zondag 4 december 2011

Blast 2

Manu Larcenet liet ons in het eerste deel van Blast zien hoe Polza reageerde op de dood van zijn vader. De man met het zware lijf kreeg een visioen en ging zwerven. Uiteindelijk werd de clochard opgepakt en verhoord. In deel 2, De openbaring van Sint-Jacky, gaat het verhaal verder. Tijdens het verhoor vertelt Polza zijn verhalen en beetje bij beetje komen we erachter hoe het hem vergaan is.

Polza trok een tijdje op met de gewelddadige drugsdealer Sint-Jacky. Die openbaring uit de titel verwijst naar 'het berijden van de apocalyps', dat Polza ervaart als hij drugs gebruikt. Het hele boek is in zwart-wit weergegeven, maar juist deze passages zijn in kleur. Bovendien zijn hiervoor echter kindertekeningen gebruikt (van Lilie en Lenni).

Dit tweede deel van Blast is een fascinerend boek, waarbij je als lezer niet altijd meteen weet of iets werkelijkheid of verbeelding is. Als Polza bijvoorbeeld een olifant ziet, heb je het idee dat die natuurlijk alleen in zijn brein bestaat, maar het blijkt om een echte te gaan.

De openbaring van Sint-Jacky is een voorbeeldige beeldroman, die laat zien hoe je een lezer met weinig tekst en veel tekeningen kunt meeslepen een wereld in waarin hij zich niet altijd op zijn gemak zal voelen, maar die hij hoe dan ook wil leren kennen.

donderdag 1 december 2011

Wouter



Dat dichters en beeldend kunstenaars samenwerken, is niet nieuw. Soms levert dat mooi werk op, waarbij gedichten en tekeningen elkaar versterken. In het bundeltje Wouter is dat wat minder het geval.

Wouter bestaat uit vijf gedichten van Tim Pardijs. De tekeningen van Annewietske Stavast zijn vooral illustraties bij de gedichten. Ze verraden een ironische kijk op de hoofdpersoon, Wouter.

Jammer genoeg mankeert er technisch wel wat aan de tekeningen. Stavast heeft Wouter vaak recht van achteren getekend, maar het lukt haar maar niet om hem op een natuurlijke manier te laten lopen. Ook klopt af en toe het perspectief niet. Wel gebruikt Stavast een lekker losse lijn om Wouter neer te zetten.

Pardol koos ervoor om Wouter te schetsen in vijf sonnetten, in proza-achtige taal. Dat lukt hem aardig, maar ik vroeg me wel af wat de vorm in dit geval toevoegde. Weinig, jammer genoeg.

Ook de taal zelf heeft weinig aandacht van de dichter. Soms schrijft hij fraaie zinnen, maar het lijkt hem meer te gaan om het portretteren van Wouter, een wat in zichzelf gekeerde man, niet onsympathiek, maar onbeduidend. Pardol krijgt het wel voor elkaar om bij de lezer sympathie voor Wouter op te roepen.

Eigenlijk is het wel mooi dat Wouter van de dichter aandacht krijgt. Andere personen zullen hem die niet geven. In het slotgedicht spreekt iemand Wouter aan: ‘Ik dacht even dat je iemand anders was.’

Voordat Wouter in de vergetelheid verdwijnt, heeft Pardol hem vastgelegd in woorden. Daardoor zal hij nog even blijven voortbestaan in onze hoofden.

Weerloos


Van Frans Stüger las ik ooit De gedachte en misschien nog wel een boek, maar dat weet ik niet zeker. In mijn herinnering vond ik dat ‘wel mooi’. Nu heb ik Weerloos (2003) gelezen, omdat een leerling het op zijn lijst had gezet.

Stüger heeft een sobere stijl, waarbij hij niet meer vertelt dan nodig is. Alle krullendraaierij vermijdt hij. Dat is prettig. Je ziet hoe een schrijver efficiënt zo min mogelijk taal lijkt te gebruiken.

Het gevolg is ook, vind ik, dat Weerloos wel een heel tam boek geworden. Het kabbelt maar door, terwijl ik ook wel eens hoge golven wilde. De hoofdpersoon, René, is duidelijk een antiheld, die maar een enkele keer uit die rol weet te kruipen. Het is zo’n personage waartegen Jeroen Brouwers zich al decennia geleden afzette in zijn pamflet De nieuwe revisor, waarin hij de vloer aanveegde met de ‘jongetjesliteratuur’.  

