maandag 20 januari 2025

Isa Locus 4: Buiten de wet (Fred de Heij)

Bij een strip wil je, net als bij elk verhaal, graag meeleven met de hoofdpersoon. Dat doe je ook als je Buiten de wet leest, het vierde album over Isa Locus, getekend en geschreven door Fred de Heij. Eerder verschenen De kaart (2017), Safehaven (2019) en Losgeld (2022). De delen zijn los van elkaar te lezen. 

Waarom leven we mee met Isa? Je wilt graag dat ze zich redt uit de benarde situaties waarin ze elke keer weer verzeilt, al zou je waarschijnlijk niet dezelfde keuzes maken. Op het achterplat staat over de hoofdpersoon: 'Ze lijkt lief en aardig, maar is dat niet. Als de situatie erom vraagt, pakt ze een automatisch wapen en schiet iedereen die in haar weg staat overhoop.' Verderop staat ook nog dat de kogels in het rond 'spatten', wat enigszins ongelukkig geformuleerd is, maar de bedoeling is duidelijk: er komt aardig wat geweld voor in de avonturen van Isa Locus. 

Ik zie mezelf als behoorlijk vreedzaam en toch kan ik wel van deze avonturen genieten. Dat deed ik ook van een eerdere serie van De Heij, Haas, over een verzetsgroep in WO II. Deze mannen werden niet allemaal gedreven door nobele motieven en ze moesten elkaar soms in toom houden om toch de menselijkheid te behouden in een onmenselijke situatie. Sommige personages lijken bepaald geen last te hebben van hun geweten. 

Pittig

Dat is ook zo bij Isa. Het verhaal in dit album begint meteen pittig: een privé-detective wordt opgejaagd door twee gewapende mannen. Hij vraagt telefonisch om hulp. Iemand, Richard Green, schakelt de twee uit. Hij vraagt wel om een wederdienst. Dan wordt het een heen-en-weer van mensen die elkaar wat verschuldigd zijn en anderen onder druk zetten. Uiteindelijk gaat Green samen met een vrouw, Vera Flemming, op zoek naar Julia, de vriendin van Isa. Richard Green is haar ex en hij wil wraak nemen voor de manier waarop Julia hem behandeld heeft. Hij wil haar niet zomaar doden: 'Wraak is een kunstvorm'. 

De uiteindelijke confrontatie vindt plaats in 'de jungle', waar er nogal wat krokodillen zijn. Uiteindelijk loopt het natuurlijk goed af voor Isa en Julia, maar hun leven hangt geregeld aan een zijden draad. Het geheel speelt zich af 'buiten de wet'. Julia wordt onterecht gezocht voor moord, dus ze kan geen beroep doen op de politie. Dat doet denken aan de helden uit westerns, zoals Kid Colt. Altijd gezocht door de wet, maar een brandschoon geweten hebbend. 

Brandschoon is niemand in de verhalen van Isa Locus. Ieder heeft wel wat op zijn geweten en strijdt gewelddadig voor zelfbehoud. Daardoor vallen er nogal wat doden. Maar in dit geval heb je als lezer toch het idee dat Isa en Julia net iets meer aan de goede kant staan. Ze zijn ook niet de veroorzakers van de narigheden, maar ze zijn doelwit en moeten het vege lijf redden.

Smakelijk

De Heij weet smakelijk te vertellen, al heb je het idee dat aan het begin het verhaal nodeloos ingewikkeld is gemaakt. Er moest van alles op touw gezet te worden om de personages wederzijds afhankelijk te krijgen. Maar Richard had, door wraakzucht gedreven, ook zelf meteen achter Julia aan kunnen gaan. Zijn verdediging, dat hij dan herkend zou worden, is niet zo sterk. Dat wordt hij nu ook. 

Het overdadige geweld laat het pulpige van de strip zien. De nadruk ligt op de sensationele kant van het avontuur. De spanning wordt door De Heij goed vastgehouden: je leeft mee met de personages en bent benieuwd naar hoe ze zich veilig weten te krijgen. 

Tegenover het geweld staat de humor, die relativerend is. Als Richard zegt dat wraak nemen een kunstvorm is, vraagt Vera Flemming: 'Je wilt hiermee in het Stedelijk Museum komen?' Zo komt er van tijd tot tijd lucht in het verhaal. 

Tekeningen

Het tekenwerk is bij De Heij altijd in orde. Hier en daar maakt hij een kleine uitglijder, maar de bewegingen van de personages komen natuurlijk over en de tekeningen 'lezen' gemakkelijk: je oogt richt zich altijd meteen op wat belangrijk is. Gezichtsuitdrukkingen zijn soms aan de karikaturale kant, maar misschien komt dat ook wel doordat zo'n beetje alles dienstbaar is aan het verhaal. 

Buiten de wet is weer een verhaal dat lekker leest. Tijdens het lezen schakel je je geweten uit en wil je alleen maar vermaakt worden. Veel meer moet je niet van deze strip verwachten. Maar in het genre is het wel vakwerk. Wie niet van dit genre houdt, moet dit album ongelezen laten. De anderen kunnen ervan genieten zolang het verhaal duurt. 

Serie: Isa locus
Deel 4: Buiten de wet
Tekst en tekeningen: Fred de Heij
Uitgeverij: L
2024, 48 blz. € 19,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over ander werk van Fred de Heij:

vrijdag 17 januari 2025

Afgestoft: Winterhanden (Stephan Enter)

Weer een oude recensie. Deze stond in Nederlands Dagblad van 12 mei 2001. Het is een bespreking van de verhalenbundel Winterhanden van Stephan Enter. De titel heb ik niet bedacht, vermoed ik. Die zal van de hand van een redacteur zijn. 

Ik realiseer me nu pas dat het al een tijdje geleden is dat Enter een boek publiceerde. Zijn laatste roman, Pastorale, verscheen in 2019. Werkt hij aan een grote roman? Daar ben ik wel benieuwd naar. 

