woensdag 8 november 2017

Wol (Aart Taminiau)


Aart Taminiau tekende en schreef een beeldroman over de neergang van een textielfamilie in Tilburg. Het boek bestaat uit louter pentekeningen, zonder het gebruik van een steunkleur. Ik schreef daarover voor Literair Nederland.

De dreiging van het duister

De graphic novel Wol van Aart Taminiau geeft al bij de eerste keer doorbladeren een fraaie aanblik: een kloek, gebonden boek met fijne pentekeningen. Bij dat doorbladeren valt ook op dat de rechterkant van elke dubbele bladzijde een zwarte achtergrond heeft. Ook de tekeningen zijn in dat gedeelte donker. In de loop van het boek neemt het zwart een steeds groter deel van de pagina in beslag.

Het verhaal behelst de nadagen van de Van Mergaerts, een aanzienlijke familie in Tilburg, die een positie heeft in de wolhandel. Zoals de pater familias in het boek zegt tijdens een toespraak: ‘Onze familie is het bedrijf en het bedrijf is onze familie.’

De wol komt van een schapensoort met een zwarte kop, de Scottish Blackface. Dat geeft de Van Mergaerts een voorsprong. En als op dat moment (we bevinden ons in de industriële revolutie) er een machtige machine in gebruik wordt genomen, de zogeheten totaalmachine, is het optimisme enorm.

We kijken als lezer mee met neef Alphons, die terugkeert in de familie. Zijn vader heeft met de familie gebroken en als Alphons terugkeert, stapt hij vanuit het duister in het licht. Maar zo licht blijkt de oude en tegelijkertijd nieuwe omgeving niet te zijn.

De totaalmachine wordt met veel tamtam in gebruik genomen, maar de tekeningen van het binnenste van de machine bevinden zich steeds in het donkere gedeelte van de bladzijde. Van daaruit wordt het donkere deel al snel groter.

Het spel met licht en donker speelt Taminiau geraffineerd. Hoe duister de tekeningen in het donkere gedeelte ook zijn, Taminiau is wel blijven tekenen met zijn pennetje. Hij gebruikt niet een penseel om zwarte vlakken aan te brengen, maar beperkt zich tot dichter wordende arceringen. De zwarte randen om de kaders bepalen voor een groot deel het zwarte van die passages.

De rest van de recensie lees je hier.

maandag 6 november 2017

Hoor nu mijn stem (Franca Treur)


Franca Treur heeft in haar debuut Dorsvloer vol confetti uitvoerig geschreven over het milieu waarin ze is opgegroeid: een orthodox christelijke plattelandsgemeenschap. Blijkbaar was ze daar nog niet klaar mee, want ze neemt het onderwerp opnieuw onder handen in haar roman Hoor nu mijn stem. Tot mijn plezier, trouwens.

Geraldina (Ina) Wisse groeit, net als Kathelijne in Dorsvloer, op in een reformatorisch gezin in Zeeland: bij haar opa en diens zusters tante Ma en tante Sjaan. Tante Ma is 'bekeerd' en voor de jonge Ina is ze een voorbeeldfiguur. De verhaallijn over Ina, die zich in het verleden afspeelt wordt in de ik-vorm verteld.

Later zal Ina gaan studeren en nog later zal ze bij de radio gaan werken. Ze noemt zich dan Gina en interviewt gasten bij het programma 'Kennis & Kunde'. Haar verhaal wordt in de even hoofdstukken in de zij-vorm verteld. Dat schema houdt Treur strak aan. Deze periode, waarin Ina/Gina geconfronteerd wordt met een andere wereld dan de haar bekende is nieuw in vergelijking met Treurs debuut.

Opa overlijdt en de tantes worden oud. Gina keert terug naar het huis van haar jeugd, omdat tante Sjaan 'op haar uiterste' ligt. Ze is dan al opgenomen in een verzorgingshuis. Met tante Ma blijkt het overigens ook niet goed te gaan. Gina verzorgt haar.

Gina heeft zich ontwikkeld van het milieu en het geloof van haar jeugd af, maar ze is nu weer terug op het beginpunt. Van die ontwikkeling weten de tantes niets af; Gina heeft de wereld waarin ze opgegroeid is en de wereld waarin ze terechtgekomen is altijd zoveel mogelijk gescheiden gehouden. Als ze terug is, denkt ze:
In dit huis had nog nooit een stem uit de ether geklonken, nooit een andere dan de stem van God.
Ze was weer terug bij af.  
Voor een goed doel heeft Gina haar haar af laten knippen. Daarom draagt ze een pruik. Die wordt in de loop van het verhaal een symbool van het ophouden van de schijn. Pas als tante Ma overleden is, zet Gina haar pruik af, alsof ze dan pas kan laten zien wie ze werkelijk is. Ook dan pas kan ze zeggen dat ze van tante Ma houdt. Ze is zich in de loop van haar leven ook bij tijden aan haar oudtante gaan ergeren.

