maandag 13 juni 2016

Een wonderkind of een total loss (Knipoog 48)


In NRC Handelsblad van 11 juni 2016 werd er opzichtig geknipoogd naar Willem Frederik Hermans. Karel Berkhout en Julie Wevers schreven een artikel over het geneesmiddel risperidon (merknaam Risperdal), dat gebruikt wordt tegen agressie. De vraag wordt gesteld of dit wel zo'n wondermiddel is. Er zijn kinderen die er gevaarlijk dik van worden.

Boven hun artikel zetten de auteurs 'Een wondermiddel of een total loss'. Ik neem aan dat ze ervan uitgegaan zijn dat er bij veel lezers wel een belletje zou gaan rinkelen en terecht. De kop van het artikel ligt immers wel erg dicht bij een titel van een bundel van Willem Frederik Hermans: Een wonderkind of een total loss. In deze bundel uit 1967 zijn vier verhalen opgenomen: 'De elektriseermachine van Wimshurst', 'Een wonderkind of een total loss', 'Hundertwasser, honderdvijf en meer' en 'Het grote medelijden'.

Hermans is al meer dan twintig jaar dood, maar zijn werk leeft nog steeds. Op middelbare scholen worden boeken als Het behouden huis, Au pair, De donkere kamer van Damokles en Nooit meer slapen nog steeds gelezen, zij het dat dat minder gebeurt dan tien of twintig jaar geleden.

Op de boekenlijsten in mijn klassen en op de lijsten die ik zie bij het staatsexamen lijkt van de grote drie Gerard Reve het meest dood. Hermans kan nog wel even mee. In ieder geval kennen we zijn titels goed genoeg om die te herkennen in een krantenkop.

zondag 12 juni 2016

Lezing Roos Blufpand


Op 12 juni 2016 hield Roos Blufpand een lezing in de Vluchtheuvelkerk in Zetten. Het werd een mengvorm van lezing en concert, waarbij Roos zich begeleidde op piano en gitaar. Door de setting, een klein kerkje, met een overzichtelijk aantal bezoekers, was de sfeer intiem, waardoor de teksten van Blufpand goed aankwamen en dicht op de huid van de luisteraars gingen zitten. Ze zong de liedjes onversterkt, maar dat bleek geen enkel probleem.

Roos vertelde dat ze graag kwetsbaar wil zijn en het op wil nemen voor kwetsbare mensen. Er zijn ook veel mensen in deze wereld die boos zijn en die totaal andere opvattingen hebben wat bijvoorbeeld het vluchtelingenvraagstuk betreft. Ook zij zijn mensen met hun eigen achtergrond en ook zij hebben hun kwetsbaarheden en hun angsten. Het is niet altijd gemakkelijk om je in die mensen te verplaatsen.

De angst is de grote tegenhanger van kwetsbaarheid. Door hun angst durven mensen niet vragend in het leven te staan.

Roos is, zeker vergeleken met het publiek van deze ochtend, nog jong. Aan de ene kant wil ze genieten van het leven, maar ze voelt zich er soms ook schuldig door. Er is immers nog zoveel ellende in de wereld. Moet ze daar niet mee bezig zijn? Daar houdt ze zich wel degelijk mee bezig. Zo heeft ze in Ede opgetreden met en voor vluchtelingen. Maar het blijft lastig om die twee kanten in één persoon te verenigen. Of zoals Roos zingt:
Ik wil de wereld best wel redden
maar ik weet gewoon niet hoe
Ik wil de mensen best wel bijstaan
maar 'k weet niet hoe ik dat doe
Een geweten is een lastig ding en daarom zingt ze:
Ik zet m'n geweten te koop
op Marktplaats, wie biedt 't hoogst
Het is een prima geweten:
't Knaagt, 't vreet
maar je kunt er wel op bouwen


Op haar album Hoe dan schetst ze hoe het is om idealistisch in de wereld te staan en tegelijkertijd realistisch. Het enige waarmee je uiteindelijk verder kunt, is liefde. Roos heeft dan ook een button, die ze vaak na optredens uitdeelt: 'Alleen maar liefde'

Door liefde gedreven verder gaan en dan door schade en schande wijs worden:
Laat me m'n kop maar stoten
en in zeven sloten
tegelijk
Een lezing is wat anders dan een concert. Er wordt bijvoorbeeld niet na ieder nummer geapplaudisseerd, wat voor Roos Blufpand zeker wennen geweest zal zijn. Maar ze zal ook de aandacht van het publiek gemerkt hebben. En dat iedereen haar lezing/concert waardeerde, bleek overduidelijk bij de koffie na afloop: er werden heel wat cd's verkocht.