Van Enter las ik alles en ik interviewde hem ooit voor publiek. Dat was een aangenaam gesprek. Een link naar een beknopte schriftelijke weergave daarvan vind je hieronder: 'Geen betere jeugd dan een gereformeerde jeugd.'

Dat ik juist deze recensie heb afgestoft, heeft met twee dingen te maken. De naam Stephan Enter mag wel weer eens vallen. Hij is een uitstekend schrijver, een stilist. Als je nooit wat van hem gelezen hebt, moet je dat toch eens gaan doen. Als je al wat van hem gelezen hebt, kun je nog meer van hem lezen. En als je alles van hem gelezen hebt, kun je zijn werk herlezen. 

De tweede reden is dat het korte verhaal hier wel weer eens aandacht mag krijgen. Ik heb bijvoorbeeld wel geschreven over Sanneke van Hassel, maar er zijn veel meer goede verhalen, bijvoorbeeld geschreven door F.B. Hotz, Elke Geurts, Bernlef, Fleur Bourgonje, Mensje van Keulen en nog veel anderen hebben uitstekende korte verhalen gelezen. Zeer aanbevolen. 

 

Stephan Enter is een kijker 


Niet elke schrijver vraagt dezelfde snelheid van lezen, merk ik. Als ik Tim Krabbé lees, is die snelheid hoog: het gaat om het verhaal en je moet zo snel mogelijk doorlezen om de plot te pakken te krijgen. Bij een schrijver als Möring is mijn leessnelheid al heel wat lager. Een boek als In Babylon zit vrij ingewikkeld in elkaar en hoe spannend sommige gedeelten ook zijn, ik lees het boek niet om de plot. Bij 'plotgericht' lezen, lees je om wat er nog moet komen, bij Möring lees ik om wat er op déze bladzijde staat. 

Bij het debuut van Stephan Enter, de verhalenbundel Winterhanden, lag mijn leestempo uitzonderlijk laag en dat heeft alles te maken met Enters stijl. Ik had het idee dat iedere zin mijn aandacht opeiste en bij al die zinnen bedacht ik hoe mooi ze op het papier stonden. Ik herinner me dat ik F.B. Hotz (zijn hele werk, maar vooral de bundel Eb en vloed) op een soortgelijke wijze heb gelezen, zin voor zin proevend, met het tempo waarmee je een petit-fourtje eet. Ik heb niet in mijn boekenkast het werk van Hotz opgezocht om te kijken of de stijl van Stephan Enter daarmee vergelijkbaar is, maar het zou me niet verbazen. 

Ter illustratie een huiskamertafereeltje uit het titelverhaal. Er wordt gebeld:
Een van mijn zusjes sloeg de dobbelstenen op de tafel en sprong op om de voordeur open te doen, maar mijn moeder riep met een schrille stem dat ze moest blijven zitten waar ze zat. Ze trok haar schort los, schikte in twee bewegingen haar haar en liep de gang in. Mijn broer veerde naar de tv om het volume omhoog te draaien. 

Het lijken zulke gewone zinnetjes maar de werkwoorden 'sloeg' en 'veerde' zijn precies goed. Ze zijn zo visueel dat ik precies voor me zag wat er gebeurde. Voor zulke woorden wil ik nog wel een keer extra met mijn lippen smakken en de bundel staat er vol mee. 

De kleinste details 

Enter is een waarnemer en vooral een kijker. Zijn stijl is visueel, niet alleen door de keuze van de juiste woorden, maar ook door de details die hij waarneemt. In het titelverhaal zien we een gezin: moeder, twee zonen (van veertien en negen) en twee dochtertjes. Vader heeft het gezin verlaten. Moeder heeft een vriend, die af en toe op bezoek komt en die 'die meneer' of 'de man' genoemd wordt door de ik-figuur, Arnold, de zoon van negen. Moeders jongste broer Simon neemt Arnold mee voor een sleetochtje: 
Voor ons, over het pad, slingerde het spoor van een fietser. Ik dacht aan de man. Hij was de laatste keer op de fiets gekomen, een grote zwarte met een zadel waar glimmende stalen veren onder zaten. Ik moest hem van mijn moeder onze kelderbox wijzen. 
De grote zware fiets, met het zadel waaronder glimmende, stalen veren zitten. Ik zie dat zadel met de hand van de man erop als hij de fiets in de kelderbox zet en ik zal in het vervolg de fiets moeiteloos herkennen tussen een rijtje andere fietsen. Waarschijnlijk hadden die stalen veren net zo goed kapotte snelbinders of een grote, ronde bel kunnen zijn. Belangrijker is dat de fiets nauwkeurig waargenomen is door Arnold. Misschien (waarschijnlijk) heeft hij op dat moment niets gezegd, maar hij heeft alles gezien, tot in de kleinste details. 

De details, waarmee Enter kwistig strooit, zijn vaak toevallig; het oog van de verteller had ook op iets anders kunnen vallen. Het gaat minder om wat er waargenomen wordt dan om de aandacht waarmee dat gebeurt. Die toevalligheid maakt de waarneming authentiek en tegelijkertijd verrassend, onvoorspelbaar.