Na lezing van Weerloos kan ik daar wel inkomen. Het is helemaal geen slecht boek, maar toen ik halverwege was, begon ik wel erg te verlangen naar een auteur met een luidere stem, bredere gebaren en een wijdere blik.

Verder kijken dan je ogen zien


Vorig weekend bezocht in Huis Kernhem in Ede de expositie Verder kijken dan je ogen zien, beeldend werk en gedichten van cliënten van ’s Heeren Loo en van de Stichting Momo Theaterwerkplaats in Ederveen.

Een fraaie expositie met veelsoortig werk, waarbij een mooi vormgegeven boekje verschenen is. Het kunstwerk op het omslag is van Aart Mulder, die stukjes fietsband op hout niette en daarnaa het hout beschilderde. Topstuk vond ik de 'Boom' van Kees van Hest.

In de gedichten staan verrassende zinnen. Jacco van Roekel schrijft over een kerk: ‘het was een zure kerk’ en in het titelgedicht schrijft Marliske ten Haken (over de Hoge Veluwe):

            ik vind dat het een ander land is
            maar dan anders

De kunstwerken zijn ook te koop, voor bijzonder schappelijke prijzen. De expositie is alleen dit weekend nog te zien, op zaterdag 3 en zondag 4 december van 12.00 tot 17.00 uur. Naar Huis Kernhem dus!

donderdag 24 november 2011

Gedoogde Sinterklaas



Wie door de supermarkt loopt, kan er niet omheen: gevulde speculaas, marsepein, strooigoed, kruidnoten, al dan niet met chocoladejasje, sinten van chocola, letters van chocola, munten van chocola en er is vast nog veel meer lekkers wat je eigenlijk alleen in de laatste twee maanden van het jaar kunt kopen. Inderdaad: de heilige Nicolaas is weer in ons land.

Zoals u weet, is Sinterklaas allochtoon. Onder het huidige kabinet is hij waarschijnlijk de enige allochtoon die met gejuich, applaus en hoempamuziek wordt ingehaald. Het verbaast mij werkelijk dat er nog niet een kamerlid van de PVV-fractie is geweest, die met overslaande stem heeft geprotesteerd tegen het binnenhalen van iemand uit een land in de eurozone dat er economisch niet al te best voor staat en waar wij nu zo onderhand al genoeg stoomboten vol geld naar toe gevaren hebben. En – hierbij zou het kamerlid zijn vinger geheven hebben -  dat zijn echt geen chocolademunten, maar keiharde euro’s, die de hardwerkende Nederlanders met hun eigen eeltige handen hebben verdiend.

Misschien is het protest uitgebleven, omdat Sinterklaas blank is. En een niet-moslim, natuurlijk. Vroeger was de bisschop zelfs zichtbaar katholiek, maar tegenwoordig is het kruis op de mijter vervangen door het gemeentewapen van Amsterdam. Echt nodig was dat niet, want de PVV heeft een behoorlijke aanhang in het Roomse Limburg en daarom zou Wilders toch niet gewaarschuwd hebben tegen de katholificering van Nederland of tegen een tsunami van papisme. Ook voor een kopdozentax voor alle mijterdragers hoeven we niet te vrezen.

Het is duidelijk: de PVV gedoogt niet alleen het kabinet, maar ook Sinterklaas. Dion Graus, de geestelijke en geestige vader van de dierenpolitie en de perspolitie, heeft nog geen voorstel ingediend voor een sintenpolitie, al moet het toch ook hem een doorn in het oog zijn dat iemand een arme schimmel bij nacht en ontij het dak op jaagt. En als het arme beestje niet wil, kan het ook nog een klap met de roe krijgen van de knollenpiet.

Wat de PVV’ers waarschijnlijk wel aanstaat, is dat de witte Sint de baas is over een stel zwarte knechten. Ik neem aan dat zij dat als de natuurlijk orde zullen zien. Een orde die trouwens authentiek Nederlands is, getuige ons koloniale verleden en de afbeeldingen op de gouden koets.

