In 'ons' dialect werd 'kool' uitgesproken als wat ik zal noteren als 'kôl', wat klinkt zoals het laatste stukje van de naam Nicole. We hadden rooiekôl, spitskôl, savooiekôl, bloemkôl, wittekôl - nou ja, niks bijzonders dus. Zo'n beetje net als in de standaardtaal.
Maar we hadden ook 'zurekôl' en niet: 'zuurkôl'. Eigenlijk zou in de standaardtaal 'zurekool' logischer zijn dan 'zuurkool' lijkt me. Al was het maar vanwege de analogie met 'rodekool' en 'wittekool'. Maar het is 'zuurkool'. Waarom eigenlijk?
Misschien moeten we de analogie niet zoeken in de soorten kool, maar in de woorden met 'zuur-': 'zuurdesem', 'zuurpruim', 'zuurstof', 'zuurstok', 'zuurvlees'. Bij 'vlees' is 'zuur' wel logisch: 'zurevlees' kan immers niet, aangezien 'vlees' onzijdig is. Maar 'zurepruim' of 'zurestok' had best gekund.
Bij 'zuurpruim' kan ik me nog voorstellen dat het niet gaat om 'een zure pruim', maar om iemand die 'zuur pruimt'. Maar een 'zuurstok' is toch niet veel anders dan 'een zure stok' (al is de stok tegenwoordig meer zoet dan zuur) en ik meen mij te herinneren dat mijn kinderen vroeger bij de snoepwinkel wel een 'zuurlap' hebben gehaald en beslist geen 'zure lap' of 'zurelap'.
Eigenlijk is het mij behoorlijk onduidelijk. Waarom zeiden wij geen 'zuurkôl'? Het Duits, dat niet heel ver weg was, heeft immers 'Sauerkraut'. Geografisch tussen 'Sauerkraut' en 'zuurkool' in zou 'zuurkôl' redelijk logisch geweest zijn. Maar in mijn herinnering was het 'zurekôl'.
De uitspraak neigde een beetje naar 'zurkel', dat overigens ook bestaat. Het was duidelijk geen 'zure kôl', zoals we wel 'zure zult' hadden.
In ieder geval is het, gezien de weersomstandigheden, opnieuw tijd voor zuurkool. Of voor zurekôl.
maandag 11 maart 2013
donderdag 7 maart 2013
Gasten
Het werk van Guido van Driel is gemakkelijk te herkennen: vaak werkt hij op zwart papier en zijn tekeningen zijn vaak afgedrukt tegen een zwarte ondergrond. Het zwart, dat ook de kleuren die eroverheen geschilderd zijn donkerder maakt, is zijn handelsmerk geworden, vooral door zijn bekendste werk, Om mekaar in Dokkum (2004). Gasten (2012) is zijn laatste beeldroman.
Het boek wordt in een vrij laag tempo verteld. We volgen twee Engelsen, Syd en Roger, die als voetbalsupporter naar Amsterdam komen. Al gauw blijkt dat ze met hun gedachten bij Larry zijn, de broer van Syd, die in Amsterdam is omgekomen.
Ze genieten van de dingen waar Amsterdam beroemd om is geworden en eten bijvoorbeeld paddo's, wat hun waarneming van de werkelijkheid beïnvloedt. Langzaam kom je er als lezer achter wat er gebeurd is: hoe het komt dat een van de twee jongens over veel geld beschikt, hoe ze een collega hebben gepest en, helemaal aan het eind, hoe Larry om het leven is gekomen. Tussendoor speelt nog het verhaal van Wilson, iemand die zich in Amsterdam staande probeert te houden, maar dat valt hem niet mee.
Eigenlijk gebeurt er niet zoveel in Gasten. Toch lees je het boek in één ruk uit. Omdat je wilt weten hoe het zit. Omdat je de twee gasten zo dicht op de huid zit, dat je wel betrokken bij hen moet zijn. Omdat er onder de gewone handelingen een ernst zit die intrigeert. Nou ja, gewoon omdat Guido van Driel weer eens een mooi boek gemaakt heeft.
woensdag 6 maart 2013
Portugal
Ook mensen die niet vaak een beeldroman lezen, kennen wellicht Drie schimmen (2008) van Cyril Pedrosa. Achter in het nieuwe boek van Pedrosa wordt zijn vorige zelfs een klassieker genoemd en dat klopt intussen misschien wel. Ik denk dat veel mensen het een aangrijpend boek vonden, zo'n verhaal over de dood van een kind. Over hoe lastig het is om zo'n kind los te laten. Pedrosa had dit bij vrienden meegemaakt.