Afstandelijk 

Voor waarnemen is een zekere afstand nodig. De personages in de verhalen van Enter hebben die afstandelijkheid. Zelfs de dingen die ze zelf meemaken lijken zich op een afstand af te spelen. In het verhaal 'Postzegels' wordt een brugklasser geïntimideerd door een jongen uit een hogere klas. De brugklasser registreert het, hij gaat er zo handig mogelijk mee om, maar het lijkt hem nauwelijks iets te doen:
Hij trok langzaam zijn vingers door zijn vette glimmende haar, nam met duim en wijsvinger zijn sigaret uit zijn mond en drukte die zorgvuldig uit op mijn schooltas, die min of meer tussen ons in lag. Ik keek hem voorzichtig aan. 
Die afstandelijkheid, met als gevolg afzijdigheid, kenmerkt veel van Enters personages. Ik kreeg er jeuk van in mijn handpalmen, toen de jongen uit 'Schijngestalte' maar steeds geen einde maakte aan de relatie met het meisje op wie hij al uitgekeken was en toen de hoofdpersoon uit 'Zeevonken' zijn vriendin maar steeds niet vertelde dat hij bericht gekregen had van het overlijden van zijn vader. Moeilijke beslissers zijn het, die personages, terwijl ze tegelijkertijd niet week of zwak zijn. Ze laten de dingen gewoon maar, ze grijpen niet in. De dingen gebeuren en zij kijken toe. 

Dat ze vaak wel anders willen, maar dat het er gewoon niet van komt, weet de lezer, doordat in elk verhaal het perspectief bij slechts één (mannelijke) persoon ligt. Meestal in de ik-vorm, twee keer in de hij-vorm, maar eigenlijk maakt dat geen verschil. Voor de hoofdpersoon zijn er vaak twee gebieden die tegelijkertijd zijn aandacht vragen: de brugklasser die lastig wordt gevallen op het plein, moet ook een spreekbeurt houden, de jongen wiens vader overleden is, begint ook net een vakantie met een vriendin, de jongen die samen met zijn grootvader vliegtuigplaatjes inplakt, moet ook een keuze maken uit drie vriendinnen. Het gebrek aan daadkracht wordt vaak op beide gebieden duidelijk. 

Bederf 

Twee verhalen springen er voor mij positief uit: het titelverhaal en 'Bederf', waarin een grootvader en een kleinzoon langzaam dichter bij elkaar komen door een boek met vliegtuigplaatjes. De hele communicatie is indirect: hun contact bestaat alleen uit de plaatjes en het praten daarover. Alle grote dingen blijven ongezegd, maar ze liggen opgesloten in grootvaders enthousiaste verhalen over de North American P-51 Mustang en de Flying Fortress. Kenmerkend voor de verhalen in Winterhanden: wat verzwegen wordt, is vaak belangrijker dan wat er wordt gezegd.


Eerder schreef ik over:
Geen betere jeugd dan een gereformeerde jeugd (interview met Stephan Enter)

woensdag 15 januari 2025

De Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk (Frits van Oostrom)


Voor de middeleeuwse literatuur is flink wat belangstelling. Twee mensen hebben daar veel aan bijgedragen: Frits van Oostrom, die zich onder meer richtte op de literatuur in de hofcultuur en Herman Pley, die zijn aandacht meer richtte op de literatuur in een stedelijke omgeving. Daar hebben veel mensen plezier van gehad. 

Toen ik leerling was in de derde en later de vierde klas van de mavo had ik een bevlogen docent, Ewout Kouwenhoven, die met zijn klassen de hoogtepunten van de middeleeuwse literatuur doornam: Karel ende Elegast, Van den vos Reynaerde, Floris ende BlancefloerBeatrijs, Elckerlijc en Mariken van Nieumeghen. Hij vertelde de verhalen na en liet ons er aantekeningen over maken. Het blok werd afgesloten met een schoolonderzoek. Ik vermoed dat op geen enkele mavo dat nog gebeurt en ook niet op een havo- of vwo-school. 

Toen ik later de studie Nederlands MO-A en MO-B volgde, kwam de Middeleeuwse literatuur natuurlijk terug. Als ik mij goed herinner waren de docenten Kraan en Bromberg. Van de laatste herinner ik mij dat hij, nadat hij een week ziek was geweest, vertelde dat hij, zoals de Deugd bij Elckerlijc, 'vercrepelt ende al ontset' te bedde lag. 

Gelezen

In die tijd las ik Het Roelandslied, enkele bliscappen van Maria, Moriaen, Ferguut, WaleweinDe wrake van Ragisel, de vier abele spelen, Lanseloet en het herte met den witte voet, Renout van Montalbaen, De borchgravinne van Vergi, verschillende liederen, Hadewijch, het een en ander van Jacob van Maerlant, Ruusbroec en Anthonis de Roovere. En Het zwevende schaakbord van Louis Couperus. Maar De reis van Sinte Brandaen las ik weer niet. Ik weet niet of het daar nog van komen zal. 

In de jaren tachtig verschenen er ook nog deeltjes in de Griffioenreeks, waaronder Hoofsheid is een ernstig spel, Voorbeeldig vertellen en Van schelmen en schavuiten.  Met plezier gelezen, net zoals ik al die deeltjes van Van der Heijden tijdens mijn studie met plezier las. 

Van den vos Reynaerde heb ik altijd een bijzonder werk gevonden en toen in 2023 Frits van Oostrom een dik boek over dat werk uitbracht (De Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk), had ik er meteen zin in, maar het duurde even voor ik het kocht en toen duurde het nog weer een tijdje voor ik het ging lezen. Toen ik aan een collega vertelde dat ik het boek las, zei hij: 'Voor ons staat er eigenlijk niets nieuws in.' Dat ben ik niet met hem eens. 

In 1980 begon ik als docent Nederlands, aan een mavo, en toen werd ik ook geacht te vertellen over Van den vos Reynaerde. Daar zat ik intussen wel goed in. Ik weet niet zeker of ik de hervertelling van Jan Frans Willems gelezen heb, maar die van Arjaan van Nimwegen in ieder geval wel. En al gauw kwam er een mooie nieuwe uitgave van de Reynaert, Lulofs (1983). Die heb ik met veel belangstelling gelezen en mij werd nog weer eens duidelijk hoe prachtig Van den vos Reynaerde is. 

