donderdag 31 december 2015

Zjef Vanuytsel (1945 - 2015) overleden

Een jaar geleden verhuisde ik. Bij de verhuizing kwam ik een paar dozen met cassettebandjes tegen, die al bij de vorige verhuizing op de zolder waren beland. Ik rommelde er wat in en zette een berichtje op internet. Er was iemand die de bandjes wel wilde hebben.

In die dozen moet ook het cassettebandje De zanger gezeten hebben, een album van Zjef Vanuytsel uit 1976. Vanuytsel overleed op 30 december, zeventig jaar oud. Hij was al langer ziek.

Ik denk dat ik het cassettebandje rond 1980 heb gekocht. Ik kocht toen veel Nederlandstalige muziek waarvan ik dacht dat de teksten interessant waren en daar waren ook albums van Belgen bij: Jan de Wilde, Willem Vermandere, Kris De Bruyne. En dus ook Zjef Vanuytsel.

Die muziek heb ik al jaren niet meer beluisterd, maar sommige nummers herinner ik me nog goed. Het titelnummer bijvoorbeeld, over een zanger die maar moet zingen:
En de zanger is moe, maar hij neemt zijn gitaar
en hij zingt.
Alles wat men hem vraagt, alles wat men hem zegt,
hij zingt.

En dan dat nummer over de oude vrouw: 'Moeder is de kluts kwijt'. Ze heeft haar herinneringen nog, die heel levendig zijn, maar in het heden is het stil geworden.
Traag loopt ze nu doorheen het huis
met kleine, korte kinderpas
en fluistert woordjes tegen het behang.

Ik geloof dat ik niets wist van Vanuytsel toen ik het cassettebandje kocht. Het zal wel afgeprijsd geweest zijn. Maar ik heb het vaak beluisterd. Vanuytsel had een vrij zachte stem, die hem iets milds gaf, iets vriendelijks.

Zijn teksten waren niet schitterend, maar heel behoorlijk, wat al heel wat is, want er zijn heel veel beroerde Nederlandstalige liedteksten. Zeker in die tijd waren er niet zo heel veel liedteksten die niet rijmden. Vanuytsel leek het metrum belangrijker te vinden dan het rijm. Bij veel teksten komt er in lang niet alle zinnen volrijm voor. Assonanties gebruikte hij meer.

En nu is hij dus dood. Hij zal in België waarschijnlijk meer gemist worden dan in Nederland. Maar toen ik het bericht las, moest ik toch even denken aan het cassettebandje dat ik zo vaak beluisterd heb en dat er ook al niet meer is. Alles vergaat. Gelukkig hebben we de muziek nog.

De beste romans van 2015


Net als in 2014, 2013 en 2012 kom ik met een lijstje van de beste boeken die ik in 2015 heb gelezen. Het zijn niet allemaal boeken die dit jaar zijn uitgekomen; de meeste zijn van vorig jaar en misschien van nog iets eerder. De nog oudere boeken heb ik buiten de lijst gehouden.

Ik heb me beperkt tot de romans en verhalenbundels. Alle non-fictie vind je hier dus niet terug.

Afgelopen jaar heb ik wat minder gelezen, merk ik. Daarom kom ik ook niet verder dan acht topboeken. Er waren nog wel boeken die ik best aardig vond, zoals het boekenweekgeschenk van Dimitri Verhulst of Een onschuldig meisje van Bernlef, maar ik vind dat dat soort boeken niet in een toplijst thuishoort.

Het is lastig vergelijken: als je twee goede boeken hebt, hebben die beide kwaliteiten. Waarom zou het ene boek dan net ietsje beter zijn dan het andere? Ik heb niet meer nagelezen wat ik over de onderstaande acht boeken heb geschreven, ik ben afgegaan op mijn herinnering. De boeken die het best in mijn herinnering zijn blijven hangen, zijn het hoogst geëindigd.
1. Fleur Bourgonje, Uitval (recensie)
2. Philip Huff, Niemand in de stad (recensie)
3. Kees ’t Hart, Teatro Olympico (recensie)
4. Esther Gerritsen, Roxy (recensie)
5. Adriaan van Dis, Ik kom terug (recensie)
6. Muidhond, Schilperoord (recensie)
7. Karin Amatmoekrim, Het gym (recensie)
8. Jan van Mersbergen, De laatste ontsnapping (recensie)
Heeft Fleur Bourgonje het beste boek van 2015 geschreven? Het boek is van 2014, maar dat terzijde. Van Bourgonje heb ik ongeveer alles gelezen en altijd weer vind ik haar boeken goed. Ik snap niet waarom het grote publiek die boeken niet massaal koopt. Zo'n eerste plaats geeft niet alleen de kwaliteit van het boek aan, maar ook mijn betrokkenheid erbij.

Hier de tien beste boeken van 2015 die ik niet gelezen heb en hier een lijstje met de beste graphic novels/beeldromans/strips.

woensdag 30 december 2015

De beste romans van 2015 (die ik niet gelezen heb)


De laatste drie jaar maak ik lijstjes. Vooral voor mezelf, om in kaart te brengen wat ik gelezen heb en zelfs wat ik niet gelezen heb, romans waarvan ik vind dat ik die gelezen zou moeten hebben. Die lijstjes vind je hier: 2014, 2013, 2012. Uit het lijstje van 2012 heb ik intussen acht boeken gelezen, uit die van 2013 en 2014 elk vier.