Mij was het boek wat te zwaar symbolisch, te boodschapperig. Het stuurde de lezer wel heel erg duidelijk de kant op die de schrijver in gedachten had. De opvolger, Portugal, is heel anders, veel minder sturend. En daardoor, voor mij, veel beter. Het boek is intussen al veel geprezen. Het is genomineerd voor een Stripschapspenning in de categorie 'Buitenlands'. Als het die penning wint, mag het zich in deze categorie 'Beste album van 2012' noemen.
In Portugal maken we kennis met Simon, een tekenaar. Veel zorgen, veel gedoe en met het tekenen lukt het allemaal niet zo. Zijn therapeute zegt dat hij in een creatieve impasse verkeert, maar zelf ziet hij het anders: hij heeft gewoon geen zin, dat is alles. Zijn relatie met Claire lijdt er ook nog onder.
Dan verandert er wat in zijn leven: er is een familiefeest in Portugal. Simons familie komt daar oorspronkelijk vandaan. Simons grootvader (Abel) trok ooit van Portugal naar Frankrijk om zich daar te vestigen. Samen met zijn vader (Jean) gaat Simon naar de bruiloft van zijn nicht. Ze zullen een tijdje in Portugal blijven, tussen hun familieleden. Simon en Jean hebben niet zoveel contact. Ze zullen nu een tijdje in elkaars nabijheid zijn.
Portugal heeft een positieve uitwerking op Simon, al wordt dat pas geleidelijk duidelijk. Hij komt in een omgeving die zowel vertrouwd als vreemd is. Zijn beheersing van het Portugees is maar gebrekkig. Veel van wat in het Portugees gezegd wordt, is dan ook niet vertaald, zodat we ons als lezer net zo onthand voelen als Simon.
Simon blijft langer in Portugal dan zijn vader. Hij trekt zelfs in een huis om daar te werken. Uiteindelijk vindt hij rust en stabiliteit, wat ook weer een gunstige uitwerking heeft op zijn relatie met Claire. En op zijn tekenen.
Het aardige is dat Pedrosa geen moeite doet om ons uit te leggen wat er nu zo prettig is aan Portugal. Vindt Simon zijn roots? Zijn het de mensen die hij ontmoet? Is het de omgeving? Is het de houding van de Portugezen? Pedrosa duidt niet al te veel en dat maakt dat het verhaal je blijft bezighouden.
De plaatjes zijn getekend in vrij dunne lijnen en ingekleurd met waterverf. Vaak kiest Pedrosa enkele bladzijden lang voor hetzelfde gamma, waardoor zo'n passage ook meteen een eigen sfeer meekrijgt. Hij kleurt ook de tekstballonnetjes als hij dat nodig vindt.
Als boek ziet Portugal er mooi uit: gebonden, leeslint, stevig papier, kleurige tekeningen, lekker losjes getekend. Maar ook het verhaal is prima. Het zou me niet verbazen als we over een tijdje kunnen schrijven dat ook dit boek een klassieker is geworden.
dinsdag 5 maart 2013
Dialect
Meestal praat ik Nederlands. Vaak menen mensen te kunnen horen waar ik vandaan kom, maar als ze gokken, gokken ze maar zelden de goede streek: de Betuwe. Meer nauwkeurig: de Overbetuwe.
Ik ben als dialectspreker opgegroeid. Nederlands was een taal die ik niet veel hoorde. In mijn omgeving spraken mensen de standaardtaal niet, tv hadden we niet en de radio werd, toen ik klein was, alleen aangezet voor de nieuwsberichten. Wel las ik veel en al die boeken waren natuurlijk in het Nederlands. Het praten van het Nederlands was echter behoorlijk onwennig.
