dinsdag 5 augustus 2014

Het vuil, de stad en de dood (Knipoog 35)


Op vrijdag 1 augustus 2014 stond in NRC Handelsblad een stuk van Wim Pijbes: 'Amsterdam, het toerisme, het vuil en de volle stad'. Het is een opiniestuk over de vervuiling van Amsterdam. Pijbes pleit ervoor dat de nieuwe gemeenteraad aandacht geeft aan die vervuiling:
Lange tijd gold het hatsjikidee van de Amsterdamse tofheid als charmant en vrijgevochten. Die charme is allang op de achtergrond geraakt en 'I Amsterdam' is ontaard tot 'eerst ik en dan de stad'.
Dat roer moet om en het nieuwe college moet daar met de nieuwe gemeenteraad nu alle ruimte voor nemen en en krijgen zodat onze hoofdstad ook na 2014 'loveable' voor bezoekers en 'liveable' voor bewoners wordt.
De titel van Pijbes' stuk lijkt me een knipoog naar Het vuil, de stad en de dood van Rainer Werner Fassbinder. Fassbinder overleed in 1982. Vijf jaar na zijn dood zorgde het toneelstuk, dat hij in 1975 schreef, in Nederland voor veel ophef. Het zou namelijk antisemitisch zijn.

Niet het feit dat er een ex-nazi aan het woord komt was het probleem, maar dat er een gewetenloze rijke jood in getekend wordt, die een vrouw wurgt met zijn das en daarna door zijn goede connecties zijn straf ontloopt. Tegenstanders van het stuk kochten de helft van de kaartjes op.

Natuurlijk protesteerden Joodse organisaties, maar ook daarbuiten waren veel groepen mensen tegen opvoering van het toneelstuk. Uiteindelijk kwam het tot een besloten voorstelling. In die tijd werd de acteur Jules Croiset ontvoerd en weer vrijgelaten. Er was een hakenkruis in zijn borst gekrast. Verschillende Joodse gezinnen, waaronder dat van Freek de Jonge, kregen dreigbrieven. Al gauw bleek dat hij de hele zaak in scène had gezet in een ultieme poging de voorstelling te voorkomen.

De affaire werd opgerakeld in 2000 toen Harry Mulisch het boekenweekgeschenk Het theater, de brief en de waarheid schreef. Freek de Jonge, die hierin een rehabilitatie van Croiset zag, startte een protestcampagne, met de voorstelling 'De conferencier, het boekenweekgeschenk en de leugen'. Hij riep op tot een boekverbranding aan het begin van het Boekenbal, al zal die oproep wel niet zo letterlijk genomen moeten worden. De voorstelling liep al eerder, toen onder de naam 'De flaptekst'.

Vijftien jaar na de affaire werd, zonder protesten, het stuk opnieuw opgevoerd door het Nationale Toneel in Den Haag. Het was een aanleiding voor verschillende artikelen, bijvoorbeeld hier en hier.

De titel van Pijbes doet meteen denken aan Het vuil, de stad en de dood, waarschijnlijk doordat zowel het vuil als de stad erin voorkomen, maar meer nog door de drieslag. De eerste komma in de titel 'Amsterdam, het toerisme, het vuil en de volle stad' had waarschijnlijk beter een dubbele punt of een liggend streepje kunnen zijn. Het gaat immers niet over Amsterdam en de volle stad, wat door de komma wel gesuggereerd wordt.

Ik vermoed dat iedereen die komma automatisch als een dubbele punt leest, waarna je een drieslag krijgt: net zoals Het theater, de brief en de waarheid of 'De conferencier, het boekenweekgeschenk en de leugen.' Zo'n drieslag zal Pijbes bewust gemaakt hebben, in de veronderstelling dat we dan allemaal eventjes aan Fassbinder denken. En zo gebeurde het.


Via iTunes is de podcast van een gelezen voorstelling van het stuk van Fassbinder gratis te downloaden. Het is te vinden in VPRO Radioarchief.

maandag 4 augustus 2014

Visboer (Aan de deur 10)



Niet alleen de bakker, de kolenboer, de kruidenier en die zes andere mensen die ik eerder hier noemde kwamen aan de deur, ook de visboer. Wij hielden wel van vis, al had mijn vader een hekel aan de graten. Op mijn verjaardag (23 juni) aten we bij de nieuwe aardappels nogal eens kabeljauw met 'boterjus' en mosterd.

