donderdag 16 januari 2014

Verdwaald


Er zijn veel boeken die heel aardig zijn en sommige zijn zelfs goed. Ze zitten knap in elkaar, zijn vakkundig gemaakt, steken uit boven de middelmaat. Bij recensies krijgen die boeken vier sterren of bollen.  In de boekhandel staan ze op een prominente plaats.

Heel af en toe is er een boek dat je als een vuistslag treft, zodat je even wankelt. Het klauwt zich aan je vast en laat je niet meer los. Je hebt het boek gelezen, maar je hebt het nog lang niet uit. Het blijft zeuren (of neuriën) in je hoofd. Je slikt het door, maar even later ben je er weer op aan het kauwen. Zo'n boek is bijvoorbeeld het derde deel uit de serie Blast en ook Verdwaald van Shamisa Debroey valt in die categorie.

Waarom hangt dat boek nu al een week te schommelen in mijn hoofd? Verdwaald is niet zomaar een verhaaltje. Het toont ons een personage, een jonge vrouw en misschien is dat wel een alter ego van de auteur, dat vreselijk haar best moet doen om haar leven leefbaar te houden.

Haar ouders zijn er niet: haar vader stuurt haar elk jaar op haar verjaardag een levende vis en moeder is altijd onderweg, in Afrika bijvoorbeeld. De hoofdpersoon en haar broertje worden opgevoed door hun grootouders.

Natuurlijk mist de hoofdpersoon haar ouders. Dat wordt schrijnend duidelijk in het beeld dat Debroey gebruikt: van de personen die aan tafel zitten is het gezicht met zwarte vegen onherkenbaar gemaakt, alsof deze mensen er niet toe doen. De afwezige vader kan soms nog genegeerd worden, maar de onzichtbare moeder zit gewoon aan tafel. De afwezigen zijn zeer aanwezig.

Niet alleen fantaseert de hoofdpersoon over haar vader en haar moeder en voert ze hele gesprekken met hen. Het gaat zelfs zo ver, dat ze twee koppen koffie bestelt: een voor zichzelf en eentje voor bijvoorbeeld haar vader.

Eigenlijk is de hoofdpersoon doodongelukkig, maar ze beheerst zich. Ze heeft veel vragen, maar ze kan wachten op antwoorden. Tot ze het niet meer uithoudt en wel op weg moet gaan. Ze vertelt dat ze in een vliegtuig zit, maar we zien dat niet op de tekeningen. Zoals de werkelijkheid in haar hoofd soms anders is dan die om haar heen, verschillen ook tekst en tekening. Soms zie je bijvoorbeeld de vaderfiguur teksten zeggen die bij de hoofdpersoon horen.

Als ze verder wil leven, zal ze zich moeten verzoenen met het gemis en met haar afwezige ouders. De open plek zal ze een beetje op moeten vullen met mooie dingen. Aan het eind van het boek lijkt dat te lukken, maar je voelt hoe zwaar dat bevochten is.

Verdwaald heeft een hoge inzet. Het laat zien hoe iemand moet worstelen om het leven zo vorm te geven dat het te doen is. Ze moet door, zoals de haai waarmee het boek opent. De haai gaat namelijk dood als hij stilstaat en achteruit zwemmen kan hij ook al niet.

Debroey heeft een boek gemaakt dat zowel wonderschoon als pijnlijk is. De lijnen van haar tekeningen lijken soms wat zoekend, wat goed past bij hoe de hoofdpersoon in het leven staat. Doordat ze geen liniaalrechte lijnen gebruikt, lijkt er veel in beweging te zijn en weinig vast te liggen.