Mijn klasgenoten spraken, voor zover ik mij dat herinner ook allemaal Betuws. In de klas moest Nederlands gesproken worden en dat was best lastig. Ik herinner mij nog de jongen die -we zaten in de eerste klas- tegen de juf zei: 'Ik heeft het in mijn fietstas laten zitten'. En ik was zelf aan het worstelen (in de derde klas of zo) tijdens een opstel. Ik zocht het woord 'struik', maar kon het niet vinden. In het dialect was het 'pol'. Wij hadden bessenpollen en bramenpollen. Ik wist dat dat niet het schoolwoord was, maar kwam niet op 'struik'. Ik liet toen maar 'pol' staan, wel wetend dat daar een streep doorheen zou komen.
Het dialect beheers ik nog, al zal het wel een beetje afgesleten zijn: ik spreek het nog alleen met mijn familie. Bij andere dialectsprekers is er verwarring: blijf ik Nederlands spreken of stap ik over op dialect? Ook een gemengd gezelschap is lastig. Als ik met mijn kinderen bij mijn moeder op bezoek ben, praat ik met mijn moeder Betuws, met mijn kinderen Nederlands. Maar wat doe je in een gesprek waar alle partijen aan deelnemen?
Ook het volgende is voorgekomen. Ik heb getelefoneerd met mijn moeder. Ik beëindig het gesprek en wil aan de kinderen vertellen wat oma 'had'. Ongemerkt vertel ik het in dialect.
Dat dialect suddert nog steeds in mij. Soms schrijf ik uitdrukkingen op die mij ineens weer te binnen schieten. Ik zie mijn moeder rondgaan met de koektrommel. Ze is nog niet bij de laatste, maar die roept al: 'Ik ook!' Mijn moeder: 'Nie in mijn kraam schijten vur ik uitverkocht bin.'
Toen ik zestien was, kwam ik op een internaat terecht. Mijn kamergenoot kwam van Goeree-Overflakkee. Wij spraken Nederlands met elkaar en merkten daarin de glimpen van het dialect op. Zo gebruikte ik het bijvoeglijk naamwoord 'beestig': 'beestig lekker'. Ik had er geen idee van dat dat opmerkelijk was.
Sommige dialectwoorden kennen mijn kinderen ook. Ze weten wat een 'djern' (meisje) is. Na de maaltijd praten ze soms een (al overleden) oom van mij na: 'Hè, hè, ik heb hem weer goed strak getrokken'. Maar als ze 'ruren' (roeren) zeggen, kan een insider horen dat ze geen autochtone Betuwnaren zijn. En ze weten niet wat ik bedoel als ik snel zeg: 'bettieakkemaai?' (Bijt hij als ik hem aai).
Van de generatie van mijn kinderen zullen er al minder zijn die met een dialect opgegroeid zijn dan van mijn generatie. Kinderen van ouders die beiden dialect spreken, komen al veel vroeger en veel vaker met de standaardtaal in aanraking.
Hoe lang zal het duren voordat de dialecten verdwenen zijn? Aan het begin van de twintigste eeuw waren er in Amsterdam nog dertig dialecten te onderscheiden, heb ik mij wel eens laten vertellen. Ik denk dat we nu niet meer kunnen horen in welk deel van Amsterdam iemand is opgegroeid.
Zal over honderd jaar iemand wel eens zeggen: 'Een boer en een zoeg hebben nooit genoeg'? Gaat er dan nog wel eens een jongen achter de 'vrullie' (vrouwlui) aan of achter een 'frommes' (vrouwmens, meisje)? Weten ze dan nog dat een 'keuje' niets met biljarten te maken heeft, maar dat het een beest is dat geslacht kan worden? Zal er nog een kind 'flutsen' (duimen)? Ik wittet nie, mar ik zou het noar jammer vijnden as niemand mir het Bètuws kon verstoan.
Ik ben als dialectspreker opgegroeid. Nederlands was een taal die ik niet veel hoorde. In mijn omgeving spraken mensen de standaardtaal niet, tv hadden we niet en de radio werd, toen ik klein was, alleen aangezet voor de nieuwsberichten. Wel las ik veel en al die boeken waren natuurlijk in het Nederlands. Het praten van het Nederlands was echter behoorlijk onwennig.