 Voor wie Roos nog een keer of alsnog wil zien of horen: ga naar de tourdata op haar website. Het dichtst bij Zetten is Arnhem. Daar treedt ze op 9 december 2016 op in het Posttheater.




zaterdag 11 juni 2016

De onzichtbare vrouw (Herman Stevens)


Van het oeuvre van Herman Stevens heb ik een onvolledig beeld. Jarenlang heb ik verzuimd zijn werk te lezen, totdat ik Gloriejaren las. Daarover schreef ik hier; het was een aangename kennismaking. Intussen is er een nieuwe roman, De onzichtbare vrouw.

In Gloriejaren zat een zekere weemoed, maar gelukkig was er meer. Die weemoed is ook lichtjes de ondertoon van De onzichtbare vrouw: een man, vijftiger, ontmoet opnieuw een jeugdliefde. Ze hebben intussen een leven en een huwelijk achter de rug. Het is vroeger nooit wat geworden tussen Rein en Saskia, omdat haar ouders verhuisden naar Brussel. Of het anders wel wat geworden zou zijn, is natuurlijk nog maar de vraag.

Rein heeft een dochter (Xandra) en Saskia een hond (Sherry), dus helemaal vrij zijn ze niet, maar ze zijn wel in een fase waarin ze veel meer hun leven kunnen bepalen dan vroeger. Ze zijn ouder, dus de toekomst is kleiner geworden, maar er is nog tijd.

Zo'n hernieuwde kennismaking met een jeugdliefde zorgt altijd voor een dubbele blik: achterom en vooruit. Misschien is dat winst, iets extra's. Stevens: 'De vrouw van nu had hij nooit willen missen, terwijl het meisje van toen steeds wenkte.' Maar misschien is dat extraatje ook ballast: 'Hij wilde niet terug naar vroeger. Hij wilder er vanaf. Hij wilde vooruit.'

Ze wonen ver uit elkaar: er zit een oceaan tussen. Dat is minder een bezwaar dan in de tijd van het lied over de twee koningskinderen, maar wellicht is het toch symbolisch. De oceaan is misschien ook wel de tijd dat ze elkaar niet gezien hebben. Continenten die uit elkaar geschoven zijn, worden niet zo gemakkelijk herenigd.

Rein is schrijver; hij is degene die overal een verhaal van moet maken. Maar hij weet ook dat elk verhaal een afloop heeft.
Ieder verhaal, het deed er niet toe of het vijftien pagina's telde of driehonderd, had een begin, een midden en een einde. Hij had dat beginnetje geschreven terwijl Saskia zich douchte. Toen hij haar de kraan hoorde dichtdraaien, stopte hij met schrijven, want hij zag wat er zou gebeuren als hij verderging. Hij zou het einde dichterbij halen. Hij was begonnen omdat hij wilde vasthouden wat ze hadden. Maar als hij verderging, raakte hij alles kwijt. De pen was een gevaarlijk instrument. Dit keer ging hij het beter aanpakken. 
Ja, ja, denk je als lezer. Het blijkt geen verhaal te worden dat eindigt met 'ze leefden nog lang en gelukkig'.

Er is nog van alles te halen uit De onzichtbare vrouw, want een boek in elkaar zetten kan Stevens wel. Zo zijn er kleine verwijzingen naar de literatuur. Vriendin Winnie heeft een column en het verhaal gaat dat ze af en toe haar auto moet noemen in de column (net als bij Martin Bril) en een van de delen waarin het boek is opgesplitst, heet 'Een winter aan zee', waarbij iedereen aan Roland Holst zal moeten denken.

Soms was de symboliek me te opzichtig. Eigenlijk was het niet de symboliek die me stoorde, maar dat die uitgelegd werd. Bijvoorbeeld: 'Zalm was de Proust der vissen, fataal aangetrokken door het verleden, goddelijk in zijn doodsdrift. Ze leverden hun boodschap af en stierven.' Qua stijl stoorde het mij dat de zalm eerst in het enkelvoud voorkomt en dat er daarna met het meervoudige 'ze' naar verwezen wordt, maar het is wel duidelijk dat de zin inhoudelijk zwaar wordt aangezet. De lezer weet dan al wel dat de zalmen ergens voor staan. Dan kun je het vervolg missen:
Rein had zijn reis terug gemaakt. Tussen Saskia's benen was hij omhoog gezwommen en hij naderde het eindpunt. Hij had zijn vrijheid teruggekregen. Een nieuw leven. 
Dat gebeurt nog enkele keren. Jammer.

Het grootste deel van het boek beviel me net niet goed genoeg. Er zit weinig vaart in het verhaal. Dat Saskia en Rein gelukkig zijn, met een slagje om de arm, weet je na een tijdje wel wel. De gerechten, de wijnen, de andere dingen waar ze van genieten: leuk voor de personages, maar de lezer, althans deze lezer, moet moeite doen om de aandacht erbij te houden.

