maandag 9 april 2012

Hoe God verdween uit Jorwerd (Knipoog 6)


Eigenlijk hoef ik er niets meer over te zeggen, want (bijna) iedereen kent het: Hoe God verdween uit Jorwerd, het boek waarmee Geert Mak doorbrak bij het grote publiek. Mak beschreef een klein dorp in Friesland. Hij schetste voor ons hoe ooit het dorpsleven daar bloeide: er was een bakker, een slager, een fietsenmaker en er waren allerlei andere middenstanders. Hij liet ons zien hoe de jongeren binnen die gemeenschap een plaats hadden, hoe de landbouwgrond gebruikt werd, welke rol het geloof speelde en hoe alles uiteindelijk veranderde.

Mak schetste ons Jorwerd, en uiteindelijk bleek Jorwerd overal in Nederland te liggen. Op de Veluwe, in Brabant, in Zeeland - overal bleken dezelfde ontwikkelingen plaats te hebben gevonden en aan de gang te zijn. Wie het boek nog niet gelezen heeft, moet dat alsnog doen.

Het boek werd zo bekend, dat je ernaar kunt verwijzen zonder het expliciet te noemen. Dat deed bijvoorbeeld Eginhard Meijering, die onlangs een boek publiceerde met de titel Hoe God verdween uit de Tweede Kamer. Is het slim om mee te liften op de bekendheid van het boek van Mak? Of is het een zwaktebod? Ik neig naar het laatste.

Bij Mak ging het niet alleen om God, maar om een hele dorpscultuur die veranderde en zo anders werd dat het oude dorpsleven grotendeels verdween. Bij Meijering gaat het wel om God of, nauwkeuriger gezegd, om religie: hij bekijkt in hoeverre er gedebatteerd werd met de Bijbel in de hand en in hoeverre er dus religieuze argumenten gebruikt zijn door de jaren heen. Het onderwerp is interessant genoeg, maar voorlopig zie ik niet hoe ik tijd zou kunnen vinden om het boek te lezen.


zondag 8 april 2012

Aslander



Vanochtend stond ik om halfzeven tussen de graven voor de paasjubel. Om zeven uur kwam de zon boven de horizon uit en de hele tijd zongen de vogels. In de boom schuin voor ons zat een grote lijster en op een hoekjes gras bloeiden enkele tientallen koekoeksbloemen. Pasen.

Dat is een mooi startpunt om iets te schrijven over Aslander van Rien van den Berg, dat op Pasen eindigt. Het begint een week eerder, als de veerboot waarmee dominee Lammert Aslander in te ondiep water komt en vastloopt. Een groepje mensen op de boot praat met elkaar over een krantenbericht dat over een moord gaat. Samen komen ze erachter dat het verhaal dat een verdachte heeft opgehangen niet klopt.

Op het eiland zet het groepje het onderzoek voort en uiteindelijk wordt de schuldige opgepakt. Dominee Aslander, die half overwerkt op vakantie gestuurd was, blijkt na het weekje weg aardig opgekikkerd. Met Pasen houdt hij in zijn kerk een preek, onder anderen voor de familie van een overledene.

Aslander was het christelijke actieboek voor de Boekenweek. Het is bedoeld voor een groot publiek en de schrijver had geen literaire bedoelingen. Als actieboek heeft het ongetwijfeld voldaan. Het boek is toegankelijk en leest lekker weg. Het heeft ook zijn titel mee, waarin zowel Aslan (Lewis) als Wallander resoneren. De hacker in het boekje zou bij Stieg Larsson vandaan kunnen komen.

Door een detective moet je je mee laten nemen en dat heb ik dan ook gedaan. Ik had wel wat twijfels bij de uiteindelijke verdachte. De schrijver doet er alles aan om mij ervan te overtuigen dat iemand in een dergelijke situatie (omwille van de plot zal ik daar niet al te duidelijk over zijn) kan gaan moorden, maar ik heb wel mijn twijfels.

Een groter bezwaar is dat er zo ontzettend veel gepraat en geredeneerd wordt in het boek. Bijna nergens is er actie. Als er iets gebeurt (de arrestatie van de verdachte) wordt dat in terugblik verteld, zodat je er als lezer niet daadwerkelijk bij bent. Het enige actiemoment dat je direct meemaakt is de hardloopwedstrijd tussen Lammert en de geheimzinnige vrouw Mila.

