Vorige week zondag liepen in Frankrijk miljoenen mensen mee in de Mars van de Republiek. Ook in Nederland werd er gedemonstreerd. In verschillende steden en dorpen gingen mensen de straat op, potlood of pen in de vuist of een bord voor de borst met ‘Je suis Charlie’. Het is mooi dat zoveel mensen hun medeleven betuigden met de nabestaanden van de slachtoffers en dat ze het belang van de vrijheid van meningsuiting onderstreepten.
Cartoonisten protesteerden op hun eigen manier: ze tekenden cartoons. Veel van die tekeningen kwamen op hetzelfde neer: het potlood neemt het op tegen het automatische wapen en het wint. Dat is een troostende gedachte, maar klopt die ook?
Wel als bedoeld is dat een aanslag het tekenen niet kan stoppen en dat zo’n terreurdaad het vuur bij de cartoonisten misschien zelfs aanwakkert. Of, zoals men ten tijde van de inquisitie zei: het bloed der martelaren is het zaad van de kerk.
Maar zal een potlood ooit een wapen het zwijgen opleggen? Zal niet alleen de vrije tekening, maar ook het vrije woord sterker blijken dan de onderdrukking? Natuurlijk wil ik dat graag geloven, maar ik twijfel wel.
Er zijn tekenaars gedood en we krijgen ze met geen honderd cartoons terug; er zit een blogger in de gevangenis, waar hij stokslagen krijgt, ondanks alle protesten; op verdachte wijze vinden journalisten de dood, ondanks kritische reportages.
Natuurlijk vind ik dat we vinnige tekeningen moeten maken, dat we protest moeten aantekenen, dat we scherpe stukken moeten schrijven. We moeten het doen in de overtuiging dat het water de steen zal uithollen, dat het verstand zal zegevieren over de domheid, dat het kwaad het uiteindelijk niet redt. En we moeten maar op de koop toe nemen dat we keer op keer teleurgesteld worden.
Voor de vrijheid van meningsuiting wil ik wel mijn vuist omhoog steken, ik wil best roepen dat we die met hand en tand moeten verdedigen. Maar dat is een overtuiging die mij niets kost. Ik kan beweren dat de prijs voor het vrije woord zelfs niet te hoog is als die bestaat uit mensenlevens, maar zou ik dat ook zeggen als het om mijn eigen leven ging of, nog erger, het leven van mijn kinderen en andere geliefden? Dan ben ik ineens niet zo zeker en zo dapper meer. Ik ben Charlie niet.
De makers van Charlie Hebdo hebben de prijs betaald, of ze dat nu wilden of niet. En ze gingen door. Ze brachten een nieuw nummer uit, met voorop weer een afbeelding van de profeet, een traan in zijn oog, het intussen bekende bord in zijn handen. Het is een tekening die gemaakt is met een scherpe pen en met een groot hart. Het is een tekening die niet bralt over de oorlog tussen de islam en het westen, maar die Mohammed laat huilen. Zo had hij niet bedoeld. Hij pakt een bord en gaat aan de andere kant staan.
Ik vond het een ontroerende reactie op al het geweld. Zo doen de tekenaars dat dus. Ils sont Charlie. Alleen zij.
Altijd wil ik meer lezen dan waaraan ik toe kom. Soms kan ik achteraf nog iets goedmaken. In 2011 wilde ik Het gym van Karin Amatmoekrim wel lezen, maar het kwam er niet van. Intussen heb ik de achtste druk van het boek gekocht en het alsnog gelezen.
Het gym gaat over de Surinaamse Sandra Spalburg. Ze komt uit een achterstandsbuurt: Zeewijk. Zij is de enige van haar school die naar het gymnasium, of, zoals ze in de wijk zeggen: het gennasium. gaat. Ze blijft omgaan met enkele vriendinnen uit haar wijk (Tanya en Chantal), maar op momenten is er ook afstand: doordat ze naar het gym gaat, is Sandra een stuudje geworden. Als ze aankomt bij een groep wijkelingen, wordt ze dan ook aangeduid met 'hoog bezoek'.
Ook op het gymnasium is Sandra een uitzondering: ze is niet blank en ze komt uit een andere wijk. Geregeld valt ze door de mand: door haar kleding, door haar woordkeuze, doordat ze op verjaardagen de verkeerde cadeautjes geeft. Sandra valt tussen twee werelden in.