Ook het verhaal weigert zich goed vast te laten leggen. Het blijft bewegen in het hoofd van de lezer. Verdwaald is een boek waar je lang mee kunt doen.



dinsdag 14 januari 2014

Positron (Eva de Roovere)


Er is van alles dat kan dansen: bijen, bootjes op de golven, blije kinderen, misschien sneeuwvlokken wel. Laten we eens kijken wat Eva de Roovere  laat dansen in de bundel Positron.
Dans
Eeuwige sneeuw als aders op een hand
Als tranen over het land
Eeuwige zon op de zee, een zeemeermin
Als een zin op het strand
Eeuwig stil als haren in de wind
Als vaders zonder kind
Eeuwige dans van het licht op een gezicht
Als een kus in een zin
Dit korte gedicht zal niet voor niets 'Dans' heten. Dat zal dus wel de kern zijn.  In de eerste regel kan ik de dans nog niet ontdekken. Sneeuwvlokken kunnen dansen, maar eeuwige sneeuw ligt stil. Het verband tussen sneeuw en aders op een hand ontgaat me. Die aders liggen natuurlijk ook stil, maar dat lijkt me niet het meest kenmerkende. Koude aders? Witte aders?

In de tweede regel gaat de vergelijking verder. Wordt hier sneeuw vergeleken met 'tranen over het land'? Of  wordt misschien de dans uit de titel vergeleken met tranen over het land? Voor mijn gevoel zijn we van de sneeuw in de regel beland. Het zal dan toch geen eeuwige sneeuw geweest zijn. En regen die vergeleken wordt met tranen is een cliché zo groot als de staatsschuld van Griekenland.

In de derde regel krijgen we, zonder 'als', de zon. Eeuwige zon zelfs, op de zee. Hier kan ik me weer wel een vergelijking met 'dans' voorstellen. Het zonlicht danst op de zee, net als de zeemeermin misschien. Of wordt die zeemeermin vergeleken met een zin op het strand? En door wie wordt die zin dan uitgesproken of gedacht? Of wordt die zin geschreven? Ligt de zeemeermin als een regel op het strand?

Je kunt als lezer alle kanten op, doordat alle sturing ontbreekt. Maar welke kant je ook op gaat, je komt steeds nergens terecht. Je kunt nog zeggen dat de eerste strofe over verschillende weersgesteldheden gaat en je kunt ook nog bedenken dat dat die voor verschillende seizoenen staan, maar als het over de seizoenswisseling gaat, is het woord 'eeuwig' wel erg vreemd.

De tweede strofe is zo mogelijk nog vreemder: 'stil als haren in de wind', dat zal dus wel 'niet stil' zijn. Maar dan is het woord 'Eeuwig' ongepast. Nou ja, wel stil dus. Zo stil als vaders zonder kind. Of dansen die vaders juist omdat ze even zonder kinderen zijn?

Laat maar. De Roovere rommelt maar wat aan en zo gaat het in elk gedicht. De hele bundel staat vol met korte gedichten die geen van alle iets voorstellen. Gelukkig krijgen we nog een kus in een zin, maar zulke slechte gedichten laten zich niet afkussen.

Binnenkort verschijnt er een soortgelijk stuk op leesliter.nl.


maandag 13 januari 2014

Benno Barnard en het stilistisch vermogen van gereformeerden

Inde bijlage 'Letter en Geest' van Trouw van 11 januari 2014 las ik het essay 'Hap, zegt de tijger' van Benno Barnard. Het is een reactie op een stuk van Jaap Goedegebuure, van een week eerder, waarin laatstgenoemde betoogde dat geloof weer mag in de literatuur.

De strekking van het stuk van Barnard laat ik even rusten. Wel wil ik het hebben over de eerste alinea. Die luidt als volgt:
De theoloog Harry Kuitert reageerde op de Watersnoodramp van 1953 als Voltaire op de aardbeving in Lissabon van 1755. Op Wikipedia vind je dit erover: 'Veel van zijn kerkleden zijn bij de ramp namelijk om het leven gekomen die hij vervolgens moest begraven. De ramp leidde voor Kuitert tot een breuk met de gereformeerde dogmatiek, namelijk dat voor hem de goddelijke voorzienigheid niet opgaat.' (Zou de auteur van deze tekst gereformeerd zijn? Er is weleens beter Nederlands geschreven in die kringen.)
Mij interesseert de tekst tussen haakjes. Het is duidelijk dat Barnard niet zoveel waardering heeft voor het stilistisch vermogen van de schrijver van de tekst die hij citeert. Maar wat bedoelt hij met 'Zou de auteur van deze tekst gereformeerd zijn?'

