woensdag 13 februari 2013

Boven jezelf uit zingen


Al in 2010 verscheen Boven jezelf uit zingen van Dirk Zwart, maar ik las het nu pas. Het is een 'kerkmuzikaal dagboek'. Het begint bij het begin van het jaar en op de achterflap kunnen we lezen dat dat 2009 is. Per maand is er een hoofdstuk gemaakt en daarbinnen is soms wel en soms niet aangegeven welke dag het betreft.

Zwart heeft bijna een jaar lang (op 8 december houdt hij het voor gezien) bijgehouden wat zijn activiteiten zijn geweest op het gebied van de kerkmuziek. Hij componeerde, hield zich bezig met het nieuwe Liedboek, bezocht studiedagen en andere bijeenkomsten, was druk met de Stichting Nieuwe Kerkmuziek, beluisterde cd's, schreef artikelen en las veel op het gebied van kerkmuziek en eredienst.

Een terugkerend thema is Zwarts strijd voor kwaliteitsmuziek en tegen populistische, evangelicale muziek. Het project Psalmen voor Nu moet het ook nogal eens ontgelden. Aan het eind van zijn dagboek verzucht hij:
Het lijkt soms allemaal zo weinig resultaat te hebben. Ik put moed uit de dagboeknotities van Barnard, en denk maar: volhouden! De verplatting is niet te stuiten, maar is misschien ook wel van alle tijden. Er zullen daartegenover altijd mensen blijven die op de bres staan voor kwaliteit en schoonheid. Gewoon maar doorgaan.
Zwart geeft geregeld zijn oordeel over muziek. Vaak is dat muziek die ik helemaal niet ken, maar de duidelijkheid van Zwart is aangenaam. Ook weet hij zijn oordeel vaak humoristisch te verwoorden:
En wat een suffige melodie en een nikserige harmonisatie, door Loonstra op zijn website gekarakteriseerd als 'orgelpartij in de stijl van Duruflé/Vierne'. Als dat zo is, dan is het werk van Nel Benschop geschreven in de stijl van Lucebert/Kouwenaar.
 Over het algemeen heeft Zwart een prettige stijl, waardoor ik makkelijk kon doorlezen, ondanks dat kerkmuziek niet direct een van mijn interessegebieden is. Doordat ik op dit terrein slecht op de hoogte ben, hikte ik soms wel aan tegen afkortingen die verder niet uitgelegd werden: ISK, DNSGV, NSGV - mij zegt het allemaal niets, maar insiders weten ongetwijfeld wat er bedoeld wordt.

Ook als ik wel wist wat er bedoeld wordt, stoorde ik me soms aan afkortingen. Waarom ND in plaats van Nederlands Dagblad en waarom schrijft Zwart 'geref. kerk (vrijgem.)' niet voluit?

Steeds weer is de dagboekhouder bezig om de Stichting Nieuwe Kerkmuziek op gang te krijgen. Met verschillende tijdschriften worden er flyers meegestuurd en in zijn naïviteit verwacht Zwart steeds weer dat er mensen zullen reageren. Hij is daarna teleurgesteld als de respons tegenvalt.

Aan de andere kant kan hij ook heel blij zijn als iemand iets aardigs zegt over zijn muziek. Die gevallen zijn dan ook allemaal genoteerd, ook als het slechts een kort zinnetje in een mailtje betreft. Voor een deel zal het ijdelheid zijn dat hem ertoe bewogen heeft om dat elke keer weer opnieuw te noteren. Maar het lijkt Zwart ook oprecht goed te doen.

Zwart kan ook genieten van zijn eigen muziek, die hem kan treffen als die uitgevoerd of gerepeteerd wordt. Soms ook valt zijn eigen muziek hem tegen of vindt hij die geforceerd. Ook dat noteert hij.

Interessant is hoe Zwart zijn gedachten ordent over de functies van kerkmuziek. Hij leest hierover boeken en artikelen en overweegt in hoeverre die kloppen. Beetje bij beetje ontwikkelt hij hierover zijn gedachten, totdat hij een systeem heeft dat voor zijn gevoel klopt.