Mijn klasgenoten spraken, voor zover ik mij dat herinner ook allemaal Betuws. In de klas moest Nederlands gesproken worden en dat was best lastig. Ik herinner mij nog de jongen die -we zaten in de eerste klas- tegen de juf zei: 'Ik heeft het in mijn fietstas laten zitten'. En ik was zelf aan het worstelen (in de derde klas of zo) tijdens een opstel. Ik zocht het woord 'struik', maar kon het niet vinden. In het dialect was het 'pol'. Wij hadden bessenpollen en bramenpollen. Ik wist dat dat niet het schoolwoord was, maar kwam niet op 'struik'. Ik liet toen maar 'pol' staan, wel wetend dat daar een streep doorheen zou komen.
Het dialect beheers ik nog, al zal het wel een beetje afgesleten zijn: ik spreek het nog alleen met mijn familie. Bij andere dialectsprekers is er verwarring: blijf ik Nederlands spreken of stap ik over op dialect? Ook een gemengd gezelschap is lastig. Als ik met mijn kinderen bij mijn moeder op bezoek ben, praat ik met mijn moeder Betuws, met mijn kinderen Nederlands. Maar wat doe je in een gesprek waar alle partijen aan deelnemen?
Ook het volgende is voorgekomen. Ik heb getelefoneerd met mijn moeder. Ik beëindig het gesprek en wil aan de kinderen vertellen wat oma 'had'. Ongemerkt vertel ik het in dialect.
Dat dialect suddert nog steeds in mij. Soms schrijf ik uitdrukkingen op die mij ineens weer te binnen schieten. Ik zie mijn moeder rondgaan met de koektrommel. Ze is nog niet bij de laatste, maar die roept al: 'Ik ook!' Mijn moeder: 'Nie in mijn kraam schijten vur ik uitverkocht bin.'
Toen ik zestien was, kwam ik op een internaat terecht. Mijn kamergenoot kwam van Goeree-Overflakkee. Wij spraken Nederlands met elkaar en merkten daarin de glimpen van het dialect op. Zo gebruikte ik het bijvoeglijk naamwoord 'beestig': 'beestig lekker'. Ik had er geen idee van dat dat opmerkelijk was.
Sommige dialectwoorden kennen mijn kinderen ook. Ze weten wat een 'djern' (meisje) is. Na de maaltijd praten ze soms een (al overleden) oom van mij na: 'Hè, hè, ik heb hem weer goed strak getrokken'. Maar als ze 'ruren' (roeren) zeggen, kan een insider horen dat ze geen autochtone Betuwnaren zijn. En ze weten niet wat ik bedoel als ik snel zeg: 'bettieakkemaai?' (Bijt hij als ik hem aai).
Van de generatie van mijn kinderen zullen er al minder zijn die met een dialect opgegroeid zijn dan van mijn generatie. Kinderen van ouders die beiden dialect spreken, komen al veel vroeger en veel vaker met de standaardtaal in aanraking.
Hoe lang zal het duren voordat de dialecten verdwenen zijn? Aan het begin van de twintigste eeuw waren er in Amsterdam nog dertig dialecten te onderscheiden, heb ik mij wel eens laten vertellen. Ik denk dat we nu niet meer kunnen horen in welk deel van Amsterdam iemand is opgegroeid.
Zal over honderd jaar iemand wel eens zeggen: 'Een boer en een zoeg hebben nooit genoeg'? Gaat er dan nog wel eens een jongen achter de 'vrullie' (vrouwlui) aan of achter een 'frommes' (vrouwmens, meisje)? Weten ze dan nog dat een 'keuje' niets met biljarten te maken heeft, maar dat het een beest is dat geslacht kan worden? Zal er nog een kind 'flutsen' (duimen)? Ik wittet nie, mar ik zou het noar jammer vijnden as niemand mir het Bètuws kon verstoan.
maandag 4 maart 2013
Samenzang
Herman
van Veen zong ooit een tekst van Willem Wilmink: ‘Hilversum 3 bestond nog niet,
maar ieder had zijn eigen stem’. In het lied wordt beschreven hoe metselaars
zongen op de steigers, hoe slagersjongens een stukje opera zongen en hoe
meisjes in koor zongen ‘tussen het geratel van machines door.’ Er zit veel
weemoed in het lied, want al dat zingen hoor je niet meer.