Er zijn twee mogelijkheden: gewoonlijk schrijven gereformeerden in goed Nederlands. Deze tekst is in beroerd Nederlands opgesteld. De schrijver zal dus wel niet gereformeerd zijn. Of: als de schrijver gereformeerd is, schrijft hij slechter dan gebruikelijk is bij gereformeerden. De andere mogelijkheid is: aan de tekst te zien, is de auteur gereformeerd. Het is namelijk een beroerd geschreven tekst. Nou ja, niet iedere gereformeerde schrijft slecht: er is ook 'weleens' beter geschreven. Ik vermoed dat Barnard de eerste mogelijkheid bedoeld heeft als betekenis.

Dan blijft nog wel de vraag of je aan iemands stijl of stilistisch vermogen kunt aflezen of hij gereformeerd is. Eerlijk gezegd lijkt dat me sterk. Goed, orthodoxe gelovigen zijn natuurlijk in een woordcultuur en zelfs een Woordcultuur opgegroeid, maar volgens mij heb je in deze kringen zowel goede als slechte schrijvers.

Is Barnard trouwens gereformeerd?  Dat hij 'weleens' in plaats van 'wel eens' schrijft, is een kleinigheid, maar verderop in 'Hap, zegt de tijger' lees ik:
Het kostte hem in de oorlog internering in een gijzelaarskamp.
Nee, het leverde hem internering in een gijzelaarskamp op. Het kostte hem zijn vrijheid. Een gereformeerde had deze fout nooit gemaakt. Of juist wel? Dat moeten we Barnard even vragen.

vrijdag 10 januari 2014

Die vleugels


De laatste weken heb ik zoveel gelezen in de nieuwe dichtbundel van Leo Vroman, dat ik eigenlijk een nieuw, net exemplaar zou moeten kopen om in de kast te zetten, want het huidige begint verfomfaaid te raken. Zo vaak is het meegereisd in mijn tas, in een linnen tasje, op de bank van mijn auto. Het zal waarschijnlijk nog wel een tijdje met mij mee gaan en de gedichten zullen zeker nog een tijd bij mij zijn.

Die vleugels is een dikke bundel: 160 bladzijden gedichten, geschreven tussen begin maart 2011 en eind juni 2012. Vroman (bijna 99 jaar oud) heeft een enorme productie, van zo'n beetje een gedicht per drie dagen. Hij schrijft daarover: 'ik lijd sinds een paar jaar geleden / aan een ernstige lekkage. // Niet van urine of water / maar van gedicht na gedicht.'

Die gedichten zijn zoals we dat van Vroman gewend zijn: rijmend, met een losjes gehanteerd metrum; meestal licht van toon; scherpzinnig;  beschouwend; humoristisch. Meestal kijkt hij naar zichzelf en zijn eigen leven en vraagt zich af hoe alles daar precies werkt.

Maar soms is de buitenwereld zo nadrukkelijk aanwezig, dat de dichter er niet omheen kan. In de periode die Die vleugels beslaat, vond bijvoorbeeld de zeebeving in Japan plaats, en de moordpartij op het Noorse eiland Utoya. Vroman schrijft er ontroerende gedichten over, waarin hij zijn verdriet en zijn woede over die gebeurtenissen toont. Op 5 juni 2012 schrijft Vroman:
Nog hoeveel 
Lieve Aarde vol verdriet
om kinderhoofdjes ingedeukt
en moeders daarna stukgeneukt!
En al die doden ken ik niet 
behalve hoe mijn hoofd nog ziet
of met gesloten ogen hoort
van weer een volk uitgemoord,
maar al die doden ken ik niet. 
In een schijnheilig kleed gehuld
leeft een Monster dat nog smult
van het bloed dat men vergiet 
en ik blijf altijd nog vervuld
met mijn oud gevoel van schuld: 
al die doden ben ik niet
De dichter beseft dat er steeds weer mensen doodgemaakt worden en hij voelt zich schuldig omdat hij blijft doorleven. Het gedicht over Utoya begint met een beschrijving van wat Anders Brevik, 'één christelijke gek', deed. Vroman beschrijft de dood van één jonge vrouw, tot in detail. Blijkbaar komt dat afschuwelijke beeld bij hem op, waarna hij uitroept:
Help mij!
Lieverd, niet zo telkens weer
elke nacht worden doorkloofd
en weer verstommen
Jezus zij geloofd
en zo gestorven wezen
Jezus godverdomme
zij geprezen
PS
Is er een God, in godsnaam laat
dan die lieve God verdommen
alle kogels en alle bommen
naar een hel die niet bestaat.
Dat zijn heftige gedichten. Ze vallen op tussen de andere, waarin heftige emoties veel minder voorkomen. In het gedicht 'Gewoon zomaar' schrijft Vroman dat hij 'geen rechtstreekse opwinding' meer wil veroorzaken door woorden.

