maandag 14 augustus 2017

Geraakt (Hans Münstermann)



De roman Geraakt, van Hans Münstermann, begint met iets wat eruitziet als een gedicht. Aanvankelijk stond dat me niet zo aan. Niet alleen vind ik het gecentreerd afdrukken van gedichten nogal lelijk, ik vond het ook als gedicht niet zo sterk. Maar toen ik na lezing van de roman de eerste afdeling (het gedicht dus) nog eens las, moest ik toegeven dat de roman samenkomt in die gedichtachtige tekst.

In het tweede deel begint het verhaal: Andreas Klein, het vaste alter ego van Münstermann, heeft het plan om een novelle te schrijven over de blueszanger Robert Eden, die hij ooit in de trein ontmoette, maar er zijn allerlei zaken om hem heen die zijn aandacht vragen. Zijn schoonvader moet een heupoperatie ondergaan en daarbij gaat wat mis, er bivakkeren Koerden op het Museumplein in Amsterdam en in het Rijksmuseum wordt een paneel van Jan van Scorel, Maria Magdalena, beschadigd. En dan is er nog de uitgever die niets ziet in het plan van Klein, maar meer in een biografie van Harry Piekema en de Avezaatjes die uit elkaar zijn of gaan.

Het is een verwarrende tijd. Wat er met zijn schoonvader gebeurt, maakt Klein voornamelijk van op een afstand mee: zijn vrouw is bij haar vader, in het oosten des lands en het grootste deel van het verhaal is Klein in Amsterdam. Het komt dichtbij, net als de Koerden die in de open lucht bivakkeren en om wie hij niet heen kan kijken, Geert Wilders die altijd weer zijn voorspelbare commentaar geeft en het vriendelijke gedram van de uitgever.

En toch wordt Klein vooral geraakt door Robert Eden en zijn verhaal. Het gaat niet goed met Eden, vertelt die door de telefoon, wat Klein nog meer de urgentie van het schrijven van de novelle doet voelen, ondanks dat de uitgever niet enthousiast is. Dat verhaal vormt de derde afdeling van Geraakt.

Je zou die afdeling als zelfstandige novelle kunnen lezen. Daarna is er niet meer een tekst die verband aanbrengt tussen alle delen van de roman. Dat is eigenlijk al gebeurd in de gedichtachtige tekst in afdeling 1. En misschien moeten we concluderen dat er domweg geen verband is.

De dingen zijn er en gebeuren en het liefst maken we er een verhaal van. We zouden graag een verband zien, zodat we het kunnen snappen, maar wellicht is zo'n verband er niet. Andreas wordt geraakt door de gebeurtenissen om hem heen, maar wellicht is hij het enige wat die gebeurtenissen verbindt. Wat hij daartegenover kan zetten is het verhaal, dat begint met een toevallige ontmoeting (met Robert Eden) en dat gaat over een toevallige ontmoeting (van Robert Eden met het meisje Louise).

Het verhaal over Eden is prachtig. Je laat je als lezer, net als Robert Eden, meeslepen. Aanvankelijk gebeurt er helemaal niets: Eden zit tegenover Louise in de trein. Maar in het hoofd van Eden is het verhaal al begonnen en dat gaat in alle hevigheid verder als hij haar buiten de trein opnieuw ontmoet. Over dat verhaal ga ik niet al te veel zeggen, maar het is subtiel geschreven: een noodlottige liefde waar uiteindelijk niets van kan komen.

Het is al in 1977 gebeurd, maar het is Eden bijgebleven. Hij vertelde het aan Klein in 1992 op een manier alsof het de dag ervoor gebeurd was en Klein vertelt het weer aan ons en weer lijkt het allemaal dichtbij.

Misschien is dat ook het enige wat er gedaan kan worden bij alle onrust om ons heen: verhalen vertellen, kunst maken. Wie geraakt wordt door een verhaal, is even weg bij de dagelijksheid en de alledaagsheid. Het subtiele verhaal staat in schril contrast met het commentaar van Geert Wilders, die op zijn manier ook een verhaal vertelt om mensen daarin mee te nemen. De tekening van Wilders is overigens zeer vermakelijk. Dit is bijvoorbeeld het commentaar van Wilders op de aanslag op het paneel van Jan van Scorel:
'Jaja,' zei hij, tegen zijn gewoonte gast in een late night-programma, 'het Rijksmuseum is goed beveiligd, maar niet goed genoeg. Zoals dit héle land zichzelf abominabel beveiligt. Het kan de autoriteiten geen donder schelen. Straks is het De Nachtwacht',' en hij liet even een eerbiedige stilte vallen. 'In een normaal land is zoiets onmogelijk. Want het gaat hier, laten we onszelf niks wijsmaken, om de beschadiging van een heel land. Loopt u eens over het Museumplein naar ons Rijksmuseum. Dit plein is gekoloniseerd door een troep Koerden en moslims.
Even later zal Wilders Nederland zelfs 'dit wilde kalifaat' noemen. Een ander humoristisch personage is Guido van Halst, een paragnost, die vindt dat hij ingeschakeld moet worden bij het onderzoek naar de beschadiging van het werk van Van Scorel.