Dat deed me denken aan de roman Kaf van Susan Glimmerveen. Daar gaat het over een intelligent meisje dat op de huishoudschool terechtkomt. Ook zij voelde afstand tussen de wereld waaruit ze kwam en de wereld waarin ze terechtkwam.
Mij staat niet meer duidelijk bij wanneer Kaf speelt. Jaren zeventig? Tachtig? Het gym speelt zich af in de tweede helft van de jaren tachtig. Waarschijnlijk 1987 of 1988. Rembo & Rembo (dat programma startte in 1987) is al op tv en Toppop is er nog (dat eindigde in 1988). Populaire artiesten zijn Salt-n-pepa (eerste hit in 1986) en Wham! Die groep werd in 1986 opgeheven, maar zal nog wel populair gebleven zijn, schat ik. Nog verschillende keren kwam Last christmas in een toplijst terecht.
Amatmoekrim schrijft helder, wat haar boek ook aantrekkelijk zal maken voor middelbare scholieren. Het perspectief ligt bij de brugklasser Sandra; dat zal de identificatie vergemakkelijken. Maar volwassenen hebben allemaal een middelbare scholier in zich en zij zullen ook kunnen herkennen hoe een leerling zich voelt op een middelbare school.
Sandra's moeder leeft van een uitkering en dat is niet altijd even gemakkelijk. Dat is een achtergrond waarover Sandra niet kan praten met de hockey- en tennismeisjes die verschillende keren per jaar op vakantie gaan. Ze doet er dan ook alles aan om haar nieuwe vriendinnen weg te houden bij de wijk waarin ze woont.
Ook het feit dat ze niet blank is, maakt haar bijzonder. Ze wordt daardoor het mikpunt van een klasgenoot, Bart Willink, die racistische grappen maakt ten koste van Sandra en er alles aan doet om haar te vernederen.
Daarin doet Het gym denken aan het jeugdboek Desnoods met geweld van Jan de Zanger. Daar zijn de racisten gewelddadiger en ze zijn georganiseerd. Het perspectief ligt in dat boek bij Lex, de vriend van een Indonesisch meisje, dat in elkaar geslagen is. Lex keert zich tegen de racisten, waardoor hij zelf ook partij wordt.
Doordat Amatmoekrim een Surinaams meisje als hoofdpersoon heeft gekozen, kan ze ook laten zien wat racisme doet met iemand tegen wie het gericht is. Bart is openlijk in zijn aanvallen. Er zijn ook mensen die duidelijk willen laten merken dat ze niet racistisch willen zijn, maar daardoor toch Sandra in een uitzonderingspositie plaatsen. Op een verjaardag wordt verteld hoe knap het is dat een meisje als Sandra naar het gymnasium gaat. Ze krijgt zelfs applaus, waardoor ze zich opgelaten voelt.
Een moeder van een vriendinnetje zegt tegen Sandra:
Jullie zijn zo één met die natuur, hè. Jouw volk is echt nog heel oer. Mooie, mooie mensen. Dat zijn jullie toch.
Op school doet Sandra het goed: ze haalt hoge cijfers en haar opstel mag ze voorlezen, omdat ze de beste van de klas is. Ook heeft ze vriendinnen, die het beste met haar voor hebben, maar die eigenlijk niet zien op welke plaats zij Sandra neerzetten door hun gedrag. De meisjes hebben ongetwijfeld goede bedoelingen, maar ze bevestigen bij Sandra het gevoel dat ze anders is.
Ook de moeilijkheden in Sandra's wijk worden door Amatmoekrim beschreven. De ex-man van haar moeder komt een tijdje bij het gezin wonen en vertrekt dan toch weer. Veel mensen hebben geen baan. Moeder zegt wel dat ze een cursus gaat doen om meer kans te hebben op een baan, maar in de praktijk komt daar niet veel van terecht.
In de wijk lopen de culturen door elkaar. Er is solidariteit, zeker tegenover de mensen van buiten, maar er wordt ook gescholden op de buitenlanders die de banen inpikken. Hans Janmaat van de Centrum Democraten krijgt ook uit de wijk stemmen.