Wat bijblijft na lezing is toch vooral de betrokkenheid van Zwart bij de kerkmuziek. Hij leest alles wat los en vast zit op dat gebied, blijft strijden voor kwaliteit en werkt hard in zijn verschillende functies. Iemand die niet gegrepen door de kerkmuziek zou dat niet op die manier vol kunnen houden.

Boven jezelf uit zingen leek me vooraf een boek dat eigenlijk niet zo voor mij bestemd was, maar ik heb het met interesse gelezen. Blijkbaar is Zwart in staat om te schrijven voor een breed publiek: voor kenners, geïnteresseerden en nauwelijks geïnteresseerden. Die man zou meer moeten schrijven.

maandag 11 februari 2013

Bordes

Wat een bordes is, weet ik wel. Dacht ik. Was er niet bij elk nieuw kabinet een bordesscène? En toen wij Juliana nog als koningin hadden trok het defilé ook langs het bordes. Dacht ik.

Maar deze week hoorde ik het lied 'Kom van dat dak af!' van Peter Koelewijn. Nu had ik dat lied natuurlijk wel eens vaker gehoord. Het nummer stond zo'n beetje elke tien jaar in de hitparade. Eerst in 1961, toen het  op de eerste plaats terechtkwam; daarna in 1971, waar het tot plaats 8 reikte; in 1981 werd het veertiende en in 1989 kwam het tot plaats twintig. Ik hoorde de versie uit 1971 en luisterde voor de verandering eens naar de tekst:
Jan Jansen zijn vrouw was een koorddanseres.
Bij gebrek aan een touw klom ze op het bordes.
Het eten werd koud en Jan Janssen werd heet
en door de straat weerklonk zijn kreet:
Kom van dat dak af!
De vrouw van Jan Jansen is dus op het bordes geklommen, want ze had geen touw. Ze doet daar blijkbaar iets wat bij een koorddanseres hoort. Op een bordes? Loopt ze over het randje van dat bordes? Maar waarom roept Jan Jansen dan dat ze van het dak moet komen?

Ik vermoed dat Peter Koelewijn domweg niet wist wat een bordes was. Maar de vraag is wat hij dan bedoeld kan hebben? De vrouw van Jan Janssen is op het dak, maar waar bevindt ze zich precies? Loopt ze over de balustrade van het dakterras? Zoiets vermoed ik.

Jan Jansen zegt ook nog dat zijn vrouw van het dak moet komen of ze gaat in de goot. Zou dat de dakgoot kunnen zijn? Daar denk je wel aan als het over het dak gaat, maar als er op het dak een bordes kan zitten, is er van alles mogelijk.

Wellicht is er iemand die het raadsel in deze diepzinnige liedtekst kan oplossen. Hij verdient een plaatsje op het bordes.



vrijdag 8 februari 2013

De hemel is van zout



Een lezer heeft het recht om een boek niet uit te lezen. Maar zelden maak ik gebruik van dat recht. Ik geloof dat een boek van Dick Schouten me een keer zo tegenstond dat ik halverwege ben gestopt, maar verder weet ik eigenlijk geen voorbeelden. Als ik weinig van een boek verwacht, begin ik er niet aan en als ik aan een boek begonnen ben, lees ik het uit. Het zal wel een boodschap zijn die ik bij mijn opvoeding heb meegekregen: als je ergens aan begint, maak je het ook af.

Maar bij De hemel is van zout van Mance ter Andere heb ik wel vaak de neiging gehad om het boek maar terzijde te leggen. Ter Andere houdt niet van handelingen, denk ik. In het boek gebeurt dan ook nauwelijks wat. Er wordt veel gepraat, veel gedacht. Er worden conclusies getrokken, er wordt gepreekt, er worden meningen verkondigd. Tja, en dat is het dan wel zo ongeveer.