Lulofs

Lulofs beweert dat Reynaert moreel schuldig is aan allerlei misdaden, maar dat hem in juridische zin niks te maken valt. Volgens Van Oostrom klopt dat niet helemaal, maar dat laat onverlet dat Lulofs voor mij de Reynaert zeker heeft afgestoft en mijn belangstelling voor het werk heeft aangewakkerd. 

Van Oostrom geeft Lulofs niet zoveel credits, maar hij begint wel met de mensen te noemen die een uitgave van Reynaert, vaak in een versimpelde vorm, op de markt hebben gebracht, onder wie P. de Zeeuw J. Gzn. Die uitgave heb ik nooit gelezen, maar De Zeeuw heeft wel een warm plekje in mijn hart. Hij heeft meer dan tweehonderd jeugdboeken geschreven, waarvan ik er verschillende las, zoals De herberg het IJ en De hooiplukkers van Lochem. Over andere boeken, zoals De kleine Corsicaan, twijfel ik. Heb ik die gelezen? Het zou kunnen. 

P. de Zeeuw schreef veel boeken, waarvan zijn hervertelling van de Reynaert er maar eentje was, maar er zijn mensen die zich een groot deel van hun leven hebben gestort op de studie van het middeleeuwse werk. Van Oostrom laat ze allen de revue passeren, met veel waardering voor de onderwijzers die de literatuur voor kinderen toegankelijk maakten. Daarna gaat hij over op de handschriften die zijn overgeleverd, waarachter een soort oerhandschrift schuil moet gaan, dat via die verschillende teksten te benaderen is. 

Verhaal

En dan gaat Van Oostrom in op het verhaal, waarbij hij verschillende zaken verklaart, die mij altijd onduidelijk zijn gebleven. Wat voor vogel was bijvoorbeeld de Sinte Martinsvoghel die Tybeert voorbij vliegt als hij begint aan zijn tocht naar Reynaert? Van Oostrom maakt aannemelijk dat het een blauwe kiekendief geweest moet zijn. 

Er blijft natuurlijk nog genoeg over dat niet opgehelderd is, zoals wie die Willem nu eigenlijk is die Madoc geschreven heeft. Er is ooit een nepuitgave van dat werk geweest, waarschijnlijk die van Herman Vekeman. Ooit door mij gekocht, nooit helemaal gelezen. Heb ik het boekje nog? Dan zit het in een doos achter het schot op zolder. De roman van Nico Dros, Willem die Madoc maakte, heb ik een paar jaar geleden aan me voorbij laten gaan, al had ik er wel zin in. Komt misschien nog. 

Van Oostrom heeft een prachtig boek over de Reynaert geschreven. Niet alleen is het helder en informatief, maar het getuigt bovenal van liefde en bewondering voor het werk en het is zeer aangenaam om dat tijdens het lezen mee te krijgen. Weer eens werd ik erbij bepaald hoe goed Van den vos Reynaerde is. En het plaatst de mensen in het licht die zoveel gedaan hebben om het dierenepos te doorgronden. 

Het schema dat Van Oostrom toevoegt van 'Reynaerts grote list' verheldert naar mijn mening niet zoveel. Het verhaal lezen is gemakkelijker dan het ingewikkelde schema volgen. Het ziet er mooi uit, maar ik heb niet het idee dat het iemand verder helpt. 

Tekstuitgave

Ten slotte is er ook een nieuwe tekstuitgave van Van den vos Reynaerde opgenomen en dat was een mooie gelegenheid om de complete tekst weer eens in het middelnederlands te lezen. De aantekeningen bij de tekst zijn helder, maar die had ik gelukkig niet heel veel nodig, waarin ik mezelf meeviel. 

Goed register, heldere aantekeningen, een mooie literatuurlijst en dan ook nog een gebonden uitgave met een leeslint. Ik vind De Reynaert van Van Oostrom een heerlijk boek. Over Van den vos Reynaerde was ik al enthousiast en toch vind ik dit boek enthousiasmerend. Je krijgt nog meer zin om weer eens in het middeleeuwse werk te duiken. Heerlijk boek. 

dinsdag 14 januari 2025

De wereld volgens Hein de Kort, deel 6 (Hein de Kort)


'De wereld volgens...' is het begin van vele titels. Dat begon voor zover ik weet bij De wereld volgens Garp (1978), van John Irving. Wie het boek niet gelezen heeft, heeft de film wel gezien. Sinds die tijd kom je soortgelijke titels overal tegen, van De wereld volgens Gijp tot De wereld volgens Daan en verder volgens Bob, Darp, Nederland, Maarten van Rossem, Pinto, John, Bentley, Monsanto, Valkema. Wie verder googelt vindt waarschijnlijk nog veel meer. In dat rijtje hoort ook De wereld volgens Hein de Kort, waarvan het zesde deel is verschenen. 

De titel suggereert dat je in dit boek een soort wereldbeeld krijgt en in zekere zin is dat ook zo. Niet dat De Kort zijn visie tot in detail uitwerkt, maar in deze bundeling cartoons laat hij zien welke dingen uit de actualiteiten hij opgepikt heeft en hoe hij erop reageert. 

Lijn

In dit zesde deel staat hij zelf prominent voorop, met naast hem Dirk (van Dirk en Desiree), die mompelt: 'Zo... Zijn we tegenwoordig van de klare lijn.. Hein?' Dat is al grappig, want als De Kort iets is dan is dat niet een beoefenaar van de klare lijn. De Korts lijn is bijzonder onklaar. Daar moeten sommigen misschien aan wennen, maar die lijn blijkt het in de cartoons goed te doen. 

Aan de ene kant suggereert de lijn snelheid, alsof de cartoon een onmiddellijke ingeving weergeeft. Dat een cartoon niet zomaar uit de pen vloeit, laat De Kort zien in 'Het ontstaan van een meesterwerk'. Het tekenen blijkt niet het grootste werk te zijn.  