Zoals al gezegd: Franca Treur houdt een strakke opbouw aan, die ook inhoudelijk verantwoord is: doordat Gina terugkeert naar de plaats van haar jeugd, wordt ze bepaald bij haar vroegere leven. Binnen het heden speelt het verleden een onontkoombare rol. Ze wordt gedwongen om over zichzelf na te denken, vooral ook omdat haar relatie met Jean-Paul net afgelopen is.
Als Jean-Paul voor iemand anders had gekozen, betekende dat dat hij bezig was haar te vergeten. Maar als zij vergeten was, wie was ze dan nog?
Als interviewster is Gina behoorlijk succesvol, maar nu ze een tijdje niet beschikbaar is, lijkt er meteen gezaagd te worden aan de poten van haar stoel. Die verhaallijn laat Treur nogal versloffen. Gina ziet op een gegeven moment dat ze op haar telefoon de datalimiet heeft bereikt en dan laat ze ook verder het contact met de radiowereld achterwege. Dat is niet zo geloofwaardig.


Zelfbeeld

Gina denkt niet zo positief over zichzelf. Ze ziet zichzelf als een aanstelster en zo zag ze zich al vanaf haar jeugd. In die lijn zit nog een plotje, als ze tot de ontdekking komt dat ze zichzelf die aanstellerij aangepraat heeft.

Afgezien van de aanstellerij heeft Gina geen hoge dunk van zichzelf. Met betrekking tot God denkt ze al in haar jeugd:
Diep in mijn achterhoofd was er altijd dat knagende besef dat Hij mij nooit zou vergeven omdat Hij mij niet moest. Ik begreep dat heel goed. Ik moest mezelf ook niet.
Volgens het geloof waarin Gina is opgegroeid is er weinig goeds in de mens; die is immers geneigd tot alle kwaad en zelfs als het de mens zou lukken zonder zonden te leven, dan is hij nog maar een onnutte dienstknecht die alleen maar doet wat hem opgedragen is. Maar de mens schiet altijd tekort en zal altijd zonde op zonde stapelen. Die opvatting zal zeker debet geweest zijn aan het zelfbeeld dat ze ontwikkeld heeft.

Ook in relatie speelt dat Gina parten. Over een eerdere vriend, Gerard, vertelt Gina bijvoorbeeld:
Ik had lang over hem nagedacht en geconcludeerd dat ik van hem hield met een mengsel van medelijden en minachting, voortgekomen uit zijn betrouwbaarheid en zijn goedheid, die ik beide niet verdiende want zelf was ik betrouwbaar noch goed.

Geloof

Tijdens haar studie verliest Gina haar geloof. Of, zoals het in Hoor nu mijn stem staat:
Nee, ze had het geloof niet verloren, ze had het afgelegd. Of liever: het had haar verloren. (...) Ze was nog nooit zo opgelucht en tegelijkertijd gedeprimeerd geweest.
Ook als ze het geloof al kwijt is, spreekt ze nog over haar ziel. Met betrekking tot Jean-Paul:
Hij voorzag in de behoeften  van har ziel. De leegte in haar onderbuik kon niet door hem - of door welke man dan ook- worden opgevuld.
Het lijkt me te simpel om de leegte te zien als de plek die eerder het geloof heeft ingenomen. Het heeft ook te maken met hoe Gina zichzelf ziet: als iemand 'die het altijd weer verklootte'. Het geloof speelt een belangrijke rol in het boek, maar misschien is het belangrijker dat Gina uiteindelijk de onechtheid aflegt en nog meer zichzelf durft te zijn, zowel haar afkomst, haar achtergrond, omarmend, als wat ze nu is en wil.

Misschien geldt uiteindelijk voor haar wel, wat ze zegt over de schrijfster die ze interviewt: dat die een houding heeft die op een verontrustende manier omarmend is. Je kunt je afvragen of die schrijfster niet ook stiekem iets van Franca Treur wegheeft. De schrijfster legt overigens  verband tussen schrijven en religie:
Als je fictie schrijft, ben je bezig je een andere wereld voor te stellen, zei de schrijfster. Dat is het begin van religie. En de lezer is bezig betekenissen toe te kennen aan een verhaal. Ook dat vond ze een religieuze activiteit.
Dat klopt met hoe Gina de literatuur ervaart:
Literatuur lokte met de belofte haar iets terug te kunnen geven dat ze zelf was kwijtgeraakt.
Misschien is dat wel iets wat steeds terugkomt: Gina moet zich een nieuw leven verwerven na haar opvoeding, waarin ze alleen zicht heeft gehad op een klein wereldje. Ze wint nieuwe werelden, nieuwe inzichten, maar moet daardoor ook een wereld achter zich laten. Ze houdt de werelden gescheiden. Pas aan het eind van het boek lijkt die scheiding opgeheven te worden. Wat overigens niet wil zeggen dat alles nu gemakkelijk zal zijn. Het lukt haar in de slotzin al niet om naar het gezicht van tante Ma te kijken. Er is nog veel waarmee Gina aan de slag moet.