Er
wordt inderdaad nog maar weinig gezongen in de openbare ruimte. Ik zing nog wel
eens op de fiets, maar als ik met mijn kinderen door het dorp loop, mag ik van
hen niet zingen. Dan gaan ze een paar meter verderop lopen. Fluiten en neuriën
vinden ze op het randje.
En
samen zingen, waar gebeurt dat nog? De professionele zangers, die in een koor
zingen, laat ik even buiten beschouwing. Verder is er volgens mij alleen nog
maar samenzang in het stadion en in de kerk.
Een
paar jaar geleden publiceerde Dirk Zwart een ‘kerkmuzikaal dagboek’ met de
titel Boven jezelf uit zingen. Ik
denk dat dat gebeurt wanneer je samen zingt. Je maakt deel uit van de groep die
samen zingt en de groep is belangrijker dan het individu: jij doet er niet meer
toe, je zingt mee in een groter geheel.
Maar
dat niet alleen. Door het zingen word je boven jezelf uit getild. Je zingt
jezelf tot een hoogte die je anders niet zou bereiken. Samenzang kan dan ook
een gevoel van euforie geven.
In
de kerk komt dat natuurlijk ook doordat het over zaken gaat die onze aardse
werkelijkheid ontstijgen. We zingen liederen over een hemelse werkelijkheid,
over een God die het mensenverstand te boven gaat, over een werkelijkheid die
boven ons leven hangt en er na ons leven er nog zal zijn. Het is
onbegrijpelijk, maar door te zingen, boven jezelf uit te zingen, heb je het
idee dat je er een glimp van kunt opvangen.
Samen zingen geeft een religieuze ervaring.
Mensen
die samen in het stadion zingen, zullen een soortgelijke ervaring hebben. Ze
zingen hun clublied, ze horen hoe dat uit alle monden klinkt en ze weten dat de
club of beter nog: de idee van de club, veel groter is dan ze kunnen
omschrijven. De supporters voelen zich onderling verbonden, maar dat is niet
het enige. Ook hier stijgen ze boven zichzelf uit.
Dat
gebeurt ook bij mensen die naar een popconcert gaan, idolaat van de zanger,
zangeres of popgroep. Ze kennen alle nummers en zingen die mee, zwaaiend met
hun aanstekers of het licht van hun mobieltjes.
Juist
op dat soort momenten worden mensen emotioneel. Fans van Justin Bieber, Madonna
of Lady Gaga gaan schreeuwen, huilen, vallen flauw. Ook voetbalsupporters staan
soms met tranen in hun ogen. Het zijn religieuze ervaringen, vergelijkbaar met
die van kerkgangers.
In
de kerk wordt het samen zingen geconserveerd en dat lijkt me een goede zaak.
Het geeft mensen ervaringen die ze buiten de kerk nog nauwelijks op kunnen doen.
Ook mensen die niet meer geloven, spreken toch vaak met warme gevoelens over de
liederen die ze als kind geleerd hebben en die ze in de kerk samen met anderen
zongen.
Als
er een zangdienst voor nietmeergelovigen gehouden zou worden, zou daar waarschijnlijk
behoorlijk wat animo voor zijn. Natuurlijk zouden de geloofsverlaters er met
ironie over spreken, maar ze zouden ook samen herinneringen ophalen en het zou
me niets verbazen, als sommigen toch een traantje zouden moeten wegpinken als
ze samen de liederen uit hun jeugd zingen.
Of
mensen die zingen betere mensen zijn dan mensen die niet zingen, weet ik niet.
Er is een canon met de volgende tekst:
Wo man singt, da laß' dich ruhig nieder,
böse Menschen haben keine Lieder,
sondern nu rein Radio- oder Fernsehapparat.
Mocht
er vanavond een lied uitgezonden worden dat u kent, zingt u dan mee, uit volle
borst. Bedenk dat er bij duizenden radio’s duizenden mensen staan of zitten die
met u meezingen. Ik weet dat het wel iets anders is dan zingen in een gevuld
stadion of een volle kerk, maar het is beter dan alleen maar luisteren. U zult
het merken.
