genoten. Het is een van de grappigste boeken die ik de laatste jaren gelezen heb, bezit een enorme vaart en speelt een leuk spel met verbeelding en werkelijkheid.

In de herfstvakantie vond ik in een bak met afgeprijsde boeken van dezelfde Thomése de verhalenbundel Greatest Hits. Verhalenbundels hebben weinig status in Nederland en dat is jammer, want het is een interessant genre. F.B. Hotz was bijvoorbeeld een meester op de korte baan en gelukkig staat zijn werk weer een beetje in de belangstelling. Maar Bernlef kan het ook, evenals bijvoorbeeld Manon Uphoff, Cees Nooteboom, Sanneke van Hassel, Elke Geurts en, ach, er zijn natuurlijk veel meer auteurs die goede korte verhalen kunnen of konden schrijven.

Thomése kan het ook. Hij moet het in zijn verhalen meestal niet hebben van een plot, maar die heeft hij ook niet nodig. In sommige van zijn verhalen lijkt weinig te gebeuren. De personages lopen erin rond alsof ze er ook maar toevallig in zijn verzeild en niet weten wat ze er moeten. En toch heb ik ook zulke verhalen met alle aandacht gelezen, wat natuurlijk komt door de stijl van Thomése.

In veel verhalen speelt muziek een rol en soms is dat een belangrijke rol. In ‘Blue Moon Express’ bijvoorbeeld , uit de afdeling ‘Deep South & Far West’. In deze afdeling is J. Kessels de vaste reisgenoot van de ik-figuur en Kessels wil naar het graf van Hank Williams, de peetvader van de country en western, de ‘Hillbilly Shakespeare’. Hoewel bij Thomése al gauw de ironie met glimmende ogen tussen de regels doorkijkt en alles wat gezegd wordt ook wel weer gerelativeerd wordt, merk je toch de betrokkenheid bij Hank Williams. En als lezer laat je je daar graag in meegaan.

 Bij Thomése is er altijd wel wat te lachen en dat heb ik ook bij deze verhalenbundel graag en veel gedaan. Onder de grappen kabbelt wel altijd de weemoed, de deernis soms, het leed een enkele keer.

Een paar voorbeelden: ‘[…] zeker wanneer je er een nachtgelegenheid bezoekt, waar voor een publiek van lege stoelen de striptueuse zo ver gat dat ze zelfs haar kunstgebit uitdoet.’
‘En uit volle borst zongen we mee met de Gevoeligste Zanger Ter Wereld. Hoewel we geen van beiden kunnen zingen, zongen we. Omdat we de woorden kenden.’
‘Terug naar Austin dus. Waar we, in de Texaanse zon, alles mooi vonden waarover we eerder zo teleurgesteld waren.’

Toegegeven, om dat laatste citaat moet je niet uitbundig lachen. Maar een glimlach is ook een lach.

Laat ik mezelf maar weer eens een leesopdracht geven: meer Thomése lezen. Vladiwostok! bijvoorbeeld. En De weldoener. En alles wat ik nog meer niet van hem gelezen heb. 

woensdag 28 december 2011

Negrita Kachelglans (Zwart en wit 5)



Al eerder schreef ik over kachelglans, die de kachel zo zwart kon maken als een Afrikaan. Het merk was Zebra, dat ook al aan Afrika doet denken.

Er blijken echter merken te zijn die nog explicieter zijn. Na wat gehark op het wereldwijde web vond ik Negrita, dat blijkbaar niet alleen in Nederland te verkrijgen was, maar ook in Franstalige gebieden, gezien het schoolschriftje hieronder. De afbeelding haalde ik van de site Retroscoop.



En wie geen Negrita, Zebra of Zebralin kachelglans wilde gebruiken, kon altijd nog Plonoir ter hand nemen. En hoe laat Plonoir zien dat dit product het zwartste zwart oplevert? Precies.


Nog een alternatief? 't Negertje, dat blijkbaar pas in de spiegel ziet hoe zwart hij is.