Hoor nu mijn stem is een interessante roman, die bovendien beter geschreven is dan Dorsvloer vol confetti. In de korte stukjes uit X en Y (zie de link onderaan) moest Treur to the point zijn. Dat heeft haar stijl vaart gegeven, waarbij ze vaak personages kernachtig weet te typeren:
Ze (...) had een gezicht dat je moeilijk kon onthouden. Maar je onthield haar motoriek, ze leek een beetje te zweven.

Tale Kanaäns

De constructie is ook hechter en dat is aangenaam. Verder vond ik het heerlijk hoe Franca Treur de reformatorische wereld weet op te roepen. Dat gebeurt in sterke mate door de taal die verwijst naar de tale Kanaäns, een taal doorspekt met bijbelteksten en vaste uitdrukkingen die voor buitenstaanders een soort geheimtaal vormen, maar het volk dat het geklank kent, weet meteen wat er bedoeld wordt.

Als Gina gaat studeren, bijvoorbeeld:
Ik hoor hier niet, dacht ik toen ik de collegezaal binnenliep, met mijn gedoopte voorhoofd. 
In gedachten hoor ik  nog de dominees die zeiden dat het verschrikkelijk is om met een gedoopt voorhoofd verloren te gaan.

En ook dit citaat riep meteen van alles wakker:
Zo hadden de tantes altijd geleefd, gegeten, gebreid, gebeden, in een tempo dat Gina nu heel onwaarschijnlijk voorkwam. Buiten dat leven was geen leven, maar een eeuwig zielsverderf, bestaande uit computers en amusement.
 Meteen was de passage terug uit het gedicht dat de dominees graag citeerden:
Geef mij Jezus, of ik sterf.
Buiten Jezus is geen leven,
maar een eeuwig zielsverderf.
Nog een voorbeeld: Opa ligt op sterven en Ina zit bij hem.
Aan mijn pols tikte mijn horloge zijn genadetijd voorbij.
De genadetijd, ook wel 'het heden der genade' genoemd, is de tijd dat we leven. Dan is er nog gelegenheid om tot bekering te komen, wat overigens geen verdienste is, maar genade. Tijdens het leven kunnen we die genade nog deelachtig worden. Daarna is het voor eeuwig te laat.

Dat soort subtiele verwijzingen naar de tale Kanaäns heeft Franca Treur voortdurend. Om de kritiek uit de hoek van reformatorische christenen maar voor te zijn: daarin zit geen spot, maar iemand die in orthodox-christelijke kring is opgegroeid, heeft zich die taal zo eigen gemaakt, dat het onnatuurlijk zou zijn om andere woorden te kiezen.

Met Hoor nu mijn stem heeft Franca Treur een mooi boek aan haar oeuvre toegevoegd. Doordat ik er veel uit herken, kan ik er misschien nog minder objectief over oordelen dan gewoonlijk het geval is. Dat is dan maar zo. Het is altijd goed om zelf het boek (te kopen en) te lezen, om te zien of je in het oordeel van een recensent mee kunt gaan. Naar de boekhandel dus!


Eerder schreef ik over X en Y en De woongroep, beide ook van Franca Treur.

zaterdag 21 oktober 2017

Het smelt (Lize Spit)


Soms komt het er toch nog van: een boek lezen dat je al een tijdje hebt laten liggen. Dat overkwam me met Het smelt van Lize Spit. Ik had het gezien  in de boekhandel, Spit en spade op de de voorkant. Ik kon het niet nalaten om die flauwiteit te denken. Het boek kocht ik niet;  je kunt niet alles kopen.

Maar anderhalf jaar later blijk ik het toch ineens mee te nemen en te lezen. Op de achterkant staat dat de hoofdpersoon, Eva,  wraak neemt op een heel dorp. Ik wil toch wel weten hoe dat gebeurt.

Het heden in de roman is de dag waarop Eva's oud-klasgenoot Pim de 'bijna volledig geautomatiseerde melkerij' op zijn boerderij opent. Voor deze gebeurtenis nodigt hij mensen uit, onder wie Eva. In de uitnodiging noemt hij ook zijn broer Jan, die niet meer leeft en die in december dertig jaar oud geworden zou zijn. Eva is al jaren weg uit het dorp. Ze besluit naar het feest te gaan, met een blok ijs in de achterbak. We volgen haar die dag van uur tot uur.

Er worden nog twee lijnen getrokken. De ene is de geschiedenis van 'de drie musketiers', de enige drie kinderen die in 1988 in het Vlaamse dorp geboren werden en die op die manier wel samen op moeten trekken: ze vormen een bijzetklasje, dat dus bij een andere klas gezet wordt. Het klasje bestaat uit Eva, de boerenzoon Pim en de slagerszoon Laurens.