Amatmoekrim heeft een heel aardig boek geschreven, dat vlot leest en dat een goed beeld geeft van een ontheemd meisje, dat ongetwijfeld staat voor meer jongeren van ooit en van nu. Sommige passages zijn zo geschreven dat je ze voor je ziet.
Stilistisch zoekt Amatmoekrim soms de gemakkelijke weg. Ze kiest dan voor afgesleten uitdrukkingen of typische romanwoorden: een 'beduimeld' papiertje; iemand wordt 'badend in het zweet' wakker; iemand heeft een 'gepijnigd' gezicht; een ander kijkt 'besmuikt'; een tuin is 'omzoomd' door bomen. Het zijn woorden die niet passen in Sandra's waarneming, lijkt me.
Intussen heeft de schrijfster alweer een boek aan haar oeuvre toegevoegd: De man van veel, over Anton de Krom. Daar heb ik goede dingen over gelezen. Amatmoekrim zal zich uitgebreid hebben moeten documenteren. Daardoor zal het ook interessant zijn voor mensen met belangstelling voor de geschiedenis. Het komt op mijn lijstje 'ooit te lezen' en het kan zomaar zijn dat ik het over een jaar of drie vier alsnog lees.
Sommige klassiekers uit de jeugdliteratuur heb ik aan mij voorbij laten gaan. Het is er domweg nooit van gekomen om ze te lezen. Om maar een paar titels te noemen: Kruimeltje, De brief voor de koning, Paulus de boskabouter, Het sleutelkruidHet wereldje van Beer Ligthart, De scheepsjongens van Bontekoe, Minoes.
Afke's tiental is ook zo'n boek. We hadden het wel in huis, maar ik heb het nooit gepakt. Maar zoals ik mijn nalatigheid bij Kruimeltje, De scheepsjongens van Bontekoe en Minoes een klein beetje goed heb gemaakt door de verfilmingen te bekijken, heb ik nu toch het verhaal van Nienke van Hichtum tot mij genomen door de verstripping van haar boek door Dick Matena te lezen.
Matena maakte de strip al in de jaren negentig en publiceerde die in Donald Duck. Er kwam nooit een album van. Tot nu. Bij uitgeverij Personalia is het verschenen in drie versies: in het Fries en in het Nederlands (ingekleurd) en als 'stripkleurboek voor volwassenen'.
Het zijn mooie albums geworden. Voor in de ingekleurde versie staat een kort voorwoord van de Commissaris van de Koning in Friesland, een stukje over Nienke van Hichtum (Sjoukje Troelstra - Bokma de Boer), wat wetenswaardigheden over Afke's tiental (Het werd ooit geweigerd bij de grens van de DDR) en een stukje van Dick Matena die vertelt dat er ooit plannen waren om de strip op te nemen in Tina, omdat men daar dacht dat het een lief meisjesverhaal zou zijn. Matena maakte de redactie duidelijk dat het 'een waargebeurd en ernstig verhaal over een arm Fries gezin met tien kinderen' is. Rond die tijd maakte hij wel de verstripping van Joop ter Heul voor Tina.
Matena heeft zijn sporen in het verstrippen van literatuur intussen wel verdiend. Onder aan mijn stukje over Matena's Tom Poes en de Pas-kaart heb ik links opgenomen naar stukken over Kort Amerikaans, De jongen met het mes en Kees de jongen. Ook de klassiekers uit de jeugdliteratuur zijn door Matena onder handen genomen: van Pietje Bell, De schippers van de Kameleon en Dik Trom maakte hij mooie stripverhalen.
En nu dus Afke's tiental. Matena heeft niet de integrale tekst overgenomen (zoals bijvoorbeeld bij Kees de jongen). In de tekst van Van Hichtum markeert hij wat hij aan tekst gaat gebruiken en wat hij gaat tekenen. Een voorbeeldbladzijde staat voor in het album. Het tekenwerk is weer vintage Matena: tekeningen in niet al te dikke lijnen, die niet variëren in dikte. De inkleuring, met waterverf, is wonderschoon.