In veel gedichten is Vroman dan ook kalm, ook als hij het heeft over zijn hoge leeftijd, zijn naderende einde en de vragen over wat er na dat einde zal zijn. Hij lijkt nieuwsgierig te zijn naar hoe dat allemaal zal gaan. Maar er zijn ook dagen dat hij zich anders voelt. Dan schrijft hij over de dagen: 'ik voel / ze versnellen / en mij koel / omknellen / en de jaren, de jaren / die wurgen mij tot bedaren.'

Meestal is het voorbijgaan van de tijd niet angstwekkend. De dichter kijkt om zich heen en ademt het leven in. Er is zoveel te zien en te horen om van te genieten. Soms beseft hij ineens hoe snel die tijd gaat:
De klokken willen niet stil
staan en wekelijks worden wij zwakker.
Zo meteen spring ik op en gil
Liefste! Word wakker! Word wakker!
Onze tijd glipt naast ons voorbij!
Kus nu nog gezond
Kiss me! Kus mij
met die warme mond.
Vaak voelt hij zich wel senang in deze levensfase, die hij karakteriseert als: 'veilig weggedoken / in de schaduw des doods.'

Die vleugels laat zich lezen als een dagboek. Maar wel een dagboek uit vooral goede gedichten. Bij heel wat regels heb ik streepjes gezet, omdat ik ze nogmaals en nogmaals wil lezen. Wie deze gedichten leest, kijkt en denkt mee met een speelse en scherpzinnige dichter en dat is heel aangenaam.

Er zit veel liefde in de bundel. Voor Vromans geliefde Tineke natuurlijk, maar ook voor het leven, voor de werkelijkheid. Hij schrijft: 'zo kostbaar is mij nog altijd / deze lieve werkelijkheid.' Die liefde is zo groot dat ze ook het heelal omvat: 'Wat ik het meeste liefheb is / dit volledige heelal.'

Als Vromans hand na juni 2012 niet stilgevallen is, zullen er nog meer bundels komen, met heel veel gedichten. Ik zal ze weer even gretig lezen als deze en ik zal genieten van de vitale en rijke geest en heerlijke gedichten die dat oplevert.

(Binnenkort verschijnt er ook een recensie op leesliter.nl)

dinsdag 7 januari 2014

Amarillo (Blacksad 5)


De laatste jaren heb ik op stripgebied voornamelijk graphic novels gelezen. Dat heeft tot gevolg dat enkele series mij half of geheel ontgaan zijn. Onlangs kreeg ik Amarillo binnen, een deel van de serie Blacksad. Ik wist niet dat het een serie was en dat kun je ook niet aan het album zien: eerdere delen worden niet vermeld. Eén enkele keer wordt in een noot naar een vorig deel verwezen. Dat is het.

Ik ben dit Blacksadverhaal dus blanco in gegaan. Dat is een wat rare ervaring. Ik merkte dat alle personages dieren waren. Nou ja, wel met mensenkleren aan. Dat is natuurlijk eerder gebeurd: denk aan Donald Duck, Olivier B. Bommel en Maus. De dierfiguren zeggen wel iets over het karakter van de personages, maar je kunt je wel afvragen hoe functioneel de verdierlijking is. Bij mooie vrouwen is het dierlijke minder nadrukkelijk aanwezig: ze hebben een mensenmond en borsten. Blijkbaar moeten ze wel aantrekkelijk blijven.