Van tijd tot tijd kwam een oom een maaltje vis brengen. Mijn ooms gingen soms op makreel vissen op de Noordzee en ook werd er in de buurt wel gevist. Wat voor vissen gevangen werden, wist ik als kind niet. Nou ja, een paling herkende ik natuurlijk wel en ik hoorde ook wel eens van vissen dat het voorns waren. Maar ik kon geen brasem van een karper onderscheiden.

De vis die in de buurt gevangen werd, smaakte soms lichtjes naar modder. Ik geloof niet dat wij ons daardoor lieten afschrikken. Toen ik volwassen was hoorde ik, in terugblikken, ook wel dat mijn ooms vis stroopten, maar dat heb ik indertijd nooit geweten. Ik ken het verhaal van een oom die een fuik lichtte en naderhand de eigenaar ervan een maaltje vis ging brengen.




Zelf heb ik maar één keertje gevist, met een vriendje in 'de zwarte kuil'. De hengel was van hem. Ik weet niet eens meer of we iets gevangen hebben. Ik zag er de lol niet zo van in. Niet omdat ik medelijden had met de visjes; dat kon me niet zoveel schelen. Het stond mij meer tegen dat je eigenlijk niks te doen hebt: deegje aan het haakje en dan maar wachten.

Ik weet dat er mensen zijn die niets liever doen dan een dag aan de waterkant zitten. Martine Bijl bracht er ooit een treffende conference over en Eli Asser schreef er een liedje over dat iedereen kent. Het werd gezongen door Piet Römer en Leen Jongewaard.

Als kind leerde ik een rijmpje van mijn opa: Pissen gaat voor 't vissen / al staat het net gereed, /kakken gaat voor 't bakken, / al is de oven heet. Ik weet niet meer zeker of nu eerst de regels over het vissen komen of eerst de regels over het bakken.


Wij aten af en toe vis bij de warme maaltijd, maar vaker kwam het voor dat we vis op brood aten, als mijn moeder bijvoorbeeld lekkerbekjes bij de visboer had gekocht. Die visboer kwam (wekelijks, denk ik) aan de deur. Bij 'het oude huis', waar wij tot en met mei 1969 woonden kwam de visboer niet. Ik heb er in ieder geval geen herinnering aan.

Toen wij verhuisd waren, kwam er een witblauw busje aan de deur. Ik weet niet of dat meteen in 1969 was. Ik heb het idee dat er wel een paar jaar overheen gingen voordat wij klant werden. Dat busje, het was een Ford, vermoed ik, was van Fieret. In mijn herinnering stond er op de zijkanten en de achterkant: 'Fieret' en daaronder 'zeebanket'.

Nu ik eraan terugdenk, vraag ik met af of dat niet 'Fieret's zeebanket' is geweest. Fieret bestaat nog steeds, merk ik als ik ernaar ga zoeken. In Amersfoort is nog een zaak die de slogan 'Fieret voor zeebanket' heeft. De winkel stamt uit 1966, maar ik kan niets vinden over het venten van de vis. En zou de visboer helemaal vanuit Amersfoort naar de Betuwe getrokken zijn?

De visboer was een man met krullend, donker haar. Hij droeg een witte jas en had een forse neus. Als mijn moeder op zijn aanbellen opengedaan had, liep ze me met hem mee, het bruggetje over naar de weg, waar zijn auto stond. Hij deed de achterdeuren open en liet zien wat hij allemaal had. Ik herinner me de stokvissen, die we nooit kochten, maar die ik wel opmerkelijk vond.

Geregeld kocht mijn moeder zure haring, soms ook braadharing in het zuur, van tijd tot tijd een paar lekkerbekjes, soms een paar stukjes kabeljauw. Af en toe een makreel. Dat was het, denk ik. Ik herinner me niet dat mijn moeder wel eens scholletjes kocht bijvoorbeeld.

In mijn herinnering was het nooit zoveel wat ze kocht en vaak vond ze het ook nogal duur. Later kwam er een vrouwelijke visboer aan de deur. Of die ook van Fieret was, weet ik niet. Ik heb niet veel herinneringen aan haar. Ik heb het idee dat we toen nauwelijks nog vis kochten en dat mijn moeder vaak oversloeg. Ik vermoed dat de vis toen te duur was en dat mijn moeder er het geld niet voor overhad.