Pas aan het eind van het boek begon het indruk op me te maken. Het is dan duidelijk dat Saskia en Rein niet een nieuw euforisch leven samen tegemoetgaan. Daar wordt geen drama van gemaakt, maar er wordt ook niet schouderophalend over gedaan. Al eerder in het boek is duidelijk geworden dat het verloop van het leven voornamelijk bepaald wordt door omstandigheden. Nu loopt het leven blijkbaar zo. Het is zoals het is. De kalmte waarmee Saskia en Rein het leven aan kunnen kijken, zonder zich te verzetten, zonder te zoeken naar schuldigen, vond ik mooi. Sober beschreven, maar je ontkomt er als lezer niet aan.

Een flaptekst hoor je eigenlijk vooraf te lezen, maar ik las hem achteraf. Daaruit bleek me dat het boek een autobiografische aanleiding heeft. Waarschijnlijk had ik het niet gekocht, als ik dat vooraf gelezen had. Er zijn nogal wat vreselijke voorbeelden van romans die geput zijn uit de autobiografie, vooral als ze met de liefde te maken hebben. Kathy's dochter bijvoorbeeld van Tim Krabbé of Finale kwijting van Hans Dorrestijn. Geen afstand, gelamenteer of geklef.

Zo erg maakt Stevens het gelukkig niet. Misschien heeft zijn persoonlijke ervaring er wel voor gezorgd dat hij inschatte dat het geluk van de twee hoofdpersonen ook voor anderen interessant genoeg zou zijn. Iets meer afstand had wellicht een kritischer blik tijdens het schrijven opgeleverd.

De onzichtbare vrouw is geen slecht boek, maar het duurde me wel wat lang voordat het echt goed werd. Misschien moet ik maar eens een ander boek van Stevens proberen.

Maarten 't Hart was overigens enthousiast over het boek. Zie hier.


donderdag 9 juni 2016

Want dieren zijn precies als mensen (Knipoog 47)


In NRC Handelsblad van 26 mei 2016 was een artikel te lezen van Rik Smits, met de titel 'Want dieren zijn níét precies als mensen'. In het artikel reageert Smits op het boek Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? van etholoog Frans de Waal. Smits vindt dat De Waal doorslaat.

Dieren kunnen best wat, schrijft Smits, maar wat ze kunnen is toch niet te vergelijken met wat mensen presteren. Over het algemeen komen de dieren niet zoveel verder dan het leren van trucjes, die wij ze aangeleerd hebben door gerichte beloningen. Dieren zijn niet precies als mensen.

De titel van het artikel knipoogt natuurlijk naar het Fabeltjeskrantliedje. Ik ga ervan uit dat iedere krantenlezer van boven de dertig de zinsnede herkent. Met tussenpozen is De Fabeltjeskrant uitgezonden tot 1992.

Smits verwijst niet alleen naar het tv-programma vanwege het zinnetje in de kop, maar ook omdat hij vindt dat De Waal fabeltjes vertelt, wat weer heel toepasselijk is: het betreft hier immers verhalen over dieren. Meteen in de eerste alinea maakt Smits zijn positie duidelijk:
's Werelds troetel-etholoog Frans de Waal is een complotdenker. Iedereen die zijn Fabeltjeskrant-adagium 'dieren zijn precies als mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken' durft te betwijfelen, beticht hij in zijn nieuwste boek Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? van lidmaatschap van een antropocentrische wereldsamenzwering. Een kongsi van filosofen, psychologen en taalkundigen die telkens als dieren iets 'typisch menselijks'blijken te kunnen, fluks de doelpalen verplaatst om de vermeende uniciteit van de mens te redden. 
In de rest van het artikel maakt hij aannemelijk dat De Waal de 'intelligentie' van dieren veel te hoog aanslaat. Smits kan maar tot één conclusie komen: dieren zijn niet precies als mensen en De Waal doet wat hij zijn tegenstanders verwijt: 'hij zet de doelpalen net waar ze hem uitkomen en roept dan: "Zie je wel!"

De Fabeltjeskrant leeft nog steeds. Eerder dit jaar hoorden we dat er gewerkt wordt aan een 3D-versie van de serie, maar ook als die er niet zou komen, hebben nog heel veel mensen herinneringen aan Willem met de waterpomptang, juffrouw Ooievaar en -hatsekidee!- Lowieke de Vos. Een knipoog naar de serie heeft nog altijd effect.


zondag 5 juni 2016

Ravian en Laureline



















De stripkunst is relatief jong. Natuurlijk kun je beweren dat de oude Egyptenaars al strips tekenden, maar de strips bereiken nog geen honderd jaar lang het grote publiek. Ook in zo'n korte tijd komen de echt grote stripmakers natuurlijk wel bovendrijven: iedereen kent Kuifje en Asterix. Maar er zakt ook veel weg.

Strips zijn een vluchtig medium: kranten waarin strips verschijnen worden niet bewaard. Striptijdschriften (Kuifje, Robbedoes, Sjors, Pep) zijn door veel abonnees niet systematisch bewaard. Albums worden stukgelezen en komen bij het oud papier. Natuurlijk, alles blijkt uiteindelijk nog vindbaar, maar je moet er moeite voor doen.