Dit soort luchtigheden, houdt Geraakt mooi in evenwicht, zoals het leven waarschijnlijk altijd een mix zal zijn van luchtige en ernstige zaken, van wat verheven is en van wat alledaags is. Dèr Mouw schreef er al over: 'Als zij me geeft mijn bordje havermout, / En 'k zie, haar vingertoppen zijn gespleten, // Dan voel ik éénzelfde adoratie branden /Voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.'

Die mix maakt Geraakt heel goed verteerbaar. Maar met welk gevoel voor ironie we het boek ook lezen, uiteindelijk worden we voluit geraakt door het derde deel. Mooi, mooi. Lezen!

Geraakt is uitgegeven bij uitgeverij De Kring

Hier een interview met Münstermann bij Nooit meer slapen.

vrijdag 11 augustus 2017

Mister Blueberry / Schauduwen over Tombstone (Giraud / Charlier)



Het zal mijn bevooroordeelde blik wel zijn, maar ik vermoed dat westernstrips voornamelijk door jongens/mannen worden gelezen. In mijn jeugd waren het vooral de jongens de cowboytje speelden. Wij lazen de strips over Old Shatterhand en Winnetou in Sjors, we vroegen delen van de series over Arendsoog en Buffalo Bill voor onze verjaardag en we kochten de boekjes over Kid Colt en Rawhide Kid. Het was een wereld van helden en schurken.

Intussen is de wereld minder overzichtelijk geworden: de helden zijn kwetsbaar geworden en we hebben allemaal al eens kennisgemaakt met het kwaad, waardoor we ook iets van de schurk in ons herkennen.

Het strippersonage Blueberry heeft vanaf het begin iets van het dubbele in zich gehad. Natuurlijk is hij een held, maar hij is ook kwetsbaar en hij leidt een ruig leven, waarin hij de drank niet schuwt. Dat is niet altijd in zijn voordeel. Maar elke lezer sluit deze ongepolijste vrijbuiter in zijn armen.

Zoals zo'n beetje elke stripreeks van belang wordt de reeks Blueberry integraal heruitgegeven en als dat bij Sherpa gebeurt, gebeurt dat ook mooi. Onlangs zijn de eerste twee delen van de cyclus Mister Blueberry gepubliceerd: gebonden, groot formaat, linnen rug, losse prent met de omslagillustratie, beperkte oplage (en daarbinnen nog een aantal genummerde exemplaren). Helemaal af. Het eerste deel heet, net als de cyclus, Mister Blueberry, het tweede Schaduwen over Tombstone.

Voorop staan de namen van Jean Giraud en Jean-Michel Charlier. Giraud is de meestertekenaar die we ook kennen onder de namen Moebius en Gir. Charlier kennen we vooral als auteur (hoewel hij, zeker in het begin van zijn carrière, ook tekende), maar voor zover ik weet, was hij al overleden toen Mister Blueberry ontstond. Wat zijn bijdrage aan deze twee albums is, is niet duidelijk. Ik kan mij wel voorstellen dat de uitgever vindt dat de naam Charlier sowieso op een album van Blueberry hoort, of hij er nu aan meegewerkt heeft of niet.

Voor deze uitgave is het tekenwerk opnieuw gescand. De tekeningen zijn niet ingekleurd, wat nog meer uitnodigt om de tekeningen nauwkeurig te bekijken. Gevolg is ook dat hier en daar potlood- en gumsporen te zien zijn of dat je kunt zien hoe er stukjes opnieuw zijn ingeplakt. Je hebt het idee dat je over de schouder van Giraud meekijkt als hij aan het tekenen is.
Het bovenlichaam van de ruiter is overgeplakt
In de cyclus Mister Blueberry treffen we Blueberry aan in het plaatsje Tombstone als professionele pokeraar. De bekende namen uit het wilde westen komen we ook in deze cyclus tegen, bijvoorbeeld Wyatt Earp (en zijn broers), Doc Holiday en, op de achtergrond, Geronimo, de beroemde Apachenleider. Een groep boeven overvalt een zilvertransport en probeert dat in de schoenen te schuiven van Geronimo.

In Tombstone heeft sheriff Virgil Earp zijn handen vol aan een groep cowboys die maar moeilijk onder controle te houden zijn. Uit de geschiedenis en diverse films weten we al hoe dat af zal lopen, maar we willen het elke keer weer opnieuw lezen.

Blueberry, die het al in het begin van de serie zwaar voor de kiezen krijgt, wordt bezocht door een journalist die alles van hem wil weten. Uiteindelijk vertelt hij wat hem een tijd geleden is overkomen, waardoor er een raamvertelling ontstaat: het door Blueberry vertelde verhaal binnen het verhaal over de gebeurtenissen in en om Tombstone.

Ook uit deze delen blijkt weer eens wat een fantastisch tekenaar (1938 - 2012) Giraud was. Gezichtsuitdrukkingen, een soepele manier van bewegen door de personages, fraaie detailleringen in de grote tekeningen, humor, spanning, emotie - het is allemaal te vinden in deze delen. De tekeningen maken de indruk dat ze moeiteloos gemaakt zijn, wat niet het geval zal zijn. Wie de boeken inkijkt wil ze hebben en zal ze dus kopen.