Ik heb het niet geteld, maar voor mijn gevoel heb ik dit jaar niet zoveel gelezen. Te weinig ruimte in mijn agenda en in mijn hoofd. Daardoor heb ik voor dit lijstje een ruime keus. Ik heb de volgende tien gekozen:

1. Annelies Verbeke, Dertig dagen
2. Connie Palmen, Jij zegt het
3. A.F.Th. van der Heijden, De ochtendgave
4. Jamal Ouariachi, Een honger
5. P.F. Thomése, De onderwaterzwemmer
6. Yves Petri, Liefde bij wijze van spreken
7. Hagar Peeters, Malva
8. Bert Natter, Goldberg
9. Stefan Brijs, Maan en zon
10. Stephan Enter, Compassie

Er moesten dus veel boeken/schrijvers afvallen. Saskia de Coster bijvoorbeeld (Wat wij alleen horen) en M.M. Schoenmakers, De wolkenridder. Het boek van Thomas Verbogt zal ik wellicht ook nog gaan lezen.

Natuurlijk is dit lijstje speculatief. Ik moet afgaan op het oordeel van anderen en soms van een enkeling, en op wat ik van de schrijver al gelezen heb.

Van Verbeke las ik tot nu toe maar één boek en ik vind het wel weer tijd voor een volgend boek. Bovendien hoor ik veel goeds over dit boek.

Palmen lees ik bijna nooit meteen; bij Lucifer duurde het ook een jaar voordat ik eraan begon en toch vond ik het goed. Het onderwerp van Jij zegt het haalt me niet meteen over, maar Palmen zal er best een goed boek over geschreven hebben.

Van der Heijden is ook zo'n auteur. De Canaponiboeken las ik kort na elkaar, De sandwich, Het leven uit een dag, Asbestemming en Weerborstels las ik meteen na het uitkomen, en Advocaat van de hanen ook, geloof ik. Daarna pas las ik De slag om de Blauwbrug, Vallende ouders en De gevarendriehoek. Verder ben ik een heel stel boeken achter, maar Tonio las ik wel.

Ouariachi's werk heb ik tot nu toe aan me voorbij laten gaan, maar ik vind dat ik nu wel bij zijn oeuvre moet aanpikken.

Thomése behoort tot onze grote schrijvers. Hij heeft een breed oeuvre, met boeken in soorten en maten. Ik wil nog steeds Wladiwostok! een keer gaan lezen. Ik schreef over: Het bamischandaal en Greatest hits. Zuidland las ik meteen toen het uitkwam, later las ik nog Schaduwkind en J. Kessels the novel.

Petri's werk ken ik, net als dat van Ouariachi, ook niet. Ook De maagd Marino heb ik niet gelezen, moet ik tot mijn schande bekennen. Het wordt tijd dat een beetje goed te maken.

Hagar Peeters ken ik als dichteres. Over Wasdom heb ik geschreven en ik heb ook andere bundels van haar gelezen, evenals haar boek over Gerrit de Stotteraar. Ik heb alle vertrouwen in Malva.

Van Natter vond ik Hoe staat het met de liefde (recensie hier) niet zo denderend, maar Goldberg lijkt me ambitieuzer en ik wil het wel een kans geven. Mijn  boekhandelaar vond het goed en dat is ook een argument.

Van Brijs las ik Arend, Twee levens en De engelenmaker. Vooral dat laatste boek vond ik schitterend. Maar ik heb ook erg genoten van sommige van Brijs' stukken over vergeten schrijvers. Post voor mevrouw Bromley stond op mijn te-lezen-lijstje, maar het is er nooit van gekomen. Over Maan en zon hoorde ik een interview bij de NTR Academie. Daarna heb ik het boek meteen gekocht, ook omdat mij niets over het onderwerp bekend was. Binnenkort meer over dit boek.

Enter heb ik ooit geïnterviewd voor publiek. Het was een aangenaam gesprek. Ik heb zo'n beetje alles van Enter gelezen en dat wil ik zo houden. Hier schreef ik kort over Grip. Ik heb het ook in het Nederlands Dagblad gerecenseerd.

Ongetwijfeld heb ik belangwekkende romans over het hoofd gezien. Ja, ik heb me beperkt tot Nederlands werk; dat is bewust gedaan. Ik had nog Vonne van der Meer, L.H. Wiener, Kees van Kooten of Leon de Winter kunnen noemen. Er zullen er meer zijn en er zullen altijd meer boeken zijn die je wilt lezen dan boeken die je kunt lezen. Dat is vervelend, maar het is niet anders.



















Naschrift: dezelfde dag nog en ik realiseer me dat K. Schippers (Niet verder vertellen) niet in het lijstje is opgenomen. Stomstomstom. Schippers is altijd het lezen waard. Voor deze gelegenheid voer ik punt 3,5 in.