Daarom is het goed dat er heruitgaven zijn van strips uit bijvoorbeeld de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Al eerder besprak ik hier de heruitgaven van Arman en Ilva en van Simon van de rivier. De links geef ik onder aan deze pagina.

Uitgeverij Sherpa is intussen ook bezig de reeks Ravian en Laureline opnieuw onder het publiek te brengen, op de manier die we gewend zijn: fraai uitgevoerde hardcovers, niet te glad papier, de oplage van een dichtbundel (575 exemplaren).

Helemaal precies kan ik het niet reconstrueren wanneer ik Ravian en Laureline voor het eerst tegenkwam. Waarschijnlijk in de exemplaren van Pep die ik wel eens van een oudere buurjongen kreeg. Later, toen ik te hooi en te gras albums kocht, kocht ik ook Ravians.

De avonturen zijn getekend door Jean-Claude Mézières, de scenario's zijn van Pierre Christin. Op mijn bureau liggen twee delen: 4. Welkom op Alflolol en 5. De vogels van de meester. Het zijn verhalen uit begin jaren zeventig (respectievelijk 1971 en 1973). Elk album sluit af met een toetje, een kort, ouder verhaal: 'De laatste tsirillitis' en 'De rampplaneet', beide uit 1969.

Ravian en Laureline zijn tijd-ruimteagenten uit de achtentwintigste eeuw. Het reizen door het universum is intussen gemakkelijk geworden; de aarde heeft ook andere planeten en asteroïden gekoloniseerd om daar grondstoffen vandaan te halen. In beide albums komen Ravian en Laureline op zo'n planeet terecht.

In Welkom op Alflolol is er een probleem met de oorspronkelijke bewoners: ze zijn eeuwen weggeweest, komen terug en treffen hun planeet totaal veranderd aan. In de vogels van de meester komen Ravian en Laureline terecht in een gemeenschap die onderdrukt en uitgebuit lijkt te worden. De onderdanen volgen willoos de meester.

Wat maakt dat wij deze avonturen nog steeds willen lezen? Ravian en Laureline zijn personages met wie we ons wel willen identificeren. Het zijn helden, maar ze zijn kwetsbaar. Elk album weer is het maar de vraag of ze het zullen redden.

Christin zorgt ervoor dat onze helden het opnemen voor de zwakkeren. Het zijn idealisten die staan voor het goede en die het kwade bestrijden. Het mooie is, dat ze daarbij hun menselijke trekjes behouden: ze kunnen kleinzielig zijn, geïrriteerd reageren en ze verschillen onderling van mening. In Welkom op Alflolol kiest Laureline radicaal voor de oorspronkelijke bewoners, die ontheemd zijn op hun eigen planeet. Ravian zit een beetje tussen twee vuren in: dat van de overheid en dat van Laureline. Het is lastig voor hem om praktisch te handelen en niet tegelijkertijd een collaborateur te worden.

De problemen zijn akelig actueel. Welkom op Alflolol zou zomaar over het vluchtelingenprobleem kunnen gaan en De vogels van de meester verwijst naar elke dictatuur. Waardoor worden volgelingen zo gewillig? Zijn ze vergiftigd door de vogels van de meester? Er is ook iemand in het verhaal die die verklaring afwijst: de mensen gehoorzamen uit conformisme en de vogels zijn slechts hersenschimmen.

Daaruit blijkt maar weer hoe fris de scenario's van Christin zijn gebleven. Uit de toegevoegde verhalen wordt ook duidelijk hoe hij zich ontwikkeld heeft: in de korte verhalen staan aardige scenes, maar aan het eind gaat het allemaal wel heel erg snel. De beperkte omvang van het verhaal zal daar ook een rol bij gespeeld hebben.

De tekeningen van Mézières (die dit weekend aanwezig is op de Stripdagen in Haarlem) blijven het ook goed doen. Laureline wordt nadrukkelijk vrouwelijk weergegeven: brede heupen, smalle taille, geprononceerde borsten. Daar zit ook een licht karikaturale trek in: op sommige tekeningen heeft haar taille de omvang van een van haar benen.

De personages hebben in hun weergave iets goedmoedigs, wat het scherpe kantje van de spanning afhaalt. Hoe 'eng' de omstandigheden ook zijn, je weet dat je je als lezer in een soort strip bevindt waarin het uiteindelijk wel goed afloopt.

Uiteindelijk is het de combinatie die Ravian en Laureline zo tijdloos maakt: een geëngageerd scenario, de nodige humor, de menselijkheid van de personages, de hoop, de aantrekkelijke tekeningen. Het is daarom goed dat deze strip weer in een mooie uitgave beschikbaar is.

Bunt Blogt over Arman en Ilva: hier en hier,
Over Simon van de rivier: hier en hier

Titel: Ravian en Laureline 4: Welkom op Alflofol.
         Ravian en Laureline 5: De vogels van de meesters
Tekst: Pierre Christin
Tekeningen: Jean-Claude Mézières
hardcover, 64 blz, € 24,95 per deel



donderdag 2 juni 2016

Alles kantelt (Tomas Lieske)

Veel van wat ik geschreven heb is verdwenen: zoekgeraakt in oude computers, die intussen weggegooid zijn; gewist in grote opruimingen; veronachtzaamd en zover vergeten dat ik niet eens meer zou weten waarnaar ik moet zoeken.