Titels: Mister Blueberryi en Schaduwen over Tombstone
Auteurs: Jean Giraud en Jean-Michel Charlier
Uitgever: Sherpa
Haarlem 2017, 48 blz. hardcover, linnen rug, losse prent; € 39,95

woensdag 9 augustus 2017

En we noemen hem (Marjolijn van Heemstra)


Wat weet een mens van zijn drijfveren? Altijd minder dan hij denkt, vermoed ik. Waarom kocht ik bijvoorbeeld En we noemen hem van Marjolijn van Heemstra? Ik weet bijna zeker dat ik een interview met haar beluisterd heb, maar ik kan het niet meer terugvinden. Misschien heb ik een recensie gelezen? In ieder geval zag ik het liggen in de boekhandel en nam het bijna zonder twijfel mee. Vreemd, want ik heb nooit eerder iets van Van Heemstra gelezen. Maar goed, zo gaan dingen blijkbaar.

In En we noemen hem is er een 'ik' die voor een groot deel samenvalt met de schrijfster. Ik ben maar zo vrij haar dan ook zo te noemen. Van Heemstra had ooit iemand in de familie die Bommenneef genoemd werd. Op 5 december 1946 bezorgde hij, als een na-oorlogse verzetsdaad, een bommetje bij een 'landverrader'. Eigenlijk was het geen neef (hij groeide aan de familiestamboom aan een tak die wat verder weg was), maar het was een mooi verhaal, dat de schrijfster graag vertelde als iemand haar vroeg naar de ring die ze droeg. Ze kreeg die op haar achttiende van haar oma en het was de ring van Frans, de bommenneef.

In het nu van het boek is ze zwanger. De hoofdstukken tellen af naar het moment van bevallen, zoals een bom tikt om af te gaan. Van Heemstra heeft een deadline: als ze bevalt, zal ze moeten weten of ze haar kind (ze weet al dat het een zoontje is) zal noemen naar Frans. Maar dan moet ze wel weten hoe dat nu gezeten heeft met die bom en wat Frans voor iemand was. Ze gaat op zoek.

En we noemen hem doet verslag van die zoektocht. En van de zwangerschap, want die twee dingen zijn met elkaar verbonden. Tegelijkertijd krijgen we een reflectie op het construeren van het verhaal. Van Heemstra maakt duidelijk dat ze dingen heeft aangepast, omdat dat nodig was voor het verhaal. Bij het ontrafelen van een mythe, worden er nieuwe mythes geschapen, want we kunnen niet zonder. We leven in verhalen en ook het kind dat geboren wordt, komt in een verhaal terecht.


Het nieuws: algemeen dagblad 6 december 1946
De zoektocht van Van Heemstra is zonder meer boeiend. We willen wel weten hoe het zit met Bommenneef, zeker als blijkt dat het niet zomaar een bommetje is dat hij bezorgde en dat niet alleen de beoogde landverrader slachtoffer is geworden. Steeds dieper kruipt de schrijfster in het leven van de 'neef' en later ook van de slachtoffers. Je vraagt je af of de precieze waarheid ooit boven water zal komen.

Daarnaast volgen we het verhaal van de zwangerschap, met alles eromheen: de echo's, de hoge bloeddruk, de bevalling. En hoe zal het kind gaan heten?

Van Heemstra schrijft helder en ze maakt vaak fraai gebruik van beeldspraak: 'Al vanaf de uitslag van de zwangerschapstest ben ik aangesteld als projectmanager van deze onderneming. D is hooguit een enthousiaste werknemer die naar eigen inzicht in- en uitklokt.' Dat leest bijzonder prettig.

Maar dat is niet de voornaamste verdienste van het boek. Door te duiken in het familieverhaal, realiseert ze zich hoe de familiegeschiedenis gewerkt heeft en nog werkt. Ze vond het altijd prettig om te geloven in een neef die het kwaad bestreed. Rechtvaardigheidsgevoel is iets moois, immers. Het is bijzonder lastig om afscheid te nemen van het verhaal waar je altijd in geloofd hebt. Eigenlijk is het bijna niet te doen. Het enige wat je kunt doen is het maken van een nieuw verhaal, dat dichter bij de waarheid ligt.

We zouden het liefst hebben dat er een objectieve, feitelijke waarheid bestaat, die we kunnen controleren, waarover we het eens kunnen zijn. Zo'n waarheid is een illusie, blijkt ook maar weer eens uit En we noemen hem. We leven in verhalen en zelfs tegen beter weten in. We hebben de troost van verhalen nodig. Door de ordelijkheid ervan kunnen we de illusie in stand houden dat we overzicht hebben over ons leven en wellicht zelfs over het leven.

Er staat geen 'roman' op het titelblad van En we noemen hem. Er zijn argumenten voor de bewering dat het boek dat ook niet is: het is immers in hoge mate gebaseerd op de werkelijkheid. Maar net als bij Bregje Bleeker worden we wel een verhaal in gezogen en daarmee is het voor de lezer wel een roman. Nu ik dit typ, bekruipt me de gedachte dat in deze redenering bijna alles een roman is. Dat moet dan maar.

Lezen - dit boek! En we noemen hem is een luchtig boek dat tegelijkertijd ernstig is. Een onweerstaanbare combinatie.

En we noemen hem is uitgegeven door Das Mag.

dinsdag 8 augustus 2017

Bella (Joost Vandecasteele/Jeroen Los)


Vergeleken met de gemiddelde roman heeft Bella veel illustraties, vergeleken met een graphic novel heeft het veel tekst. Joost Vandecasteele (tekst) en Jeroen Los (tekeningen) hebben een soort mengvorm gemaakt. Dat betekent dat er passages zijn waar Bella aandoet als een geïllustreerde roman, in andere passages is Bella eerder een strip.