Vis ben ik blijven eten. Omdat we het maar af en toe hadden, hangt er voor mij nog steeds de sfeer omheen van luxeproduct en delicatesse. Ooit had ik het geluk dat ik een half jaar lang tweemaal in de week zalm moest eten, omdat ik deelnam aan een onderzoek van de Wageningen Universiteit. De details ervan heb ik niet meer nagekeken, maar volgens mij werd de invloed van het eten van vis op de darmflora onderzocht. Een van de onderzoeksgroepen at zalm, de andere groep kabeljauw, de derde groep hield zijn normale menu. Het maakte allemaal uiteindelijk weinig verschil.

Op internet vind ik verschillende foto's van houten viskarren die langs de deur gingen. Daar herinner ik me niets van. We woonden waarschijnlijk te ver van een vissersplaats af. Ik herinner me ook geen enkele vishandel in ons dorp of in een van de omringende dorpen. Later, toen ik op een internaat zat, heb ik wel van die karren gezien die fungeerden als visstalletje . De haring werd ter plekke schoongemaakt. Daar heb ik wel eens een haring of een broodje haring gekocht.

Er is een tijd geweest dat ik wekelijks naar de bibliotheek in Arnhem ging. Voor het station bevond zich een viskraam, waar ik af en toe een sambalmakreel kocht. Die heb ik nooit gezien bij de visboer aan de deur.

Er wordt tegenwoordig weinig meer gevent en ook de visboer is van de straat verdwenen. Zijn kraam staat nog op markten, maar hij gaat niet meer langs de deuren.

Vis eten we nog steeds. Uit cijfers van het Visbureau maak ik op dat mensen vooral vis kopen in de supermarkt. Pangasius wordt het meest gegeten, gevolgd door tonijn en vissticks. Het zijn cijfers over 2013. Dat vis, vooral vette vis, gezond is, heb ik al verschillende keren gelezen. Maar ik zie dat in ziekenhuizen, verpleeghuizen of bejaardenhuizen maar weinig vis wordt gegeten. Of zitten er zo weinig mensen in die huizen dat het logisch is dat daar laag op gescoord wordt? Ik weet het niet.

Misschien zitten in die bejaardenhuizen ook wel mensen die met weemoed terugdenken aan de tijd dat de visboer langs de deur kwam. Of aan de tijd dat ze zelf hengelden of misschien wel vis stroopten. Mistroostig kijken ze naar de vissticks op hun bord.







vrijdag 1 augustus 2014

MW (Osamu Tezuka)


















Twee jaar geleden las ik het tweeluik  Ode aan Kirihito van de Japanse mangameester Osamu Tezuka (1928-1989). In wat ik daarover schreef, noemde ik al het voornemen om meer van hem te gaan lezen. Intussen las ik een ander tweeluik: MW.

MW is de naam van een gifgas dat in dit verhaal de Amerikanen opgeslagen hebben op een Japans eiland. Als er gas ontsnapt, wordt de complete bevolking gedood, op twee jongens na die zich op dat moment in een grot bevinden. De hele affaire wordt in de doofpot gestopt, maar de jongste jongen, Michio Yuki, loopt daarna met wraakgevoelens rond.

Aanvankelijk wil hij de betrokkenen straffen of doden, later breiden zijn plannen zich uit. De andere jongen (Garai) wordt priester. Hoewel hij op de hoogte is van de misdaden die Yuki pleegt, lukt het hem niet om zich te onttrekken aan diens invloed.

Yuki laat een spoor van doden achter zich. Natuurlijk wordt er op hem gejaagd, maar zijn misdaden zitten uitgekookt in elkaar en hij is een meester in het zich vermommen. Zo kleedt hij zich van tijd tot tijd als vrouw en is dan niet als man te herkennen.

De priester Garai krijgt steeds meer last van zijn geweten en is uiteindelijk vast van plan om Yuki te stoppen. Of hem dat lukt is lang nog maar de vraag: is hij wel tegen de gewetenloze Yuki opgewassen?

