zondag 20 mei 2012

Het kleine huis op de prairie (Knipoog 13)




In NRC Handelsblad van 19 mei 2012 staat een artikel Bianca Stigter een artikel over de geneugten van het tuinhuisje. Ze schreef dat onder de titel 'Het kleine huis in de tuin'. Wie dat leest, moet wel denken aan de televisieserie Het kleine huis op de prairie.


Ik moest in ieder geval in de eerste plaats denken aan iets op tv en niet aan een boek. Maar The little house on the prairie is een boek uit 1935, geschreven door Laura Ingalls Wilder. Het is gebaseerd op jeugdherinneringen van de schrijfster, maar zou eerder fictie dan autobiografie zijn. Bij het schrijven is ze geassisteerd door haar dochter Rose Wilder Lane. Uiteindelijk leverde dat een hele serie boeken op.

Hier is vooral de tv-serie bekend. Die werd in Amerika vanaf 1974 uitgezonden. In Nederland zond de Evangelische Omroep de serie uit. Ik heb er wel eens wat van gezien in de jaren negentig, toen de kinderen klein waren. Een brave serie over brave mensen, waarbij het goede altijd overwint. Zo herinner ik het mij tenminste.

Nog dagelijks is de serie te zien, op SBS 6, even na vier uur. Er moeten hele generaties met deze serie opgegroeid zijn. De knipoog van Bianca Stigter zal dus wel door heel wat mensen opgemerkt zijn.

Ik heb het idee dat de Het kleine huis op de prairie een van de eerste series was die als dvd te koop was in christelijke boekhandels. In reformatorische kringen was de tv taboe. Dat is nog steeds zo, maar door internet is een verbod niet meer vol te houden. Ook tegen dvd's werd aanvankelijk gewaarschuwd: DVD's = Dingen Van de Duivel! Maar het vlees was zwak en toen de christelijke boekhandelaren roken dat er ook door hen aan dvd's te verdienen viel, was het verbod steeds minder luid te horen. Als de kinderen dan toch wat wilden zien, dan moesten ze maar wat onschuldigs zien. Zo kon een brave serie toch een voortrekkersrol vervullen.







zaterdag 19 mei 2012

Pierre Dubois over Harry Mulisch in 1960


In 1959 had Pierre Dubois zeer lovend geschreven over Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch. 'Roman van apocalyptische allure', schreef hij boven zijn stuk. Kijk ook even hier. Maar in 1960 staat er boven Dubois' stuk over Mulisch 'Een spectaculaire mislukking'. Het staat in Het Boek van Nu en gaat over Tanchelijn.

Dubois begint zijn artikel met een stand van zaken in de Nederlandse toneelliteratuur van dat moment. Daarna komt hij op Mulisch:
Mulisch is in onze letteren meer een verschijnsel, lijkt mij, dan (vooralsnog) een verschijning. Hij blijkt zich te hebben voorgenomen met alle mogelijke middelen zich aan de publieke belangstelling op te dringen, aan de weg te timmeren, zoals dat heet. Dat lukt hem vrij goed en het spreekt vanzelf dat dit op deze manier niet mogelijk zou zijn zonder talent en zonder intelligentie. Mulisch beschikt over beide, maar met zijn eerste toneelstuk heeft hij, althans wat mij betreft, bewezen dat dit bepaald niet volstaat.
Dat Dubois het talent van Mulisch onderkende was al duidelijk, maar ik proef toch ook ergernis over het publieke optreden van Mulisch. Dat lijkt Dubois tegen te staan, zeker nu de nog jonge schrijver een toneelstuk heeft geschreven dat Dubois mislukt vindt.