Vandecasteele heeft de ambitie om literatuur weer spannend te maken, lezen we achter op het boek. Daarom is het ook ontstaan als 'een luidop voor te lezen boek'. Dat is ook wel te merken. Het begin:
Ze...
Ze zeggen zoveel.
Ze zeggen dat we niks meer te zeggen hebben. Ze zeggen dat we geen grote verhalen meer vertellen.
Ze zeggen dat we in niks meer geloven. Ze zeggen dat anderen in het verkeerde geloven, maar vooral dat in niks geloven ongelooflijk klote is.
Ze zeggen dat het nog nooit zo slecht is geweest.
Ze zeggen dat we het nog nooit zo goed hebben gehad.
Ze zeggen dat de minderheid met te veel is.
Ze zeggen dat de meerderheid met te weinig is.
Ze zeggen dat we eindelijk in de toekomst leven maar dat vroeger beter was.
Achter gezien: op het moment zelf voelde vroeger even vreselijk.
Ik kan dat weten, want ik was erbij toen.
#ikhebdemillenniumbugoverleefd.
Ze zeggen dat de kiezer altijd gelijk heeft,
behalve als de kiezer hun ongelijk geeft.
Ze zeggen dat alles al gezegd is.
Maar ze zeggen zoveel.
Daarmee heeft Vandecasteele wel meteen een 'vertelstem' te pakken. In de tekeningen zien we een man (die uiterlijk op de schrijver lijkt) die als een vlogger deze tekst uitspreekt. Hij bevindt zich in een vervallen vertrek, met een stoel onder de deurkruk, zodat hij niet gestoord kan worden.

De toon is gezet in het begin: de verteller geeft weer wat 'ze' zeggen. Veel dingen zijn veranderd vergeleken met vroeger en het is niet goed nu. Hoe is dat zo gekomen? In Bella geeft Vandecasteele verschillende mogelijkheden. Een nieuw stukje begint steeds met 'Ze zeggen dat alles veranderde op een' en dan wordt er een dag van de week genoemd.

Het boek speelt zich af in een toekomst. Er zijn ruimtewezens geland op aarde; er loopt een superduper snelweg om de aarde, ter hoogte van de evenaar; oorlog wordt nog alleen door kinderen gevoerd. Tegelijkertijd speelt het in het nu. Stephen Hawking houdt bijvoorbeeld een lezing.

Het is duidelijk dat Bella bol staat van de satire, waarbij elementen uit onze samenleving worden uitvergroot. Met veel vertelplezier fantaseert Vandecasteele over de opwarming van de aarde, internetporno, de rol van vaders in een gezin; het gebruik van medicijnen; het rondlopen met een koptelefoon op.

Daartussendoor loopt Bella, een meisje dat zich in haar eentje moet zien te redden. Uiteindelijk blijkt zij (of liever: haar zoon) van beslissende invloed is geweest op de veranderingen die zich hebben voltrokken.

Bella was duidelijk nodig om een verhaallijn in het boek te krijgen, maar die verhaallijn is nogal dun. De verhaalloop aan het eind (Bella's zoon heeft een tijdsprong gemaakt, waardoor hij zowel in het nu als in de toekomst leeft) heeft veel weg van een noodgreep, een deus ex machina waardoor er een eind aan het verhaal kan komen.

Bella bevat fraaie passages, bijvoorbeeld over De Grote Twijfel. (Aangezien Bella, net als de gemiddelde strip geletterd is in kleine kapitalen, heb ik hoofdletters toegevoegd naar eigen goeddunken).
De Grote Twijfel is niet ontstaan omdat er er geen zekerheden in het leven waren, maar omdat alle feiten zo weinig voorstelden in vergelijking met alles wat we nog niet wisten, zodat vooruitgang steeds meer aanvoelde als steeds minder weten, en dat zou niet mogen. De immense twijfel werd een infectie en niemand wist nog hoe of wat. Mensen begroetten elkaar niet meer met 'Hallo', maar met 'Eeuhm'.
 Of de passage over het verdwijnen van de seks: 'Baby's werden gekweekt in labo's en alle fysieke seksuele onderdelen verdwenen.' Maar dan wordt er de dikste BMW ontwikkeld, ook al zegt de verteller dat ze zeggen dat dat toeval was. Het verband is intussen mooi gelegd.

Zo zijn er meer amusante of tot nadenken stemmende passages te noemen, maar het blijven losse passages. De onderdelen blijven iets toevalligs houden, het grote verband ontbreekt, er is geen dwingende lijn. Het levensverhaal van Bella is daarvoor te schriel. Dat is jammer en het zorgt ervoor dat ik Bella niet zonder reserve een goed boek noem. Maar op deelniveau heeft het aardig wat interessants.

De tekeningen van Jeroen Los zijn uitgevoerd met alleen blauw als steunkleur. In zijn tekeningen zijn invloeden te zien van onderling zeer verschillende tekenaars, zoals Charles Burns en Kim Duchateau. Veel gezichten zijn uitdrukkingsloos, maar dat past ook wel bij het verhaal. Ze vormen een fraai onderdeel van Bella.