Het is een manco van veel christelijke boeken. Ze komen uit een traditie waarin het woord centraal staat en dat zullen we weten ook. Dat Aslander aardig wegleest ondanks al die gesprekken is dan ook best bijzonder. Die redeneringen vinden we overigens niet alleen terug in de gesprekken, maar ook in de interpretaties in het hoofd van Lammert Aslander. Zo'n beetje alles moet geduid worden, waardoor er voor de lezer weinig overblijft om zelf te doen.

Bij het slot haakte ik af. Daar houdt Aslander een preek, letterlijk en figuurlijk. Er moest blijkbaar nog een Grote Boodschap in het boek, maar het moralisme werd mij te erg. Ik denk dat zo'n slot ontstaat door zelfonderschatting. Ook zonder een expliciete boodschap wordt meer dan duidelijk waar de schrijver staat, dat er ruimte moet zijn voor mensen en ook voor mensen die in de fout gaan.

Het lijkt erop dat Van den Berg nog meer delen gepland heeft. Hij zal niet voor niets Mila geheimzinnig gehouden hebben, lijkt me. Ook voor die boeken zal ongetwijfeld een markt zijn.

zaterdag 7 april 2012

Frisse blik

(openingswoord bij de expositie Frisse blik)

Misschien zou het gepast zijn om op Stille Zaterdag een expositie ook in stilte te openen. Wij hoeven ons niet mit Tränen nieder zu setzen, maar wij zouden zwijgend naar de kunstwerken kunnen kijken en de beelden met onze ogen in kunnen drinken.

Maar uit ijdelheid en plichtsbesef wil ik toch wat zeggen. Al was het maar omdat het voor PEK is, een kunstenaarsplatform waarvan ik de geboorte nog heb meegemaakt. Toen was het een gezonde baby, die wel wat nukken had (waarover ik niet zal uitweiden). Intussen is PEK volgens mij volwassen geworden, wat u trouwens straks zelf kunt beoordelen.

Maar PEK heeft gelukkig ook iets kinderlijks behouden: de onbevangen kinderblik of, zoals de PEK'ers zeggen: de frisse blik. Zonder die blik, is er geen kunst mogelijk. Alle kunst begint bij de waarneming. Nu lijkt kijken niet zo moeilijk, maar dat is het wel. Vaak menen we dat we niet echt hoeven te kijken, omdat we al weten wat er te zien is.

K. Schippers schreef ooit een gedicht met de titel 'Bij Loosdrecht'. Het is maar heel kort:

Als dit Ierland was,
zou ik beter kijken.

Kunstenaars zijn altijd in Ierland, zij kijken met een frisse blik. Zij weten dat wij niet moeten stoppen bij de antwoorden, maar dat we daar doorheen naar de vragen moeten. Met vragende ogen hebben deze eenentwintig kunstenaars om zich heen gekeken en vandaag mogen wij met hen meekijken.

Die frisse blik is dus niet alleen voor de kunstenaars, maar ook voor ons, gewone stervelingen, met een baan van negen tot vijf, een vakantie met de caravan op een camping met andere Nederlanders, een of twee keer seks in de week (of alleen met Pasen), nog zoveel jaar tot ons pensioen en een uitvaartverzekering. Ook wij mogen nu dingen zien die we nog nooit gezien hebben of dingen zoals we ze nog nooit gezien hebben.

Nadat ik de portier had omgekocht, mocht ik hier gisteren al rondkijken en ik zag dat ik terechtgekomen was op een lente-expositie. Bij Salman Ezzamoury dansen de vlinders rond, Anne Idsinga heeft haar schilderij in lentegroen geschilderd, met daarop een wel heel frisse krop sla en bij Cobi van de Kuit zijn de archiefladen niet gevuld met stoffige documenten, maar met piepers, rabarber en zelfs ijzige lucht. De aardappels lopen al uit.

Zullen we na deze expositie ooit nog op dezelfde manier een ladenkastje kunnen zien? Stiekem hoop ik op een vogelnestje in mijn keukenla, kaneelgeur in de schoenpoetsdoos en geneurie in de koelkast.

En dan moet ik natuurlijk nog iets zeggen over de haas van Eveline Kieskamp. Mijn vader had een boomgaard aan de rand van het bos. Konijnen en hazen schilden in de winter wel eens een stammetje en daarom kregen wij van de boswachter altijd een haas, als er gejaagd was. Een dood dier, met een zacht velletje. Dat had iets zieligs, maar ik geloof dat ik de smaak van het hazenvlees belangrijker vond.