Vlucht door het oerwoud (Zwart en wit 4)



Op 18 december 1969 ontving ik ter gelegenheid van het kerstfeest van de Nederlands Hervormde School het boek Vlucht door het oerwoud van Johan Hidding. Ik heb het maar weer eens opgediept en herlezen. Voor op het boek staat een Afrikaanse jongeman, een jongen wellicht, in witte korte broek, wit overhemd, geweer in zijn hand. Ik had verwacht dat er in het boek dus wel wat niet-blanken voor zouden komen en ik was benieuwd hoe Hidding ze zou beschrijven.

Het verhaal speelt zich af in wat toen blijkbaar 'Kongo' heette. Het gezin De Wilde moet vluchten voor de rebellen. Wat die rebellen willen, tegen wie ze rebelleren, wat er nu eigenlijk precies aan de hand is - het is allemaal niet duidelijk. Gaat het hier om 1960, toen Congo zelfstandig werd? Of om 1965 toen Mobuto aan de macht kwam en Congo omgedoopt werd in Zaïre? In ieder geval moet het gezin er halsoverkop vandoor, terwijl de 'inheemsen' hen op de hielen zitten.

Dat is ook zo'n beetje het enige dat we over de Congolezen te weten komen. Ze spelen verder in het boek geen rol. Hidding focust op het dappere gezin dat steeds net aan de gevaren ontsnapt. Als de huisaap Tempo een inheemse heeft laten struikelen toen die zoon Peter achtervolgde, met het kennelijke plan hem te doden, zegt vader 'Het scheelde maar een haar, of er zouden heel nare dingen zijn gebeurd'.

Waarom Hidding juist dit boek geschreven heeft, wordt me niet duidelijk. Waarschijnlijk weet hij nauwelijks iets van de streek af. Uit niets blijkt dat hij het oerwoud, waar het gezin doorheen moet, kent. Details ontbreken. Peter schiet 'een vogel' en er worden 'vruchten' gegeten en altijd houdt Hidding zich op de vlakte.

Indertijd vond ik het wel een spannend boek, geloof ik. Dat heb ik dan verpest door het boek te herlezen. Er is weinig van overgebleven.

maandag 26 december 2011

Shanghai Massage



Van L.H. Wiener heb ik bijna niets gelezen. De beste man heeft al een hele reeks boeken op zijn naam staan, maar om een of andere duistere reden heb ik ze steeds aan mij voorbij laten gaan. Totdat hij een paar jaar geleden Eindelijk volstrekt alleen uitbracht. Dat boek heb ik gelezen.

Tja. Ik was bepaald niet overtuigd. Nou ja, ik was er wel van overtuigd dat Wiener kon schrijven, want dat liet hij bij genoeg passages in het boek zien. Maar er was te veel dat me ergerde.

Wiener is een schrijver die dicht bij de autobiografie blijft en zijn personages lijken vaak afsplitsingen van de schrijver. Daar is niets op tegen. Bij Jeroen Brouwers is dat ook in veel boeken het geval.

Maar ik begon me aan persoon van de auteur of de verteller of de ik of hoe je hem ook noemt te ergeren. Ik begon me te ergeren aan het citeren uit eigen werk, waarbij zelfs geciteerd werd wat ik een handvol pagina´s daarvoor nog gelezen had. IJdeltuiterij, leek me, zelfingenomenheid. Te veel bezig met zijn eigen persoon in plaats van met zijn boek. Zoiets.

Toch heb ik ook weer gegrepen naar Wieners volgende ´roman´, Shanghai Massage. Het boek heb ik met plezier gelezen en ik heb me niet geërgerd. Wel een enkel foutje gesignaleerd (ergens staat ‘te laat geboren’ en dat moet volgens mij ‘te vroeg geboren’ zijn) maar ook dat heb ik schouderophalend laten passeren.

Is Shanghai Massage zo’n ander boek dan Eindelijk volstrekt alleen? Daarvoor zou ik dat laatstgenoemde boek moeten herlezen, maar in mijn herinnering liggen die boeken niet zo ver van elkaar. Ook nu weer hier en daar een citaat uit eerder werk, ook nu weer het aanstellerige ‘koningswater’ als naam voor drank (en dat el-le-ke keer weer!), ook nu weer de afsplitsingen van de schrijver, het zich richten op een jonge vrouw (Quirina met haar mooie kont loopt ook in dit boek weer rond, al heeft ze Ezra Berger verlaten); de boeken zouden wellicht in één band passen als een vervolg op elkaar. En toch heb ik het eerstverschenen boek met niet zo heel veel plezier gelezen en het tweede wel. Misschien ben ik intussen wel veranderd.