Bellla is uitgegeven door uitgeverij Lebowski.
 Teaser

Door Joost Vandecasteele voorgelezen fragment over egoïsme 

maandag 7 augustus 2017

Oorlog en terpentijn (Stefan Hertmans)


Er is altijd meer te lezen dan waar er tijd voor is. De stapel 'nog te lezen' en het dito lijstje, ze groeien alleen maar. Van Stefan Hertmans stond Oorlog en terpentijn al een tijdje op dat lijstje. Soms helpt wachten. Indertijd stond ook Naar Merelbeke (1994) erop, maar de drang om het te lezen verkruimelde in de loop der jaren. Deze keer had ik daar het geduld niet voor.

Over Oorlog en terpentijn is waarschijnlijk niets nieuws meer te vertellen. Het gaat terug op de aantekenschriften van de grootvader van Hertmans. Hij vocht in de Grote Oorlog. En hij schilderde. Die twee zaken verklaren de titel. Aan de hand van de schriften, de herinneringen van de schrijver en anderen en nader onderzoekswerk reconstrueert Hertmans het leven van zijn grootvader. Daarmee schetst hij natuurlijk ook het beeld van een tijd.

Omdat grootvader een schilder is, spelen schilderijen een belangrijke rol. Hertmans heeft zich dan ook niet beperkt tot het woord, maar daarnaast heeft hij afbeeldingen opgenomen. Schilderijen van grootvader, foto's van vroeger, maar ook recentere (bijvoorbeeld van het strikje van opa). Ik weet niet hoe de oorspronkelijke druk eruit heeft gezien, maar in de goedkope uitgave die ik gelezen heb (drieëntwintigste druk) zijn de afbeeldingen erg klein gehouden. Eigenlijk vind ik ze te klein. Ik ben dan ook een kniesoor.

Hertmans heeft een uitstekend boek geschreven, waarvan ik erg genoten heb. Terwijl ik dit tik, twijfel ik. Kun je genieten van een boek waarin zoveel ellende voorkomt? De hardheid, de zinloosheid en de smerigheid van de oorlog komt niet vaak zo dichtbij als in dit boek. Ik denk dat ik alleen bij Montyn (1982) van Dirk Ayelt Kooiman indertijd eenzelfde ervaring had.

De oorlog vormt de tweede afdeling van het boek, zo'n honderd bladzijden, blijkt, nu ik het natel. In mijn herinnering is dit deel veel uitgebreider, wat iets zegt over de indruk die het gemaakt heeft. Dat komt wellicht ook door de vorm. Het verhaal van grootvader wordt direct in de hij-vorm verteld, waardoor je grootvader als een soort 'ik' beleeft en je je gemakkelijk met hem identificeert.

In de eerste en de derde afdeling is de schrijver zelf nadrukkelijk als verteller aanwezig, wat iets meer afstand tot de grootvader geeft.  Grootvader komt ook daar zelf aan het woord, in de citaten uit de schriften, die cursief zijn afgedrukt.

In het eerste deel lezen we bijvoorbeeld hoe grootvader beseft dat hij moet gaan schilderen. Dat zal niet letterlijk in de schriften hebben gestaan. Maar Hertmans weet het mooi in te vullen. Grootvader is zijn neef wezen bezoeken die op de gelatinefabriek werkt. Dat is geen frisse omgeving. Grootvader heeft bijvoorbeeld een berg koppen van dode dieren zien liggen. Hij moet eraan terugdenken tijdens zijn werk in de ijzergieterij.
Het wordt hem, terwijl hij in de loeiende vuurmond in de ijzergieterij staart en de spatten als vuurvliegen om hem heen dansen, langzaam duidelijk dat er met de schok van de afschuw voor die apocalyptische stapel rottend vlees vol dode blikken iets is wakker geworden dat aan hem trekt, dat zeer doet, dat een nieuwe ruimte in hem opent - dat er voor het eerst een verlangen in hem is ontstaan dat groter lijkt dan hij zelf is. Het is het verlangen om te tekenen en te schilderen, en op het ogenblik dat hij zich daarvan bewust wordt, juist als hij opnieuw zo'n zware lepel met ziedend ijzer in zijn handen klemt, is het alsof hij door zijn knieën knikt.
Hertmans schrikt niet terug voor grote gebaren, hij durft fors aan te zetten en meestal gaat dat ook nog goed. Die knikkende knieën zijn misschien net iets te dramatisch, maar ik heb het tijdens het lezen allemaal geslikt.

Mooi vond ik ook de beschrijving van hoe grootvader aan het eind van zijn leven eens per week door zijn dochter in bad werd gedaan:
Soms wou hij daarbij zijn oude borsalino ophouden, want hij had het gevoel dat het tochtte, altijd en overal tochtte, zelfs op warme en windstille dagen, alsof er kieren in het leven zelf gekomen waren (...)
Bij die laatste toevoeging heb ik meteen mijn potlood gegrepen om een streepje in de marge te zetten.

Ook bij de sterfscène gaat de schrijver voluit. Zijn verbeelding kan hier zo'n beetje alles invullen. Hertmans stelt zich voor hoe grootvader een laatste droom had:
In zijn droom is hij ergens verstrikt geraakt in een grote heester, een heel fijn vertakte, een haast wegwaaiende struik met doornen. Als aangeschoten wild is hij erin blijven hangen, de armen en benen gespreid als een opengespalkt dier aan een ladder, en is hij opgehouden met ademen.
Er staan prachtige passages in over de grootvader, over het schilderen, over de familie (bijvoorbeeld over de overgrootvader, die ook schilderde) en ook over de oorlog, voor zover je dat prachtig mag noemen.