Er is in het verleden ook aardig wat gepubliceerd waar ik niet meer bij kan. Achter het betaalslot van het Nederlands Dagblad moeten nog tientallen stukken te vinden zijn. Maar ik ga geen abonnement nemen om mijn eigen stukjes te kunnen lezen. In mijn mail trof ik onderstaande recensie aan. Of er nog veel aan gewijzigd is voordat die gepubliceerd werd, weet ik niet. Dit is de versie die ik heb. Nou ja, ik heb er een paar 'kennelijke fouten' uit gehaald. Het boek komt uit 2010, de recensie zal datzelfde jaar gepubliceerd zijn.



We splitsen ons en komen onszelf tegen


‘Stel…’ zegt iemand, en daarna volgt een denkbeeldige situatie, een mogelijke wereld. Schrijvers zijn ware scheppers van zulke mogelijke werelden. Ze laten ons in historische romans zien hoe het is om in een andere tijd te leven, ze tonen ons hoe het zou zijn als wij een bijna uitgestorven dier zouden zijn (Anton Koolhaas, De laatste goendroen), een eendagsvlieg waren (Godfried Bomans) of een eendagsmens (A.F.Th. van der Heijden).

Tomas Lieske houdt erg van zulke gedachte-experimenten. Stel, zegt hij, dat een vriend je een foto stuurt van een vrouw. ‘Basel’ staat erachterop. ‘Jij schrikt. / Die vrouw, dat ben jijzelf (…). Jij kan die vrouw niet zijn. / Jij bent daar nooit geweest.’ En toch herkent de ik zich in de vrouw die hij niet kan zijn.

De gedichtenbundel Stripping & andere sterke verhalen(2002) begint met deze gymnastiek voor onze verbeelding. Lieske speelt daarmee een ernstig spel: hij schept een mogelijke wereld om iets over de werkelijke wereld te kunnen zeggen.

Ongemakkelijker voelt de lezer zich bij een volgend gedicht: ‘Hiernamaals’. De dichter neemt ons weer mee: ‘Stel, je kind wordt door een vrachtwagen gegrepen.’ Dat willen wij ons eigenlijk niet voorstellen. En we willen al helemaal niet meegaan in het vervolg, als er een engel komt en ons voor ‘een infernale keuze’ stelt:
je kind blijft dood. Maar iedere nacht
mag jij dromen dat je jongen leeft, speelt,
verder groeit en met je praat in zachte
woordenloze droomballonnentaal. Ontwakend
hoor je iedere morgen weer het noodsignaal:
de stilte van het dode-kinderenjournaal.
De andere mogelijkheid is een spiegelbeeld.
Je krijgt je kind terug. Het geneest.
Maar iedere nacht zal je dromen dat het opnieuw
gegrepen wordt, uit de achtbaan, van de rotsen,
omkomt in een tijstroom. Ontwakend
zie jij je kind, en iedere avond moet je slapen.
De keuze is zo gruwelijk, dat wij er liever niet over nadenken. Liever zeggen wij tegen de schrijver dat het onethisch is om mensen voor zo’n keuze te stellen; eigenlijk mag je dat niet doen. En zo denken we ervan af te zijn. Maar de schrijver heeft geschreven wat hij geschreven heeft en wat wij gelezen hebben kan niet meer ongelezen worden: wij moeten erover blijven nadenken.

Tomas Lieske is geen schrijvertje, maar een schrijver. Van degelijke boeken, die allemaal op de hoogste plank gezet kunnen worden. Voor zijn debuut Oorlogstuinen (1992) kreeg hij de Geertjan Lubberhuizenprijs; Nachtkwartier (1995), Franklin (2003) en Gran Café Boulevard (2005) werden genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs, die voor Franklin ook daadwerkelijk werd toegekend; Hoe je geliefde te herkennen werd bekroond met de VSB Poëzieprijs en zijn vorige roman, Dunya (2007) werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs.

Wat je ook van Lieske leest, je laat je als lezer graag meevoeren door zijn verzorgde stijl en door zijn vermogen met een paar zinnen een hele wereld op te roepen. Voor je het weet, loop je rond aan het hof van Filips II (Mijn soevereine liefde, 2005), in het Turkse binnenland (Dunya) of in het fictieve dorpje Lodron (Een ijzersterke jeugd, 2008).