Het verhaal van Tezuka zit goed in elkaar, zoals ook het geval is bij Ode aan Kirihito. Ook in deze beeldroman identificeer je je met een hoofdpersoon die zowel goede als slechte kanten heeft. Garai heeft goede bedoelingen, maar je ziet dat hij ook zwak is. Zelfs Kirihito heeft van tijd tot tijd sympathieke trekjes als hij ten strijde trekt tegen autoriteiten die indertijd de massale sterfte op het eiland in de doofpot stopten.

Het zou natuurlijk het meest geruststellend zijn als het recht uiteindelijk zegeviert en als de kwaden gestraft worden en lang lijkt het ook die kant uit te gaan: het net rond Yuki trekt zich samen, vooral doordat officier van justitie Meguro zich vastbijt in de zaak. Maar aan het einde van MW is open en we moeten ons afvragen of alles nu wel opgelost is.

Het magnum opus van Tezuka is Boeddha, dat uit acht delen bestaat. Eerlijk gezegd moet ik het nog steeds lezen. Dat zal er ooit van komen. Wie eenmaal aan het werk van Tezuka begint, wil uiteindelijk alles lezen.



In 2009 werd het boek verfilmd. Hierboven de trailer. 

woensdag 30 juli 2014

Vergeef ons onze zwakheid (Gijs IJlander)


Gijs IJlander bouwt al jaren aan een degelijk oeuvre, wordt vaak positief gerecenseerd, krijgt zo nu en dan een prijs, maar bij het grote publiek wil het nog maar niet lukken. Jammer, want hij schrijft boeken die toegankelijk zijn voor een breed publiek. 

Ook ik heb hem jarenlang veronachtzaamd. Het eerste boek dat ik van hem las was De aanstoot (2000) en daarna las ik jarenlang niets van hem. Daarvoor was geen reden, want ik vond De aanstoot een goed boek. Pas in 2010 las ik Wildzang en meteen daarna ook maar ALVB (2005). En nu dus Vergeef ons onze zwakheid. 

IJlander houdt van personen die in de verdrukking zitten. In de loop van het boek wordt het net om hen vaak nog wat strakker aangehaald, maar meestal gaan ze er net niet onderdoor. Ik moet hierbij natuurlijk afgaan op de boeken die ik gelezen heb. 

Ook in Vergeef ons onze zwakheid zit de hoofdpersoon in het nauw. Het is de arts Sybrand Staring. Hij heeft, keurig volgens de regels, euthanasie op de oude meneer Mos gepleegd, maar achteraf krijgt hij er gedoe mee. Hij trekt zich terug op een eiland bij Schotland, waar hij een huis heeft. Ook daar gaat niet alles van een leien dakje; er zijn mensen die zich tegen hem keren. Verder is er onrust vanwege een walvis die is aangespoeld. 

Door het hele boek heen komen er dromen voor. Meestal vind ik dat nogal vervelend: een schrijver gebruikt ze vaak om uit te leggen wat hij in het verhaal niet duidelijk kan maken. Bij IJlander is dat gelukkig niet het geval. In sommige passages speelt hij een mooi spel met verbeelding en werkelijkheid. Voor de lezer is niet altijd duidelijk wat nu werkelijk gebeurt en wat niet en voor Sybrand is dat net zo onduidelijk. 

De titel verwijst naar het briefje dat een patiënte van Sybrand achterliet bij haar zelfmoord. Ze vond dat ze de pijn had moeten doorstaan, maar kon het niet meer. Er zijn meer mensen met zwakheden in het boek. Meneer Mos bijvoorbeeld, die door zijn bezigheden lang in Afrika moest zijn en daar een zoon verwekte, en misschien is ook Sybrand wel zwak geweest. 

De buitenwereld blijkt hard te oordelen over zwakheden, zonder zich af te vragen hoe terecht zo'n oordeel is. De buurman wil de hond die bij Sybrand aan is komen lopen zelfs doodschieten, al weet hij niet zeker of die zijn schapen wel gedood heeft. Maar hij heeft zijn oordeel klaar. Ook over Sybrand hebben velen een oordeel: hij wordt dr. Death genoemd. 

Zwakheden zijn te vergeven, maar je kunt ook om vergeving vragen en de titel zou zomaar een zin uit een gebed kunnen zijn. Pas na de dood van meneer Mos vraagt Sybrand hem of hij zijn vrouw en dochter wel ooit vergeving heeft gevraagd voor zijn Afrikaans avontuur. 