Wiener heeft een grimmige humor, die mij vaak heeft laten lachen. Als hij beschrijft hoe Victor van Gigch afscheid neemt van het onderwijs, noemt hij verschillende keren diens vrouwelijke collega’s, die helemaal geloven in de onderwijsvernieuwing waarbij termen horen als ‘tweede fase’, ‘studiehuis’ en ‘het nieuwe leren’.  Wiener giet met een gulle straal zijn gal over hen uit, noemt hen ‘die twee valse stiefmoeders’, ‘onderwijsheksen’, ‘weird sisters van het nieuwe leren’ – ik ging steeds meer van Wiener houden.

Dat Wiener er niet voor terugschrikt zijn alter-ego’s ook te tonen in hun lulligheid, hun schuld, hun kleinheid, alles waarvoor men zich schaamt, pleit voor hem. Alleen wie moed heeft, durft kwetsbaar te zijn en Wiener heeft die moed. Dat zal te maken hebben met de authenticiteit die hij zegt na te streven. ‘Authenticiteit en stijl,  dat zijn de pijlers waarop alle ware literatuur rust’, schrijft hij in Shanghai Massage. Daarmee is het in dat boek wel in orde.

Misschien moet ik nog maar wat meer van Wiener gaan lezen.





dinsdag 20 december 2011

Boer



Er zijn verschillende soorten boeren. Sommigen leven van het houden van dieren, de veeboeren, die je weer kunt onderverdelen in bijvoorbeeld kippenboeren, varkensboeren en koeienboeren. Anderen moeten het van de akkerbouw hebben. Die noemden ze bij ons op het dorp vroeger bouwboeren. Dan had je natuurlijk nog kleiboeren en zandboeren, keuterboeren en herenboeren.

Maar we spreken veel vaker over boeren, ook als ze niet op een boerderij wonen. Een groenteboer is een middenstander die groenten verhandelt. En zo hebben we ook de melkboer, de eierboer, en de kaasboer. De producten die je bij hen kunt kopen, hebben allemaal nog wel enige relatie met de boerderij en dat zou je ook nog kunnen zeggen van de schillenboer, die de schillen naar de boerderij brengt.

Dan is het misschien wel vreemd dat we ook spreken over visboer (Lou de palingboer!), ijscoboer, voddenboer/lorrenboer, oudijzerboer, kolenboer, olieboer, peterolieboer. Waarom eigenlijk? Het zijn wel allemaal mensen die de boer op gaan. Al deze mensen kwamen in ieder geval vroeger bij ons aan de deur.

Ook dat kan echter niet het argument zijn om ze 'boer' te noemen. Een leraar wordt wel een lesboer genoemd, je platen haalde je bij de platenboer, rookwaar bij de sigarenboer en ooit hoorde ik de bezitter van een verlichtingszaak een lampenboer noemen.

Is het achtervoegsel -boer nog productief? Gaan mensen hun laptop bij een computerboer halen en gaan ze op de markt nog bij de olijvenboer langs? Een boeket kopen bij de bloemenboer misschien? Ik geloof niet dat ik dat nog wel eens hoor.


 

zondag 18 december 2011

Pierre Dubois over W.F. Hermans in 1958


Het portret van W.F. Hermans dat bij het artikel van Dubois was afgedrukt
 Al eerder schreef ik over Mulisch en Hermans in 1957, voor zover dat te lezen was in Het boek van nu, band 1957/1958. Een band verder, op bladzijde 81 en 82 (dat zal wel najaar 1958 geweest zijn), schrijft Pierre H. Dubois lyrisch over de nieuwe roman van W.F. Hermans, De donkere kamer van Damokles.