De derde lijn is die van de zomer van 2002, waarin de samenwerking van de drie musketiers uit de hand loopt en dramatisch eindigt. De drie lijnen wisselen elkaar met keurige regelmaat af.

Het verhaal blijft gaande door enkele vragen die de lezer al in het begin van het boek heeft: wat gaat Eva op het feest doen met het blok ijs? En ook: hoe is Jan om het leven gekomen? Honderd bladzijden voor het einde krijg je op de tweede vraag wel antwoord, maar dat antwoord blijkt verderop onvolledig te zijn. 

Er hangt vanaf het begin iets broeierigs in Het smelt. Sommige zaken worden aanvankelijk niet benoemd, maar je hebt al het gevoel dat er wat scheef zit. Eva komt bijvoorbeeld uit een niet zo prettig gezin, waarin moeder alcoholist is en vader ook wel een pintje lust. Eva's zusje Tesje ontwikkelt dwanghandelingen. Hoe erg het bij Eva thuis is, wordt pas in de loop van de roman duidelijk.

Spit heeft Het smelt keurig volgens de theorie opgebouwd. Als iemand voor de grap(?) zijn hoofd in een strop steekt, kun je verwachten dat er verderop nog ergens een strop opduikt. Zo zijn er (veel) meer vooruitwijzingen. Je kunt dat schematisch noemen, maar mij heeft het niet zo gestoord. Ik vind het wel prettig als een roman stevig geconstrueerd is.

Meer moeite had ik met het effectbejag. Sommige scènes worden wel erg vet aangezet. Na een dramatische verkrachting komt het slachtoffer aan in de slagerij, waar ze in elkaar zakt. Ze moet overgeven. Er staat een emmertje met smerig poetswater, waarin ook stukjes gehakt te zien zijn. De slagersvrouw dept het voorhoofd van het slachtoffer met de doek uit het emmertje. Ja, ja, we weten wel dat het erg is. Zoiets is me te grotesk. Er zijn meer van dergelijke passages aan te wijzen.

In de verhaallijn van de zomer van 2002 draait het om een raadsel, waarnaar ook de titel verwijst en het ijsblok dat Eva meeneemt naar het feest: een man wordt dood gevonden. In de ruimte is alleen een plas water te zien. Wat is er gebeurd? Het is (in Nederland in ieder geval) een bekend raadsel, te vergelijken met de dode visser in de telefooncel en het volk dat de 'r' niet blijkt te kunnen zeggen. Het is daarom opmerkelijk dat zo weinig meisjes in het dorp van het raadsel gehoord hebben. Er wordt ook gesuggereerd dat Eva het raadsel bedacht heeft, terwijl ze het waarschijnlijk ergens gelezen heeft. Dat bekende raadsel maakt ook dat het slot niet als een verrassing komt.

Nu Het smelt al meer dan anderhalf jaar uit is, mag ik waarschijnlijk wel wat van de plot verklappen. Als dat niet mag, moet je de volgende alinea's overslaan.

Dat Eva wraak wil nemen op een heel dorp is opmerkelijk. Heeft de dorpsgemeenschap schuld? Er zijn zeker schuldigen aan te wijzen en wellicht kun je de gemeenschap schuldig achten doordat er zaken toegelaten zijn. Daarover kun je van mening verschillen.

Maar Eva pleegt ook zelfmoord en die twee dingen kan ik niet met elkaar verenigen. Als wraak belangrijk voor je is, is de dorpsgemeenschap blijkbaar belangrijk voor je. Pleegt iemand zelfmoord voor wie er nog belangrijke dingen in het leven zijn? Dat lijkt me niet zo logisch.

En was de zelfmoord nodig voor de wraak? Ik denk het niet, al komt het voor de compositie van het boek wel goed uit.

Toch heb ik Het smelt geboeid gelezen. Misschien wel doordat Eva veel van wat er om haar heen gebeurt zo lang accepteert. De werkelijkheid waarin je leeft mag absurd zijn, maar je hebt geen andere, dus je kunt moeilijk anders dan erin meegaan. Dat laat Spit wel goed zien.

Het smelt toont ook het tweesnijdende van een kleine gemeenschap. Er kan veel goeds gebeuren in een besloten gemeenschap, maar ook veel kwaads. Er kan veel over elkaar verteld worden, maar ook verzwegen.

De opzet, terugkeren naar het dorp van je jeugd, is bekend. Titels als De helaasheid der dingen en Terug naar Oegstgeest liggen ter vergelijking voor de hand. Mij lijkt dat geen bezwaar.

Het smelt is geen vlekkeloze roman, maar het is interessant genoeg en voor een debuut is het krachtig. Nu is het afwachten of er nog meer in de pen van Lize Spit zit.

vrijdag 13 oktober 2017

De buurjongen (Jan Siebelink)


Niet alles van Jan Siebelink is even goed, maar toch lees ik zijn boeken meestal wel met plezier. Om ook voor mij duistere redenen heb ik in de loop van de jaren verschillende van zijn boeken overgeslagen. Wel las ik Een lust voor het oog, maar niet En joeg de vossen door het staande koren, wel Verdwaald gezin, niet Vera, wel Oscar, niet Margje, al ben ik vast van plan dat laatste boek alsnog te gaan lezen.