Aan de andere kant neemt De Kort op deze manier afstand van de esthetiek, wat past bij wat hij afbeeldt. Veel zaken uit de actualiteit zijn immers bij uitstek niet mooi. De lijn van De Kort vergoelijkt niets van het lelijke om ons heen. 

Grimmig mededogen

De Kort heeft een voorkeur voor de kleine krabbelaars, de losers, de mensen die het niet gemaakt hebben en daardoor per definitie onvrede hebben met hun bestaan. De Kort schetst ze met een grimmig mededogen. Ze houden zich staande, ze verwoorden wat er aan de hand is, ze maken er het beste van, ze reageren zwartgallig - en je snapt het. Tegelijkertijd werkt het op je lachspieren. Bij mij, tenminste. 

Op elke pagina van deze verzamelbundel is vermeld wat de aanleiding is van de cartoon. Als je die onderschriften na elkaar leest, heb je al een beetje een beeld van wat er dat jaar in het nieuws was. Dat zijn niet altijd de grote zaken die de voorpagina van de krant halen. Vaak ook zijn het de kleine berichten, maar wellicht zullen juist die later kenmerkend blijken te zijn voor onze tijd. 


Een verzameling als deze kun je wel in een avond uitlezen, maar ik denk dat het beter werkt als je er elke keer een stuk of tien tot je neemt. Ik heb de bundel in etappes doorgenomen, maar nu ik voor deze recensie er weer doorheen blader, blijven de meeste cartoons fris en moet ik er weer om lachen.

Dodenherdenking

Enkele wil ik eruit lichten om te laten zien hoe ze (bij mij) werken. Er is een cartoon (ik kan hem online niet vinden, dus ik moet hem beschrijven) over 'Reserveren bij Dodenherdenking'. In verband met de veiligheid was er maar voor een beperkt aantal mensen gelegenheid om deel te nemen aan de Nationale Dodenherdenking. Bovendien moesten aanwonenden ramen en deuren gesloten houden en mochten ze zich niet op het balkon of het dakterras bevinden. De Kort tekent een cartoon waarin de koninklijke familie naar de kaartjes wordt gevraagd. De koning weet van niks, de koningin heeft de prints van de kaartjes in haar tas en een van de prinsessen zegt: 'Kan je tegenwoordig ook op je telefoon bewaren.. hè mam.'

Het leuke is niet alleen dat ook de koning naar zijn reservering wordt gevraagd, maar het is ook herkenbaar dat er een generatiekloof is tussen ouders en kinderen, zeker als het om de digitale wereld gaat. En natuurlijk krijgen we en passant de visie mee op het koninklijk huis: de onwetende koning, de koningin die de zaakjes voor elkaar heeft en de prinsessen die ook gewoon pubers zijn. 

De beste cartoon is die over immigratie. Het was na het debat tussen Trump en Harris, waarbij Trump beweerde dat immigranten de honden en katten aten en dat combineert De Kort mooi met de omvolkingscomplottheorie die sommige Nederlandse politici lijken aan te hangen. En dan de ambtenaar die de 'omvolking' voor lief neemt, zolang de honden gespaard blijven. Bijzonder leuk. 

Kunst

Naast de cartoons zijn er ook kunstwerken van Hein de Kort opgenomen. Het zijn vierkante afbeeldingen, die robuust geschilderd zijn, vaak getekend in dikke lijnen. Soms grappig, soms niet. Een mooie aanvulling op de cartoons. 

De wereld volgens Hein de Kort deel 6 is weer een fraaie verzameling geworden, waar volgens mij weer veel mensen van kunnen genieten. Niet alleen vanwege de grote zaken die De Kort onder de loep neemt, maar ook vanwege het algemeen menselijke dat je in je straat of in je eigen huis kunt tegenkomen. In ieder geval zijn cartoons goed voor je humeur. 

Titel: De wereld volgens Hein de Kort, deel 6
Tekst en tekeningen Hein de Kort
Uitgeverij: Sherpa
160 blz. € 19,95 (paperback)

Eerder schreef ik over:



maandag 13 januari 2025

Wat stilte wil (Arthur Japin)

Toen de roman Wat stilte wil (2022) verscheen, wist ik meteen dat ik het boek wilde gaan lezen. Veel van Arthur Japin heb ik met redelijk wat plezier gelezen, maar ik raakte hem kwijt. Elke keer dat dat gebeurt, constateer ik dat achteraf met verwondering. Ik volg een schrijver een tijdje en daarna niet meer, eigenlijk zonder reden. De overgave (2007 was het laatste wat ik van Japin las. Wel kwam ik Vaslav (2010) tegen bij mijn kringloopstrooptochten en dat ligt al een tijdje op een stapel van boeken die ik wil gaan lezen. Maar die stapels groeien alleen maar; kopen gaat sneller dan lezen.

Wat stilte wil werd meteen na verschijnen door mijn lief uit de bibliotheek gehaald, omdat het wel iets voor haar moeder zou zijn. Mij sprak het onderwerp aan: de roman gaat over Anna Witsen, de zus van Willem Witsen, die verkeerde in kringen van de Tachtigers. Maar er zijn altijd boeken die zich voordringen en het boek van Japin raakte op de achtergrond. 

Tot ik vorig jaar de expositie van Willem Witsen bezocht en daar de prachtige uitgave van zijn brieven bezocht. De link naar het stuk dat ik daarover schreef, vind je onderaan. Daarna kon ik eigenlijk niet meer om Wat stilte wil heen. 

Van de koele meren des doods

De roman begint met een soort samenvatting:

De geschiedenis van een vrouw. Hoe zij haar stem zocht, gedwongen werd om stil te zijn, maar hem uiteindelijk liet klinken. 

Dat doet erg denken aan het begin van Van de koele meren des doods (1900) van Frederik van Eeden: 

De geschiedenis van een vrouw. Hoe zij zocht de koele meren des Doods, waar verlossing is, en hoe zij die vond. 