Het verhaal is niet heel bijzonder: het zijn kleine gebeurtenisjes uit een gezinsleven. Het schrijnende van de armoede wordt wel een beetje duidelijk, maar gaat je niet dicht op de huid zitten. Misschien was dat ook niet gewenst voor Donald Duck. De indruk ontstaat dat het arme gezin geïdealiseerd is: eigenlijk heeft ieder gezinslid een hart van goud. Dat is misschien wel kenmerkend voor jeugdboeken uit het begin van de twintigste eeuw. Dik Trom, Pietje Bell en Kruimeltje waren, ondanks hun streken, immers ook door en door goed.
Moeder Afke houdt erg veel van haar kinderen, net als vader Marten en de kinderen houden van hun ouders. Een van de zonen krijgt een keer onterecht en paar klappen en eentje krijgt een flink pak op zijn broek, maar voor de rest is het allemaal braaf en zoet.
Matena roept met zijn tekeningen een vervlogen tijd terug en als je uit bent op nostalgie kun je aan dit album dan ook je hart ophalen. Ik had verwacht dat het ellendige van de armoede meer naar voren zou komen, wat niet het geval is. Maar misschien ligt dat meer aan Van Hichtum dan aan Matena. Om dat te weten te komen, moet ik toch het boek gaan lezen.
Vorig jaar werd Dick Matena in Museum Meermanno uitgeroepen tot Levend Erfgoeddrager (zie filmpje hieronder). De stripwereld is goed in het uitdelen van prijzen en bekroningen, al worden de striptekenaars er meestal financieel niet beter van. Ook aan de jaarlijks uitgereikte Stripschappenningen, die toch een zeker prestige hebben, is geen bedrag verbonden.
Ter gelegenheid van de bekroning is er wel een prachtig boek verschenen: 100 pagina's Dick. Mooi fotomateriaal, interviews en artikelen en vooral een compleet overzicht van het werk van Matena, met uit elk werk een voorbeeldbladzijde. Natuurlijk komen we De Argonautjes en Grote Pyr tegen, maar ook de tekeningen die Matena maakte voor Donald Duck (De kleine boze wolf, Tokkie Tor en Knabbel en babbel bijvoorbeeld).
Sommige strips was ik alweer vergeten, zoals Dandy, een verhaal dat ik in 1979 in Eppo las en van andere wist ik niet dat Matena ze gemaakt had, zoals een parodie op Sneeuwwitje, die in 1994 anoniem verscheen en Mozart en Casanova uit 1991.
Onlangs was er bij Het Uur van de Wolf een mooie documentaire te zien: Dick is boos. De reacties erop waren wisselend. Op Facebook las ik dat enkelen alleen de eerste tien minuten gezien hadden en vonden dat Matena alleen maar aan het mopperen was. Mij stoorde het niet Ik heb de documentaire tot het eind toe geboeid bekeken. Kijk ook: hier.
100 blz. Dick is een boek dat recht doet aan de statuur van Matena, een groot tekenaar (en scenarioschrijver) met een gevarieerd oeuvre. Hij tekent nog steeds en ik hoop dat hij dat nog een tijdje kan doen, zodat er ooit een dikkere herdruk van dit boek nodig zal zijn. Met een aangepaste titel natuurlijk.
Afke's Tiental door Dick Matena
Uitgeverij Personalia
softcover, 64 blz. € 12,95
100 pagina's Dick
Uitgeverij Personalia
hardcover, 100 blz. € 24,95
Afke's Tiental, Stripkleurboek
tekst en tekeningen Dick Matena
softcover, 48 pagina's, € 9,95
Bij een strip over een historische tocht naar Antarctica verwachten we een heldenverhaal: mannen die ontberingen doorstaan en uiteindelijk wel of niet hun doel bereiken. Het is in ieder geval een onderwerp dat tot de verbeelding spreekt. Bij het geschiedenisprogramma OVT was een tijdje terug een mooi tweeluik te horen over de Zuidpoolreiziger Ernest Shackleton (deel 1 en deel 2).
De bekendste ontdekkingsreizigers zijn Robert Scott en Roald Amundsen. De geschiedenis van hun tochten vind je hier en hier. Over Scott werd in 1948 een film gemaakt: Scott of the Antarctic en er is ook een film over de competitie die er was om als eerste de zuidpool te bereiken: Race for the Poles (2000).