Uiteindelijk heeft Sybrand zijn geweten waarop hij kan terugvallen: 'dat was de spijker waar hij aan hing terwijl beneden hem de afgrond gaapte.' Iets verderop schrijft IJlander dat het geweten iets ongrijpbaars is: 'je blies het als sigarettenrook de lucht in'. Halverwege het boek brengt IJlander op een soortgelijke manier de ziel ter sprake, als Sybrand bij de dode walvis staat. Iemand vraagt zich af waar de ziel van de walvis nu is. Sybrand antwoordt: 'De lucht in, denk ik, zoals de rook van je sigaret.'

Wat ongrijpbaar is, is in dit boek blijkbaar wel belangrijk. Sybrand heeft een afkeer van hoe de eilandbewoners en de toeristen omgaan met de dode walvis. Die mensen miskennen de ziel en het is dan ook geen wonder dat ze in de stank moeten leven. Mensen hebben verantwoordelijkheden en daar kunnen en moeten ze op aangesproken worden. 

Vergeef ons onze zwakheden eindigt wat plotseling. Dat had misschien wat fraaier gekund, maar ik zal er niet over zeuren. Het is IJlander alweer gelukt om een boek te schrijven dat je achter elkaar uitleest en dat ook nog ergens over gaat. Ik moet het boek maar aan veel mensen cadeau geven. IJlander verdient een veel groter publiek. 


maandag 28 juli 2014

Pogingen om van het leven iets te maken (Hendrik Groen)


Het boek zou mij geheel ontgaan zijn, wanneer ik het niet cadeau had gekregen: Pogingen om van het leven iets te maken. Het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83¼ jaar. De titel doet erg denken aan Het geheime dagboek van Adrian Mole, 13 ¾ jaar van Sue Townsend. De toon is vergelijkbaar: monter en zorgelijk tegelijk.

Het boek van Hendrik Groen is eerder gepubliceerd op een website waar ik ook al nooit van gehoord had (Torpedo). Een jaar lang (in 2013) hield Groen daar een dagboek bij van wat hij meemaakte in het verzorgingshuis.

Ongetwijfeld is Groen een pseudoniem en Groen zal ook wel niet in zo'n verzorgingshuis opgenomen zijn. Ik schat hem een stuk jonger. Een zinnetje als 'Buitenlandse fratsen, daar zijn wij niet zo van', zal iemand van boven de vijftig waarschijnlijk niet uit zijn toetsenbord krijgen en in een discussie zal hij ook niet het zinnetje 'Ja, en dus?' gebruiken, vermoed ik.

Opmerkelijk is dat de bejaarden nauwelijks een verleden hebben, ook Hendrik Groen niet. Hij heeft een vrouw die hij in 2013 maar één keer bezocht. Ze is zo ver heen, dat ze hem nauwelijks herkent. Maar wat heeft Groen vroeger gedaan? Hoe heeft hij de kost verdiend? Dat blijft in het midden. Hij is redelijk belezen en kan verwijzen naar auteurs als Karel van het Reve.

Soms reflecteert Groen op wat hij schrijft en daarbij spreekt hij nu en dan zichzelf berispend toe, bijvoorbeeld als hij vindt dat hij te veel klaagt. Soms richt hij zich tot de lezer:
Vergeef me dat ik deze zaak wat cru onder de aandacht breng maar ik kan de werkelijkheid niet mooier maken dan zij is: treurig, hard en lachwekkend tegelijk. 
Wil een dagboek boeiend blijven, dan zal er meer structuur in moeten zitten dan alleen die van de opeenvolgende data. De auteur Groen heeft daarom verschillende verhaallijnen aangebracht. De dikste is die van een clubje (Omanido, Oud maar niet dood) waarvan het personage Groen deel uitmaakt. De clubleden organiseren uitstapjes en samen verzetten ze zich tegen de regelzucht van de directie. 

Daaromheen en -doorheen weeft hij dunnere verhaallijntjes, bijvoorbeeld de aanslag op de aquariumvissen die de bejaarden een tijdje bezighoudt, de kwalen van clublid Evert en het langzaam dement worden van clublid Grietje.