Natuurlijk zijn er mensen die dat willen wegpoetsen en die zeggen dat Zwarte Piet zwart is, doordat hij door de schoorsteen komt. Dat is soft geklets. In de meeste huizen staat al lang geen kachel meer en Piet is nog steeds zwart. Het is dus gewoon een niet-westerse allochtoon.

Maar Zwarte Piet is waarschijnlijk wel zo’n socialistische theedrinker, die het een beetje gezellig wil houden. Er hangen nog genoeg kut-Marokkaantjes rond in Veldhuizen en de Rietkampen en die worden vaak genoeg gewaarschuwd, maar je hoort nooit eens dat rond deze tijd een stel zwarte pieten daadwerkelijk ingrijpt en met de roe zo’n groepje afranselt. En daar is die roe toch voor.

En wanneer hebben we voor het laatst gehoord dat er een paar van die uitvreters in de zak gestopt werden en werden meegenomen naar Spanje? Ik kan het me niet heugen en je kunt dus wel merken uit welke hoek de wind waait: Sinterklaas is bisschop van de linkse kerk. Zijn intocht wordt uitgezonden door de linkse NOS en zijn tabberd is zo rood als de kam van de VARA-haan ooit was.

Er is dus reden genoeg voor de PVV om alle Henken en Ingrids op te roepen om te gaan protesteren tegen deze Nicolaas met het dubbele paspoort; om meteen een wetsvoorstel in te dienen dat de grenzen moet sluiten voor Pietermanknechten die niet geslaagd zijn voor het inburgeringsexamen; om keihard te roepen: ‘Geen cent voor de Sint!’

Maar het gebeurt niet. De PVV breekt in dit geval nergens zijn staf over, geeft niemand de zak, schuift niemand de zwarte piet toe. Wilders vindt het allemaal best.

En ook dat is wel te begrijpen. Sint is immers een allochtoon die uit zichzelf weer uit Nederland verdwijnt. Geert Wilders hoopt stilletjes dat velen een voorbeeld aan hem zullen nemen. En als iedereen wien Neerlands bloed niet door d’aadren vloeit, iedereen van wie het bloed niet van vreemde smetten vrij is, uiteindelijk verdwenen zal zijn, dan knielt Wilders bij zijn schoentje en roept uit: O, kom er eens kijken! Daarna zal hij uit volle borst zingen: Dank u, Sinterklaasje!

zondag 20 november 2011

Grip


Een groep vrienden maakt samen iets mee, ziet elkaar een tijd niet en komt daarna weer bij elkaar. Dat is niet nieuw in de literatuur. Ik denk daarbij aan De weg naar Caviano van Doeschka Meijsing en De dijk waarlangs wij lagen van Fleur Bourgonje. Bij Meijsing zat er vijf jaar tussen de laatste bijeenkomst en de hereniging, bij Fleur Bourgonje dertig.

Nu heeft ook Stephan Enter zo´n roman geschreven: Grip. Hier zijn het bergbeklimmers, die als twintigers een klimtocht in Noorwegen maakten. Twintig jaar later zullen ze elkaar weer treffen, thuis bij twee van de vier, die intussen getrouwd zijn. Het perspectief ligt afwisselend bij drie van de vier bergbeklimmers.

De vrienden (dat is eigenlijk te veel gezegd, maar ik noem ze maar even zo) zijn allemaal kijkers. Als Paul aan Lotte terugdenkt, krijgen we als lezer de beelden die hij bij haar heeft. We zijn haar lange, maar niet bijzonder elegante handen, haar steile donkerblonde haar, haar lach, haar tanden, haar frons. En Paul realiseert zich dat ze soms iets met haar kin deed: ‘Ze trok haar kin met een heerszuchtig rukje scheef, van je weg, en vervolgens kauwde ze op de binnenkant van haar wang.’

Kijken kunnen ze wel, die bergbeklimmers. Maar kennen ze elkaar ook? Uiteindelijk blijkt dat ze geen grip op elkaar hebben, evenmin als op zichzelf en ook helemaal niet op de tijd die maar doorgaat en zich niets aantrekt van de beelden van twintig jaar geleden die je zo zorgvuldig hebt vastgehouden.

Net op de dag dat het viertal weer herenigd zal zijn, staat er in de krant een artikel over onsterfelijkheid: wellicht is het mogelijk dat de wetenschap zo gevorderd is, dat we niet meer hoeven te sterven. Paul en Vincent zijn gefascineerd door het artikel en praten er met elkaar over.