En nu is er dus een strip: Antarctica, met een scenario van Jean-Claude Bartoll en tekeningen van Bernard Kölle. De inkleuring is gedaan door Vladimir Davidenko. Het eerste deel is nu verschenen: Bedrog. In het eerste deel wordt al een begin gemaakt met een van de verhaallijnen: de rivaliteit is tussen Amundsen en Scott. Beiden vertrekken in 1910 om als eerste de geografische Zuidpool te bereiken. Amundsen besluit om honden mee te nemen, Scott kiest voor pony's.
Een andere verhaallijnen is die van kapitein Knut Larsson. Hij is verliefd op Maureen, de dochter van een reder. Op een gegeven moment is er een worsteling, waarbij er een pistool afgaat. Natuurlijk wordt een onschuldige getroffen en Knut wordt als dader aangewezen. Dat is natuurlijk een knoeper van een cliché, en het is jammer dat de scenarioschrijver daarnaar gegrepen heeft.
Larsson moet op de vlucht en gaat met Amundsen mee naar Antarctica. Hij schrijft Maureen dat hij misschien wel niet meer terugkomt. Maureen blijft natuurlijk houden van haar held, en reist hem zelfs achterna, al lukt het haar niet om bij Amundsen aan boord te komen. Dan is er ook nog een zekere Oates, die bij Scott aan boord is en een verstekeling.
Om het historische verhaal heen heeft Bartoll dus allerlei verhaallijnen geweven die ons meeslepen door de geschiedenis en dat is heel aardig gedaan. De tekeningen van Kölle zijn fraai, net als de inkleuring door Davidenko. We krijgen een behoorlijk spannend verhaal en tegelijkertijd doen we kennis op van de geschiedenis.
Ik ben benieuwd naar de volgende delen, waar we ongetwijfeld te maken krijgen met de barre kanten van het poolgebied. En ik wil ook wel weten hoe het afloopt met Larsson en zijn geliefde Maureen, die waarschijnlijk beiden net zoveel doorzettingsvermogen hebben als de ontdekkingsreizigers. Laat maar komen die delen.
Antarctica. Deel 1 Bedrog
Scenario Jean-Claude Bartoll
Tekeningen Bernard Kölle
Inkleuring Vladimir Davidenko
Uitgeverij: Glénat
hardcover, 48 blz. €16,95
In het gesprek dat Wim Brands onlangs had met de schrijver Jeroen Brouwers, gebruikt Brouwers het woord 'lulhannes' als karakterisering van de hoofdpersoon van zijn roman Het hout, en bij uitbreiding voor meer hoofdpersonen van zijn boeken.
'Lulhannes' lijkt voor Brouwers de betekenis te hebben van 'lulletje' of 'persoon zonder doorzettingsvermogen'. Bij mij thuis werd het woord vooral gebruikt door mijn moeder. Zij kon een van haar kinderen zo noemen als die maar een eind weg kletste: 'Och, lulhannes'. In mijn herinnering heeft het woord dan ook voornamelijk te maken met kletsen, lullen. Zo werd het door meer mensen in mijn omgeving gebruikt. Maar misschien is die betekenis regionaal bepaald. Ik groeide op in de Betuwe.
Jeroen Brouwers is zelf ook wel een lulhannes genoemd. In een stuk van Bas van Putten in De Groene Amsterdammer (2009). Meer in de betekenis van leuteraar dan van sukkel. Opmerkelijk genoeg citeert Van Putten daarbij ook zijn moeder.
In het Woordenboek der Nederlandse Taal wordt 'lulhannes' op twee plaatsen genoemd: in het lemma 'Hannes' en in het lemma 'lullen'. Een Hannes is een laffe of lamlendige vent: bloed, lummel, sul en dergelijke, volgens het WNT. Dat lijkt erg op de lulhannes bij Brouwers. Bij 'lulhannes' geeft het WNT: 'leuterkous, kletsmajoor'. Dat is de lulhannes van mijn moeder.
Onder het lemma 'lullen' treffen we als derde betekenis aan: 'Onbeduidende dingen zeggen, kletsen, zaniken, zagen. Thans, afgezien wellicht van sommige dialecten, alleen in platte taal.' In het dialect dat wij spraken, werd 'lullen' niet als plat gezien. Nog steeds niet, volgens mij.