Dat laatste komt slecht uit de verf. Er wordt wel steeds verteld dat Grietje dingen minder goed weet, maar in de gesprekken met haar is dat eigenlijk niet te merken. Aan het eind van het boek is Grietje nog prima in staat tot een samenhangende conversatie, waarvoor ze ook nog aardig wat kennis paraat heeft:
'Kom op, Henk, niet zo somber. Je moet maar denken: als zij het niet erg vindt, wat zal ik me er dan druk over maken.' En ze vervolgde: 'Alzheimer is trouwens heel hip. Je kunt geen tijdschrift openslaan of alzheimer komt om de hoek kijken. Adelheid Roosen maakte een toneelstuk over haar dementerende moeder, Jan Pronk praatte over zijn demente moeder op YouTube, Maria van der Hoeven vertelde over haar aftakelende man in de Volkskrant. Als je geen demente naaste hebt hoor je er gewoon niet echt bij. Je mag blij zijn dat je me hebt!'
Niet alles in het boek is dus geloofwaardig. Je komt bijvoorbeeld ook niet voor half geld met zijn tweeën de Keukenhof in als een van de twee een rolstoel pakt. Hier had de auteur wat beter research moeten verrichten.

Het boek is opgewekt van toon en dat leest prettig. Vooral de eerste helft, daarna is de vaart er wel een beetje uit, alsof de auteur ook niet meer zo'n zin heeft in het project en het als een verplichting ziet om elke dag maar weer een stukje te leveren voor Torpedo.

Hendrik is gek op een vrouw in het vriendenclubje, Eefje. Na een beroerte is er weinig van haar over en Hendrik wordt mantelzorger. De passages die hierover gaan, hadden schrijnend kunnen zijn, maar dat de krijgt de auteur niet goed voor elkaar. In luchtigheid en boosheid is hij goed. Bij verdriet is hij wel ingetogen, nergens wordt hij larmoyant en dat is zeker een verdienste. Maar het verdriet navoelbaar maken voor de lezer lukt hem maar matig.

Zou de auteur werken in een verzorgingshuis? Het zou zomaar kunnen. Het personage Hendrik spreekt over de andere bejaarden als 'bewoners'. Dat lijkt me meer een uitdrukking van het personeel dan van de senioren. Maar misschien is Groen alleen maar iemand die van tijd tot tijd in zo'n tehuis komt.

Pogingen iets van het leven te maken is best geschikt voor de vakantie. Het is een onderhoudend boek dat vaak echt grappig is. De auteur Groen is goed in becomentariërende tussenzinnetjes en in plastische beschrijvingen. Dat zorgt ervoor dat je wel door wilt blijven lezen.

Aan het eind wordt het wat minder, maar dat zij de auteur vergeven. Na een jaar oefenen is hij misschien toe aan een echte roman. Het personage Groen eindigt met het voornemen om een nieuwe agenda en een nieuw aantekenboekje te kopen. Kort daarvoor heeft hij geschreven 'Misschien moet ik maar een roman gaan schrijven'. Daar zal het niet van komen. Ik denk dat het personage Groen geen pen meer op papier zet. Maar de auteur Groen misschien wel. We wachten het af.

zaterdag 26 juli 2014

Een bosje van dit (Ina van der Beugel)


Een tijdje terug liep ik zomaar tegen een boekje van Ina van der Beugel aan, dat ze schreef onder de naam Jacquelientje Plof. Dat vond ik heel aardig. Kijk maar: klik! Later kocht ik een boekje van haar met herinneringen aan haar jeugd. Ook leuk. En onlangs kwam ik in een kraampje met oude boeken Een bosje van dit (derde druk, 1951) tegen. Er zal wel een stofomslag omheen hebben gezeten, maar dat was verdwenen. 

In het boekje staan korte stukjes, die zich allemaal afspelen in een bloemenzaak. Aan de titels kun je al een beetje zien waar de stukjes over gaan: 'Bruidsbouquet', 'Moederdag', 'Grafkrans', 'Tafelversiering', 'Kerstmis'. Wat dat betreft zijn de stukjes ook wel wat voorspelbaar.

Van der Beugel krijgt het ook niet steeds voor elkaar om een stukje mooi rond te breien. Ze blijft dan steken in het schetsen van achtereenvolgende klanten. Dat doet ze wel amusant. Ze neemt scherp waar en kan iemand in een paar woorden, een zin of enkele zin typeren. 