Frederik van Eeden speelt een prominente rol in Wat stilte wil, niet alleen als Tachtiger, maar ook als psychiater. Bij Hedwig, de hoofdpersoon van Van de koele meren des doods ligt de zelfmoord steeds op de loer en ze doet ook tweemaal een poging. Uiteindelijk, als ze geheel aan lager wal is geraakt, komt ze in contact met zuster Paula en vindt ze de weg weer omhoog. 

Zingen

Anna Witsen wil zingen en dat doet zij ook, bij huisoptredens, waar zij succes heeft. Maar ze wil meer. Ze wil van zingen haar beroep maken. Daar steekt haar vader Jonas een stokje voor. Nadat Anna's zus is getrouwd, is zij de enige dochter die nog thuis is. Vader wil Anna bij zich houden en hij wil niet dat ze een professioneel zangeres wordt. 

Het schrijnende is, dat Jonas Jan Witsen zich juist inzet voor de cultuur, voor de bouw van het Concertgebouw bijvoorbeeld en voor de komst van een conservatorium. Maar als het dichtbij komt, zijn er blijkbaar overwegingen die zwaarder wegen. Zijn eigenbelang en het beeld dat de buitenwereld zal hebben van zijn dochter. De manier waarop hij dat verwoordt, is bijzonder hard. Hij zegt dat hij trots op Anna is als ze op huisconcerten zingt, '[m]aar toch niet tegen betaling als een hoer voor iedereen te kijk.'

Anna heeft al gauw door dat haar vrijheid beperkt is. Bijvoorbeeld als haar broer Karel naar de Oost vertrekt:

Toen Karel Witsen, zodra hij de volwassenheid bereikt had, een post aanvaardde in de Oost en zo aan hun vader en diens milieu wist te ontsnappen, begreep Anna voor het eerst dat haar een dergelijke vrijheid nooit zou worden toegestaan. Dat die het privilege was van zijn geslacht en dat zij, als vrouw, zo'n uitweg niet zou mogen kiezen. 

Broer Willem, die in Amsterdam woont, heeft alle vrijheid. Zijn vader verschaft hem ruim financiële middelen en zijn vriendenclub leeft vooral op zijn zak. In die groep vrienden (onder wie Willem Kloos, Albert Verwey, Frederik van Eeden, Hein Boeken, Herman Gorter) voelt Anna zich thuis. Verder gaat ze om met Amanda en Julius Röntgen. Amanda was ooit violiste en Röntgen is componist en muziekleraar. Anna gaat zanglessen bij hem volgen. 

Bescherming

Vader Jonas handelt misschien niet alleen uit eigenbelang. Hij suggereert dat hij Anna ook wil beschermen. 

'Ik herken mijzelf in jou,' ging hij verder, fluisterend, zijn gezicht vlak bij het hare. 'Van jongs af woeden in mij passies die mijn ziel verscheuren. Jij en ik zijn een pak van hetzelfde laken, wij menen dat een liefde als de onze niet te temmen is. denk niet dat ik niet weet hoe zoiets voelt, zulke verlangens, waar die kittelen en broeien. Maar ik smoor ze. Ik beteugel mijn lusten. Ik houd ze eronder. Met geweld. Zo overleef ik in de wereld. Ik smoor mijn driften, zoals ik van plan ben ze in jou te smoren.' 

Hij houdt het leven van Anna wel erg in de hand. Anna reist geregeld van de Ewijckshoeve (Lage Vuursche) naar Amsterdam. Ze zegt Willem te bezoeken, maar volgt zanglessen bij Julius Röntgen. Ze raakt op hem verliefd. Als ze hem per trein achterna wil reizen naar Duitsland, grijpt vader Witsen in. Hij laat haar uit de trein halen en opnemen. Daarbij is Frederik van Eeden betrokken.

Verdrinking

De Amsterdammer, 12 februari 1883
Het leven van Anna loopt triest af: ze verdrinkt zich in de vijver bij de Ewijckshoeve. Japin opent zijn roman met die vijver en later speelt zich daar nog een scène af. Tsjechov kan tevreden zijn. 

Daarvoor heeft Anna overigens nog wel kunnen optreden, om iets van haar droom waar te maken. Bij een concert waren zelfs haar vader en haar zus aanwezig. Hoe dat allemaal precies verloopt, laat ik hier even ongenoemd, omdat er voor toekomstige lezers ook nog iets te ontdekken moet zijn. 

Maar heb ik dan de plot (de zelfmoord van Anna) niet al weggegeven? Misschien, maar ik wist al hoe Anna aan haar einde gekomen was voordat ik begon met het lezen van Wat stilte wil en dat heeft het genieten van het boek niet in de weg gestaan. 

Over Anna schreef Gorter het gedicht 'In de zwarte nacht is een mensch aangetreden' en Frans Coenen schreef in de bundel Bleeke levens (1899) het verhaal 'Vervreemd' over haar. Dat boek ligt op een van mijn stapels. Ik moet dat maar eens gaan lezen. Jan Fontijn, toonde in een essay in De negentiende eeuw (1980) aan dat er veel overeenkomsten zijn tussen het personage Caroline Doreman en Anna Witsen. 

Dagblad van Friesland, 12 januari 1889

Beeld van de tijd

Japin vertelt niet alleen het verhaal van Anna, maar hij roept ook de tijd op waarin zij leeft: de bouw van het Concertgebouw (dan nog in het buitengebied), het Palingoproer, de oprichting van De Nieuwe Gids. Het is prettig om meegenomen te worden in die tijd, zeker naar de kring van de Tachtigers. Wat er toen gebeurde heeft grote gevolgen gehad voor de literatuurgeschiedenis, wat toen nog niet bekend was. Die Tachtigers vormen ook een mooi tegenwicht voor Anna: zij jagen wel hun droom na. 