Ik stond oog in oog met Evelines haas, een beest met indrukwekkende afmetingen. 'Vanitas' had ze erbij geschreven en inderdaad, het is onmiskenbaar een dode haas. Maar naast de dood, zijn er ook de bloemen die uit zijn buik bloeien, waarmee de haas voor mij een echte paashaas wordt. Niet zo'n grappig bedoeld beest met een lullig mandje op zijn rug. Maar een haas die laat zien dat uit de dood het leven bloeit, zoals koren groeit uit dode graankorrels.

Van die haas word ik helemaal warm. Dat zal ook te maken hebben met de knopen op de haas, die mij doen herinneren aan moeders knopenbus. Die mocht ik als kind graag omkiepen op de tafel om tussen al die knopen te rommelen. De dekens waarvan de haas gemaakt is, doen mij het gekriebel weer voelen van de AaBe-dekens waar ik als kind onder lag. Ja, we spreken hier van voor de tijd van het dekbed en de elektrische deken.

Op die AaBe-dekens stond een plaatje van een rendierslee vol dekens. Bij de slee stonden een paar eskimo's (die wij niet meer zo mogen noemen), wat wel aangaf hoe warm ze waren. De haas van Eveline bracht mij terug in mijn kinderbed, waardoor dood, bloei en veiligheid op een fijne en tegelijk verwarrende manier met elkaar verbonden werden.

Ongetwijfeld hebt u dezelfde soort ervaringen als u rondloopt en vooral ook rondkijkt, met de frisse blik van de kunstenaar en de frisse blik van uzelf. U zult ogen tekort komen. Kom op, genoeg gekletst. Naar de kunst! De expositie is geopend.

Cobi van de Kuit

Cobi van de Kuit

Eveline Kieskamp

Eveline Kieskamp

Yoke Ferwerda



Zoekwoorden (1)

Bezoekers komen langs allerlei dwaalwegen op deze site. Vaak heb ik me verbaasd over de zoekwoorden die naar Bunt Blogt blijken te leiden.

De meest gangbare zijn mijn naam, titels van boeken, stadsdichter Ede en namen van schrijvers. 'Kachelglans' blijkt trouwens ook een product, of althans een woord, waarnaar veel mensen op zoek zijn. Vlak na het overlijden van Anil Ramdas bleken mensen op zoek naar allerlei details uit zijn leven: eventuele ziekte, zelfmoord en gevangenschap.

Van tijd tot tijd zal ik een paar van de curieuze zoektermen in een berichtje plaatsen. Niet ter lering, doch slechts ter vermaak. Zo zag ik eerder deze week dat iemand bij het stukje over Sjors en Sjimmie uitkwam door te zoeken op 'George en Sjimmie'. Misschien heeft hij (het zal wel een man zijn) het ook geprobeerd met 'George en Jimmy', maar was het op die manier niet gelukt.

Vanochtend kwam ik de volgende zoekwoorden tegen:
- cholera in tijden van liefde
- foto van oude rimpelige vrouw
en misschien de leukste:
- wo kan man bunte papegai kaufen

donderdag 5 april 2012

Schakers. Portretten



Onder Nederlandse schakers zitten nogal wat schrijvers. Tim Krabbé is waarschijnlijk de bekendste. Geen grootmeester, maar wel een schaker op hoofdklasseniveau. En Hein Donner, wiens geweldige boek De Koning ook wel tot de literatuur doorgedrongen is, evenals zijn korte stukjes, in bundels als Na mijn dood geschreven en Geen patiënten.

Donner was een man van grote gebaren en dat zie je ook terug in zijn barokke stijl. Indertijd nam ik een abonnement op het blad Schaakbulletin omdat Donner daarin schreef. Ook Hans Ree schrijft (met boeken als Een man merkt nooit iets en God is niet koppig). En dan hebben we natuurlijk Jan Timman.

Timman is misschien wel de meest talentvolle schaker die Nederland ooit heeft gehad. Hij is nooit wereldkampioen geweest, zoals Max Euwe, en hij schoot op beslissende momenten soms net tekort. Maar hij heeft een glanzende carrière gehad, waarin hij in schitterende stijl zijn partijen speelde. Hij speelt overigens nog steeds.