De auteur heeft het erg getroffen met zijn personages. Die deugen namelijk. Ze zijn allemaal zonder meer goed, vinden zichzelf goed (al zullen ze dat bescheiden ontkennen) en vinden elkaar goed:
'Ik wist meteen al bij onze ontmoeting vooraf aan de proefles dat ik bij jou veilig was,' belijdt Frieda. 'Jouw werkelijke aandacht, jouw stem gaven me rust, de zenuwen waren zomaar weg.
'Die uiterlijke kalmte was vaak camouflage,' wierp ik tegen.
Stilistisch is het ook niet veel met dat 'belijdt' en 'wierp ik tegen', maar veel erger is dat de personages niet interessant zijn. De hoofdpersoon is een oude, zelfingenomen man die moppert op alles wat veranderd is: de nieuwe directeur van de school doet het anders dan hij vroeger deed, in de kerk gaat het anders dan het vroeger ging,

Het gemopper van de hoofdpersoon (dat niet als gemopper over mag komen), lijkt ook over te  slaan op de andere personages. Zijn vriendin Frieda moppert dat het souterrain niets anders is dan een 'betonnen showroom voor trotse en vaak rivaliserende auto-eigenaren' en zijn aangenomen dochter moppert bij het zien van een Indiase leerlinge: 'bijna weer weggesaneerd door een minister die op last van een gedoogpartij met kruideniersgewichten woog, hij had maar de ruimte voor een paar grammetjes meer.'

Ter Andere is vooral bezig geweest meninkjes in zijn boek te stoppen. Nou ja, hij zal ze kwijt gemoeten hebben en het zal hem wel opgelucht hebben, maar ik had graag een verhaal gelezen. Ik had graag gezien dat er van tijd tot tijd iets gebeurde. Dat zat er niet in.

Eerlijk gezegd kan ik geen enkele reden bedenken waarom iemand De hemel is van zout zou willen lezen. De vorige roman van Ter Andere kwam terecht in de CLO-top 15. Ik heb al eerder mijn bedenkingen uitgesproken bij dat lijstje, waarin ook uitgesproken slechte boeken staan. Maar misschien is Jij wel een stuk beter dan De hemel is van zout. Slechter kan het onmogelijk zijn.

Pierre H. Dubois over Willem Brakman in 1962



Al verschillende keren heb ik geschreven over de stukken van Pierre H. Dubois in het tijdschrift Het Boek van Nu, eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Ik had die jaargangen er nu eenmaal liggen en ik was benieuwd hoe Dubois oordeelde over jonge auteurs, die later tot de groten zouden behoren. Ik las Dubois' stukken over onder anderen over Mulisch, Claus, Hermans, Haasse en Campert. En ook over Willem Brakman. Bij het debuut van Brakman signaleerde Dubois 'een niet geringe literaire begaafdheid' en dat leverde een boek op 'dat zeer goed geschreven is'.

In 1961, het jaar waarin hij debuteerde, publiceerde Brakman ook zijn tweede boek, Die ene mens. Ook daarover schreef Dubois, begin 1962, onder de titel 'Protest tegen de menselijke maat'. In mijn ingebonden jaargangen kan ik niet nagaan wat de exacte datum was.

Dubois begint met te verwijzen naar Een winterreis van Brakman, dat hij 'klaarblijkelijk autobiografisch' noemt. Ook de nieuwe roman is 'kennelijk autobiografisch', de hoofdpersoon is opnieuw Willem Akijn. In het eerste deel van de roman staat de verhouding van Akijn tot zijn moeder centraal. Dubois is enthousiast over Brakmans tekening van dat personage:
men moet erkennen dat Brakman er uitstekend in slaagt niet alleen om die binding suggestief te beschrijven, maar bovendien om een buitengewoon knappe en levensechte schildering van de slovende, krachtige, onoverwinnelijke moeder te geven. Dat is een prestatie op zichzelf, die men los van het boek kan waarderen, in zekere zin een meesterstuk, op zijn minst een sterk staal van literaire potentie. Maar die prestatie staat allerminst op zichzelf. Ook in het geheel van het boek is de creatie van deze indrukwekkende vrouwenfiguur een bijzonder belangrijk element.
Dubois vraagt zich wel af of de schrijver dat allemaal zo bedoeld heeft. 'Of is de kracht van deze figuur hem dank zij haar realiteit ontsnapt?' Hij denkt dat dat laatste het geval is geweest.