De hele tijd door weet Hertmans bovendien het verhaal gaande te houden. We weten al dat grootvader de oorlog zal overleven en toch ben je als lezer bang dat hij omkomt. Aan het eind zit er ook nog een plot in. Dan pas komen we te weten hoe het nu zat met het huwelijk van grootvader en er duikt ook nog een schilderij op dat veel onthult. Knap in elkaar gezet. Goed gedaan.

Mocht er toch nog iemand zijn die Oorlog en terpentijn niet gelezen heeft: hij leze het.

zaterdag 22 juli 2017

De dood van Murat Idrissi (Tommy Wieringa)



Tommy Wieringa behoort tot onze grote auteurs. Hij wordt in brede lagen van de bevolking gelezen en Joe Speedboot staat op wel erg veel boekenlijsten. Een recent boekje, De dood van Murat Idrissi, heeft intussen ook de boekenlijsten gehaald. Bij de staatsexamens, die op dit moment nog aan de gang zijn, zijn er al behoorlijk wat lijsten waarop de titel voorkomt.

Het boekje begint nogal ronkend, met het ontstaan van de Middellandse Zee, gevolgd door enkele forse passen door de geschiedenis. Het stuk eindigt in het nu van het verhaal: de veerboot van Tanger naar Algeciras.

Hoofdstuk 1 start op het bovendek van die veerboot met daarop twee Nederlandse meisjes van Marokkaanse afkomst. Al gauw blijkt dat ze in de achterbak van hun auto iemand Europa binnen smokkelen, Murat Idrissi. Het zal niet goed met hem aflopen, weten we al uit de titel.

Wieringa heeft zich gebaseerd op een zaak die werkelijk heeft plaatsgevonden: twee meisjes nemen illegaal iemand mee in de achterbak. De persoon overleeft het niet en het lichaam wordt gedumpt. 

Dat gebeurt ook bij de meisjes Ilham en Thouraya. Thouraya is een zelfbewuste jonge vrouw, die veel durft. Ilham is wat bedachtzamer. We kijken mee door haar ogen.

De meisjes rijden door Spanje in een gehuurde auto, met een lijk in de achterbak. Het wordt steeds dringender dat ze het lichaam kwijtraken, aangezien het al begint te rieken. De druk op de meisjes wordt steeds groter. Te meer daar ze ook door hun geld heen dreigen te raken. In flashbacks wordt verteld hoe ze in deze positie gekomen zijn.

Er is behoorlijk wat druk op de meisjes uitgeoefend. Ilham was niet zo voor de smokkel. De jongeman Saleh praat op haar in:
'Ik zal je dit zeggen,' zei Saleh. 'Iedereen is gegaan, mijn ouders, die van jou - jij hebt een goed leven daardoor. Maar hem ga je niet helpen. Wat ben jij voor een persoon?! Jij denkt alleen maar aan jezelf, echt.'
Ilham realiseert zich wat voor leven ze leidt en dat zie je terug bij meer leeftijdgenoten die in het boek voorkomen. Thouraya is er trots op een Berber te zijn, maar ze minacht haar vader. Vader is classificeerder en heeft het verder gebracht dan zijn vader, die honger geleden heeft in de Rif. Maar Thouraya heeft meer ambitie. Vader verdroeg slechts het bestaan:
Zijn verdragen was dat van een dier, dat deed wat hem werd opgedragen en het uithield tot het door zijn poten zakte. 
Onderweg komen Ilham en Thouraya nog andere jongeren van Marokkaanse afkomst tegen, bijvoorbeeld Noureddine, een jongen met flair.
Opeens zag ze het. Zijn nabootsing. Het harde werk - hoe hij een volmaakt aangepaste migrantenzoon was geworden. Hij zou hen verslaan op hun eigen terrein en Nederlandser dan de Nederlanders zijn. Haar ergernis was veroorzaakt door hun overeenkomsten: ook al waren ze geboren en getogen in Nederland, ze zouden ondanks hun ijver en ambitie nooit meer dan Marokkanen zijn.   
Dat tekent de frustratie van Ilham en waarschijnlijk van veel meer jongeren van haar generatie: bovenmatig je best doen en dan blijkt het toch niet goed genoeg te zijn. Ilham ziet dat het leven van haar klasgenoten zich voorwaarts beweegt, maar dat van haar niet.
Of misschien verliep haar leven niet zozeer achterwaarts, dacht ze maar onderwaarts, als dat een woord was; ze zonk langzaam in de diepte weg, en keek van onderaf naar haastige mensenbenen. Verder en verder raakte ze bij de anderen vandaan, moe en verslagen. 
Waar doet ze het allemaal voor? Soms is ze dicht bij de overgave aan wat blijkbaar haar lot is: zich schikken in een traditioneel huwelijk.

Ilham zit opgescheept met het lichaam van Murat Idrissi. Het had ook niet kunnen gebeuren. Allerlei dingen die min of meer toevallig zijn, hadden anders moeten verlopen. Maar dat gebeurde niet. Haar lot was bepaald en al haar streven tevergeefs.