En hij kan schrijven. Zijn boek over de kwalificaties voor het wereldkampioenschap, Het smalle pad, was prachtig geschreven, ook voor niet-schakers. Nu is er een boek met portretten van scakers, met de eenvoudige titel Schakers en de ondertitel Portretten. Timman schetst daarin portretten van Aljechin, Botwinnik, Larsen, Tal, Spasski, Fischer, Andersson, Kasparov, Judith Polgar en de huidige nummer 1 van de wereld, Magnus Carlsen.

Toen ik de inhoudsopgave zag, verbaasde ik me over twee dingen. Allereerst verwonderde het mij dat er geen hoofdstuk aan Karpov was gewijd. Maar in het hoofdstuk over Kasparov komt al zoveel Karpov voor, dat ik wel begrijp dat een apart hoofdstuk niet meer zo nodig was.

Verder staat, voor mijn gevoel, Andersson een beetje vreemd in het rijtje. Waarom wel een hoofdstuk voor Andersson en niet voor bijvoorbeeld Kortsjnoi, Short of Anand? Ik denk dat Timman een correctie wilde geven op het beeld dat er van de Zweed bestaat. Bij Ulf Andersson denken veel schakers aan een remiseschuiver en daarmee doen we hem geen recht, al is het beeld begrijpelijk.

Timmans boek bevat prachtige portretten, die heel goed geschreven zijn. Mijn leerlingen mogen dit boek zo op hun literatuurlijst zetten. Hoogtepunten zijn voor mij de hoofdstukken over Aljechin en Tal. Alle portretten zijn eigenlijk ook een portret van Timman. Hij laat zien waarom hij van sommige schakers partijen bestudeerde en hoe hij hen in de dagelijkse omgang meemaakte. Soms maakt hij zijstapjes naar zijn eigen carrière, op een prettige reportageachtige manier, zonder opdeborstklopperij, maar ook zonder misplaatste bescheidenheid.

Meestal kan Timman aardig afstand houden en is hij mild in zijn oordeel, zonder overigens fouten van schakers (zoals het antisemitisme van Fischer) te vergoelijken. Alleen bij Kasparov proef je door alles heen de moeite die Timman had met de manier waarop de grote K. zijn zin altijd wilde doordrukken. Timman zal daar ook zelf veel vervelende ervaringen mee gehad hebben toen hij met Kasparov in het bestuur zat van Grand Masters Association.

Een enkele keer schiet Timman uit de bocht. In het portret van Polgar staat bijvoorbeeld het truttige zinnetje 'Uiteraard moest ik vreselijk lachen om haar snedige reactie'. Maar over het algemeen is Timmans stijl vlekkeloos. Mooie observaties, mooi verwoord. Zo vergelijkt hij Ulf Andersson met een tennisser: 'In het schaken had hij ook een soort baseline van waaruit hij zijn acties ondernam.'

Verder staat het boek ook vol met prachtige anekdotes, bijvoorbeeld over Mischa Tal, die na een winstpartij drie verschillende vrouwen belde om steeds hetzelfde te vertellen: 'Door aan jou te denken heb ik mijn partij gewonnen.'

Wie wil weten hoe goed Timman schrijft, leze het boek. Laat Timman vooral blijven schrijven.

dinsdag 3 april 2012

P.C. Hooftprijs 1959

In 1959 werd de P.C. Hooftprijs niet toegekend. De prijs wordt afwisselend aan een auteur van poëzie, verhalend proza en beschouwend proza uitgereikt. In 1959 was het verhalend proza aan de beurt. De jury, bestaande uit Gerard Knuvelder, Anna Blaman, C. Rijnsdorp, Emmy van Lokhorst en Jacques den Haan vond geen geschikte kandidaat.

In Het Boek van Nu verbaast Pierre H. Dubois zich daarover. Hij vraagt zich af of het wel nodig was dat de jury afzag van een advies aan de staatssecretaris. Hij legt uit dat de P.C. Hooftprijs weliswaar vaak als een oeuvreprijs wordt gezien, maar dat de prijs ook toegekend kan worden vanwege een enkel werk. Vestdijk kreeg hem  bijvoorbeeld voor De Vuuraanbidders. (Dat was in 1950. In 1953 had Bordewijk de prijs gekregen, o.a. voor De doopvont en in 1956 Anna Blaman, toen al wel voor haar gehele oeuvre. T.B.)