Hier een lijstje met de beste beeldromans/strips van het afgelopen jaar en hier een lijst van de beste romans die ik wel gelezen heb.

dinsdag 29 december 2015

Judicus Verstegen (1933 - 2015) overleden


Het was mij ontgaan, maar anderhalve maand geleden overleed Judicus Verstegen. Het heeft gestaan op Tzum, maar blijkbaar was ik net die dagen niet online, of las ik het en vergat ik het. Pas deze week zag het bericht weer een keer voorbijkomen.

Judicus Verstegen was voor zijn overlijden al een tijdje verdwenen uit de literatuur. Hij komt bijvoorbeeld niet voor in Steeds weer vogels die nesten beginnen en ook in andere overzichstwerken heb ik hem niet aangetroffen.

In mijn boekenkast vond ik vier van zijn boeken, allemaal aangeschaft in 1984 en 1985: De revoluties (1971), De nieuwe vrijheid (1974), De noordelijke samenzwering (1975) en Een kurk in de rit (1982). Alleen het laatste boek heb ik gelezen.

Voor Een kurk in de rit, Verstegens laatste roman, was indertijd weinig belangstelling en de recensies die wel aandacht aan het boek besteedden, waren voornamelijk negatief. Dat lees ik in In het licht van de kritiek (1994) van Susanne Janssen, die een hoofdstuk aan Verstegen wijdt. Zij laat duidelijk zien hoe de kritiek, die bij de eerste romans overwegend positief was, in de loop van de jaren minder waardering voor Verstegen kon opbrengen.

Ik las Een kurk in de rit en vond het wel goed. Ongetwijfeld heeft ook meegespeeld dat ik het een aardig boek vond om mijn leerlingen aan te bevelen. Ik kocht tweedehands wat exemplaren voor de schoolbibliotheek en verschillende van mijn leerlingen hebben het boek gelezen.

Een kurk in de rit gaat over mollen. De jonge mol Manus ondermijnt de macht van de Meester, door het aan te leggen met het vrouwtje Marianne. Aan het eind van het boek toont de Meester zijn grootheid als hij zich opoffert om de hele kolonie te redden. Tussen Manus en Marianne wordt het overigens niets. De slotzin van het boek: 'Woedend overbrugde Manus de afstand tussen hen beiden en beet haar in één hap de strot af.'

De romans van Verstegen hebben onderwerpen die je niet bij iedereen tegenkomt. Zo gaat De revoluies over het Georgië van de jonge Stalin en De regentijd (1973) over de bezettingstijd op Texel. Tzum wees ons ook nog op een roman die indertijd uit de handel is gehaald: De koekoek in de klok. Hier is er een artikel van Ton Bastings over te lezen. Van de affaire was mij niets bekend.

De koekoek in de klok speelt zich af in de academische wereld en enkele hoogleraren meenden zich in het boek te herkennen. Daarin is de roman van Verstegen te vergelijken met Onder professoren. Het is niet voor het eerst dat er een vergelijking wordt gemaakt tussen het werk van Verstegen en dat van Hermans. Er zijn ook overeenkomsten tussen Verstegens debuut (Legt uw hart daarop, 1967) en Nooit meer slapen. 

Later las ik het interview dat Joris van Casteren had met Verstegen. Het werd opgenomen in Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf (2012). Verstegen bleek opgenomen te zijn in een psychiatrische inrichting, waar hij overigens dapper doorschreef. Het was een triest verhaal, respectvol genoteerd.

Aanvankelijk was de kritiek positief over Verstegen. Paul de Wispelaere noemde Verstegen, naar aanleiding van zijn tweede boek, de verhalenbundel Een zon bij nacht (1968) samen met Jeroen Brouwers en Daniël Robberechts 'de belangrijkste revelatie van de jongste twee jaar prozaliteratuur'.

Intussen is Verstegen vergeten, lang voordat hij overleed. In mijn boekenkast hebben enkele van zijn romans verschillende verhuizingen overleefd. Ze zijn niet in een doos achter het schot terechtgekomen en ik heb ze niet weggedaan. Blijkbaar had ik nog steeds de illusie dat ik ze ooit ging lezen. Intussen twijfel ik er sterk aan of het daarvan zal komen.

De foto van Judicus Verstegen stond indertijd achter op De noordelijke samenzwering

maandag 28 december 2015

Muidhond (Inge Schilperoord)


Het debuut van Inge Schilperoord, Muidhond, is overal geprezen. Ik kan het daar alleen maar mee eens zijn. En toch...

De hoofdpersoon in Muidhond is Jonathan, een pedofiel die een tijdje opgesloten heeft gezeten, maar weer naar huis mag, vanwege gebrek aan bewijs. Hij is dertig jaar oud, maar woont nog bij zijn moeder, die hem 'jochie' noemt. Hij past zich aan, doet braaf de dingen die van hem verwacht worden, als een goede zoon, al merk je dat hij eigenlijk iets anders wil.

De omgeving waarin hij woont, is bevreemdend: het is een afbraakwijk waaruit iedereen moet vertrekken. Jonathan en zijn moeder zijn zo'n beetje de laatsten die er wonen. En de nieuwe buren, een moeder met haar dochtertje van nog geen tien, Elke. Moeder werkt in het café en kijkt weinig naar Elke om. Jeugdzorg bemoeit zich er al mee en moeder moet weinig van die bemoeienis hebben.