Moet je dat wel willen, onsterfelijk zijn? En wat betekent het voor de religie als mensen een eventueel hiernamaals kunnen ontlopen? Zal er trouwens een tweedeling komen in de wereldbevolking tussen mensen die zich de onsterfelijkheid kunnen permitteren en zij voor wie dat niet is weggelegd?

Wie aan het bergbeklimmen is, moet zich juist zeer bewust zijn van zijn sterfelijkheid. Misschien is het aantrekkelijke van bergbeklimmen wel juist dat je in gevaar verkeert en dat het je leven kan kosten.

Ik aarzel te schrijven dat Enter ‘een ouderwetse roman’ heeft geschreven. Ik bedoel dat namelijk positief, waarbij ‘ouderwets’ staat voor de degelijkheid, het uitgebalanceerde, de verzorgde stijl. Vakwerk, waar je zeer van kunt genieten. Wie van literatuur houdt, moet wel van Enter houden, lijkt me.


vrijdag 18 november 2011

Stadsdichter (2)

Een man merkt nooit iets, schreef Hans Ree al. Zo was het mij ontgaan dat in Edese Post van 16 november aandacht besteed was aan de mogelijke komst van een stadsdichter. Op 11 november stond het bericht al op internet. Ik knip het artikel even uit en plak het hier neer:

Komst stadsdichter lijkt dichtbij


EDE - Krijgt Ede een stadsdichter? Als het aan de PvdA en Gemeentebelangen ligt wel. Wethouder Van Milligen neemt het idee zeker mee.
Gemeentelogo.
Gemeentelogo

Rotterdam, Breda en Nijmegen hebben een stadsdichter. Den Haag, Den Helder, Hengelo en Emmen hebben een stadsdichter. Amsterdam heeft in de verschillende wijken wel een stuk of vijf stadsdichters. Ede niet. Dat stelde Teunis Bunt tijdens cultureel Café Dante in Cultura. Volgens Bunt is een stadsdichter iemand die een aantal keren per jaar een gedicht schrijft over de actualiteit in de gemeente. ‘‘Het spreekt vanzelf dat de dichter geen politiek moet bedrijven en dat hij mensen niet opzettelijk beledigen mag. Op deze manier wordt een stadsdichter een chroniqueur van de stad. Zijn gedichten worden een alternatief geschiedenisboekje. De stadsdichter kan gedichten op verzoek van de gemeente schrijven, maar natuurlijk ook op eigen initiatief.’’
Veel hoeft een stadsdichter niet te kosten. Bunt: ‘‘Rotterdam betaalt zijn dichter 65.000 euro per jaar en Den Haag 30.000 euro (getallen van drie jaar geleden), maar dat zijn uitzonderingen. In Helmond en Assen betaalt men bijvoorbeeld 5.000 euro per jaar en dat lijkt me voor de gemeente goed te doen.’’
Peter de Pater, fractievoorzitter van Gemeentebelangen sluit zich bij dit bedrag aan. ‘‘De gemeente mag een waarderingssubsidie geven van 5.000 euro.’’ Een zoektocht naar de stadsdichter hoeft er niet te komen. Bunt: ‘‘Ede heeft veel kwalitatief goede dichters binnen de gemeentegrenzen. Mij schieten nu de namen van Henk Knol, Hilbrand Rozema en Mart van der Hiele te binnen, maar er zullen er veel meer zijn.’’ Of wordt Peter de Pater de nieuwe dichter? In de gemeenteraad droeg hij dit gedicht voor:
‘‘Zolang de schelle gong van dorpsheraut in Ede op het plein
wordt overstemd door orgelman en kletsnat dweilorkest.
Zolang zijn wij in node van de dichter op rekwest.
Hij moet ernaast gaan staan: de meester van ‘t refrein.’’


Tsja, Peter de Pater zal het wel goed bedoelen en hij zal ongetwijfeld bijval oogsten als Tante Sjaan en Ome Henk veertig jaar getrouwd zijn, maar bij een stadsdichter stel ik me net iets anders voor.

Maar goed, genoeg gezeurd. Het is mooi dat politici welwillend reageren.