Blacksad is een kat. Hij is FBI-agent en wil nu eens wat uit de wind blijven. Hij zoekt een rustig baantje waarin hij geen kogels hoeft te ontwijken en waarbij geen lijken vallen. Toch zit hij binnen de kortste keren in allerlei verwikkelingen.

Die verwikkelingen zijn wel aardig, maar veel meer ook niet. De scenarist Juan Díaz Canales  heeft gezorgd voor moord en doodslag, een verleden met geheimen, een liefde die een beetje opbloeit en veel gereis. Wie wil, kan verwijzingen aantreffen naar On the road van Jack Kerouac. Dat zal allemaal wel ingenieus gedaan zijn, maar het verhaal moet op zich ook goed zijn en eerlijk gezegd kon me dat maar matig boeien.

Met de tekeningen van Juanjo Guarnido is niets mis. Het verhaal speelt zich waarschijnlijk af in de jaren vijftig van de twintigste eeuw. Daarbij sluit de klassieke stijl van tekenen en inkleuren aan. Deugdelijk, soepel tekenwerk, waarbij de plaatjes stevig ingekleurd zijn.

Er zullen zeker liefhebbers zijn die zweren bij de serie Blacksad. Ik denk dat ik het maar bij dit ene deel laat.

Titel: Amarillo. Blacksad 5.
Scenario: Díaz Canales
Tekeningen: Juanjo Guarnid
Uitgever: Dargaud
hardcover, 56 pagina's, € 9,95







donderdag 2 januari 2014

Herman Pieter de Boer overleden (1928 - 2014)



Gisteren zag ik het, in het voorbijgaan: een klein vliegje, gevangen in het wereldwijde web: Herman Pieter de Boer overleden. Waar moest ik toen het eerst aan denken? Aan het gele boek, waarvan ik dacht dat het boven in mijn boekenkast stond. Louter streelzucht (1982) heet het en er staan aardige sonnetten in. De Boer noemde ze zelf 'sonnettines', misschien omdat ze vrij licht van inhoud zijn.

Bij controle bleek het boek verdwenen te zijn. Ongetwijfeld is het achtergebleven op een van de scholen waar ik gewerkt heb. Ik zal eruit voorgelezen hebben. Daar leenden de toegankelijke gedichten zich prima voor. In mijn boekenkast vond ik alleen Gekleurde gedichten, een bundel uit 1989, die ik dat jaar een paar maanden na mijn verjaardag kreeg. Het is een gegeven paard en ik zal het dan ook niet al te diep in de bek kijken, maar ik citeer er niet uit. Eigenlijk staat er geen enkel goed gedicht in. De illustraties bij de gedichten, van Roos Wiggers, zijn veel beter.

Als examinator bij de staatsexamens kwam ik De Boers poëzie nog niet zo lang geleden tegen. Een van de gedichten die wij de kandidaten voor mochten leggen was het volgende:
Een lerares die ik liefhad
Zij droeg een jurk, lang uit de mode,
en was zo mager als een lat,
een rare stokvis, maar ze had
zo'n zeldzaam mooie lesmethode,
voor die tijd eigenlijk verboden:
het scheen, ze praatte zomaar wat,
alsof je in haar kamer zat
te kletsen om de tijd te doden.
Het leek gezellig en verkeerd,
maar was, dat blijkt, geraffineerd:
ik ben in aardrijkskunde thuis.
Wat heb ik veel van haar geleerd,
ik had haar lief, mijn versje eert
mejuffrouw Schelts van Kloosterhuis.
Op internet is dit gedicht gemakkelijk te vinden, maar het wordt daar nogal mishandeld: twee keer vond ik het zo afgedrukt, dat er geen sonnet meer in te herkennen was. Een keer had iemand 'blijft' getikt, in plaats van 'blijkt'. Dat kan gebeuren.

'Een lerares die ik liefhad' is een helder gedicht en het is lief, ten opzichte van een lerares die door velen vergeten zal zijn, die nooit een man aan de haak geslagen heeft ('mejuffrouw') en die wellicht al lang overleden was toen De Boer het gedicht publiceerde.