Jonathan, zijn moeder en zijn buurmeisje zijn zo'n beetje de enige personen. De omgeving is leeg, zoals je in sommige films of strips wel ziet. Naast de bebouwde, lege wereld, is er de natuur, waarin Jonathan in zijn element is. Al in het begin van Muidhond staat 'De mensen moesten hem niet, dat was altijd zo geweest. Maar de natuur nam hem zoals hij was.' Jonathan weet veel van de natuur en hij leest het Natuurblad. 

Al snel na zijn thuiskomst vangt hij een gewonde vis, een zeelt, ofwel een muidhond. Hij besluit voor hem te gaan zorgen en doet hem in een aquarium. De zeelt wordt ook wel doktersvis genoemd: hij zou andere vissen genezen, maar ook mensen schreven hem een geneeskrachtige werking toe.

Jonathan hecht veel waarde aan de zeelt. Hij heeft het idee dat de zeelt gezonden is om hem te helpen, om hem weer heel te maken. In de loop van het boek gaat het slechter met de zeelt. Tot vlak voor het einde is het dagelijks erg warm, waar de zeelt slecht tegen kan. Bovendien is hij gewond, maar daar lijkt hij van te herstellen. In de loop van het verhaal lijkt de zeelt steeds meer symbool te staan voor Jonathan, die er ook bovenop lijkt te komen, maar uiteindelijk toch dreigt het niet te redden. Tussen de zeelt en de wereld zit het glas en als Jonathan in de bus naar huis zit, zit ook letterlijk het glas tussen hem en de wereld. Later zal hij in gedachten zo'n glazen wand proberen op te trekken.

Al gauw wordt duidelijk dat Jonathan pedofiel is. Daarom is het lastig en tegelijk aantrekkelijk voor hem dat er nu zo'n jong meisje in zijn omgeving is. Jonathan is vastbesloten om 'beter' te worden en hij doet daarvoor erg zijn best. Heel consciëntieus maakt hij de oefeningen uit het werkboek, in de hoop zichzelf zover te krijgen dat hij geen gevaar meer is voor zijn omgeving.

Steeds meer krijg je als lezer het idee dat Jonathan dat niet gaat redden. Hij doet zijn best, maar dat zal niet genoeg zijn. Er zit ook agressie in hem, die hij niet altijd onder controle kan krijgen. Uiteindelijk ontknoopt het verhaal zich en het zal duidelijk zijn dat ik daar niets over kan vertellen.

Over pedofilie wordt niet veel geschreven. Ongeveer tegelijkertijd met Muidhond verscheen Een honger van Jamal Ouariachi waarin hetzelfde thema centraal staat. Het klassieke voorbeeld is Rico's vleugels van Rascha Peper, waar het gaat om een bejaarde man en een opgeschoten jongen, waarbij je je afvraagt wie nu macht heeft over wie. Het behoort tot de beste boeken van Peper.

Peper koos vooral het perspectief van de pedofiel en minder dat van het slachtoffer. Schilperoord doet dat ook, waarbij ze mooi de balans weet te houden. Ze verontschuldigt niets, maar maakt wel inleefbaar waarmee een pedofiel, of in ieder geval deze pedofiel, worstelt.

Toen ik Muidhond begon te lezen verwachtte ik er veel van: ik had enkele zeer positieve recensies gelezen en een vriend wiens oordeel ik hoog schat, was er ook positief over. Het vervelende was dat ik al over een van de eerste zinnen struikelde: 'Hij (...) wreef met de duim van zijn rechterhand langzaam over het kootje van zijn linker'. Het is een zinnetje dat in het boek verschillende keren terugkomt en ik erger me eraan. Strikt genomen staat er dat Jonathan (want dat is de 'hij') wrijft over het kootje van zijn linkerhand. We snappen wel dat er bedoeld wordt 'het kootje van de duim van zijn linkerhand', maar ook dat klopt niet, aangezien een duim twee kootjes heeft en je dus niet kunt spreken van 'het' kootje.

Het is een kleinigheid, ik weet het, maar het maakte wel dat Muidhond zich na de eerste bladzijde nog maar moest bewijzen. Dat ging eigenlijk best. Het boek van Inge Schilperoord maakt een haast klassieke indruk. Je hebt het idee dat het ook veertig jaar geleden geschreven zou kunnen zijn. Voor mijn gevoel komt het een beetje in de buurt van het werk van Anton Koolhaas, die er ook van hield om in het hoofd van zijn personages te gaan zitten en diens gedachten te volgen. Het boek is vaardig geschreven en al gauw ga je als lezer mee in het verhaal.

Zo'n beetje alles klopt aan Muidhond. De warmte die in het boek hangt is symbolisch voor de broeierigheid die er is tussen Jonathan en zijn buurmeisje; de leegheid van de omgeving, de buurt die op de nominatie staat om afgebroken te worden, de kwijnende vis in zijn afgesloten bak: er zijn gemakkelijk lijnen te trekken naar de situatie van Jonathan.