Over de historische Tanchelijn is weinig bekend. In 1112 schreven kanunniken een brief aan de aartsbisschop van Keulen om zich te beklagen over deze ketter, die door Vlaanderen, Brabant en Zeeland trok en ook aanhang verwierf. Hij noemt zich aan God gelijk, verlooft zich met Maria en zweert de kerkelijke eredienst af. In 2001 schreef Sander Pleij nog een kort stukje over hem in De Groene Amsterdammer, waarin hij ook een uitspraak van Mulisch over de vrouw citeert:
Een vrouw is niet iets dat mooi en niet iets, dat lelijk is. Een vrouw heeft geen verstand, geen gevoel en geen wil: maar wat zij heeft, daar huilen de wolven om.
Mulisch schrijft dus over deze ketter een toneelstuk en hij noemt het 'kroniek van een ketter, geen historisch toneelstuk in vijf bedrijven'. Dubois vraagt zich af of je een stuk wel een kroniek moet noemen als het niet historisch is en als je geen historisch stuk schrijft, moet je ook niet de historsiche namen gebruiken, vindt Dubois. Verder heeft Mulisch volgens hem volstrekt geen begrip van de religieuze problematiek:
Afgezien daarvan is het niet duidelijk, waarom een schrijver een religieus probleem of tenminste de hoofdfiguren uit een religieus drama zou gebruiken zonder veel, men mag wel zeggen zonder enig begrip van de religieuze problematiek waarbuiten dit drama niet denkbaar is. 
Mulisch zet Tanchelijn af tegen in Nederland vereerde grootheden als Willem de Zwijger, Erasmus en Hugo de Groot, die hij representanten van het gematigde voortbestaan noemt. In Tanchelijn ziet hij iets volstrekt anders: 'de grandioze smak zonder gevolgen'. De reactie van Dubois:
Dan blijft niettemin een andere vraag, namelijk in hoeverre hij erin is geslaagd de grootheid van Tanchelijn, van diens 'grandioze smak' wáár te maken.
Everwachter is in het stuk van Mulisch de man achter de schermen, die Tanchelijn regisseert. Tot die tijd predikt die namelijk vooral 'in bed'. Everwachter stelt Tanchelijn het volk voor als een vrouw, met wie hij naar bed moet gaan. Aanvankelijk gaat alles naar wens en Tanchelijn heeft succes, maar Everwachter verliest zijn greep en hij wordt zelfs gevangen genomen. Hij wordt weer vrijgelaten op voorwaarde dat hij Tanchelijn zal (laten) vermoorden. Dubois:
Wat is er voor grootheid in de 'smak' van Tanchelijn? Toch niet zijn waanzin of hysterie, neem ik aan, die op zich geen enkele grootheidsnorm bezit en voor een dergelijke kwalificatie alleen in aanmerking zou komen, wanneer hij het gevolg was van een bepaalde tot in het extreme doorgetrokken verbeeldingskracht. Daarvan is geen sprake.
Dubois vermeldt dat Mulisch geput heeft uit de redevoeringen van Lou de Palingboer, die hij 'als psycho-pathologisch verschijnsel interessant' noemt. Maar om die in grootheid nu te zetten tegenover Erasmus en Hugo de Groot.. Tanchelijn is meer een warhoofd, vindt Dubois
'en wanneer Mulisch zich hem, zijn woorden en zijn daden, als een soort  explosieve stof heeft voorgesteld, vergist hij zich: het is in de meest letterlijke zin van het woord 'much ado about nothing'.
En Everwachter, het brein achter Tanchelijn, is ook niet interessant. Hij mist inhoud:
'Zijn reservoir aan 'ideeën' is bijzonder mager en het helpt niet, erg diepzinnig te doen over een paar denkbeelden, die inderdaad alleen maar uitgedacht en niet doorleefd zijn, en zelfs niet dóórgedacht. Meer dan invallen zijn het niet en van enige samenhangende innerlijke structuur, van eenheid van personage, is er dan ook geen sprake.
Dubois mist in Tanchelijn authenticiteit en daar had het toneelstuk het juist van moeten hebben, omdat het qua originaliteit niet verder komt dan 'een paar kleine vondsten'. En verder:
Dramaturgisch getuigt het van een zeker besef van modern toneel, maar gerealiseerd is het niet, omdat zich niet realiseren laat wat er niet is en omdat bij afwezigheid daarvan spectaculaire 'vullingen' de leegte niet verdoezelen kunnen.
Het literaire aspect bevalt Dubois ook al niet. De 'cadensen', die als lyrisch intermezzo zijn bedoeld, missen bezieling en zijn daarom ook als beeldspraak gezocht (of, zoals Dubois schrijf: 'gezócht') en missen werkelijk effect. De dialogen zullen wel bedoeld zijn om te choqueren, vermoedt Dubois, maar dat 'schok-element' heeft nog maar weinig uitwerking. Het toneelpubliek was toen al wel wat gewend. Het stuk klinkt verder levendig genoeg, 'maar bestaat voornamelijk uit weinig steekhoudends en veel uiterst goedkope spitsvondigheden'.