Nu De buurjongen dus. Die buurjongen is Henk Wielheesen, die naast het gezin Sievez woont, dat we kennen uit Knielen op een bed violen. Je zou ook de oudste zoon Ruben Sievez de buurjongen kunnen noemen, omdat hij dat immers is van de hoofdpersoon Henk Wielheesen.

Het is hoe dan ook een wat vreemde titel. Als de titel verwijst naar Henk, haakt Siebelink wel erg duidelijk aan bij het succes van het violenboek: de buurjongen van het gezin dat we zo goed kennen van de succesroman en de film. Als met de buurjongen Ruben wordt bedoeld, is de titel ook opmerkelijk. Ruben en Henk gaan vooral als broers met elkaar om, niet als buurjongens.

Henk is een aparte jongen, die niet naar de gewone school kan. Hij gaat naar het speciaal onderwijs, schrijft Siebelink, maar dat bestaat pas vanaf 1985. Tot die tijd heette het buitengewoon lager onderwijs. In mijn jeugd spraken we over kinderen die naar de B.L.O.-school gingen. Wielheesen heeft wat aparte trekjes. Op sommige momenten heeft hij last van dwanghandelingen; hij moet dan iets aanraken.

In De buurjongen gaat Siebelink met grote stappen door het gehele leven van Henk Wielheesen, vanaf zijn jeugd (met daarin de dramatische dood van zijn moeder en zijn stiefmoeder) tot aan zijn sterfbed. Meestal zijn de scènes boeiend om te lezen, maar het doortrekken van lijnen gaat Siebelink minder goed af.

Ineens lezen we bijvoorbeeld dat Wielheesen wel eens een jurk aantrekt. Dat is nog te begrijpen, omdat hij op die manier dichter bij zijn moeder is. Later koopt hij ook jurken. Dan ligt die verhaallijn weer een hele tijd stil, zodat je je gaat afvragen of de drang tot verkleden nog wel speelt bij Wielheesen. En daarna volgt er een dramatische passage waarin Wielheesen met jurk en al door het plafond van de kamer van zijn dochter komt zetten. Verhaallijn afgelopen.

Zo gaat het eigenlijk ook met de moeilijke relatie die dochter Guusje heeft met haar ouders Henk en Anna. Soms komt die uitgebreid aan de orde, later ligt die weer een tijdje stil. Siebelink moet het hebben van de afzonderlijke passages, niet van het geheel.

Dialogen zijn nooit het sterkste punt van Siebelink geweest. Ook in De buurjongen komen heel wat onnatuurlijk klinkende gesprekken voor. Bij Henk en Anna in de straat woont Joop Ruysch, voor wie Anna lijstjes 'tikt'. Ze moet duizenden schilderijlijstjes in elkaar zetten. Ik snap niet waarom dat allemaal handwerk moet zijn als de handel zo goed loopt, noch waarom Ruysch al dat werk alleen door Anna laat doen.

Deze Ruysch heeft Ruben ontmoet op een verdachte boerderij net over de grens en vertelt daarover aan Anna:
Het was een mooie avond. We hebben nog op het terras gezeten, keken uit over het kalkrijke parklandschap, waar ooit de zee was. Er worden veel oude fossielen van reuzenvissen gevonden. Ruben zei dat hij van deze vage, onbepaalde grensstreek hield.
Dat de middenstander Ruysch op deze manier vertelt, is volstrekt ongeloofwaardig. Hier is duidelijk de schrijver Siebelink aan het woord, die even tussen de lezer en Ruysch in gaat staan. Dat gebeurt vaker. Het grootste deel van het boek is geschreven vanuit Henk Wielheesen, maar als het de schrijver uitkomt, kiest hij eventjes een ander perspectief om dingen wat nader uit te leggen.

Ruben, die in Knielen op een bed violen veel weg had van de schrijver Siebelink, speelt een belangrijke rol in De buurjongen. Hij gaat met Henk Wielheesen om als een broer, noemt hem broertje, zoent hem en bijt hem zelfs in een schouder. In een passage heeft hij een smetteloos wit pak aan.

In de loop van het boek begon het me te irriteren dat Ruben steeds de reddende engel is. Hij wordt opgehemeld tot het ongeloofwaardige. Tegen het slot worden er wat verdachtmakingen tegen hem uitgebracht door de zeer negatief getekende Joop Ruysch, maar dat kan het totale beeld niet meer veranderen. Te goed, te zoet.