Het verhaal wordt voornamelijk verteld vanuit Anna, maar Japin wisselt verschillende keren van perspectief. Dat lijkt me een zwaktebod. Soms komt de verteller er zelf nog tussendoor: 

Dit moment lijkt geschikt voor een korte noot bij de Amsterdamse muziekwereld, die met de levens van de Witsens en de Röntgens nauw verweven was. 

Behalve een roman lijkt Japin ook een geschiedenis te hebben willen schrijven. In het nawoord heeft hij een uitgebreide literatuurlijst opgenomen (met daarin twee keer hetzelfde boek van Enno Endt) en soms zit dat in de weg. Dan wordt expliciet gemaakt wat ook impliciet gehouden had kunnen worden. De lezer moet Anna blijkbaar goed snappen, terwijl ze voor mij ook best meer een raadsel had mogen blijven. 

Maar Wat stilte wil leest lekker weg en je krijgt een goed beeld van de tijd waarin Anna leeft en van de lastige positie die een vrouw heeft wanneer ze iets anders of iets meer dan haar omgeving van haar verwacht. 

Gorter

De titel verwijst naar een gedicht van Herman Gorter

Ik ben alleen in het lamplicht,
de dingen kijken met een glad gezicht,
om me in 't licht.

De dingen staan om me zoo stil
te luistren wat de stilte wil,
vertellen wil.

En een verleden komt me aan de ooren
die stil opkijken en die stil ophooren,
dingen verloren.

Misschien is de titel een beetje gezocht, maar dat is niet zo'n heel groot bezwaar lijkt me. De verwijzing naar Gorter is wel terecht, aangezien hij ook het gedicht naar aanleiding van Anna's dood heeft geschreven, dat door Japin 'een van de bekendste Nederlandse gedichten' genoemd wordt. Dat lijkt me dan weer een beetje overdreven. 

Ook als je niet geïnteresseerd bent in De Tachtigers of in de persoon Anna Witsen, is Wat stilte wil gewoon een goed lezend boek, waarmee je een aantal uren aangenaam kunt doorbrengen. Net als Annejet van der Zijl schrijft Japin romans die hun anker hebben in de historie. Dat zal aan de ene kant houvast geven en aan de andere kant beperkt je dat. Je kunt je hoofdpersonage nu eenmaal niet buiten de sporen laten treden van de mens die model stond. Maar als je Wat stilte wil als een roman leest, wat het vooral ook is, merk je dat gelukkig niet. Lees het gerust. 
Anna Witsen (portret is een illustratie bij het essay van Jan Fontijn)

vrijdag 10 januari 2025

Afgestoft: Vingers van marsepein (Rascha Peper)

Om er weer in te komen, stof ik vandaag een oude recensie af, over Vingers van marsepein van Rascha Peper. Het stukje werd gepubliceerd op 15 februari 2008 in Nederlands Dagblad. Nu ik het teruglees, valt me in de eerste plaats de lengte op. Hier kan ik uitweiden zoveel ik wil, wat voor mij een voordeel is, maar voor de lezer wellicht niet altijd, in een krant is de ruimte beperkt. 

Van de titel weet ik niet meer zeker of ik die indertijd zo ingeleverd heb. Ik vermoed dat de naam Ruysch later toegevoegd is. Ik weet niet waarom en ook niet of het wel gebeurd is. Het tussenkopje is in ieder geval niet van mijn hand. Toch laat ik het hier maar staan. 

Ik realiseer me verder dat het alweer meer dan tien jaar geleden is dat Peper overleden is. Een link naar wat ik na haar overlijden schreef, vind je hieronder, net als links naar andere recensies van haar werk op Bunt Blogt. De tijd vliegt en schrijvers en boeken raken vergeten. Lezen scholieren haar werk nog? Indertijd was Dooi (1999) een populaire roman die terechtkwam in de reeks Boektoppers. 

Een roman als Rico's vleugels (1993) zou ik misschien moeten herlezen (waar het niet van zal komen). Ik heb het boek destijds met genoegen en bewondering gelezen. Het gaat over een oude man die gecharmeerd is van jongen. Ik liet het ooit lezen door een leeskring van een kerk, waar men aanvankelijk enige reserve had, maar achteraf was iedereen blij het gelezen te hebben. Maar ik schreef er nooit over en ook niet over Russisch blauw (1995), Een Spaans hondje (1998) en Wie scheep gaat (2003).

Mocht je een boek van Peper tegenkomen, neem het gerust mee. Het zal prettig lezen en je zult er genoegen aan beleven, ook als je niet alles even goed vindt. Ik denk dat ik, op de columns na, alles van Peper gelezen heb. Ik bewaar er goede herinneringen aan. 


De doodskunstenaar Ruysch en zijn nicht


'De doodskunstenaar' noemde zijn biograaf hem en dat is niet zo vreemd. Frederik Ruysch was in het begin van de achttiende eeuw de meester van de 'natte preparaten'. Een hand of een foetus op sterk water zetten konden meer mensen, maar Ruysch kreeg het voor elkaar om het dode vlees de kleur terug te geven die het had toen het nog levend was. Bovendien maakte hij esthetische composities van zijn anatomische preparaten. Een kinderarmpje kreeg een mouwtje om en het handje toonde, als was het een schat, een sponzig stukje longweefsel. 

Tsaar Peter de Grote raakte indertijd gefascineerd door het werk van magister Ruysch en nam veel preparaten over. Intussen is er het een en ander verloren gegaan, maar de Kunstkamera in Sint-Petersburg bezit nog altijd negenhonderd preparaten, waarvan een deel nog te bewonderen is. In Vingers van marsepein neemt Rascha Peper ons mee naar Frederik Ruysch, naar zijn huis aan de Bloemgracht in Amsterdam. Daar woont onder anderen zijn nichtje Brechtje Sweers, die alleen kwam te staan toen het gezin waarin ze leefde bevangen werd door de 'hete koorts' en overleed. Brechtje wil graag zo precies mogelijk weten hoe oom te werk gaat: een duistere sinjeur is uit op het geheim van Ruysch en zet Brechtje onder druk, waardoor ze bijvoorbeeld wel moet vragen welke vloeistoffen oom gebruikt. Bovendien heeft ze werkelijk belangstelling voor het werk van oom, dat ze allerminst eng vindt. 