Het eindoordeel van Dubois is ondubbelzinnig. Hij kan alleen maar tot de conclusie komen 'dat Tanchelijn én als toneelstuk én als kunstwerk, een mislukking is.'

Op de site Nader tot Reve las ik dat Mulisch en Reve elkaar ontmoetten bij de première van Tanchelijn. Reve vond het stuk ook niks: 'Gedurende bijna de gehele vertoning van Tanchelijn heb ik me, evenals het grootste deel van het publiek, danig verveeld.' Het stuk werd overigens in 1961 wel bekroond met de Visser Neerlandiaprijs 1960.

In mijn boekenkast kon ik Tanchelijn niet terugvinden, al weet ik zeker dat ik het heb. Ik zie de omslag voor me. Het moet dus in een doos zitten, want ik heb het niet weggedaan. Wanneer heb ik het gelezen? Voor mijn dertigste, laten we zeggen zo'n vijfentwintig jaar geleden. Ik kon mij er geen details meer van herinneren. Veel verder dan een ketter met volgelingen en de naam Everwachter bracht mijn geheugen het niet. Als we Pierre Dubois en Gerard Reve moeten geloven, hoef ik het ook niet te herlezen.




donderdag 17 mei 2012

Zetten en Hemmen in 1966 (Deel 3 en 4)





Hierboven deel 3 en 4 van de film over Zetten en Hemmen. In het laatste deel is niet alles even scherp. Dat betekent dat veel mensen niet goed te herkennen zijn, al komt de sfeer toch wel over. 

Zoals eerder geschreven, ik werd dat jaar zeven jaar en weet nog maar met moeite wie ik toen was. Er zijn wat foto's en er zijn nog herinneringen, al zweven die wat door de tijd. Tot mijn tiende woonde ik in Herveld aan de Merkenhorststraat. Het huis is intussen gesloopt en op de plaats ervan loopt nu de A50. In mijn hoofd bestaat het huis nog. Ik weet er de weg en kan er onbekommerd doorheen lopen.

Ik heb herinneringen die zich afspelen in dat huis of in de boomgaard erachter. Maar spelen die herinneringen zich af in 1966? Ik weet het niet en moet gokken. Mijn broer was toen nog mijn broertje, hij werd dat jaar twee, mijn zus (toen mijn zusje) was vijf. Waren zij toen al in Zetten of Hemmen geweest? 

Het valt mij moeilijk om ons voor te stellen op de plekken die de film ons laat zien. Zetten was voor mij verbonden met de tijd van de middelbare school en daarna. Mijn tante woonde intussen in Zetten; eerst in de Stationsstraat en later in de Marshallstraat. En ik kende andere mensen uit Zetten. Later zou ik er zelf kort wonen. 

Vandaar dat de plekken uit de film mij tegelijkertijd vreemd en vertrouwd zijn. Ik ken en herken ze, maar uit net een andere tijd. 