Het is me bijgebleven, al is het niet meer dan een 'aardig' gedicht. Zo herinner ik mij ook het gedicht 'Het onvergetelijke', dat begint met een opsomming van allerlei activiteiten die de 'ik' niet gedaan heeft (skiën, mahjong spelen, konijn eten, sla telen). Het eindigt met:
Als ik die dingen zo eens tel,
heb ik meer niet gedaan dan wel,
ofschoon geboren lang geleden.
Dus wat mij des te sterker heugt,
is dit: ik heb eens in mijn jeugd
aan 't strand een ezeltje bereden.
De regel 'ofschoon geboren lang geleden' klinkt door de vreemde woordvolgorde niet helemaal lekker. Blijkbaar vond De Boer dat geen bezwaar. Ik herinner me dat er verder nog heel aardige sonnetten in Louter streelzucht te vinden zijn, maar niet meer welke.

De Boer schreef altijd helder en dat kwam ook tot uitdrukking in zijn liedteksten. Voor Lenny Kuhr, zijn toenmalige partner, schreef hij liedjes als 'Visite' en 'Ja maar' (zie onder) Hier reageert ze op zijn overlijden. Ik kocht indertijd het cassettebandje waarop het album stond. Ook moet nog ergens in een doos een cassettebandje liggen met Van een afstand van Boudewijn de Groot, uit 1980. Daarop staat 'Zolang ik niet beweeg', tekst Herman Pieter de Boer. Niet zijn beste tekst, overigens.

Voor Boudewijn de Groot schreef De Boer ook nog 'Vrolijke violen', dat stond op het album Een nieuwe herfst uit 1996. Toen Herman Pieter de Boer in 2002 een Gouden Harp kreeg, werd die dan ook uitgereikt door Boudewijn de Groot.

Herman Pieter de Boer schreef, naar eigen zeggen, meer dan zevenhonderd liedteksten. Enkele ervan kent bijna iedereen: 'Annabel' (Hans de Booij) 'O Waterlooplein' (Johnny en Rijk) 'Op een onbewoond eiland', 'Ik heb zo waanzinnig gedroomd' (Kinderen voor kinderen) en voor Ramses Shaffy vertaalde hij 'Laat me'.

Voor Conny Vandenbos schreef hij bijna vijftig liedteksten, maar meestal niet de teksten van de liedjes die hits zouden worden. Het bekendst werden het lied dat begon met : 'Weet je wat we doen? We doen geen klap vandaag' en 'Ome Arie'. Een compilatie van die liedjes was te horen en te zien in 2007 tijdens een hommage aan Conny Vandenbos. Herman Pieter de Boer vertelde toen wat over zijn samenwerking met de zangeres.

Eind jaren zeventig las ik geregeld wat van Herman Pieter de Boer in het blad De Tijd, waar hij elke week twee bladzijden vulde. In die tijd woonde ik in een internaat en in het weekend ging ik naar mijn ouders. Voor de terugweg in de trein kocht ik vaak een tijdschrift (Accent, Haagse Post, De Tijd) en ik heb goede herinneringen aan de stukken van De Boer.

Ik heb het idee dat hij daar mocht doen wat hij wilde. Soms plaatste hij een verhaal, soms een stel foto's. Vaak waren dat foto's van kariatiden, zuilen in de vorm van mensfiguren. Door De Boer heb ik het woord 'kariatide' leren kennen. Volgens mij stonden bij de stukken toen al tekeningen van Pat Andrea, met wie hij later twee boekjes over gebaren maakte. Die boeken heb ik.

Nooit heb ik een verhalenbundel van De Boer gekocht. Volgens mij las ik De vrouw in het maanlicht ooit als Bulkboek. De verhalen hadden meestal een vrolijke toon. Bijvoorbeeld dit verhaal:
De bruid
'Vader,' zei Ole, 'dit is mijn aanstaande vrouw.'
Hij duwde het meisje naar voren. Ze had een scheve neus en ze was zo scheel als de nacht.
'Potverdomme,' zei de vader, 'wat een lelijk kreng.'
Het meisje begon meteen te snikken.
'Maar vader,' riep Ole, 'nou maakt u haar aan het huilen. Hoe kunt u zeggen dat ze lelijk is? Bent u blind?
Hij trok het jakje van het kind naar beneden. 'Kijk toch eens wat een prachtige grote borsten.' Hij draaide het meisje om en tilde haar rokken op. 'Kijk toch eens wat een mooie ronde billen.'
'Nou je 't zegt,' zei de vader. 'Waarom liet je me dat niet meteen zien?'
'Och,' zei Ole, 'ik dacht er niet zo gauw aan.' 
Licht proza, aardig om te lezen. Dat is het dan ook wel weer, maar het is de vraag of dat erg is. Veel van wat De Boer geschreven heeft, is misschien niet van het hoogste niveau, maar het is altijd sympathiek. Dat zal te maken hebben met het karakter van De Boer. De keren dat ik hem hoorde op de radio of zag op de tv, maakte hij een sympathieke indruk.