Was er uit de afgelopen drie jaar niet zo'n werk te vinden? vraagt Dubois zich af. Hij geeft als voorbeeld De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Bij dit boek bijvoorbeeld kan een jury in deze samenstelling het moeilijk hebben, suggereert Dubois. Hermans' boek is 'door de overgrote meerderheid van de competente kritiek in Nederland beschouwd en besproken (...) als een boek van uitzonderlijke kwaliteit'. Maar het zou kunnen zijn dat het boek door de juryleden niet alleen op literaire gronden wordt beoordeeld.

Dubois kan zich voorstellen dat het katholieke jurylid (Knuvelder dus) en het 'christelijke' lid (Rijnsdorp) tegen een dergelijke roman inhoudelijke bezwaren hebben. Dan hoeft er nog maar één jurylid te zijn dat literaire bezwaren heeft en de meerderheid is tegen. Het is maar een gedachte, zegt Dubois: 'wij zeggen niet dat het zo geschiedde'.

Er kan, volgens Dubois, ook op een andere manier gestemd worden. Als er geen schrijver is die een meerderheid van de stemmen heeft, dan kun je toch van de mogelijke kandidaten er een paar elimineren, totdat je er eentje overhoudt? 'Wanneer de jury er dan alleen voor zorgt op de kandidatenlijst geen figuren te plaatsen, waarmee zij zich onder geen beding kunnen verenigen, zou het probleem althans iets eenvoudiger zijn geworden.'

Tot zover Dubois. Uit de notulen van de juryvergadering blijkt dat Hermans inderdaad een kandidaat was. Blaman en Den Haan waren voor Hermans. Ina Boudier-Bakker en Anton Koolhaas waren ook in de race en vooral ook Maria Dermoût, die de steun kreeg van Rijnsdorp en Van Lokhorst en bij de tweede vergadering stemde ook Knuvelder voor Dermoût. Deze informatie is te vinden in Willem Frederik Hermans in de prijzen van Rob Delvigne (2005).

In 1962 kreeg Theun de Vries de P.C. Hooftprijs, maar in 1965 ging het weer mis: de jury kwam er niet uit. Er waren drie schrijvers genomineerd: Gerard Reve (die toen nog G.K. van het Reve heette), Anton Koolhaas en Harry Mulisch.

Drie jaar later (1968) kreeg Reve de prijs alsnog. Mulisch moest tot 1977 wachten en Koolhaas tot 1992. Hermans kreeg de prijs in 1977, maar weigerde hem omdat hem bij vergissing een te hoog prijzengeld was toegezegd. Maria Dermoût heeft de prijs nooit gekregen.

Ook in later jaren was er nog wel gedoe om de prijs, maar in dit bestek laat ik dat even zitten.

Omslag van de eerste druk (1958)
waarin 'Damocles' de c nog had.

Mijn naam is Legioen



Er zijn te veel dichters van wie ik nauwelijks wat gelezen heb. Nou ja, wat losse gedichten. Het rare is: die vond ik ook nog goed en toch heb ik geen bundel gekocht van, pak hem beet, Astrid Lampe, Erik Menkveld, Pieter Boskma. Er is geen deugdelijke reden voor, maar het is zo. Zo had ik ook nooit een bundel gekocht van Menno Wigman. Maar nu wel: Mijn naam is Legioen.


Nachtrit
Man, eenentwintigste eeuw, kaal, gezet
en met een onvervreemdbaar recht op seks
('Mijn naam is Legioen, wij zijn met velen'),
jaagt door de late nacht over de weg
en wil zijn lichaam met gevrouwte delen.
De pompen van de Shell. Het pooierslicht.
Vol moed een meisje achter glas betalen.
Vol moed aan nieuwe vrouwen denken, echt,
elektrisch, kil verhit, maar denken, denken -
een herdershond, onthand en underfucked,
al jaren in zichzelf verongelukt,
maar met drie namen in zijn telefoon,
drie namen vol belofte van geluk.
Hij belt. Zijn recht op seks. Op scherpe meiden.
Waarom heb ik toch medelijden?

Er komt een man het gedicht binnenrijden en meteen daarna is er de eenentwintigste eeuw. Daarmee zegt het gedicht niet alleen dat het om een hedendaagse man gaat, maar misschien geeft het ook wel een beeld van deze eeuw.