Dubois vat kort het tweede en derde deel van Die ene mens samen en kijkt dan terug op het hele boek:
De nieuwe roman van Brakman maakt door zijn opeenvolging van episodes een enigszins verbrokkelde indruk. Het is niet een homogeen geheel geworden zoals het vorige boek. Toch is het, lijkt mij, van kwaliteit niet minder, wanneer ik die kwaliteit althans binnen bepaalde perken zien wil.
Daar is in de eerste plaats de stijl en de verteltrant van Brakman: intelligent, ironisch, met een eigenaardige humor, die in zijn spotternij een duidelijke overgevoeligheid probeert te bedwingen en daar dan ook vrijwel steeds in slaagt. Zijn beelden zijn dikwijls oorspronkelijk.
Iets anders is het met de toon van zijn roman. Die toon is voor een deel gewild onverschillig, wat binnen een bepaalde akoestiek cynisch kan klinken. Maar werkelijk cynisch is toch iets anders. Brakman kan niet verbergen - en dat behoort tot de beste kwaliteiten van zijn boek - dat achter zijn uitingen zijn angst voor de dood en voor de vernietiging doorklinken.
Het minst geslaagd vindt Dubois de gesprekken die Akijn in het tweede hoofdstuk heeft met de heer Koetsier en met de 'jezuïet'. Dubois noemt die 'gezocht, kwasi-grappig en los geschreven, maar in feite doen zij nogal krampachtig aan. Beter vindt hij de gesprekken met zuster Grijp.

Een van die gesprekken citeert hij. Volgens hem vormt de geciteerde passage de sleutel tot een goed begrip van Akijn '(en waarschijnlijk ook van Willem Brakman)'.
Er zijn mensen die van de dood uitgaan en het leven aanvaarden wanneer het zich onweerstaanbaar aan hen opdringt, en er zijn mensen die van het leven uitgaan en de dood pas aanvaarden, wanneer zij er niet aan kunnen ontsnappen.
Akijn en zijn auteur behoren volgens Dubois tot de eerste groep:
het is zelfs het diepere motief waarom dit boek werd geschreven. Dat dit thema zo duidelijk en overtuigend overkomt, is de voornaamste positieve hoedanigheid van Brakman's schrijverschap. 
Dat betekent trouwens nog niet dat Die ene mens een gaaf boek is.
Het had zonder twijfel aanzienlijk sterker kunnen zijn, wanneer hij niet teveel had overgelaten aan een instinctief drijven op een zekere spontane reflex. 
Dubois heeft het idee dat Brakman wat te veel drijft op zijn talent en
al te gemakkelijk toegeeft aan de aandrang om bepaalde momenten uit te schrijven in plaats an ze in te perken en functioneel in het verhaal in te voegen.
Aan het eind wil Dubois toch nog even benadrukken dat Die ene mens wel degelijk een goed boek is:
Ondanks die compositie-zwakte is "Die ene mens"een opmerkelijk boek, dat het schrijverschap van Brakman ten volle bevestigt als een innerlijke noodzakelijkheid, een afgedwongen protest tegen de menselijke staat.
Eerlijk gezegd weet ik niet eens meer of ik Die ene mens wel heb gelezen. Misschien wel niet. Ik ga niet beloven dat ik dat wel zal gaan doen of dat ik andere boeken van Brakman ga (her)lezen. In dit geval staan er geen wetten tussen droom en daad, maar wel praktische bezwaren. Bijvoorbeeld dat dat een etmaal maar vierentwintig uur heeft.

(foto is overgenomen uit Het Boek van Nu)

donderdag 7 februari 2013

Niet zo, maar zo!



Van Joost Swarte ken ik geen slechte tekeningen. Altijd is de compositie doordacht en de lijnvoering is immer trefzeker. Vaak moet ik glimlachen om de ironie, die ik op elk plaatje aantref.