Verder wordt elke gebeurtenis in het boek zorgvuldig voorbereid, al is het maar in een enkel zinnetje. Je kunt zeggen dat het boek wel heel erg beheerst is geschreven, maar ook dat past weer bij de inhoud: Jonathan moet immers ook erg zijn best doen om zich te beheersen.

Er zijn redenen genoeg om Muidhond te prijzen en ik zal dat ook zeker doen. Aan iedereen die mij ernaar vraagt, zal ik vertellen dat ik dit boek achter elkaar uitgelezen heb, dat het goed in elkaar zit, dat je je kunt verplaatsen in de hoofdpersoon, dat het spannend is, omdat je je afvraagt of Jonathan niet opnieuw in de fout zal gaan.

Maar toch blijft er iets in mij zeuren. Het is misschien helemaal niet terecht, maar ik kan er niet omheen, merk ik. Het heeft te maken met het beheerste. Schilperoord heeft de omgeving van Jonathan zo leeg gemaakt dat ze zich helemaal op hem kon concentreren. Die omgeving is gearrangeerd, zodat die bijna onwerkelijk is.

Ook wat Jonathan overkomt en hoe hij meer en meer geconfronteerd wordt met zijn moeilijke kanten is zorgvuldig gedoseerd. Goed gedaan, zeker, maar het heeft ook iets keurigs. Schilperoord lijkt me een auteur die alles onder controle wil houden. Dat komt bij dit boek goed uit, want zo is de hoofdpersoon ook. Die controledwang zit me tegelijkertijd dwars, al weet ik zelf niet precies waarom.

Muidhond is het boek dat Schilperoord kon schrijven. Had ik liever gehad dat ze niet begonnen was aan een boek dat in haar macht lag, maar dat er net boven lag? Misschien wel. Schilperoord heeft zich geen enkele keer gepermitteerd de kans te lopen om uit te bocht te vliegen. Hoe onveilig het onderwerp ook is, ik krijg toch de indruk dat de schrijfster voor de veilige weg gekozen heeft. Ze wist dat ze niet zou verdwalen, en dat merk je als lezer.

Nogmaals: Muidhond is een goed boek, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Schilperoord beter kan, als ze zichzelf toestaat om te mislukken, als ze ook eens over een sloot probeert te springen waarvan ze niet van tevoren weet of ze dat kan halen. Dat zal af en toe een nat pak opleveren, dat zal misschien een keer een onevenwichtig boek tot gevolg hebben, maar het kan ook boeken opleveren die niet alleen spannend zijn op verhaalniveau, maar ook op schrijfniveau.

Hopelijk hebben de positieve reacties op haar debuut Schilperoord zoveel zelfvertrouwen gegeven, dat ze verder durft te gaan. Ze kan op de manier van Muidhond nog een hele serie goede boeken schrijven, maar ik wil graag meer. Dat is onredelijk, ik weet het, maar ik wil er dan ook graag onredelijkheid voor terug. Naar die onredelijkheid ben ik erg nieuwsgierig.

donderdag 24 december 2015

Een grazende streep in de lucht (Jane Leusink)


Niet minder dan tien afdelingen telt Een grazende streep in de lucht, de nieuwe dichtbundel van Jane Leusink. Sommige afdelingen bestaan uit maar twee gedichten en eentje zelfs uit maar een enkel gedicht, maar dat is dan wel 'Melief', een liefdesgedicht dat over de grenzen van leven en dood heen reikt.

Het is een gedicht om te lezen en te herlezen en elke keer blijf ik weer even hangen bij de zin 'Je ligt maar mee, je ligt maar mee, melief.' We kennen het meezitten en het tegenzitten, maar hier gaat het om het werkelijke liggen, wat we met rust en inactiviteit associëren. Maar onze associatie is te beperkt, laat Leusink zien.

En verderop:
Melief, ik ben opgehouden me langer op die grond van jou te werpen
met in mijn neusgaten aarde aarde, maar laat in mijn blessuretijd
nog vaak een meisjesboodschap achter: melief melief melief.
Ook dat 'aarde aarde' is treffend. Ik moest natuurlijk denken aan 'schoonheid schoonheid' in het beroemde citaat van Lucebert, maar ook aan de twee neusgaten die verstikkend vol zitten met de aarde waarin de geliefde rust. Juist door het te ontkennen ('ik ben opgehouden') wordt het beeld opgeroepen.

'Melief' is een heftig gedicht, dat ik toch met een glimlach kan uitlezen, wat veroorzaakt wordt door het slot. De laatste strofe gaat over de monologue intérieur, waarvan gezegd wordt: 'die is zó nep, vermijd die als de pest daarginds'.

Daarmee is ook meteen iets gezegd over het dichten, dat dus echt iets anders is dan het in jezelf praten. Gedichten zijn gericht op de ander, niet alleen als ze schreeuwen, maar ook als ze mompelen of fluisteren.

Er komt meer rouw voor in Een grazende streep. Bijvoorbeeld in de afdeling 'Rouw op de werkvloer'. De titels hebben iets afstandelijks: 'Factoren die het rouwproces beïnvloeden', 'Meten of het rouwproces normaal verloopt' bijvoorbeeld. Alleen het woord 'rouwproces' al!