De dood is er altijd en overal. Niet alleen overlijden familieleden, maar ook Brechtjes vriendin sterft al snel. Brechtje doet daar niet sentimenteel en zelfs nauwelijks geschokt over. Zo is het leven nu blijkbaar. Met plezier helpt ze oom zelfs waar ze kan. Zo mag ze de nageltjes van een overleden baby lakken. 

Peper had er een mooie historische roman van kunnen maken, maar blijkbaar wilde ze met Vingers van marsepein meer, of in ieder geval iets anders. Daarom schreef ze een spiegelverhaal, dat zich afspeelt in de eenentwintigste eeuw. Hoofdpersoon daarin is het jongetje Ben, dat ook op de Bloemgracht woont, tegenover het huis waarin Frederik Ruysch ooit leefde. Ben gaat met zijn vader en diens vriendin in de herfstvakantie naar Sint-Petersburg, waar hij natuurlijk ook de preparaten van Ruysch te zien zal krijgen.  

Kunstkamera 

Peper heeft haar best gedaan om zo veel mogelijk parallellen in de verhalen te vlechten. Net als Brechtje heeft Ben tekenen als hobby. Hij krijgt een kompas in de vorm van een neushoorn en later heeft hij in de dierentuin nog een akkefietje met eenzelfde dier, terwijl bij Brechtje thuis ook alles draait om de neushoorn die net binnengebracht is en die haar oom moet prepareren. Dat is nogal opzichtig gedaan, waardoor het al snel gekunsteld overkomt. Een groot deel van het verhaal van Ben is bovendien duidelijk vlakker dan het verhaal van Brechtje. Pas als Ben in de Kunstkamera komt en later als hij in de dierentuin is, krijgt het verhaal meer vaart. 

Zeker in het begin had ik de neiging om bij een stukje Benverhaal maar gauw door te bladeren, zodat ik meer over Brechtje kon lezen. De vraag is ook of de tweede verhaallijn wel iets toevoegt. Wanneer alle hedendaagse passages uit het boek weggesneden zouden worden, zouden we een prima historische roman overhouden. De tegenwoordige tijd komt automatisch in het boek, doordat we alleen maar met eenentwintigste eeuwse ogen kunnen lezen. Zo zal het in de achttiende eeuw niet bijzonder zijn geweest dat Ruysch een gelovige was, die met zijn preparaten wilde laten zien hoe wonderlijk mooi God alles geschapen had; bij de hedendaagse lezer valt zo iemand meteen op. 

Misschien heeft Peper ons willen laten zien dat kinderen kinderen blijven, of ze nu in de achttiende of in de eenentwintigste eeuw leven. Dat ze hun angsten en hun fantasieën hebben, dat ze nieuwsgierig zijn, dat het belangrijk is dat er mensen om hen heen leven op wie ze kunnen vertrouwen. Dat is zo, maar dat wisten we allemaal wel.

donderdag 9 januari 2025

Stilte

Door familieomstandigheden was het afgelopen week stil op deze plek. Ik heb deze week niet alleen niet geschreven, maar ook niet gelezen, wat voor mij uitzonderlijk is. Daarbij kwam ook nog een stevige verkoudheid of misschien wel een griepje, wat het allemaal niet beter maakte. 

Maar intussen komt er weer ruimte in hoofd en agenda en het lijf wil ook wel weer, dus ik pak de draad weer op. Morgen plaats ik, om erin te komen, een afgestofte recensie die hier nog niet eerder te lezen was.

Strips

Een maand geleden kondigde ik aan waarover ik de tijd daarna zou schrijven en daarvan liggen nog steeds boeken op de stapel: wel gelezen, maar ik moet er nog over schrijven. Daar zijn intussen wat strips bij gekomen: Buiten de wet van Fred de Heij, een avontuur van Isa Locus, en het eerste deel van Het verhaal van Louise Pembleton, Het pension van Miss Daisy, van Djief en Ben Prieur, dat je terugvoert naar een heel andere tijd, wat ook aan de inkleuring te zien is. Die is in bruinen, wat doet denken aan sepiakleurige foto's. 

Verder de studie Getekend verleden, van Tom van der Geugten, over strips die over de koloniën gaan, niet alleen die over Nederland, Indonesië en Nederlands-Indië, maar ook over België en Congo, Frankrijk en Vietnam en Algerije en Duitsland en zijn koloniën. Hopelijk is het boek de aanzet voor nog verdere studie. 

Columns

En verder nog een verzameling columns van Jean Pierre Rawie
Vroeger was alles beter behalve de tandarts. Lastig om uitgebreid over te schrijven, schat ik in, maar het was leuk om te lezen. 


Wat lees ik?

Toen ik alles uit mijn handen liet vallen, een week geleden, las ik in Oroppa van Safae el Khanoussi, al veel geprezen. Verder twee albums over Darius, de min-of-meer-prehistorische dinosaurus (Patrick Goulesque/Roger Widenlocher. Dat klinkt al leuk. Alsof er ook andere dino's zouden zijn. Ja, die zijn er. Aardige strip. En ik lees van tijd tot tijd in Over mijzelf en anderen van Anna Blaman. Dat is het zo ongeveer. 

Volgende week wil ik beginnen met schrijven over Wat stilte wil van Arthur Japin. En de cartoonbundel van Hein de Kort ligt er ook nog. Het komt, het komt.