Wanneer ik het werk van Swarte leerde kennen, weet ik al niet meer. Misschien was dat wel in Vrij Nederland, decennia geleden. Hij tekende daarin tweeluikjes: Niet zo, maar zo! Je moest even kijken hoe je ze moest lezen (eerst het onderschrift, dan de eventuele tekstballonnetjes) en dan kon je genieten van de licht absurde adviezen die Swarte gaf voor het oplossen van dagelijkse problemen.

Nu zijn honderdvijftig van deze lessen in lotsverbetering gebundeld in een mooi gebonden boekje. De adviezen zullen wel niet opgevolgd worden en soms is dat maar goed ook. Een paar voorbeelden: mensen kijken beter uit in het verkeer als ze een ambulance horen. Veroorzaak dus een ongeluk, dat is beter voor de veiligheid. Als een schilder op bijvoorbeeld een pas geschilderde bank het woord 'nat' schrijft, is dat maar eventjes waar en daarna een leugen. Omdat je beter een kleine dan een grote leugenaar kunt zijn, kan de schilder beter 'droog' schrijven op iets wat net geschilderd is.

Niet elk tweeluik is even grappig en van eentje vermoed ik dat de plaatjes verwisseld zijn. Maar hoe dan ook: altijd zijn het goede tekeningen.



Eerder schreef ik over Joost Swarte hier en hier.

woensdag 6 februari 2013

Het boek Ont



Nooit eerder las ik iets van Anton Valens. Indertijd had ik positieve dingen gelezen over Vis en ook Het boek Ont werd goed ontvangen. Intussen heb ik dat laatste boek ook gelezen. Ik vind het een goed boek, maar eigenlijk had ik er toch iets meer van verwacht.

Een objectieve beoordeling van een boek is onmogelijk. Ik wil niet uitsluiten dat ik onder andere omstandigheden het boek van Valens beter had gevonden: vorige week was ik nogal grieperig, waardoor ik weinig heb gelezen. Dat betekent dat ik niet in staat was om het boek achter elkaar uit te lezen. Een boek met wat tussenpozen lezen - daar wordt het niet beter van, vermoed ik.

Valens heeft een paar mooie personages geschapen. Isebrand Schut is de oprichter van de gespreksgroep Man&Post, waarbij mannen elkaar helpen met het wegwerken van hun post. Die gespreksgroep wordt opgeschud door de komst van de kleurrijke Cor Meckering.

Het leven van Isebrand speelt zich verder af in onbeduidendheid: hij draait zijn diensten in een ondergronds openbaar toilet. Dat is beneden zijn niveau en dat wordt ook wel tegen hem gezegd. Om hem heen zijn figuren die ook al niet zo geslaagd zijn in het leven. En Meckering heeft wel flair, maar uiteindelijk lopen al zijn zaakjes op niets uit.

Het is een vreemd wereldje dat Valens tekent, maar hij zet het als vanzelfsprekend voor ons neer, zodat we het accepteren. Daarbij heb ik verschillende keren moeten glimlachen, want met ironie weet Valens wel raad.  De stijl waarin het boek geschreven is, is niet opvallend, maar juist in onopvallende zinnen kan Valens heel scherp zijn. Bijvoorbeeld: 'Sylvio's plan klonk Isebrand zowel logisch als totaal desperaat in de oren.'

En toch kom ik in een soort eindoordeel niet zoveel verder dan 'wel goed' of 'apart'. De personages zullen me bijblijven, misschien enkele zinnen en dat is het dan. Echt onder de indruk was ik niet, al erken ik dat Valens een goed boek heeft geschreven. Misschien is het omdat het me toch niet lukte om werkelijk mee te leven met de personages. Misschien ligt dat aan het feit dat ik het boek niet achter elkaar uitgelezen heb, misschien ligt het ook aan het boek.