In dat laatste boek (een novelle noemt Lieske het; andere auteurs zetten op een boek van die omvang gerust ‘roman’) raak je nogal in verwarring. De opvattingen van de partijleden die met zijn vieren intrek nemen in het dorp zouden zo uit de jaren dertig van de vorige eeuw kunnen zijn; ze liggen dicht bij die van de NSDAP. Maar het boek speelt in een meer fictieve tijd, dichter bij ons, zodat we met meer kracht gezogen worden in de wereld die Lieske voor ons gebouwd heeft. Je hebt het idee dat de schrijver aan de tijd gemorreld heeft.

Ook in zijn nieuwste roman, Alles kantelt, manipuleert Lieske de tijd. Dat gebeurt meer in de literatuur. A.F.Th. van der Heijden versnelde de tijd, Martin Amis (Time Arrow) en Jan Hanlo (‘Wij komen ter wereld’) lieten de tijd achteruitlopen en K. Schippers (Waar was je nou) liet de hoofdpersoon met tussenpozen verdwijnen in het verleden.

Lieske doet het nog weer anders. De vierendertigjarige Anton Milot lijdt aan epilepsie. Hij krijgt geen aanvallen waarbij hij volledig wegraakt. ‘Ik val niet, maar iedereen zal kunnen constateren hoe veelbetekenend de begrippen samenvallen en uiteenvallen voor mij zijn.’

Als hij in het ziekenhuis is voor een onderzoek, krijgt hij een aanval. Daarna blijkt hij vergeten te zijn dat hij weduwnaar is en dat zijn geliefde Robin vier jaar geleden omgekomen is.

Thuis neemt Anton het besluit ‘de tijd grondig te herstellen’. Hij bekijkt albums vol foto’s. Op een losse foto, een schoolfoto uit ongeveer 1950, ziet hij zichzelf, zeven of acht jaar oud.
Deze jonge Anton komt hij de volgende dag tegen.

Weer een gedachte-experiment: stel dat je je jongere ik zou kunnen ontmoeten. Hoe werkelijk (binnen de wereld van het boek) die ontmoeting is, is lastig uit te maken; de waarneming van de epileptische Anton is immers onbetrouwbaar. Maar als lezer ga je graag in de gedachtegang van de schrijver mee.

Een stapje verder geredeneerd: als zoiets zou kunnen, dan zou je je als volwassene moeten kunnen herinneren dat je als kind je toekomstige ik ontmoet hebt. De schrijver noemt het, voordat we dat zelf als kritische vraag kunnen stellen en blijft ons zo een stap voor.

Natuurlijk is het een krankzinnige situatie en toch heeft ze iets vanzelfsprekends. De jongen blijkt bij de eerste ontmoeting zo’n acht, negen jaar oud te zijn. Maar zijn werkelijke leeftijd is lastig te bepalen en bovendien heeft Anton het idee dat het jongetje niet bij elke ontmoeting dezelfde leeftijd heeft. ‘Zijn leeftijd valt het best te omschrijven als de leeftijd waarop alles nog onschuldig is, maar je ziet dat het gaat kantelen.’

Bij een van de ontmoetingen vraagt Anton de jongen of hij mee gaat op een reisje door Duitsland. De jongen moet het eerst ‘thuis’ vragen, maar uiteindelijk zijn er geen bezwaren. Hij gaat mee.

Samen met de jongen haalt Anton herinneringen op. Vooral aan de tijd vlak na de oorlog, toen er in het gezin tijdelijk een Duits meisje, Rosemarie, werd opgenomen. Antons herinneringen daaraan zijn vaag, maar het jongetje weet er natuurlijk alles van.

Het is niet altijd duidelijk wie de verteller is in de scènes die in het verleden spelen.  Is dat het jongetje? Is dat Anton die het zich nu toch allemaal weer herinnert? Lieske laat het mooi in het midden en toont ons wat er gebeurd is of op zijn minst gebeurd had kunnen zijn. In deze herinneringen vallen de volwassene en het kind samen, zoals in elke herinnering: je herinnert je iets terwijl je volwassen bent, maar tegelijkertijd ben je het kind dat je je herinnert. Je kunt ook zeggen dat je in de herinnering je kinderlijke ik afsplitst van je volwassen ik.
  
Anton zei al dat de begrippen samenvallen en uiteenvallen veelbetekenend voor hem zijn. Ze zijn het voor ons ook. De splitsing in twee personen is niet een verzinsel van de schrijver, maar iets wat we geregeld meemaken. Lieske stelt het ons alleen maar helderder voor ogen.

Antons herinneringen draaien om wat er met Rosemarie is gebeurd. Je hebt het idee dat ze er werkelijk omheen draaien, totdat dat niet meer kan en hij zich moet herinneren wat de aanleiding voor haar vertrek was. Wat dat was, kan hier natuurlijk niet verklapt worden.

Alles kantelt is, net als veel van Lieskes boeken, een toproman. In het hele boek hangt spanning: de spanning tussen Anton en zijn jongere ik, tussen de jonge Anton en Rosemarie, tussen de werkelijkheid en de verbeelding. Je hebt het idee dat ook in het boek van alles kan kantelen, dat gebeurtenissen zomaar een zet kunnen krijgen en een richting op kunnen gaan die je niet had voorzien. In een boek waarin je je jongere ik tegenkomt, kan immers (bijna) alles.