(Column voor het radioprogramma 'Kerkvenster', Ede FM)
Walsen
De personages die Elma van Haren schept, zijn bepaald niet alledaags: een vrouw die een nieuw, vers kind wil, beter dan het eerste; een man die naaktfoto's van zijn vriendinnen maakt om zijn gehandicapte broer een plezier te doen; een vrouw die onder invloed van amfetaminen is en getuige is van een heftige ruzie; een vrouw die denkt dat ze boodschappen doorkrijgt via water. We ontmoeten deze personen in haar prozadebuut, de verhalenbundel Walsen.
Niet elk verhaal in die bundel is even sterk, maar de meeste zijn dat wel. Je gaat er moeiteloos in mee, je accepteert de personages zoals ze zijn en je staat niet te kijken van wat ze meemaken. Dat wil niet zeggen dat je ze altijd snapt, maar dat geeft niet. De personages snappen elkaar ook niet altijd.
Het merkwaardige koppel Boris en Beth bijvoorbeeld ziet elkaar in de loop van hun leven met grote tussenpozen. Boris denkt dat hun verhouding zo is, dat hij Beth wel kan zoenen. Vanuit Beth bezien:
Deze zichzelf idioot noemende man probeert haar te kussen. Het wordt een zachte natte kus die ergens onder haar oor terechtkomt, want ze heeft haar gezicht op tijd weggedraaid.Het gaat niet altijd goed tussen die personen: als Kora de man opzoekt met wie ze vroeger een relatie heeft gehad, is hij niet eens meer aanspreekbaar; Jeanne en Marius bedriegen elkaar op een bijzondere manier; Claudia verzint Belangrijke Afspraken om af en toe weg te kunnen uit haar gezin.
Vaak gaat het in de verhalen over afhankelijkheid of onafhankelijkheid. De personages moeten een beslissing nemen en misschien kunnen ze daarmee hun leven een wending geven, of een duwtje de andere kant op. Soms lukt dat, soms niet. Maar altijd sympathiseer je als lezer met die personages, mede doordat ze zo overtuigend zijn neergezet, maar ook doordat de schrijfster een zekere mildheid bij ons oproept.
Van Haren verloochent niet dat ze dichter is. In haar verhalen staan fraaie, rake zinnen. Enkele voorbeelden:
Het was echt koeler, ze voelde de energie door haar lichaam stuwen alsof ze vers gezette koffie was; water in het filter, koffie in de pot, al was het een wat prozaïsche vergelijking.
'Hij is net een paprika,' zegt ze. 'Veel zaad, verder leeg vanbinnen.'
Hij ziet er groot en sterk uit. Zijn benen en armen zijn zo hard en glad als glasvezel, zijn billen en nekspieren stevig en verend met een roze glans als een precies lang genoeg gesudderd stuk vlees. Hij is geweldig eetbaar.
Ze zag haar dromen en verwachtingen voor zich als augurken in een glazen pot. Ze hield de deksel er stevig op en ze lagen daar rustig tegen elkaar aan te wachten als kleine groene embryo'sDe langere verhalen zijn beter geslaagd dan de korte, vind ik. Verhalen als 'Man&Minnaar' of 'Harry' zijn minder aan mij besteed dan 'Mickey Free', 'Wisselkind' en 'Achter de grens'. Een dichteres heeft over het algemeen maar weinig ruimte nodig, maar Van Haren laat zien dat zij het ook aankan als ze wat meer ruimte heeft. Juist in de langere verhalen weet ze de aandacht van de lezer goed vast te houden.
Heerlijk! De Nederlandse literatuur heeft er een verhalenschrijfster bij. Wanneer komt Van Harens volgende bundel?
zaterdag 2 maart 2013
Ezels, platsteken en wachtwoordkastjes
| Foto: Thomas Bunt |
In het dorp
waarin ik opgroeide had alleen de familie Nijland een ezel. Soms hoorden we die
balken. Het geluid deed me denken aan dat van een oude pomp. Als mijn broertje
en ik ruzie hadden, riep een van ons soms: ‘Ge zij nog stommer as het pèrd van
Nijland en dat is al een ezel!’ Verder speelde het dier in ons leven geen rol,
geloof ik.
Een ezel was
het symbool van domheid, zoals de docent Engels ons op de middelbare school ook
leerde als wij de woorden donkey en monkey verwisseld hadden: ‘Jongens, denk
eraan: een donkey is dom. Nooit meer vergeten’.