De afstand wordt nog benadrukt doordat de hoofdpersoon niet een 'ik' is, maar een 'zij'. Sommige dingen zijn blijkbaar zo groot dat je even afstand moet nemen om ze te kunnen zien. Het tweede gedicht eindigt met:
Ze vindt het hooguit raar nu ook rouw haar verlaat, nee
in de steek laat, het komt toch hard aan, zegt ze
harder nog na veertig seizoenen, hoe is het mogelijk.
Ze walgt van haar kleverige adem,
ze walgt van haar haren zonder vaste strijkrichting
ze trapt op haar herinneringen tot ze loslaten
ze slikt, hoe slikt ze het door?
Is het doel van rouwen over het verlies heen komen? Als het rouwen minder wordt, maakt dat dan ook dat het verlies minder is en mag dat eigenlijk wel? De 'zij' heeft het gevoel dat rouw haar in de steek laat en dat komt hard aan, na tien jaar.

Maar Leusink schrijft niet 'tien jaar', maar 'veertig seizoenen'. Het zijn geen kruisjes op de kalender, het is tien keer een jaar lang door de seizoenen heen gaan, weer de groene blaadjes aan de bomen zien verschijnen of weer de bladeren zien vallen en de takken kaal zien worden.

Over elke regel in dit gedicht is veel te zeggen, bijvoorbeeld over de haren 'zonder vaste strijkrichting'. In zo'n formulering woelt van alles mee. Verwarring, niet alles op orde hebben, maar ook de vraag of er wel over de haren gestreken wordt.

Het achter je laten van herinneringen is bijna gewelddadig en het is ook nauwelijks te doen. Als het al bijna niet door te slikken is, hoe is het dan te verteren?

De cyclus eindigt met een citaat uit Psalm 90:
U vaagt ons weg als slaap
in de morgen, als opschietend gras
dat ontkiemt in de morgen en opschiet
en 's avonds verwelkt en verdort

(in het gras aan je voeten scharrelt een engel)
Gras is een bekend vanitassymbool. In de kerk waar ik als kind met mijn ouders heen ging, werd altijd psalm 103:8 gezongen als er een gemeentelid overleden was: 'Gelijk het gras is ons kortstondig leven'. Maar hier heeft niet het verwelkende en verdorrende gras het laatste woord, maar de scharrelende engel in gras dat ik mij als sappig en groen voorstel.

De laatste afdeling in de bundel heeft als titel 'Gras'. Vooraf gaat een motto: 'Jeder stirbt für sich allein'. van Hans Fallada. Het is een omkering van Romeinen 14 : 7: 'Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf.'

De cyclus 'Gras' bestaat uit twee lange, gedichten, die weer in 'hoofdstukjes' zijn verdeeld. Beide gedichten hebben de titel 'Mijn eeuw'. Het eerste gedicht speelt zich af in de negentiende eeuw: 'Mijn eeuw, de negentiende, uitgegroeid tot de eeuw / van de besmettelijke ziekten.'

Ik had dan ook verwacht dat het zou starten in 1826, toen in Groningen een paar duizend mensen gestorven zijn aan wat wel de Groninger ziekte wordt genoemd. Maar het begint in 1856, waar we lezen dat een heel gezin werd weggevaagd.
Waar was het oog van God dat de natte weilanden, de berooide
stoppelvelden wel met najaarsstormen bleef bestoken, maar
de mensen ja geen verstand inblies, het benul voor zichzelf hield.
Dat 'ja' maakt het gedicht ineens Gronings, tenminste voor mijn gevoel. In dit gedicht gaat het niet alleen om de gestorvenen, maar ook om het lijkenhuisje/baarhuisje op de begraafplaats van Zuurdijk. Dat werd uiteindelijk gebouwd. Al had het nog wel wat voeten in de aarde, zou ik geschreven hebben, als het niet zo woordspelerig zou klinken.

Het tweede gedicht speelt zich af in de twintigste eeuw. Het baarhuisje is vervallen en moet gerestaureerd worden, wat tegelijk een 'rouwherstel' zal zijn:
Wij denken aan onze doden opdat zij geen twee keer stervendenken is een benul dat je niet voor jezelf mag houden. Ga dusminstens drie jaar lang de rijen langs, neem eten en drinken mee.Geef het door aan je zonen, je dochters opdat zij hethún zonen, hún dochters en die-
In de cyclus 'Gras' trekt Leusink zich weinig aan van de scheiding tussen poëzie en proza. Het staat natuurlijk deftig als ik zeg dat ze de grenzen van de genres verkent, maar ik vermoed dat ze er domweg geen boodschap aan heeft: je kiest de vorm waarvan je vindt dat die werkt en hoe dat genoemd moet worden, maken anderen maar uit.