Siebelink houdt van heftige gebeurtenissen. Ik noemde al het door het plafond zakken van Henk, maar er is meer: een beschuldiging van incest en een storm bijvoorbeeld. Ook daarbij is de ontwikkeling van de gebeurtenissen niet altijd logisch en daardoor raakte de schrijver mij wel eens kwijt bij zo'n passage.

Als tekening van een persoon, Henk Wielheesen, vind ik De buurjongen nog wel geslaagd en ik heb ook met plezier de verschillende passages gelezen. Als roman, die ook een geheel zou moeten zijn, lijkt me De buurjongen niet geslaagd. Daar komt nog eens hier en daar het gebrek aan realisme bij, de houterige dialogen en het karikaturaal heilige karakter van Ruben. De buurjongen is bepaald niet Siebelinks beste boek. 

Dat Siebelink het desondanks voor elkaar gekregen heeft om het boek goed leesbaar te houden, is een geluk bij een ongeluk.

Eerder besteedde ik aandacht aan Siebelink:
Jan Siebelink en de werkelijkheid
Oscar

woensdag 4 oktober 2017

La Casa (Paco Roca)


Er is een vader gestorven. Zijn huis staat al een jaar leeg en de kinderen gaan het op orde brengen en opknappen, zodat het misschien verkocht kan worden.

Het gegeven van La Casa van Paco Roca is niet eens zo sensationeel, maar we weten uit de literatuur hoe heftig zoiets kan zijn. We lazen immers bijvoorbeeld Gesloten huis van Nicolaas Matsier. Elk voorwerp kan de aanleiding zijn voor een herinnering.

Antonio, de vader van de drie kinderen in La Casa is al een jaar niet meer in leven, maar hij is nog steeds verbonden met het huis. Vicente, José en Carla komen bij elkaar op de plek waar zoveel van hun verleden te vinden is. Ze worden geconfronteerd met hun herinneringen en zien zich gedwongen om zichzelf af te vragen hoe goed ze hun vader eigenlijk gekend hebben.

En hoe zit het met hun onderlinge verhouding? Ziet Vicente de andere twee nog steeds als de kleine kinderen?

Daartussendoor scharrelt de oude buurman Manolo, die een vriend van Antonio was en hem heeft meegemaakt op de momenten dat de kinderen er niet waren. Hij weet ook herinneringen van Antonio de anderen niet weten. Hoe vader als kind in een vijgenboom klom en daar een geluksmoment beleefde en hoe hij daarom later moeite deed om zelf een vijgenboom op te kweken.

La Casa is een aangrijpend boek, al heb ik voor mezelf nog niet helemaal helder waar dat in zit. Misschien zijn het de omtrekkende bewegingen waarin we Antonio leren kennen. Of de tekening van het niet spectaculaire leven dat hij geleefd heeft. Zoals Carmiggelt schreef over Juffrouw Nifterink: 'U zong uw liedje zacht, maar het klonk welluidend'.

Misschien is het omdat je als lezer aan het denken gezet wordt over je eigen zoonschap en vaderschap, over het verglijden van de tijd en hoe die alles aantast en over wat er uiteindelijk overblijft.

Ik denk dat ik ook gegrepen werd door de intimiteit die soms in ogenschijnlijk onbetekenende gebeurtenissen schuilt. De dochter bijvoorbeeld die met vader in de wachtkamer zit voor de maandelijkse controle. De ene keer lijkt Antonio energiek en zegt hij dat hij de aardappels wil poten en de augurken wil zaaien. De andere keer lijkt hij uitgeblust.

Je ziet twee mensen naast elkaar zitten en de lege kuipstoeltjes ernaast. Ze hoeven niets te zeggen. Ze zijn er, dat is genoeg. De nabijheid, de zorgzaamheid, de vanzelfsprekendheid - en de tederheid waarmee die opgeroepen worden.

Als een tekenaar zo dicht bij basale emoties kan komen, moet hij diep in zichzelf gegraven hebben. Je merkt aan alles dat La Casa een persoonlijk boek is en als je aan het eind van het boek een foto tegenkomt van de auteur met zijn vader, word je in dat idee alleen maar bevestigd.

En dan heb ik het nog helemaal niet gehad over de tekeningen. Dat ze sfeervol zijn. En treffend. En fraai ingekleurd. Hoe er mooie series van plaatjes zijn, waarin maar weinig verandert en toch veel gebeurt. Hoe Paco Roca de stilte en de bewegingloosheid tekent. Ja, daar kan ik het over hebben. Maar dat stelt alleen maar het lezen uit.

Hup! Naar de winkel! Kopen! Lezen! Herlezen!

La Casa is uitgegeven door Soul Food Comics

dinsdag 3 oktober 2017

Appels van ooit

yellows

Het huis waar ik geboren werd en waar ik de eerste tien jaren van mijn leven doorbracht, is al jaren geleden gesloopt en over de plaats waar het stond loopt nu de A50. Achter het huis lag een boomgaard. Een deel van dat perceel ligt er nog, maar het is geen boomgaard meer en er leven steeds minder mensen die weten dat er ooit een boomgaard was.