Ik was er bijvoorbeeld niet zo van onder de indruk als van Dit zijn de namen (Wieringa) en ook boeken als Dorst (Gerritsen) Post Mortem deden mij meer. Qua compositie is Het boek Ont ook minder. Cor Meckering blijkt bijvoorbeeld aan het eind van boek gewoon weggeschreven te zijn. Maar goed, literatuur is geen wedstrijdje en met Het boek Ont als cadeau kun je veel mensen ongetwijfeld een plezier doen.

maandag 4 februari 2013

J. Eijkelboom, Verzamelde gedichten





Voorval op Java
Bij een waringin lagen wij te wachten,
ik weet niet meer waarop, waarschijnlijk
op wat toen de vijand werd genoemd,
ik weet niet meer waarom.
De nachten hadden duizenden geluiden
waarvan ik na twee jaar er
minstens zeven kende, tot dusver
daarom niets bijzonders.
Maar plotseling of langzaam
-dat viel niet meer te zeggen-
groepeerden de geluiden zich
tot een traag hemelkoor. 
Het werden schurende planeten,
treinen in eindeloze bocht
op rails van louter zilver
krimpend en zwellend, langste adem 
ooit door een sterveling gehoord.
Er was een voorgevoel van dood,
of ik al was gesneuveld en
pijnloos door de ruimte opgetild.
Ik was geneigd soldaten aan te stoten,
te vragen of ook zij die nachtmuziek
vernamen. Ik deed het niet. Je werd
daar toen al gauw voor gek versleten.
Ook vreesde ik, niet meer te zullen horen
wat tot de dageraad waarneembaar bleef.

Jan Eijkelboom was verschillende jaren op Java, waar hij betrokken was bij wat toen 'politionele acties' werden genoemd. Hij heeft erover verteld in interviews, erover geschreven in Het krijgsbedrijf en in gedichten.

In dit gedicht beschrijft hij hoe hij met een groep soldaten ligt te wachten 'op wat toen de vijand werd genoemd' en hoe hij dan in de geluiden een soort koor meent te horen. De dood zingt mee in het geluid. Er is een voorgevoel van dood, maar ook  is het 'of ik al was gesneuveld'.

Het is een zo bijzonder geluid, dat hij het wil verifiëren bij zijn strijdmakkers of zij het ook horen, maar dat durft hij dan weer niet, omdat hij bang is voor gek versleten te worden. Bovendien wil hij graag blijven luisteren naar het geluid, dat hij tot de ochtend blijft horen.

'Voorval op Java' lijkt me een typisch Eijkelboomgedicht. Daar heb ik niet lang naar hoeven zoeken, want veel van Eijkelbooms gedichten zijn typerend voor zijn manier van schrijven. Het gedicht heeft een praattoon, alsof iemand naast je loopt en je vertelt wat er gebeurd is. Verder is de aanleiding iets alledaags, maar door de waarneming van de dichter en de verwoording van die waarneming, wordt het bijzonder.

Steeds weer valt op hoe scherp Eijkelboom waarneemt, hoe hij de gewone dingen ziet en ze daardoor ongewoon maakt. De praattoon, die er altijd is, maken zijn gedichten bereikbaar. Alsof jij als lezer hetzelfde had kunnen zien en misschien heb je zelfs wel even het idee dat je het ook zo had kunnen zeggen, al weet je dat dat niet zo is.

Eijkelboom groeide op in een godsdienstig nest. De taal van zijn jeugd is hem altijd nabij gebleven en in veel gedichten vind je er restanten van terug. Als je er oog voor hebt, tenminste. Kees van 't Hof heeft de Verzamelde gedichten van Eijkelboom bezorgd en hij heeft aantekeningen aan de gedichten toegevoegd. Dat zijn vreemde aantekeningen. Woorden die zo ongeveer iedereen kent, legt hij toch uit: hansop, Thalys, Earl Grey, haiku. Andere woorden legt hij juist weer niet uit: arpeggio, bevindelijk, steelsteek.