De dood van Murat Idrissi is een weinig omvangrijk boekje; een niet zo lang verhaal, voorafgegaan door een wat aanstellerige proloog. Het verhaal op zich is aardig, maar dat is niet wat de kwaliteit van het boekje uitmaakt. Dat is de tekening van twee jonge mensen, die deel uitmaken van twee culturen en het daar moeilijk mee hebben. Dat is een beklemmende positie. Meer dan het gesjouw met het  lijk of de geur daarvan zal mij bijblijven hoe lastig het is voor deze jongeren om mee te doen aan het leven.                                                 

dinsdag 18 juli 2017

Een lamp voor mijn voet (Liesbeth Labeur)



Liesbeth Labeur is beeldend kunstenaar: ze heeft veel tekeningen gemaakt en daarnaast waren er installaties, projecten, filmpjes, een beeldroman. Zowel uit de titels als uit de inhoud van haar kunstwerken is duidelijk dat Labeur een orthodox christelijke achtergrond heeft. Die is zo met haar verknoopt, dat ze niet anders kan dan die onderzoeken.

Dat onderzoek kan niet zonder taal. In het bevindelijke christendom is de tale Kanaäns namelijk de geheimtaal waarin men kan communiceren. Het zijn vaststaande uitdrukkingen die meer inhouden dan hun letterlijke betekenis, afgewisseld met bijbel- en psalmcitaten.

In veel van Labeurs werk speelt die taal een rol. Maar nog nooit heeft ze zoveel taal gebruikt als in de roman Een lamp voor mijn voet.

De titel verwijst naar Psalm 119: 53
Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet,
mijn pad ten licht om ’t donker op te klaren.
Die tekst is in het boek opgenomen als motto, met dien verstande dat de eerste vier woorden zijn doorgehaald. Voor de hoofdpersoon, die net als in Op weg en reis Neeltje heet, is het uiteindelijk niet meer het Woord van God dat haar bij zal lichten op haar pad.

In Een lamp voor mijn voet beschrijft Labeur het leven van Neeltje. Daarnaast zijn er veel tekeningen opgenomen, die voor het verhaal net zo belangrijk zijn als de tekst. In die tekeningen is Neeltje herkenbaar aan haar hoedje. Voor de volgers van Labeur is dat hoedje bekend. Het meisje in filmpjes als ‘Vertoeven’ (hier) en ‘Preparatie’ (hier) draagt het ook.

Er zijn meer dwarsverbanden met het oeuvre van Labeur, met ‘Binnenkamers’ bijvoorbeeld of met ‘Schietgebedjes’:
Zou Sien ook schietgebedjes doen? Neeltje keek opzij, ze was samen met haar zus op weg naar de stad. Ze hadden het nog nooit over zulke gebedjes gehad. Het zou mooi zijn als je zulke gebeden kon zien, dacht Neeltje. In het echt. Woorden of een zin die uit het hoofd van Sien schoten.
We maken het leven van Neeltje mee van voor haar geboorte tot in haar volwassenheid. Vaak zitten we als lezer in het hoofd van Neeltje, soms is er een alwetende verteller. Soms ook kijken wen ineens in het hoofd van iemand anders, bijvoorbeeld dat van Jakob, Neeltjes vader:
Jakob zag het door het raam in de voorkamer en fronste zijn wenkbrauwen. Hij kon niet horen wat er gezegd werd. Wat zou er zijn?
Het boek was sterker geweest als het perspectief consequent gehanteerd was: Neeltje of een alwetende verteller en verder niets. Misschien dat Labeur zich gedwongen zag tot zulke uitstapjes omdat ze alles goed duidelijk wilde maken aan de lezer.

Bij haar tekeningen bukt ze niet naar haar publiek. Ze laat zaken weg (gezichten tekent ze meestal niet) en zet de kijker aan het werk om de tekeningen te duiden. In de tekst wordt soms te veel uitgelegd.

Dat begint al bij het 'Vooraf', waarin er een lijn getrokken wordt van de Reformatie tot aan het leven van Neeltje. We hadden het kunnen missen. In de rest van het boek komen ook kleine uitleggende zinnetjes voor. Als Neeltje bidt (‘Kom over en help’) wordt uitgelegd naar welke passage uit de Bijbel dat verwijst. Maar we leven dan net met Neeltje mee en zij zal nooit expliciet die link naar de Macedonische man gelegd hebben, omdat die voor haar vanzelf spreekt.

Vlak daarna, op dezelfde bladzijde (106), laat Labeur zien hoe het ook kan. Er volgt een passage die bol staat van de tale Kanaäns, zonder enige uitleg. Krachtige taal, die niets nodig heeft dan zichzelf.

Neeltje groeit op in een bevindelijk gereformeerd gezin. Moeder speelt orgel en ook Neeltje zal orgel leren spelen. Geregeld wordt er rond het orgel gezongen. Vandaar dat er in het boek ook verschillende psalmen geciteerd worden. Een vers van psalm 119 begint met ‘Ik ben een vreemd’ling hier beneên’. Uit de regel is ‘O HEER’ weggelaten. Het is niet duidelijk of dat bewust gedaan is of dat er niet nauwkeurig geciteerd is.