En steeds weer blijkt Lieske de touwtjes in handen te hebben. Niet alleen stuurt hij het boek, maar ook ons waarheen hij wil. Dat laten we graag gebeuren. Hopelijk is Lieske alweer aan een volgende roman bezig, want we willen meer van hem. Meer! Meer!


Andere bijdragen over Tomas Lieske
Door de waterspiegel
Gran Café Boulevard
Franklin

woensdag 1 juni 2016

Nog in morgens gemeten (Koos van Zomeren)

Nu ik door de examen- en correctiedrukte er niet meer toe kom om welk boek dan ook te openen, plaats ik wat oud werk, dat nog niet op mijn weblog te vinden is. Wel hier, DBNL. Tien jaar geleden verscheen het in het tijdschrift Liter, in de afdeling 'Maatwerk', waar een recensent vrijheid kreeg om persoonlijke stukken te schrijven naar aanleiding van boeken. Ik ging aan de hand van een boek van Koos van Zomeren terug naar mijn jeugd.



Onbetreedbaar landschap

Voor op het boek staan knotwilgen, met pruiken waar de wind doorheen waait. Voor de bomen is ruigte: lang gras, of misschien is het riet. Daarachter is een weiland. Nog in morgens gemeten heet het boek, geschreven door Koos van Zomeren. Toen ik het in mijn hand nam, stak meteen de wind op in de knotwilgen bij het huis van Zwijnen, buitendijks, het weiland werd de uiterwaard. Het huis is intussen weg. Gesloopt bij de dijkverzwaring of misschien al bij de aanleg van de A50. Of de knotwilgen er nog zijn, weet ik niet. Ik zou erheen moeten rijden en gaan kijken.

In mijn hoofd zijn ze er nog, evenals het huis, dat nog tegen de onverzwaarde dijk geplakt zit. Ik kan er doorheen lopen, de keukendeur openen, het donkere keukentje in kijken, waar het meteen weer naar gekookte aardappelen ruikt, of het trapje (al die trapjes!) naar de kamer nemen en dan zit Alie, zoveel jaren na haar dood, nog gewoon te breien (of haakte ze meer?) en langs de wanden van de kamer hangen lange slingers sleutelhangers.

Waar het huis stond, heette het Andelst, denk ik, maar voor mijn gevoel hoorde het gewoon bij Herveld, het dorp waar ik opgegroeid ben. Eigenlijk rekende ik de hele streek van Slijk-Ewijk tot Dodewaard tot mijn gebied. Waarschijnlijk omdat in het oosten ervan mijn grootouders van vaders kant woonden (opa en opoe Loenen) en in het westen mijn andere grootouders (opa en opoe Dooiewèrd). Eigenlijk heette het daar geen Dodewaard (dat lag nog iets meer naar westen), maar Hien, maar die plaatsnaam hebben wij nooit gebruikt. Opa en opoe woonden buitendijks, een (wat zal het geweest zijn?) dertig meter van de Waal. Als ik er logeerde, werd ik 's ochtends wakker van het ronken van de schepen en als het hoog water was, was het huis alleen per roeiboot bereikbaar. Bij extreem hoge waterstanden legden mijn grootouders een plank van het keukenraam tot op de heining van het weiland voor hun huis, zodat bezoekers via deze loopplank door het raam naar binnen konden, maar dat heb ik me door mijn moeder laten vertellen; ik herinner het mij niet.

Koos van Zomeren schrijft niet over Herveld, Andelst of Dodewaard, maar over Herwijnen. Hij schrijft niet over de Over-Betuwe, maar over de Tielerwaard-West. Hij schrijft niet over Alie Zwijnen, Piet Petoet of Hend de slèk (de slak) maar over Leendert van Zandwijk en Willem Bijl. Ik ken Herwijnen niet, maar Van Zomeren leert me het dorp kennen en al gauw wordt het een dorp waar ik vroeger naar toe had kunnen fietsen, al deed ik dat dan niet. Een dorp als Randwijk of Heteren. Misschien zijn uiteindelijk alle dorpen vergelijkbaar.

Van Zomeren beschrijft hoe het landschap veranderd is door de ruilverkaveling, die in 1958 voltooid was (bij ons later). Hoe de huizen in 't Rot daarbij gesloopt werden. Ze hadden in de jaren vijftig waterleiding gekregen. ‘Pas in de jaren vijftig’ schrijft van Zomeren, maar ik herinner me nog dat de dikke Ome Henk (samen met Gètje?) de pomp in onze keuken verving door een kraan. Dat moet in de jaren zestig geweest zijn en ik schat dat het niet voor 1965 was.

Behalve de pomp hadden we de put, maar pompwater noch putwater was geschikt voor de was. Als mijn moeder de was moest doen, zette ze een teil op de kruiwagen en liep ermee van de Merkenhorststraat naar de Dijkstraat, waar tante Annie woonde, die wel een kraan had. Dat heb ik mij tenminste laten vertellen en sinds die tijd ‘herinner’ ik het me.