In ieder geval ben ik blij dat de film er is. Waar Frits Sipman hem opgeduikeld heeft, weet ik weer niet en ook niet of er meer van dit soort films zijn. Of films over andere plekken die ik ken uit mijn jeugd: Herveld, Andelst, Loenen, Slijk-Ewijk, Dodewaard. Misschien liggen die nog ergens te verstoffen.

Kijk ook eens bij deel 1 en deel 2.
Voor meer herinneringen aan de jaren zestig: lees mijn serie jeugdherinneringen aan mensen die aan de deur kwamen.

dinsdag 15 mei 2012

Zetten en Hemmen in 1966 (Deel 2)

Deel 2. Om technische redenen krijg ik dit stukje film niet op mijn weblog. Daarom moet ik het doen met een link.

Weer een stukje van de film uit 1966 dus: rokende docenten, meisjes met haarbanden en meer dingen die tegenwoordig niet meer zo gebruikelijk zijn.

Op de Lammerts van Buerenschool, aan het begin van het filmpje, zie je kinderen bokspringen. Dat zie je nog een keer op de Dorpsschool, die tegenwoordig Ds. Van Lingenschool heet. Maar er staan zoveel kinderen bij te kijken, dat het vermoeden rijst dat het door de filmer of de filmploeg gearrangeerd is.

Als je daarop gaat letten, krijg je zelfs het vermoeden dat de kleutertjes op de kleuterschool moesten kopjeduikelen. Ook in Hemmen moest er trouwens weer bokgesprongen worden.

Maar verder: weer een mooi tijdsbeeld.

De man die in zijn eentje de Olympische Spelen organiseerde



Onthoudbare titels zijn meestal niet zo lang. Maar Erik Jan Harmens heeft een lange titel bedacht, die je toch niet meer vergeet: De man die in zijn eentje de Olympische Spelen organiseerde. Een titel die klassiek kan worden.

Misschien is die titel meteen het beste van het boek. Het is onderhoudend geschreven en bij vlagen is het zelfs grappig, maar daar blijft het ook een beetje bij. De hoofdpersoon, Ron van Dijk, moet de Olympische Spelen organiseren, of denkt op zijn minst dat hij dat moet doen. Veel praktische problemen natuurlijk en een tijdschema dat van geen kanten klopt.

Dat zou tragisch kunnen zijn, maar nergens leefde ik met Van Dijk mee, nergens gunt de schrijver het mij om wat dichter op de huid van Van Dijk te komen. De problemen van Van Dijk interesseerden me eigenlijk nauwelijks, hoe menselijk hij ook is. Misschien had er daarvoor iets meer realisme in het boek gemoeten of had er iets meer moeite gedaan moeten worden om mij mee te laten gaan in de fictie.

Ach, het boek is nog wel amusant, maar meer ook niet. Ik heb nooit met sterretjes gewerkt, maar van de vijf sterren zou het boek er krap twee gehaald hebben. Als ik mild ben.

maandag 14 mei 2012

Zetten in 1966 (deel 1)



Gisteren maakte Frits Sipman mij attent op de film die hij in vier delen op YouTube heeft gezet. Het eerste deel staat hierboven.

In 1966 werd ik zeven jaar oud. Kwam ik toen wel eens in Zetten? Niet zo vaak. Ongetwijfeld ben ik met mijn vader mee geweest naar de veiling. Ik had daarom gehoopt dat ik op het filmpje niet de handelaars op de veiling zou zien, maar de mannen met de steekkarren of de keurmeester in zijn stofjas. Als ik mijn ogen dichtdoe, kan ik sommigen van hen nog voor mij zien. En ik weet het veilingnummer van mijn vader nog: 551. 

We hadden toen de grote veilingkisten nog, zie ik. Twintig kilo appels of vijfentwintig kilo peren moest je erin laden, herinner ik me. Later zouden de driekwart kisten komen, met de pootjes aan de bovenkant, waarin vijf kilo minder ging. 