Op het oog lijkt Neeltje op te groeien in een harmonisch gezin.
Toch was er geen verbondenheid tussen moes en Jakob. Hun groene olijfspruiten versierden de kerkbank, maar de wijnstok bloeide niet.
Bovendien wordt Neeltje slachtoffer van seksueel misbruik, door haar vader. Het begint ermee dat hij wil controleren of zij al borsten heeft en later moet ze bij hem in bed komen. Neeltje vlucht op die momenten in haar fantasie. Ze noemt dat haar wonderwereld, haar droomwereld, haar land van melk en honing. De wereld waarnaar ze kan ontsnappen wordt steeds belangrijker. Die helpt haar het leven leefbaar te houden.

Moeder (moes) wenst een andere kant op te kijken. Zelfs als de grootouders op bezoek komen terwijl Neeltje bij vader in bed ligt, ontwijkt moeder de waarheid en zegt dat Neeltje zo zal komen. De relatie tussen Neeltje en haar vader is natuurlijk aangetast, maar door het wegkijken van moeder heeft ook die relatie problematische kanten.

Dan overlijdt vader Jacob. Over hem wordt gesproken als een gelovig man. Neeltje kan nu al helemaal niet meer vertellen wat er gebeurd is.

In een geloof waarin God met Vader aangesproken wordt, bepaalt het beeld van de vader natuurlijk ook het beeld van de Vader. Een van de hoofdstukken heet dan ook: ‘Onze Vaders die in de hemelen zijn.’ Na de begrafenis van vader verlaat Neeltje zonder Vaders de begraafplaats.

In haar droomland zal vader ook na zijn dood nog voorkomen. Zelfs dan chanteert hij haar nog. Hij relativeert wat hij gedaan heeft (‘Het valt toch wel mee wat er gebeurd is?’) en vraagt haar te zwijgen.

Neeltje heeft niet meer het Woord als lamp voor haar voet. Ze moet door een land van diepe duisternis en ze moet het alleen doen. Ze zeult een last met zich mee en met niemand kan ze erover praten. Ook niet met haar zus Sien, van wie ze zich afvraagt of die ook slachtoffer is.

Op haar tocht door het donker moet Neeltje fijne schoenen aan, puma’s of zo. Vanaf dat moment is er op de tekeningen een poema die Neeltje vergezelt en met haar meegaat door het donker.

De weg van Neeltje lijkt soms wat op die van de Christen in Eens christen reize naar de eeuwigheid van John Bunyan, bijvoorbeeld als ze aankomt bij de heuvel Bezwaarlijk. In haar dagelijks leven heeft ze in tussen de kunst gevonden  en die helpt haar om haar weg te zoeken.

Het boek eindigt niet vrolijk. De laatste bladzijden zijn zwart, met maar een klein randje licht. Neeltje heeft nog een lange weg te gaan. De laatste zin van het boek is ‘Neeltje weende bitter’, wat doet denken aan de Bijbelpassage van Petrus die Jezus verloochend heeft.

Liesbeth Labeur stelt in Een lamp voor mijn voet nadrukkelijk het seksuele misbruik aan de orde. Niet alleen bij Neeltje. Er komt in het boek nog een slachtoffer voor: een meisje dat misbruikt is en daarna zelfmoord pleegt. Achter in het boek heeft Labeur een lijst met geraadpleegde werken opgenomen. Daarin treffen we ook De mantel der liefde aan. Een ‘quickscan’ naar huiselijk geweld in orthodox-protestantse gezinnen. Voor zover mij bekend ontbreekt vervolgonderzoek. Hopelijk is deze roman een klop op de deur bij de degenen die dat onderzoek zouden moeten initiëren.

Het is gemakkelijk om Een lamp voor mijn voet weg te zetten vanwege de tekortkomingen. De uitgever is duidelijk in gebreke gebleven wat betreft de correctie: de naam van de schrijver W.G. van de Hulst is verschillende keren verkeerd gespeld en we komen woorden tegen als ‘houtgreep’ en ‘een welkom gebaar’. De tijdsprongen die gemaakt worden zijn niet altijd even handig, waardoor de hoofdstukken niet altijd prettig met elkaar verbonden zijn. De stijl kan op sommige momenten duidelijk beter. Maar met dat soort verwijten doen we het boek tekort.

Een lamp voor mijn voet is in de eerste plaats een complex boek, waarin de tekeningen en de tekst beide het verhaal dragen. Neeltje komt in het verhaal dicht bij ons. Ze is volstrekt geloofwaardig getekend en we kunnen niet anders dan met haar meeleven. Ze worstelt met zichzelf, met God, met haar leven dat aangetast is door haar vader. Dapper stapt ze op haar puma’s door het donker. Labeur heeft niet gekozen voor gemakkelijke oplossingen. Ze laat zien hoe ingewikkeld het leven van Neeltje is en misschien nog lang zal blijven. Dat leven laat ze ons onder ogen zien, zodat we niet meer kunnen wegkijken zoals ‘moes’ in het boek.

Dat maakt Een lamp voor mijn voet een beklemmend boek, dat dicht op je huid gaat zitten. Zoals ik al schreef bij Op weg en reis: het ervaren van het verhaal is belangrijker dan het oordeel erover. Wie het boek werkelijk leest en ondergaat, kan het niet alleen maar boeiend of interessant vinden. Dat is het ook, maar gaandeweg het boek is er een ernst die we serieus moeten nemen. Laten we dat dan ook vooral doen.

Liesbeth Labeur, Een lamp voor mijn voet. Uitg. Cossee/Mozaïek, Amsterdam/Utrecht 2017. 184 blz. € 19,99.