Over een koper voor zware mand ('Er zit genoeg aarde in voor een klein bloemperk'), die opgemaakt is voor Pasen:
Natuurlijk komt er wel iemand voor de mand. Het is een worst met een dure overjas. De worst is tot berstens toe gevuld met pâté, reebout en bourgogne. Het vel van de worst is paars-rood gemarmerd. De overjas is zwart.
'Kost dat?'vraagt hij en hij laat zijn hoofd rollen in de richting van de mand.
Ik denk dat men indertijd dat het aantrekkelijke van de stukjes vond: de mensen die Van der Beugel opvoerde waren herkenbaar. Daarbij heeft ze een opgewekte verteltoon, die me doet denken aan Cissy van Marxveld en Henriëtte van Eyk. De bundel werd indertijd dan ook grif verkocht. Voor in de derde druk schreef Van der Beugel:
Nu de derde druk van mijn boekje nodig blijkt, ben ik tot de bijzonder plezierige conclusie gekomen dat de bloemen, bijeengebonden tot "Een bosje van dit", tot zeer krachtige variëteiten behoren: zij schijnen niet te verwelken. 
Het zijn inderdaad aardige stukjes, maar ook niet veel meer. Ik denk dat ze in de krant, waar je er maar eentje per keer leest, beter tot hun recht komen dan in een boekje. Mij was het allemaal toch wat te vluchtig. Het is gespeel, het zijn aardigheidjes, maar ik wilde na een tijdje ook wel eens een verhaal dat ergens over ging.

Toch zou ik een volgende keer, als ik het tegenkwam, weer een boekje van Van der Beugel kopen. Al was het maar omdat ze helemaal verdwenen lijkt te zijn uit ons geheugen. Dat was nou ook weer niet nodig.
Tekening A. Siegenbeek van Heukelom

vrijdag 25 juli 2014

Alice in Wonderland (Knipoog 34)



In de bijlage Boeken van NRC Handelsblad van 27 juni 2014 stond een recensie van The Riddle of the Labyrinth van Margalith Fox. Als ik de de recensent, Rob van den Berg, mag geloven, is het een spannend boek over de ontcijfering van het schrift op de kleitabletten die in 1900 gevonden werden in het koninklijk paleis van Knossos op Kreta.

Het schrift, dat Lineair B genoemd wordt, was toen het oudst bekende. Het dateert van 1450 voor Christus. Pas meer dan vijftig jaar na de vondst werd de code gekraakt door de Britse architect Michael Ventris.

Margalith Fox laat zien dat bij de ontcijfering de classica Alice Kober een doorslaggevende rol speelde: om meer kans te hebben  het schrift te kunnen lezen, leerde ze Chinees, Perzisch en Akkadisch. Ze overleed voordat de klus helemaal geklaard was, maar had het onderzoek wel een eind op weg geholpen.

Boven de recensie zette Rob van den Berg de kop 'Alice in kleitablettenland'. Een mooie kop, want het gaat hier immers om Alice (Kober) en iedereen die de kop leest moet meteen denken aan Alice in Wonderland van Lewis Caroll. Oorspronkelijk heette dat werk overigens Alice's adventures in Wonderland, maar iedereen kent het onder de verkorte titel.

Dat is dus wel een heel vette knipoog. Ook als die minder opzichtig is, snappen we de hint. In 1968 publiceerde Remco Campert het boek Tjeempie! Of Liesje in Luiletterland. Daar zit een verwijzing in naar luilekkerland, maar ook naar Alice in Wonderland. 

Ik heb het idee dat we elke verwijzing zouden herkennen als die eruitziet als ....(Naam) in .....land, zeker wanneer die naam bestaat uit twee lettergrepen, waarbij de klemtoon op de eerste valt (zoals bij Liesje dus, dat ook nog lekker allitereert).

Met Alice is al behoorlijk gevarieerd. Zo stuitte ik, na weinig gegoogle op Alice in Cupcakeland, Alice in tumbler-land,  Alice in Acidland, Alice in sugarland, Alice in Horrorland, Alice in Videoland en meer, veel meer.
































Alice in Acidland 1969


Alice in Murderland 2011


Ellis in Glamourland (2004)