In de cyclus 'Sobibor 1943' staat bijvoorbeeld 'Het leek een stralende zomerdag', dat eruitziet als een gedicht, maar 'klinkt' als proza. Ik moest daarbij ook denken aan wat Hellema boven een verhaal zette in de bundel waarmee hij debuteerde: 'Wie hier literatuur van maakt, is een zwijn'. Ook die tekst speelde zich af in een concentratiekamp. Misschien moest het verhaal van Toivi daarom zo prozaïsch (maar dat is het verkeerde woord) verteld worden.

Er is niet alleen veel dood in Een grazende streep in de lucht, maar ook veel leven. Verschillende keren komen er kloppende harten in voor, er worden baby's geboren, er zijn kleinkinderen, vol van pril leven, die aandacht vragen. In het tweede gedicht van 'Gras' komt zo'n kleinkind voor en ook aan het eind van de serie 'Rouw op de werkvloer'.

Dat gedicht begint als volgt:
Op een dag drijft een pluimstaartig kind op zijn schelp
naar je toe. Het staat als een kaars, wil alles geven
alles horen - je hoort het gras als een gek gaan groeien.
 Ja, ja, Botticelli, natuurlijk, maar dat schilderij gaat ook over een geboorte, een begin van leven. Het kind (dat ik voor het gemak als kleinkind heb geïnterpreteerd, omdat het aan is komen drijven en niet naar buiten geperst hoeft te worden) is ook de scharrelende engel die ik al eerder noemde. En weer het gras natuurlijk, dat 'als een gek' groeit en daardoor het tegengestelde is van  vergankelijkheid.

Er is veel over Een grazende streep in de lucht te zeggen, maar er moet voor de koper nog wat te ontdekken overblijven. Er staan ook gedichten in die me te gelegenheidsachtig zijn, zoals 'Liefdesgedicht voor een lege etalage'; die gedichten had ik kunnen missen. Maar een dichter verdient het om op het beste van zijn werk beoordeeld te worden en dat beste is veel in deze bundel.

Tot slot wil ik nog een compleet gedicht citeren. Het wordt 'Herfst'. Herfst is gewoonlijk de tijd van verval en ondergang en dat ligt ook hier wel op de loer. Er staat niet dat de man en de vrouw het water aan de lippen staat, maar die betekenis wordt in de eerste strofe ook opgeroepen en niet voor niets staat er: 'het deert'. Er breken muren en appels vallen uit de boom. Ja, zo gaat het, in het seizoen, in het leven.

Maar het wordt wel gevierd in dit gedicht. Er wordt gezoend, er wordt wijn gedronken, van de bout gegeten en aan het eind is er het nieuwe leven, het kind dat het hele leven nog door moet gaan. Een gedicht om vaak te lezen, zoals zoveel gedichten in deze bundel.
Herfst
Een man en een vrouw staan met water aan hun lippen
in het meer en het deert. Om beurten duwen ze 
elkaar onder terwijl ze zoentjes en zoenen
de hond er een psalm over componeert. Ze zingen
dat we moeten zijn zonder zoveel willen erbij, lala
tot in het kwadraat, daar draait alles om. Dus
zwemmen ze zeven rondjes om het huis.
Als alle muren breken drinken ze een slok rode wijn
eten gretig van de bout die de man heeft bereid
van een lam uit zijn kudde. Een herfst leunt
onhandig tegen voegen en valappels. Dan
schreeuwt het kind uit zijn dorstige verte om melk
uit de borst van zijn moeder. Want het moest
tegen bergen oproeien, de meren vielen
droog en het moest zijn bodem nog vinden.

Foto op de achterflap van de bundel, door Alfred Oosterman.
Zonder toestemming te vragen geratst van de weblog van Jane Leusink 

woensdag 23 december 2015

Jaap Zijlstra (1933 - 2015) overleden

Op dinsdag 22 december overleed Jaap Zijlstra. Hij was 82 jaar oud. Jaap Zijlstra was predikant. Verder schreef hij gedichten en liedteksten en soms ook proza. In 2000 schreef hij het christelijke boekenweekgeschenk, De glazen schelp.

Ik geloof dat het Hans Werkman was, die Zijlstra ooit 'een aardige jongen' noemde en dat was een treffende benaming. Ten eerste was Jaap Zijlstra aardig, vriendelijk. Bovendien had hij, ook toen hij al oud was, iets jongensachtigs. Misschien was het zijn enthousiasme, die hem iets gaf dat hem jonger maakte dan zijn kalenderleeftijd.

We hebben elkaar wel eens de hand gedrukt, Jaap en ik. We hebben wel eens staan kletsen. We herkenden elkaar, maar kenden elkaar niet goed. Natuurlijk had ik wat van zijn gedichten gelezen. En ik kende verhalen over hem.

Zo was Zijlstra een geliefd spreker. Ooit (jaren negentig, schat ik) zou hij preken in een kerk in Ede. Op het allerlaatste moment moest hij zich afmelden, misschien vanwege ziekte. De kerk liep op dat moment al vol, want Zijlstra trok altijd veel publiek. In allerijl werd rondgebeld: wie kon Zijlstra vervangen? Dominee Kiers bleek beschikbaar te zijn en hij had nog wel een preek liggen.

De kerk zat intussen stampvol, toen Kiers met de kerkenraad de kerk betrad. Hij beklom de kansel, zich ervan bewust dat de gemeente teleurgesteld was, en sprak: 'En ziet, het was Lea.'