Soms heb je niet heel veel aan de uitleg. Zo legt Van 't Hof wel uit wat een ketter is, maar niet wat de uitdrukking 'Elke ketter heeft zijn letter' betekent en die komt nu juist voor in een gedicht. Hij vertelt dat je Vox Humana kunt vertalen met 'menselijke stem', maar aangezien het gedicht gaat om een harmonium, was het ook wel passend geweest om verband te leggen met een register op het harmonium. Pas veel later, bij een gedicht dat een paar honderd bladzijden verderop staat, krijgen we de uitleg wel. Als je wilt weten wat 'De Spaanse scharen zijn gestut' betekent, vertelt Van 't Hof het wel, maar hij vertelt er niet bij dat Eijkelboom daarmee naar het lied 'Merk toch hoe sterk' verwijst.

Verwijzingen naar andere teksten geeft Van 't Hof mondjesmaat. Bij 'Ik ga maar en ben' vermeldt hij Van Schagen wel en bij 'de vaas met de bloem-ploem-ploem' noemt hij Van Ostaijen, maar vaak zwijgt hij. 'O, en voorgoed'? Bloem wordt niet genoemd. Als Eijkelboom schrijft over 'rampspoed die geboren / zou worden' noemt Van 't Hof niet het het rijmpje 'Indië verloren, rampspoed geboren',

En verder dus bij veel verwijzingen naar de Bijbel. 'Gelijk het gras, /zong het, is ons hardnekkig leven' verwijst naar Psalm 103:8 (berijmd): 'Gelijk het gras is ons kortstondig leven.'. 'Je kende wel het briesend paard / van horen zingen' verwijst naar Psalm 33: 9: 'Het briesend paard moet eind'lijk sneven'. 'God weet nog niet / dat hij dood is en heeft alzo de wereld lief' verwijst naar de beroemde tekst die begint met 'Alzo lief heeft God de wereld gehad' (Johannes 3:16). Verschillende keren schrijft Eijkelboom een zin als 'die je voet voor struikelen behoedden', ('Eenzijdig ontluisterd', 'De stem') daarmee verwijzend naar de brief van Judas of misschien Psalm 121.

Op dat punt heeft Van 't Hof veel laten zitten. Er zijn meer voorbeelden, veel meer. Over enkele regels van Eijkelboom is indertijd zelfs gedoe geweest, omdat ze in een tunnel te lezen waren: 'Er ruist langs de wolken een boer / op een fiets'. ChristenUnie wilde die regels zelfs verbieden, geloof ik, omdat ze verwezen naar 'Daar ruist langs de wolken een lieflijke naam'. Van 't Hof zwijgt erover.

Verder verbaast het me dat kennelijke fouten in gedichten niet stilzwijgend verbeterd zijn. Waarom nog steeds 'statie' (in plaats van 'staatsie'), 'vadzig' in plaats van 'vadsig', ''t uitvergrootte raam' in plaats van ''t uivergrote raam' en heel vaak fouten in aaneenschrijven of juist niet. Hier had de bezorger best wat minder scrupuleus of meer zorgvuldig mogen zijn.

Wel vermeldt Van 't Hof nauwkeurig in welke tijdschriften of gelegenheidsuitgaafjes de gedichten van Eijkelboom terug te vinden zijn. Eijkelboom bood eenzelfde gedicht gerust aan verschillende tijdschriften aan, zo blijkt.

Maar het belangrijkste is dat we de gedichten bij elkaar hebben en dat we avondenlang de poëzie van Eijkelboom kunnen lezen. Bijvoorbeeld dit gedicht:

Verschijning 
's Nachts stond hij bij me.
Zijn huid had de kleur van reuzel.
Zijn jaeger ondergoed was grijzer 
Hij keek mij aan met zijn bleekblauwe ogen.
Hij kon niet spreken want hij was dood.
Wat hij echter beoogde te zeggen
was dat hij van mij hield
maar dat er iets was voorgevallen
wat hem nog altijd niet beviel.
Ik wist wel wat het was
maar had er geen woorden voor.
Het was iets van destijds
en van nog steeds.
Had ik 't hem kunnen zeggen
dan was het er nooit geweest.