Verschillende keren was hij te gast bij het radioprogramma 'Podium van de Nederlandse lichte muziek.' Of zoiets. Hij beoordeelde dan teksten van nieuwe Nederlandstalige muziek. Ik vond hem indertijd veel te mild. Ook over wat ik toen beroerd vond, had hij toch nog wel iets vriendelijks te zeggen.

Toen hij een paar jaar geleden te gast was bij het tv-programma Wintertijd , was hij veel kritischer over de hedendaagse liedteksten, al vond hij dat Blöf nog wel ging. In dat programma  las hij ook het verhaaltje 'De Bruid' voor. Graag had ik het filmpje hieronder geplaatst, maar blogspot vindt het niet, vreemd genoeg.

De naam van Herman Pieter zal misschien onder het stof verdwijnen, maar sommige van zijn liedteksten zullen zeker blijven. 'Laat me' blijft bestaan en ik vermoed dat kinderen nog heel lang zullen zingen dat ze wa-wa-wa-waanzinnig gedroomd hebben.

foto: eerlijkefoto.nl

Herman Pieter de Boer herdenkt Ramses Shaffy (met fragmenten van 'Laat me')


Conny Vandenbos zingt 'Het gaat niet over'.


Herman Pieter de Boer met de gouden plaat voor 'Op een onbewoond eiland', de grootste hit van Kinderen voor Kinderen. Lenny Kuhr zingt.

Lenny Kuhr zingt 'Maar ja'. Tekst Herman Pieter de Boer

Kinderen voor kinderen: Vakantieliefde. Tekst: Herman Pieter de Boer

woensdag 1 januari 2014

De vreemdeling


In de loop der jaren heb ik kans genoeg gehad om De vreemdeling (l'Etranger, 1942) van Albert Camus te lezen. Het is niet gebeurd. Dat het een goed boek is, blijkt uit de verschillende toplijsten waarin het is opgenomen. In 1999 kwam het op nummer 1 van de lijst in Le monde met beste boeken van de eeuw, gekozen door het Franse lezerspubliek. De Noorse boekenclubs en de Zweedse academie plaatsten het in 2002 in de lijst van honderd beste boeken uit de wereldliteratuur.

In plaats van het boek te lezen, had ik ook de films kunnen bekijken. Visconti verfilmde het in 1967 en Felix van Cleeff in 2011. Ook dat is niet gebeurd. Maar nu is er een verstripping van het boek, door Jacques Ferrandez.

Bij Camus denk ik altijd aan het existentialisme. Dat zal me ooit wel zo op school geleerd zijn. Getuige deze tekst had Camus nogal wat kritiek op het existentialisme. Hij zou beter tot het absurdisme gerekend kunnen worden.

In De vreemdeling, ook in de verstripping ervan, wordt in ieder geval de levenshouding van de hoofdpersoon duidelijk. Die hoofdpersoon is de in Algerije levende Meursault. In het begin van het boek krijgt hij te horen dat zijn moeder overleden is. Hij gaat naar haar begrafenis toe, maar toont geen emotie. De volgende dag begint hij een relatie met Marie, een vrouw op wie hij ooit verliefd was.

Als Marie aan Meursault vraagt of hij van haar houdt, zegt hij: 'Het betekent toch niks. Maar ik denk het niet.' Dat klinkt onverschillig en later in het boek blijkt ook dat anderen Meursault zien als onverschillig. Het is de vraag of hij dat is. Hij lijkt eerder de overtuiging te hebben dat het werkelijk niet uitmaakt welke keuzen je maakt in het leven.