Hoe de ezel
aan zijn reputatie gekomen is, weet ik niet. Volgens mij is er geen enkele
aanwijzing dat het dier daadwerkelijk dom zou zijn. Het moet wel een
intrigerend dier zijn, anders had Jasper Hulshoff Pol zich er niet zo in verdiept. Hij maakte
een hele serie portretten van ezels.
Hier hangen
alleen maar schilderijen van jonge ezels. Bij een oppervlakkige beschouwing
zijn die beestjes vooral schattig, zoals veel jonge dieren dat zijn. Wie langer
bij de portretten stil staat, ziet meer dan schattigheid: de beesten hebben
karakter en ze lijken ook een gemoedsgesteldheid weer te geven: van
sikkeneurigheid tot tevredenheid.
Soms vult
zo’n ezel van Hulshoff Pol het hele doek, een andere keer staat hij in het
hoekje en is er veel ruimte om hem heen, die hem naar die hoek lijkt te
dringen. De ene keer zijn er okertinten in het dier verwerkt, de andere keer is
er rood gebruikt. Kortom, er is heel wat te zien in deze ezels.
Zoals
gezegd: het zijn alleen maar jonge ezels, wat me doet denken aan het echtpaar
dat op zondagmiddag ruzie maakte, maar besloot om toch maar hun gebruikelijke
zondagse fietstochtje. te gaan maken. Zoontje bij vader achterop, moeder
zwijgend ernaast. Als ze langs een weitje met ezels komen, roept het jongetje:
‘Kijk eens, papa! Die twee kleine ezeltjes staan helemaal tegen elkaar aan!
Zijn die getrouwd?’ Waarop moeder antwoordt: ‘Alleen grote ezels trouwen,
jongen.’
De ezels van
Hulshoff Pol zijn jong en moeten dus wel ongetrouwd zijn. Vandaag hebt u een
‘meet and greet’ met hen.
Pauline
Nijenhuis maakt werk waarop aardig wat geborduurd is. Dat zou aan mij wel
besteed moeten zijn. Het handwerken bloeide in mijn familie. Op verjaardagen,
waarbij de sigaretten in glaasjes op de tafels stonden, zaten er altijd wel een
paar tantes te breien, mijn oma haakte kleedjes en spreien, en er
werd flink geborduurd. Zo kun je de Nachtwacht leggen in een puzzel van
drieduizend stukjes, maar je kunt hem ook borduren. In priegelig kleine
kruissteekjes.
Ook ik heb
mij wel aan de naaldkunst gewaagd. Ik kreeg een blok met kartonnen tekeningen,
die je moest borduren. Ze waren met dikke lijnen opgezet, met hier en daar een
punt op de lijn en daar moest dan je naald doorheen. Uiteindelijk werd elke
lijn bedekt door een draadje wol. Ik heb het wel gedaan, maar het is nooit een
hobby geworden.
Mijn tantes
behoorden niet tot de vlotste types. Dat heeft er waarschijnlijk voor gezorgd
dat borduren voor mij altijd iets truttigs gehouden heeft. Borduren zat voor
mij in de hoek van de handtasjes waarin een rolletje pepermunt en een flesje
eau de cologne opgeborgen waren.
Maar
toen had ik het werk van Pauline Nijenhuis nog niet gezien. Haar werk is
namelijk helemaal niet truttig. Er zit zelfs enorm veel vaart in. De grote platsteken
waarmee ze borduurt laten de snelheid zien waarmee het landschap aan je
voorbijzoeft als je er in een auto doorheen rijdt. In sommige werken is de
achteruitkijkspiegel van de auto nog te zien.
Die auto’s
komen in meer werken terug. Bijvoorbeeld het werk waarin de auto met een
rotvaart door het doek lijkt te rijden. Nog nooit zag ik een auto die zo
letterlijk kon scheuren.
Ik vroeg mij
af waarom ik het zo aangenaam vond om naar die auto te kijken. Het moet te
maken hebben met de stripverhalen waarmee ik opgegroeid ben. De albums van
Michel Vaillant bijvoorbeeld. Daar kwamen mooie racewagens in voor en als die
over het circuit schoten stond er met grote, vette letters ‘Vrrroap!’ op het
plaatje. Ook de
heldere kleuren die Nijenhuis gebruikt, bijvoorbeeld het egale groen in haar
landschappen, doen mij denken aan strips.