Het is geen schoonheid, deze man ('kaal, gezet'), maar hij vindt dat niemand hem het recht op seks kan afnemen. Zijn naam is Legioen, zoals tegen Jezus de man zei in wie een heel leger van duivels huisde. Zo'n uitspraak, die het ook tot de titel van de bundel heeft gebracht, kan wijzen op de bezetenheid van de man, maar ook op zijn versnipperdheid, lijkt me.

Door het woord 'gevrouwte' viel ik meteen voor dit gedicht. Prachtig woord, dat qua vorm lijkt op 'gebladerte' en 'gedierte'. Het ontpersoonlijkt: dondert niet welke vrouw het is, als het maar vlees is.

In de tweede strofe valt de herhaling op: twee keer 'Vol moed'. Dat doet Wigman vaker:
Sterk spul of niet: de uitvaart van het boek,
we naderen de uitvaart van het boek.
en:
Niets weet je van wie hier je asbak leegt.
Niets weet je van wie hier de lakens schikt.
Het heeft iets onbeschaamds. Veel dichters zouden naar variatie zoeken, maar Wigman niet. Je moet het maar durven. Bij andere, mindere dichters zou het een teken van zwakte zijn. Bij Wigman is het een keuze.

Dat er twee keer verteld moet worden dat de man 'vol moed' is, duidt er wellicht op dat die moed wat opgeklopt wordt, dat hij die misschien toch heeft moeten verzamelen. Dat er een twijfeltje in hem schuilt en daardoor zijn gebaren net iets te breed te zijn.

Echt. Hij zoekt naar echte vrouwen, maar wel bij hoeren, die voor hun beroep mannen afwerken. Daarom kunnen 'kil' en 'verhit' ook gezusterlijk naast elkaar staan in dit gedicht.

De man blijft maar 'denken, denken'; het maalt door zijn kop. Bij de herdershond in de volgende regel zie ik de tong al uit de bek hangen. De man jaagt achter de vrouwen aan, maar doet dat 'onthand' en is 'al jaren in zichzelf verongelukt'.

Hier, en niet pas in de laatste regel, komt de deernis het gedicht al binnen, als een hond, kop gebogen, staart naar beneden. Ach, dat triomfantelijke vermelden van de drie namen in de telefoon. We halen onze schouders op. 'Scherpe meiden'. Ja, zo zul je er wel over moeten opscheppen denk ik.

Misschien had de dichter boven de man willen gaan staan, had hij diens belachelijkheid willen laten zien, maar het lukt hem niet. In de laatste regel kan hij zelf niet meer uit het gedicht blijven en dan kan hij de man alleen nog maar met medelijden bezien. Daarmee is hij met de man verbonden.

Zo schreef Wigman ook al over een man in de supermarkt ('een man, klein, dik, met onbemand gezicht / die keek alsof hij Ron of Ruud moest heten.'). Die man had hij ook graag onder uit de zak gegeven:

En ik was in verwachting van een scheef
gedicht, wou hem haten, kon het niet -
want alles wat hij droomt, dacht ik, droom ik
niet beter. Goed, gegroet dus, vale oom
die net zo magisch over lakens droomt. 

Ook de naam van de dichter is Legioen. Hij blijkt niet alleen in zijn eigen lichaam te huizen, maar hij herkent zich ook in de ogen van de mensen om zich heen. In de man in de supermarkt, of de man met de drie namen in de telefoon. En wij moeten met de dichter meekijken. Ook onze naam is Legioen.

Er is natuurlijk meer, veel meer, over de bundel van Menno Wigman te zeggen. Dat gedicht over zijn moeder bijvoorbeeld, dat al in verschillende kranten heeft gestaan ('Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok / nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist, / en steeds dezelfde dag uitzit.'), maar ook het gedicht over Van der Lubbe ('Marinus heet ik, makker, en mijn naam / zal als een steekvlam boven Duitsland staan.') .

En wat te denken van zinnen als:
Ik zou wel willen dat het anders was.
Dat is het ook. Je mist iets en verpleegt het.
Of:
De angst. De witte wimpers van de angst
dat ik mijn leven heb verschreven.
Dat dus.  Onder dat strakke metrum, dat uitgekiende rijm, die beheerste vorm, woelt altijd iets bij Wigman, wordt er getwijfeld en gewankeld. De gedichten staan als een huis, maar je 'hoort het water onder je vloeren woelen'. Poëzie waar de dichter zich aan vast moet houden, poëzie omdat het moet.

En wij, jullie ook dus, moeten dat lezen. Vind ik.