Er wordt ook een uitdrukking genoemd: 'Lullen is geen visch' (praatjes vullen geen gaatjes) - een mooie uitdrukking die van mij in ere mag worden hersteld.
Ook hier wordt de lulhannes genoemd: 'hetzelfde als lul(le)broer; vandaar: lulhannesen. Ik neem aan dat dat een werkwoord is. Er wordt verwezen naar Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan, maar ik vind zo gauw niet de precieze context. Duidelijk is dat het WNT de betekenis 'sukkel' wel geeft aan 'Hannes', maar niet aan 'lulhannes'.
Bij het googlen tref ik een blog aan (Woordhoek van NRC) waarin de lulhannes bij de kop wordt genomen. Daarin ook een mooi citaat uit een brief van Du Perron aan Ter Braak (1939):
Ze bàrsten ook van de lol om zekeren ex-student Kamp (?), nu burgemeester, die daverende moppen heeft geschreven over leidsche zeden – en die voor mij wel de meest zoutelooze lulhannes is waarvan ik ooit luim en kortswijl in handen kreeg. Jong, conservatief, geborneerd en onzelfstandig, maar… methodisch! ernstig! vol wetenschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel! Je moet maar denken: het is goed dat de Universiteit ze nog zóó maakt, want zoo zijn ze op hun aardigst.
Wordt 'lulhannes' nog gebruikt? Ik roep Google te hulp. Die verwijst mij naar een filmpje over een lulhannes die een bommetje probeert in een bevroren zwembad. Lulhannes lijkt me hier synoniem met sukkel. Dit soort filmpjes wordt vaker geplaatst. Hier bijvoorbeeld. De lulhannes wordt in het commentaar ook 'flapdrol' genoemd, wat dicht bij 'sukkel' ligt. Of hier: 'Lulhannes gooit vuurwerkje in brievenbus.'
Dat is ook de betekenis die Willem van Hanegem geeft aan het woord. Hij noemde in 2008 een scheidsrechter 'lulhannes'. Hij werd ervoor naar de tribune gestuurd en bovendien kreeg hij een boete van vijfhonderd euro. In een column in het Algemeen Dagblad vroeg Van Hanegem zich af of hij dan misschien 'sukkel' had moeten zeggen. Het woord trok wel de aandacht. Het werd zelfs gescandeerd tijdens een wedstrijd.
Wie zoekt naar 'lulhannes' komt vaak het incident met Van Hanegem tegen. In mijn oren is 'lulhannes' niet zo'n erg scheldwoord, maar ik associeer het dan ook met 'leuteraar' en niet met 'sukkel'.
In 2010 wordt Ghislaine Plag de nieuwe presentatrice van Rondom 10. In een reactie zegt Steven:
Ik hoop niet dat zij net zo’n linkse lulhannes is als die van Grimsbergen, misschien eindelijk eens een keer een rechtse lulhannes, zou niet verkeerd zijn op ons aller pluriforme PO. Lekker aanschoppen tegen politiek correct Nederland, Bos en Pechtold. Een keer wat anders als zeiken tegen Wilders. ;)
Betekenis: leuteraarster, lijkt me. Hieruit blijkt dat een lulhannes niet per definitie een man is.
In een blogbericht van Karin Oldeweghuis kom ik het woord ook een paar keer tegen. Oldeweghuis loopt helemaal leeg als ze het heeft over de ex-man van ene Annette Evers. Van de interpunctie klopt niet veel en het 'artikel' lijkt te bestaan uit vier keer hetzelfde stukje. Een indruk:
...en dat terwijl ze daardoor die aanvallen kan krijgen.haar medicatie klopt niet.ze zit 90 dagen volledig onschuldig vast,vanwege een mishandelende ex,die z,n poten niet thuis kan houden.haar kinderen mag ze helemaal niet meer zien,maar ja,die zitten nu bij een kindermishandelaar en een exzwager cq pedofiel.die kinderen lopen gevaar dus.zekrijgt al heel erg lang geen alimentatie meer,omdat meneer lulhannes ex z,n bedrijf expres op 0 heeft gezet,puur om haar te treiteren.
exlulhannes heeft z,n eigen kind,die een darmafwijking heeft het ziekenhuis in geschopt.zwaar gestoord deze vent.!!hij heeft annette meerdere malen verkracht.haar familie opzettelijk in elkaar gemept.en die kinderen zitten daar nog steeds.!!godsonmogelijk dit.!!