Ik hoef mijn ogen niet eens dicht te doen om weer te lopen op het niet helemaal rechte pad de boomgaard in, naar de brug naar de achterste bongerd. Een brug die mijn vader zelf vlak na aankoop van huis en boomgaard gebouwd heeft.

Links van het pad, naast de sloot, staat een rij jonathans. Sinds de Jonathan en de Golden Delicious (wij zeiden: ‘Golden Liesjes’) gekruist zijn tot Jonagold, bestaan er geen jonathans meer, behalve in boomgaarden waar oude rassen geconserveerd worden.

Onder die bomen moet ik als uk in een veilingkist gestaan hebben terwijl mijn moeder de rode appels plukte van de ‘laagstammen’. ‘Struiken’ werden ze ook wel genoemd. Als box was een kist misschien een beetje klein, maar moeder kon zo wel toezicht op mij houden en ze zal ook wel voor mij gezongen hebben, zoals ze vaak deed.

Verderop gaat het pad onder yellows door. Yellow Transparante heette het ras; wij noemden de appels kortweg yellows. Het waren de vroegste appels, die we vooral in de appelmoes gebruikt zullen hebben. Als ze goed rijp waren, smaakten ze wel aardig. Maar als de groene appels geel werden, kon je ze (als ik het mij tenminste goed herinner) niet zo heel erg lang meer bewaren.

Rechts van het pad was het veldje bramen, frambozen en bessen en daar weer achter, aan de straatkant stonden drie hoogstambomen. Twee transparanten en een notarisappel, meen ik mij te herinneren. Ook dat waren groen/gele appels. Ik heb gegoogled om erachter te komen wat voor transparanten dit dan waren. Het zal het ras Transparante de Croncels geweest zijn, vermoed ik. Mijn vader zal in grote letters alleen maar ‘Transparant’ op de veilingbrief geschreven hebben.

Sterappels
Wij hadden nog een boomgaard, een kilometer of drie verderop, die van mijn opa geweest was. Daarin stonden goudreinetten (Schone van Boskoop) en nog vroeger stond er een rijtje sterappels langs de weg. Die heb ik als klein jongetje samen met mijn opa opgeraapt. De appels werden uitgespreid op een bedje van stro en regelmatig moesten ze gekeerd worden, totdat ze aan alle kanten donkerrood waren. Zelfs het vruchtvlees had dan een rode vleug.

In de boomgaard stonden ook een paar bomen met vroege appels, wij noemden ze ‘Stark Allies’. Pas later realiseerde ik me dat dat het ras ‘Stark Earliest’ geweest moet zijn.

Golden Liesjes hadden we niet, maar die konden we in de aangrenzende boomgaard van mijn oom plukken. Wel hadden we de rassen James Grieve en Lombarts Calville. Groene appels, die hoogstens een beetje geel werden. Soms was er een lichte rode blos.

Achter in de boomgaard stond een enkele hoogstam met zoete appels: de bloemee. De spreeuwen waren er dol op en ik heb nog wel eens op een zondagmiddag, na kerktijd de wacht moeten houden onder de boom en de spreeuwen al ratelend en roepend weg moeten houden.

Appelschilmachine
Werken op zondag, dat was toch een beetje een raar idee. Maar als de vogels zich rustig hielden, kon je, liggend in het gras onder de boom lekker je jongensboek lezen.

De zoete appeltjes werden door mijn moeder, soms geassisteerd door een paar tantes, geschild. Ze gebruikten zelfs een schilmachientje. Je prikte de appel eraan en draaide dan snel de zwengel rond. Als de appel klaar was, werd hij door het apparaat zelf van de vork geworpen. Wel moest er altijd nageschild worden.

De appels werden in partjes gesneden en gedroogd. Dat kon bij de kachel, maar het snelst ging het als mijn oom ze in een katoenen zak meenam naar de steenoven.


Blik waarin de zoete appeltjes bewaard werden
Gedroogde appels werden bewaard in een biscuitblik op de achterzolder. Vanzelfsprekend snoepten wij daar wel eens uit.

De lekkerste appel vond ik indertijd de Mantet. Dat was eind jaren zeventig (schat ik) een vrij nieuw ras en mijn vader had er ook een paar rijtjes van aangepoot, zo’n beetje om en om met de James Grieve.

Dat de Mantet het niet gered heeft, snap ik wel. Het was een heerlijke appel, maar je moest hem eigenlijk met handschoentjes aan plukken, anders kneusde je hem al. En de bomen zelf waren ook niet sterk. Mijn vader heeft heel wat kankerplekken uit de takken moeten wegsnijden.

Rassen komen, rassen gaan. De Elstar en de Jonagold bleken blijvertjes. Nadat mijn broer het bedrijf had overgenomen, hoorde ik namen als Elan, Benoni, Alkmene, Gloster, Karmijn, Odin, Summerred, Delcorf. Geen idee of die het uiteindelijk gehaald hebben. Aan de glosters meen ik nog wel herinneringen te hebben. Lekkere appels, met een net iets te dikke schil.