Nijenhuis
speelt met plat en ruimtelijk. Er is een werk waarop je de rivier van je af
ziet stromen. Je kijkt in de verte, het kunstwerk in, de ruimte in. Maar het
blijft plat. Maar bijna aan de horizon staat een struik of een boom en die komt
uit het platte vlak. Wat zo ongeveer het verst verwijderd is, komt daardoor het
dichtst bij. Ook de struiken aan de overkant van de rivier, de kant die voor
ons niet bereikbaar is, liggen op het platte vlak.
Bij de
scheurende auto lijken de flarden van het linnen erbij te hangen, maar dat is
juist allemaal tweedimensionaal. U zult het straks allemaal zien als u er met
uw neus bovenop staat.
Gerlinde
Habekotté moet wel een stoere vrouw zijn, dacht ik, toen ik gisteravond haar
monumentale smeedwerken bekeek. Haar werk roept dat stoere ook wel op. Kijk
maar eens hoe dik het metaal is in bijvoorbeeld haar ‘Open deur’.
Tegelijkertijd
heeft haar werk iets luchtigs. De kronkelige uitsteeksels in sommige werken
nemen de lege ruimte in beslag, omarmen de lucht en alle leegheid tussen het
metaal doet volop mee.
Haar werk is daarmee tegelijkertijd stoer, luchtig, sierlijk en speels. Bovendien heeft het iets geheimzinnigs. Het raakt aan een werkelijkheid die niet de onze is. Een werkelijkheid waarin dingen mogelijk zijn die we niet meemaken in ons dagelijkse leven als we een halfje bruin halen, de hond uitlaten of de kliko aan de weg zetten.
Ik trof
bijvoorbeeld vijf ‘wachtwoordkastjes’ aan, waarop letters en tekens staan,
alsof het codes zijn. Wat gebeurt er als wij die codes kraken, als wij het
juiste wachtwoord weten waarmee wij in de kastjes kunnen komen? In welke wereld
komen we dan terecht? En als wij
door de open deur gaan, welke werkelijkheid betreden we dan?
Habekotté
legt het ons niet uit en dat maakt haar werk ook zo spannend. Er is gemompel en
gefluister om haar beelden heen. Wat er precies is, weten we niet, maar er is
meer dan we kunnen zien.
Ik moest
denken aan een verhaal dat mijn moeder ooit vertelde. Haar opa had een klok met
aan de bovenkant twee paardjes, in het hout uitgesneden. ‘Als de klok slaat en
je kijkt niet, bewegen ze’, zei hij. Mijn moeder, een klein meisje nog, hield
de paardjes scherp in de gaten. ‘Ze blijven stilstaan’, zei ze. ‘Dan heb je
gekeken’, zei opa.
Met het werk
van Gerlinde Habekotté is iets soortgelijks aan de hand. In het midden van de
ruimte staat een ‘Gewervelde brug’. Ach ja, een brug, een bouwwerk. Maar hij
rust op vier pootjes en als we even niet kijken, kunnen die pootjes zomaar gaan
lopen en verandert de brug in een geheimzinnig dier, dat zich uitrekt en langzaam
van de sokkel af stapt. Sterker nog, ik ben ervan overtuigd dat het gebeurt.
Maar niet nu natuurlijk, nu iedereen kijkt.
En voor dat
kijken wordt het onderhand wel tijd. We gaan de ezels van Jasper Hulshoff Pol
begroeten, we gaan zien hoe op roerloze werken van Pauline Nijenhuis toch een
landschap aan je voorbij kan flitsen en we stappen in de geheimzinnige wereld
van Gerlinde Habekotté. De expositie is geopend.
(uitgesproken bij de opening van een expositie in De Kijkdoos in Bennekom)
![]() |
| Jasper Hulshoff Pol |
| Pauline Nijenhuis |
![]() |
| Gerlinde Habekotté |
| Foto door Gerrit Jurg |
Abonneren op:
Posts (Atom)