Ook kwam ik wel samen met mijn vader bij de bank, maar die was niet in hartje Zetten, maar in de Wageningsestraat, net over het spoor. Mijn vader trok dan een ribjasje aan. Net over de drempel trok hij zijn klompen uit en op zijn sokken ging hij dan naar het loket.

Het centrum van Zetten ken ik van later. In 1971 ging ik naar de brugklas van de mavo, die toen al in de Mammoetstraat stond. Maar op het filmpje herken ik natuurlijk de gefilmde huizen, het stratenplan, de diagonale bestrating van het Julianaplein.

Jaren had ik bijvoorbeeld niet meer gedacht aan het perkje met laag gehouden struikjes aan het begin van de Stationsstraat, tegenover het politiebureau. In de jaren tachtig heb ik daar nog eens in gelegen, toen in een regenbui een auto mij niet op het fietspad zag rijden en mijn achterwiel aantikte.

Afgezien van Zetten, herken ik natuurlijk ook de dingen die los staan van een de plaats, maar wel verbonden zijn met de tijd: de auto’s, de brillen, de kleding, de jukebox in de cafetaria. Wanneer zag ik voor het laatst een jongetje met een babykrul op zijn hoofd?

Zo'n filmpje heeft een rare werking. Ineens ben je verplaatst naar een verleden dat zich nog ergens in je bevindt, dat deel van je uitmaakt. En tegelijkertijd vergroot het de afstand. Je beseft dat het verleden een gebied is dat je nooit meer in werkelijkheid kunt betreden. Je kunt er eigenlijk alleen over dromen. Het levert een zoete pijn op, waarop je nog een tijdje bedachtzaam kunt kauwen.





zondag 13 mei 2012

Opwaaiende zomerjurken (Knipoog 12)



In NRC Handelsblad van 12 mei 2012 schrijft Heiba Targhi Bakkali een artikel over oosterse avondjurken. De markt daarvoor groeit in Nederland. 'Iedere vrouw voelt zich een prinses als ze een kaftan draagt'. Boven het artikel zette Targhi Bakkali de titel 'Opwaaiende kaftans', een duidelijke knipoog naar Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong.

Het was 1979 en ik was begonnen met het verkennen van de Nederlandse literatuur van dat moment. Ik had mij het jaar ervoor als lid aangemeld bij ECI en had daarbij drie boeken voor een tientje mogen bestellen, als ik mij goed herinner. Een van die boeken was Heeresma Helemaal  van Heere Heeresma. Ik las Een vlucht regenwulpen van Maarten 't Hart en ik zag week na week, waarschijnlijk in Haagse Post, dat ik nogal eens los kocht, dat aan te top van de boekentoptien Opwaaiende zomerjurken stond. Van Oek de Jong.

Waarschijnlijk heb ik het boek in 1980 gelezen en er is ook nog een foto waarop te zien is dat ik Cirkel in het gras van De Jong lees. En daarna is het zo ongeveer gestopt. Hokwerda's kind heb ik nog willen lezen, maar het is er niet van gekomen.

Van Opwaaiende zomerjurken was ik overigens wel onder de indruk. De scène waarnaar de titel verwijst zie ik nog voor me: de hoofdpersoon zit bij zijn moeder achter op de fiets en naast haar fietst de buurvrouw met haar geestelijk gestoorde zoon Teunis. Hun jurken waaien op.

Misschien herinner ik mij de scène door de titel, misschien ook doordat ik ook wel eens bij mijn moeder achter op de fiets zat. Haar wijde rokken wapperden dan tegen mijn knieën, al zou mijn moeder er wel voor zorgen dat haar rokken niet opwaaiden: 'Schaand', zou ze gezegd hebben.

Opwaaiende zomerjurken was een kassucces. Wellicht is het het beste boek dat Oek de Jong ooit geschreven heeft. Na meer dan dertig jaar is in ieder geval de titel nog levend genoeg om op te lichten wanneer een krantenkop ernaar knipoogt.