Meursault gaat, met een vriend, Raymond Sintès, die zich min of meer opgedrongen heeft, naar het strand. Raymond wordt lastiggevallen door drie Arabieren. Een van hen trekt een mes en verwondt Sintès daarmee. Even later ontmoet Meursault de man met het mes. Door de warme zon is hij niet helemaal helder en als de Arabier een verdachte beweging maakt, waarbij het zonlicht schittert in het mes, schiet hij hem dood, met het pistool van Sintès. Daarna vuurt hij nog vier schoten op de Arabier af.

Meursault wordt gevangen genomen en berecht. Tijdens de rechtszaak blijkt niet de moord centraal te staan, maar Meursaults houding. Hij toont geen berouw, zoals hij geen verdriet toonde bij de dood van zijn moeder. Uiteindelijk wordt hij ter dood veroordeeld. In afwachting van zijn terechtstelling weigert hij geestelijke bijstand van een aalmoezenier.

De geestelijke komt toch bij hem in de cel, waar ze een heftig gesprek hebben. Hierin vertelt Meursault opnieuw dat het niet uitmaakt welke keuzen iemand maakt: '
Ik heb dit gedaan en niet dat gedaan! Ik heb dit leven geleid en geen ander! En wat dan nog? Niets, niets is belangrijk en ik weet waarom! En jij weet ook waarom dit leven zo absurd is! Wat doet de dood van anderen ertoe? De liefde van een moeder? Wat doet je god ertoe, de levens die we leiden, het lot dat we kiezen? Er is één lot dat mij kiest en samen met mij miljarden bevoorrechte mensen die het net als jij hun broeder noemen. (...) Iedereen is bevoorrecht! Ook alle anderen worden op een dag veroordeeld. Ook jij wordt veroordeeld! Wat maakt het uit of je terechtgesteld wordt omdat je een moord hebt gepleegd of niet hebt gehuild op de begrafenis van je moeder?! (...) Iedereen is bevoorrecht en iedereen is schuldig.
De stripvorm maakt het overtikken van de tekst lastig. Er worden alleen hoofdletters gebruikt en veel uitroeptekens en om niet bij elk ballonnetje een nieuwe alinea te beginnen, heb ik alles maar achter elkaar gezet.

Meursault ziet wel dat we verschillende keuzen maken en dat die gevolgen hebben, maar ten diepste maakt het niet uit. Er is een leven waartoe je veroordeeld bent of een waartoe je het voorrecht hebt.

In zijn cel denkt Meursault aan zijn moeder. Vlak voor haar dood moet ze zich bevrijd gevoeld hebben, klaar om alles opnieuw te beleven. Daarom had ook niemand het recht om te treuren om haar. Opgesloten, met de dood vlakbij, voelt ook Meursault zich klaar om alles over te doen. Hij is vrij, omdat hij geen hoop meer heeft.

De vreemdeling is een aangrijpend boek en de verstripping door Ferrandez is dat ook. Hij stelt zich bescheiden op, zoals ook iemand als Dick Matena dat doet: het boek moet zo goed mogelijk naar voren gebracht worden. Matena gebruikt in zijn strips zelfs de integrale tekst.

Fernandez tekent met inkt en kleurt in met waterverf. Op verschillende bladzijden is er één grote tekening, zonder kaders, die achter de andere plaatjes doorloopt. Vooral in het eerste deel zijn er veel lichte kleuren gebruikt, omdat steeds de zon schijnt. Dat geeft de indruk van een zekere lichtheid, die bedrieglijk is, want De vreemdeling is een ernstig boek.

Met zijn verstripping heeft Ferrandez De vreemdeling bereikbaar gemaakt voor een groter publiek. Ieder die het boek van Camus nog niet gelezen heeft, moet de verstripping maar kopen. Wie het boek wel gelezen heeft trouwens ook.

De vreemdeling. Naar de roman van Albert Camus
Scenario en tekeningen: Jacques Ferrandez
Uitgeverij: Blloan
hardcover, 136 blz. € 19,95