De goudreinetten uit mijn jeugd en de coxen zijn er nog steeds. Verder liggen er in de winkels, naast de al genoemde jonagolds en elstars de rassen Fuji, Gala, Kanzi, Junami, Pink Lady, Braeburn en natuurlijk de lelijke Granny Smith.

En over veertig jaar zullen er mensen zijn die daar dan weer met weemoed aan terugdenken.
Mantet. Plaatje gepikt van de genoemde site.

zondag 1 oktober 2017

Remington (Bert Natter)


Volgens de titelpagina verscheen Remington van Bert Natter in 2015, maar ik kocht in een boekhandel, afgeprijsd, een gesigneerd exemplaar waarin de auteur 'Ede, 2014' had geschreven. Vanwege de lage prijs nam ik het boek mee, wetend dat ik het zou gaan lezen. Vaag meende ik mij te herinneren dat ik dat al ooit van plan was.

Terugkijkend in mijn lijstjes met niet gelezen boeken kwam ik wel een Natter tegen in De beste romans van 2015 (die ik niet gelezen heb): Goldberg. Het moet ongeveer tegelijkertijd uitgekomen zijn met Remington. Ik meen in die tijd ook een interview met de auteur beluisterd te hebben, waardoor ik geïnteresseerd raakte. Erg helder staat het me allemaal niet meer bij.

Ooit las ik Natters roman Hoe staat het met de liefde? die goed leesbaar was, maar ik vond het niet zo'n goed boek. Waarschijnlijk heb ik daar indertijd wel over geschreven in het Nederlands Dagblad, maar ik moet tegenwoordig betalen om dat te kunnen nalezen. Beter vond ik Begeerte heeft ons aangeraakt.

En nu dus Remington, het beste wat ik ooit van Natter las. Een kunstenaar gaat naar Hamburg om zijn vader op te halen. Die heeft last van een tremor en durft het niet  aan om met zijn oude Mercedes naar huis te rijden. Vader is geboren in Hamburg; hij heeft de stad als kind verlaten, in de oorlog. Later realiseert de zoon zich:
Misschien had ik eerder door moeten hebben dat mijn vader al sinds hij me donderdag belde bezig was met afscheid nemen. In Hamburg ging hij op zoek naar zijn verleden, al beweerde hij van niet, hij wilde de sporen van zijn ouders vinden om zijn leven af te sluiten. Hij had gezocht, niets gevonden, en toe hij klaar was, vroeg hij mij om te komen, zodat hij werd ingesloten door wat was geweest en wat volgde. (...)[D]eze hele reis was één lang vaarwel.
Tot nu toe is er veel onuitgesproken gebleven tussen vader en zoon. Nu verkeren ze een tijdje in elkaars onmiddellijke nabijheid. Wegens autopech moeten ze zelfs een nacht doorbrengen in hetzelfde bed.

Al aan het begin van het boek lees je dat de reis dramatisch is afgelopen, maar niet wat er gebeurd is. Dat is het zetje dat je als lezer nodig hebt om aan de gang gehouden te worden en daarna het boek door te komen. Je wilt weten wat er heeft plaatsgevonden en daarom blijf je lezen.

Het zijn geen grote, spannende gebeurtenissen die je meeslepen. Er gebeurt wel wat (vader en zoon komen bijvoorbeeld op een vreemd feest terecht), maar het zijn meer de gesprekken en de herinneringen die je met plezier tot je neemt. Je komt ook nog te weten dat de zoon in het nabije verleden een heftige gebeurtenis heeft meegemaakt.

Het aantrekkelijke van Remington vind ik dat er een intimiteit opgeroepen wordt, waarin zowel vader als zoon zich enigszins onhandig voelen. Vader is dichter. Hij gebruikt de taal niet alleen om zich in uit te drukken, maar soms ook om de afstand te bewaren. De zoon ziet zijn vader in situaties waarin deze van zijn zoon afhankelijk is: zo moet vader door de zoon geschoren worden.

Tijdens de reis van Hamburg naar de Afsluitdijk leren we het leven van vader en zoon gaandeweg de roman kennen. Naarmate ze minder tijd over hebben samen, krijgen wij meer zicht op de weg die ze hebben afgelegd, niet alleen in de Mercedes, maar ook in de jaren ervoor. Alsof we mee mogen kijken in de achteruitkijkspiegel.

Remington is een sobere roman. Geen poespas, geen aanstellerij. Een degelijke roman die ook nog goed geslaagd is. Goed gedaan. Van het lezen van Goldberg zal het bij mij wel niet op korte termijn komen. Maar wie weet, kom ik ook dat boek nog eens afgeprijsd tegen. Als ik het koop, ga ik het ook lezen. Daar zal ik dan zeker over berichten.