Ik heb de indruk dat 'lulhannes' hier hetzelfde betekent als 'klootzak'. Oldeweghuis bedoelt het waarschijnlijk een stuk minder goedmoedig dan de manier waarop 'lulhannes' gewoonlijk gebruikt wordt.
Ten slotte heb ik enkele jongeren gevraagd wat volgens hen een lulhannes is. Ik kreeg antwoorden als 'een onhandig persoon' en 'sukkel', maar niemand legde het verband met kletsmeier of praatjesmaker.
Zomaar wat googlen en enkele jongeren wat vragen is een onderzoekje van niks, ik weet het. Maar ik ga er toch een paar conclusies uit trekken:
- Het woord 'lulhannes' wordt nog steeds van tijd tot tijd gebruikt.
- De oorspronkelijke betekenis is die van leuteraar, maar tegenwoordig wordt het woord meer gebruikt in de betekenis van 'sukkel'.
- De meeste lulhannesen zijn mannen, maar soms wordt ook een vrouw 'lulhannes' genoemd
- Willem van Hanegem heeft er, onbedoeld waarschijnlijk, veel aan gedaan om het woord levend te houden. Laten we hem dankbaar zijn.
Aangetroffen op deze plaats. De foto bovenaan vond ik hier.
Bij het werk van Philip Huff heb ik een achterstand opgelopen. Zijn debuut uit 2009 las ik pas in 2012 en dat alleen maar omdat het moest: een leerling had het op de lijst gezet. Dagen van gras is een aardig boek, maar ook niet zo heel veel meer. Huffs tweede boek, Niemand in de stad, uit 2012 lees ik nu pas en intussen is er ook al een derde titel (Het is goed om hier te zijn) en een vierde (Boek van de doden).
Niemand in de stad lag als goedkope uitgave (€ 12,50, geloof ik) in de boekhandel. Op de voorkant een afbeelding van de auteur (vermoed ik), maar dan ondersteboven. Dat trekt de aandacht, maar verder heeft het geen functie, vermoed ik. Of moeten we in de hoofdpersoon Huff herkennen (maar dan anders)? Wolkers en Mulisch lieten ook wel eens een foto van zichzelf op een boekomslag zien, maar vooral op de achterkant, geloof ik.
De roman speelt zich geheel af in de studentenwereld; de hoofdpersonen zijn lid van het corps. Wat ze studeren wordt wel genoemd, maar dat speelt geen rol: het boek richt zich uitsluitend op wat er naast de studie gebeurt, enkele cursusjaren lang.
Hoofdpersoon is Philip Hofman, die in het Weeshuis woont, aan de Prinsengracht. Al in de proloog krijg je te lezen dat er iets is met Jacob en dat de relatie tussen Philip en zijn vriendinnetje over is. Als je het boek uit hebt en je leest de proloog opnieuw, dan is die vrij duidelijk. Maar tijdens het lezen bleef er in mijn achterhoofd vooral hangen dat er 'iets' met Jacob was. Het duurt vervolgens vrij lang voordat Philip enkele aanwijzingen krijgt dat hij zijn beeld van Jacob misschien moet bijstellen.
Natuurlijk is er drank, natuurlijk zijn er meisjes. Philip heeft al een tijdje wat met Elisabeth, maar hij raakt ook meer en meer gecharmeerd van Karen. Huff laat die relatie zich rustig ontwikkelen en verderop in het boek loopt ineens de spanning op.
Dat gebeurt bij de meeste verhaallijnen in het boek, zodat tegen het einde Philip verknoopt is in allerlei ontwikkelingen. Hij zal nu toch echt wat met zijn leven moeten.
Het studentenleven is aan de ene kant een leven van kameraadschap, al kun je niet altijd op die kameraden rekenen. Aan de andere kant is het uitstel van het werkelijke leven, waarin verantwoordelijkheden genomen moeten worden.
Bij een lustrumreceptie zegt iemand die terugkijkt op zijn studententijd:
Vroeger (...) spraken we in 't jaar over heel veel dingen niet. Wel over wat je wilde doen als werk, over wat je ging doen met je geld, over wat je wilde met je leven. Maar over de werkelijke dingen, daar spraken we gewoon niet over. Nu, nu doen we dat wel.