Maar liefst anderhalve bladzijde besteedt Dubois aan de bespreking van de roman. Ik citeer het begin:

Ik geloof niet dat iedere uitgave van een boek van Willem Frederik Hermans een gebeurtenis is, maar er bestaat wel een grote kans op en zeker is het dat voor zijn nieuwste roman die zijn beste en belangrijkste is, ook al zijn er passages in “De Tranen der Acacia’s”, die warmer, onmiddellijker zijn dan vrijwel alles uit : “De Donkere kamer van Damocles”. Maar dit laatste boek is veel strakker, klaarder, ondanks zijn dubbelzinnigheden en zijn ambivalentie; het is voortreffelijk gecomponeerd en snel en boeiend geschreven. Zuiver als roman beoordeeld Hermans hier een vaardigheid bereikt, die men meesterlijk mag noemen.

Het is duidelijk: Dubois neemt zijn hoed af voor Hermans en maakt een diepe buiging. In de laatste regel van het citaat wil hij Hermans wel ‘meesterlijk’ noemen, als hij het boek tenminste als roman beoordeelt. Dat lijkt een voorbehoud, maar dat is het niet.

Meteen erna schrijft hij dat het De donkere kamer ook een van de meest persoonlijke boeken van Hermans is. Volgens Dubois geeft Hermans zich bloot in dit boek, ‘hoezeer ook weer vermomd in de diverse personages, waarin een schrijver zich onbewust splitst.’

Nadat hij wat verteld heeft over de inhoud en lijntjes getrokken heeft en die wij intussen allemaal op school hebben leren zien, vertelt Dubois nog wat over de waarde van het boek:

De waarde van deze roman is dan ook tweeledig: er is in de eerste plaats de zuiver litteraire betekenis van het boek die groot is door de ongewone suggestieve kracht, die niet slechts de lezer in zijn ban brengt en houdt, maar ook in hoge mate evocatief is: de gestalte – niet van Osewoudt – maar van het monstrueuze fatum dat alles beheerst en met alles speelt, rijst levensgroot achter het boek op.

En dat is de tweede betekenis van het boek, opgeroepen door de litteraire waarde ervan, een algemeen-menselijke, of liever een filosofische. Om die filosofische betekenis zullen velen wellicht het boek afwijzen als negatief. Dat lijkt mij onjuist. In het algemeen is het begrip “negatief”een begrip dat in de litteraire kritiek niet op zijn plaats is. Een goed boek, d.w.z. een geslaagd boek, is nooit negatief. Maar nog afgezien daarvan is een boek niet nagatief wanneer het uitdrukking geeft aan een persoonlijke waarheid. Het is daarbij van geen enkel belang of die “waarheid”ook in een breder verband gezien juist is, of in overeenstemming met wat men ten onrechte als objectieve werkelijkheid noemt.

Een paar alinea’s verder schrijft Dubois zijn slotalinea. Voor wie het nog niet begrepen had:

Willem Frederik Hermans heeft met “De Donkere kamer van Damocles” een uiterst boeiend en belangwekkend boek boek geschreven, een van de aangrijpendste romans uit de laatste jaren voor wie in staat is het wanhopige geluid van een stem te horen door de vermommingen van sarcasme, spot, verbittering en ironie heen”

Je merkt dat Dubois Hermans niet alleen gemotiveerd prijst, maar dat hij hem ook bij voorbaat verdedigt tegen mensen die het boek ‘negatief’ zullen noemen. Hermans werd al wel gezien als een groot schrijver. In mijn vorige stukje over Mulisch en Hermans citeerde ik Greshoff die over ´de letterjeugd´ schreef: ‘voor hen begint alle litteratuur met W.F. Hermans, die hun patriarch is.’  Met die ´letterjeugd´ bedoelde Greshoff overigens niet de jonge lezers, maar de jonge schrijvers, die niet meer omkijken naar de oude schrijvers, waartoe Greshoff natuurlijk ook behoorde. Voor een deel van het publiek was Hermans blijkbaar nog steeds controversieel en dus behoefde hij verdediging.

Het zal wel een kwestie van leeftijd zijn geweest. Hermans was zevenendertig toen hij Damokles publiceerde, Dubois was vier jaar ouder en Greshoff was zeventig.


Pierre H. Dubois