Zijlstra was dichter en predikant. Hij heeft veel liedteksten voor kerkliederen geschreven. Die vind je bijvoorbeeld hier. Volgens zijn pagina op Wikipedia staan er een kleine twintig van die liedteksten in het nieuwe liedboek. Dat liedboek heb ik niet en eigenlijk weet ik niets van zijn liedteksten af. Maar als er een zo ruime keus gemaakt is uit zijn liederen, zullen ze gewaardeerd worden, vermoed ik.

Zijn poëzie heb ik wel gelezen. Nou ja, ik heb vier dichtbundels in mijn kast staan: Voor de gelukkig vinder (1965), Lichtgeraakt (1986), Achter het rimpelend licht (1986) en Hinkelspel (1995). Van die gedichten kun je in ieder geval zeggen dat ze helder zijn, wat niet zo vreemd is voor een dichter die ook liedteksten schreef.

Veel gedichten vind ik niet goed genoeg. Ik had gedacht dat er in Hinkelspel nog wel wat echt goede gedichten zouden staan, maar het is toch lastig om een gedicht te vinden waar niets op is aan te merken.
Doodtij
Nu hij van mij is weggegaan
die aan mijn lippen heeft gestaan,
een vloed, een overvloed, een zee,
waai ik met deze woorden mee.
Waai over een verlaten strand,
het daglicht enkel zonnebrand,
de nachtwind enkel duisternis,
een roepstem die gebroken is.
Geen adem die mij kent en kust,
geen branding als een lieve lust,
geen hartsgeheim dat mij omgeeft
en als een glansrijk in mij leeft. 
In de bundel Ik heb je zo lief (1991) kwam Zijlstra voor het eerst als dichter uit voor zijn homoseksualiteit. Als dominee had hij dat al eerder gedaan. Het gevolg was wel dat uitgeverij Kok de bundel niet wou uitgeven.

De 'hij' in bovenstaand gedicht, lees ik als een geliefde en ik vind de eerste twee regels erg mooi. Niet alleen wordt het zoenen opgeroepen, maar ook de nood, de vloedgolf die je dreigt te overstromen. De geliefde is weg en zeker in de tweede strofe is er de verlatenheid.

In de laatste strofe wordt die bevestigd; het positieve wordt immers ontkend. Maar zo, dat het wel genoemd wordt (kust, lieve lust, glansrijk) en dus ook opgeroepen. De woordspeling in de laatste regel vind ik zwak en de tweede strofe is me net te gemakkelijk, maar de eerste twee regels zijn goed.

Ik herinner me een gedicht over een lichtmatroos. Het blijkt in Ik heb je zo lief te staan.
Lichtmatroos
M’n schip moet over de horizon gaan,
tij en tegentij keren het niet,
beloof dat je hoog op een duin gaat staan
en naar me zwaait zolang je me ziet.
Stuur woorden als vogels achter me aan,
nee, geen schreeuwvogels van verdriet,
als m’n bootje over de kim zal gaan,
zing voor me, zing, het hoogste lied.
En dat, lieve Sander, heb ik gedaan;
toen je scheepje over de einder ging,
ben ik hoog op een duin gaan staan
en God hoe kan het, ik zing, ik zing.
Ook bij herlezing blijf ik het een ontroerend gedicht vinden. Op Tzum wordt het gedicht 'Navigatie' geciteerd. Ook dat kan nog wel mee, al is de laatste strofe me net te slap.

Die helderheid, die toegankelijkheid, zorgden ervoor dat de poëzie van Zijlstra geschikt was voor een groot publiek. Dagelijks publiceerde hij om één minuut over twaalf een gedicht op Facebook. Niet al die gedichten waren goed, gaf hij in een interview toe, maar dat waren de gedichten in de bundels ook al niet. In ieder geval heeft hij er veel mensen plezier mee gedaan, waarbij 'plezier' waarschijnlijk niet het juiste woord is, al schreef Zijlstra ook wel luchtige gedichten.

De novelle De glazen schelp (2000) heb ik indertijd gelezen. In mijn herinnering was het boekje 'aardig', maar niet meer dan dat. Meer dan dat zeer globale oordeel is mij van het boekje niet bijgebleven. Rond die tijd werd er op de website Chroom een interview met Zijlstra geplaatst, dat nog steeds het lezen waard is.






 In een interview vertelde Zijlstra dat hem vaak liedteksten en gedichten werden toegestuurd. Meestal was dat troep en moest hij de dichters het advies geven om te stoppen met schrijven. 'Als ze nu maar eens ophielden met 'hart' op 'smart' te laten rijmen,' zei hij. Maar in de vierde strofe van het eerste lied (filmpje hierboven) gebruikt Zijlstra de rijmwoorden zelf wel.

Binnen de kerk zal Zijlstra zeker als liedtekstdichter nog een tijd bekend blijven. Van zijn poëzie zal weinig de tand des tijds doorstaan, vrees ik. Maar ik denk dat veel mensen zich de mens Jaap Zijlstra zullen blijven herinneren, die aardige, lieve man. Dat is belangrijker.