Dat is wat Philip ook ervaren heeft. Veel belangrijke dingen, bijvoorbeeld tussen hem en Jacob, zijn ongezegd gebleven. Een paar keer heeft hij de kans gehad om erover te beginnen, maar hij heeft die kans steeds voorbij laten gaan.
Door het hele boek heen duiken relaties op tussen vaders en zonen. Meestal zijn die niet zo goed. In Dagen van gras is er ook al sprake van een afwezige vader. Philip heeft met zijn vader gebroken, de relatie tussen Jacob en zijn vader is niet denderend en Philips maatje Matt kan nog vlak voor het sterven van diens vader bij hem op bezoek gaan.
De relatie met de vader/zoon lijkt me een thema waar Huff nog niet mee klaar is. We zullen het nog wel eens terug zien komen. Het onder ogen zien van wat je van je leven hebt gemaakt en nog moet gaan maken, komt ook terug in zijn laatste roman, heb ik begrepen, maar dat boek moet ik dus nog gaan lezen.
Huff weet een verhaal helder te houden, ook als iemands drijfveren dat niet altijd zijn. Daardoor leest zijn werk prettig en gemakkelijk. De dialogen zijn goed, de typeringen zijn in orde. Zijn werk doet 'licht' aan, terwijl de thematiek dat niet is. Dat is een mooie combinatie.
De titel kwam ik één keer letterlijk in het boek tegen. Philip heeft een baantje bij het casino. Hij vindt dat er meer gedaan moet worden om gokverslaafden tegen zichzelf te beschermen. Maar het casino moet natuurlijk ook geld verdienen. Iemand die boven hem geplaatst is, zegt: 'Nee, heus, er is niemand in de stad die zich meer om deze mensen bekommert dan wij.'
We weten dat het maar woorden zijn. Maar hoe is het met Philip zelf? Hij bekommert zich om de spelers, maar hoe gaat hij om met de mensen in zijn omgeving? Met Jacob? Met Karen en Elisabeth? Ongetwijfeld heeft hij zich om hen bekommerd, maar hebben ze er ook iets aan gehad?
De titel zou ook kunnen verwijzen naar de mensen die Philip overhoudt. Met wie heeft hij nog echt contact? Is er nog wel iemand in de stad die werkelijk een vriend voor hem is of voor wie hij werkelijk een vriend is? Of heeft hij alleen zichzelf?
Niemand in de stad roept genoeg vragen op om nog even met je mee te reizen als je het uit hebt. Ik moet maar niet te lang wachten met het lezen van Boek van de doden.
In voorgaande jaren (hier en hier) heb ik lijstjes gepubliceerd van de beste boeken van een jaar die niet door mij gelezen zijn. Het selectiecriterium is natuurlijk allereerst de natte vinger en verder wat ik intussen al wel over die boeken heb gelezen. Voor mij zijn de lijstjes ook geheugensteuntjes: welke boeken zou ik eigenlijk nog moeten lezen.
Van dat lezen komt niet altijd wat. Van het lijstje van 2013, las ik maar drie boeken, die overigens wel terecht kwamen op de toplijst van 2014. Het boek van Pfeijffer zelfs op de eerste plaats.
Ook nu zal ik wel veel goede boeken over het hoofd zien. Het zij zo. De volgende boeken zou ik eigenlijk moeten lezen. Ik zou ze in ieder geval willen lezen. Dat een lijstje tien nummers heeft, is in dit soort gevallen gebruikelijk. Eigenlijk had ik er nog een elfde bij willen zetten: Wessel te Gussinklo, Zeer helder licht. Daarom noem ik hem toch maar even.
1. Gustaaf Peek, Godin, held.
2. Kees 't Hart, Teatro Olimpico
3. Adriaan van Dis, Ik kom terug
4. Esther Gerritsen, Roxy
5. Maartje Wortel, IJstijd
6. Jan van Mersbergen, De laatste ontsnapping
7. Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn
8. Hafid Bouazza, Meriswin
9. Kees van Beijnum, De offers
10. Philip Huff, Boek van de doden
En als je wilt weten wat ik wel gelezen heb: kijk hier.