Een jaar lang (2004) heeft Van Zomeren rondgestruind door Herwijnen, om na te gaan in hoeverre de herinnering nog leefde aan het landschap van voor de ruilverkaveling. Verder wilde hij weten hoe het nu zat met de ‘moord’ op Herwijnen: een boswachter (Van Zandwijk) doodt in 1951 een stroper (Willem Bijl), met een geweerschot. Maar misschien was het geen moord. Het kan een ongeluk geweest zijn. Het kan zijn dat het geweer afgegaan is toen de boswachter de stroper ermee sloeg. Zoals bij alles blijkt er niet één waarheid te zijn. Het is een kluwen van verhalen geworden. Misschien was zo'n gebeurtenis wel te groot voor een klein dorp, schrijft Van Zomeren, maar ik vermoed dat elk dorp dit soort grote gebeurtenissen met zich meedraagt.

In Herveld was er een boerderij die ‘de Moordakker’ heette en de straat waaraan die stond heette intussen ook de Moordakkerstraat. Daar zal vroeger wel wat gebeurd zijn, al herinner ik me niet dat daarover werd gesproken. Wij vroegen er ook niet naar. En in de Rozenstraat (daar heet het Andelst, vermoed ik) werd op een ochtend Karel van Dijken gevonden. Karel moet een imposante man geweest zijn; groot, breed en ontiegelijk sterk. Hij woonde alleen, dronk veel en maakte dan ook wel eens ruzie. Hoe het er op de bewuste nacht aan toe gegaan is, kan niemand vertellen, maar Karel werd 's ochtends gevonden, tot zijn nek in de mestvaalt bij zijn huis, een mes in zijn rug. ‘Hij heeft het overleefd, maar de kracht was hij kwijt’, vertelt mijn vader. Ik heb altijd aangenomen dat hij zich de gebeurtenis uit zijn jeugd herinnerde, maar nu ik ernaar vraag, vertelt hij dat het nog voor zijn geboorte gebeurd is. Jaren twintig, waarschijnlijk. Het verhaal is nog springlevend.

Van Zomeren reconstrueert het dorp van zijn jeugd, het landschap van zijn jeugd, maar, zoals hij zelf schrijft, eigenlijk is het de reconstructie van een jeugdliefde. Dat merk je ook aan zijn toon. Het is de toon waarop je praat over een geliefde, met wie je een tijd het leven gedeeld hebt, maar die nu onbereikbaar voor je geworden is. Het dorp van toen, het landschap van toen, het is er maar zeer ten dele nog. Van Zomeren: 
Misschien moet je van een plek proberen te houden zoals je van een persoon zou moeten houden: je leven lang, door dik en dun, in voor- en tegenspoed. Maar de tijd verstrijkt in het ene geval anders dan in het andere, of dat verstrijken uit zich in ieder geval anders. Mensen verouderen en dat is een proces waarin je zelf, of je wilt of niet, meegaat. Een dorp daarentegen vernieuwt zich en dat is een proces waarin je, hoe vitaal je ook denkt te zijn, vroeg of laat wordt buitengesloten.
Wellicht dat er daardoor wat weemoed drijft op veel van Van Zomerens zinnen. Zonder dat ze week worden, overigens. Hoezeer hij het landschap van zijn jeugd ook oproept, het blijft een herinnerd en daardoor onbetreedbaar landschap. Niet voor de lezer, die zo in het boek kan stappen en aan de hand van de schrijver mee kan lopen over de dijk of over ‘de Pad’, maar wel voor degene die als kind daar gelopen heeft, toen de omgeving er nog anders uitzag, toen er nog andere mensen woonden, ‘toen iedereen nog leefde’.

Een verwoest landschap is het geworden, schrijft Van Zomeren. Het is een constatering, zonder woede. Graag had hij aan het landschap een mystieke waarde toegekend, maar ‘als je ontdekt dat een landschap waarin je eens de eeuwigheid hebt gezocht, maar een half mensenleven meegaat, kom je behoorlijk bedrogen uit.’ Eerst verloor de schrijver het geloof in God, daarna dat in het socialisme en nu blijkt ook het landschap niet eeuwig. Dan kan de wind koud beginnen te waaien.

Maar het heeft wel een boek opgeleverd als Nog in morgens gemeten. Een boek dat de dorpsjongen in mij bij zijn schouder vatte hem wakker schudde. Nog lang zal ik de keuken van Zwijnen ruiken, de wind door de knotwilgen horen waaien en dan zal het wel niet lang meer duren of die gerooide juttepeer bij mijn al gesloopte geboortehuis staat weer gewoon op zijn plaats en de schommel hangt al aan zijn tak op mij te wachten.


Meer over Koos van Zomeren op Bunt Blogt:
Meisje in het veen
Rondom Staal