zaterdag 27 oktober 2018

Heel de tijd (Leo Pleysier)


Een van de bundels van Maarten Biesheuvel heet Reis door mijn kamer. In het titelverhaal is de werkkamer het startpunt voor het overal heen fladderen van de geest. Iets soortgelijks gebeurt er in Heel de tijd van Leo Pleysier.

Acht schrijvers

Het begint met een groepsfoto van acht schrijvers (waaronder Pleysier) in de jaren tachtig, die aan de wand van Pleysiers werkkamer hangt. Die foto roept herinneringen en andere gedachten op. Van tijd tot tijd keert in het boek die foto terug.
Soms denk ik: die Vlaamse schrijvers hier tegen de muur, wat hangen die daar toch feitelijk? Ik heb toch allang niets meer met ze te maken?
Of wél misschien?
Zes van de acht (naast Pleysier zijn dat Gust Gils, Leo Geerts, Eddy van Vliet, Ivo Michiels, Bert Popelier, Freddy de Vree en Hugo Claus) zijn intussen overleden. Pleysier herinnert zich nog de avond waarop de foto gemaakt is, het geroezemoes, de muziek, de schallende lach van Ivo Michiels en iemand van de uitgeverij die vond dat er nog een kiekje gemaakt moest worden. Als hij eraan terugdenkt, is het er voor Pleysier allemaal weer.
En dan nu zo stil jongens! Zo ontiegelijk stil dat jullie nu zijn.
De titel lijkt me op twee manieren uit te leggen. De gedachten zijn er heel de tijd, de hele tijd. Maar de dood heeft intussen zijn werk gedaan, dus er is ook iets kapot. De tijd moet geheeld worden. En dat kan in de verbeelding. In de verbeelding kunnen de schrijvers samen zijn en lekker gaan eten met elkaar. Dan zijn ze niet meer zo stil.
Gust Gils zorgt voor de wijn.
Hugo Claus gaat naar de bakker voor brood.
Ivo Michiels brengt look, pijpajuin, een aubergine en twee courgettes mee uit zijn Provençaalse moestuintje.
Leo Geerts schilt de aardappelen.
Eddy van Vliet snijdt de groenten voor in de soep.
Freddy de Vree gaat naar de markt voor de lamskoteletten.
Bert Popelier dekt de feesttafel.
Akkoord iedereen?
Zo te zien wel.
En afwassen?
Dat doen we daarna allemaal samen.
Het gesprek ('Akkoord iedereen?') wordt gevoerd in het hoofd van de schrijver. En zo zijn er meer gesprekken. Met God bijvoorbeeld, of met een klasgenoot die een klap in zijn gezicht kreeg van de scheikundeleraar. Eigenlijk is Pleysier in die gesprekken ook in gesprek met zichzelf. Hij bepaalt zijn positie, hij wordt zich bewust van zijn opvattingen, al schrijvend bereikt hij zichzelf. En vooral: hij maakt er een verhaal van, omdat wij nu eenmaal het liefst in verhalen leven, zodat er op zijn minst een suggestie van samenhang is.

Nostalgie

Heel de tijd zit vol nostalgie. Niet in de zin van het zwijmelen bij wat er vroeger was en nu niet meer, maar wel van het oproepen van de tijd van vroeger, toen zijn jongere broer een prachtig vogeltje kocht (een scharlakenrode tangara), toen de zoon van buurman liep te brevieren, toen je het geluid (nirken) kon horen van koeien die aan het herkauwen waren. Al die herinneringen zitten in het hoofd van de schrijver en maken deel van hem uit.  Door het verleden op te roepen, schetst Pleysier een zelfportret.

En daartussendoor is er het heden, waarin bijvoorbeeld een deel van de graven op de begraafplaats geruimd wordt. Zo verdwijnen de dierbare doden. Alleen de herinnering en de verbeelding houden hen nog vast, houden hen zelfs levend.

Een dwingende structuur ontbreekt in Heel de tijd. Sommige onderwerpen, zoals de foto van de schrijvers, komt verschillende keren terug, maar het geheel blijft vrij losjes. Dat is niet storend. De hele tijd is er immers de toon, de stem van de verteller, die we bijna horen praten tegen ons. Het is een persoonlijke manier van vertellen, altijd vanuit de persoon (in het nu of in het verleden). Ook als hij vertelt over bijvoorbeeld de demonstratie tegen kruisraketten in 1983, krijgen we niet een objectief verslag, maar zien we de verteller in die demonstratie, die vooral uit staan en uit wachten bestaat.

Tijd als taart

En in alles voelen we het voorbijglijden van de tijd. De tijd wordt gepresenteerd als een taart, waarvan iedereen een stukje krijgt. De volwassenen hebben hun stuk al voor het grootste deel op, maar het kind Leo Pleysier had nog heel veel taart te gaan.
Mijn eigen taart daarentegen had ik nog maar amper aangeraakt. En dus, zo dacht ik bij mezelf, ga ik proberen om heel zuinig te zijn op die lekkernij, want dan zal ik er nog veel en nog lang van kunnen smullen. Hopelijk. Als er niet te veel misgaat met of in mijn leven.
Heel de tijd is een sympathiek boek en het is mooi geschreven. Soms verliest de schrijver zich in lange opsommingen (bijvoorbeeld van de machines waar hij als kind medelijden mee had of van het werk dat door stielmannen wordt verricht) en die houdt hij dan net te lang vol, waardoor het een maniertje dreigt te worden. Maar dat moeten we maar vergeven, want er staat veel moois in Heel de tijd. 

Pleysier heeft al veel persoonlijke boeken geschreven, waarvan Wit is altijd schoon (1989) waarschijnlijk het bekendst is. Dunne boekjes, over het algemeen, waarin de schrijver zelf nadrukkelijk als verteller aanwezig is.

Intussen is Pleysier over de zeventig; hij heeft al flink van de taart gegeten. Gelukkig heeft hij in de loop van de jaren ons al heel wat laten meeproeven van zijn leven. Hopelijk duurt het nog even voor zijn bordje leeg is, zodat hij nog enkele titels aan zijn oeuvre kan toevoegen. We zullen ervan genieten.

vrijdag 26 oktober 2018

Pol en de vulkaan (Sanderhage / Capezzone)


Voor sommige strips heb ik in het verleden blijkbaar een blinde vlek gehad: ze kwamen niet op mijn pad of ik negeerde ze. Zo weet ik wel dat Pol een beertje is, maar indertijd heb ik de strips over het dier en zijn vriendjes nooit gelezen.

De strip Pol is van oorsprong Deens, de auteurs zijn Carla en Vilhelm Hansen, maar veel van de verhalen verschenen ook in het Nederlands: aanvankelijk bestond de strip uit stroken met daaronder de tekst (zoals bij de verhalen over Olivier Bommel en Eric de Noorman), later verschenen er ballonstrips.

In Pol zijn dieren de personages: Pol (een beer), Pelle (pelikaan), Admiraal (zeehond) en Pingo (pinguïn). De snavel van Pelle (met de zak eronder) fungeert als de knapzak van Douwe Dabbert: er zit altijd net in wat je nodig hebt. Verder zijn er, kleiner van formaat, een schildpad en een kale papegaai, die verder geen tekst hebben, maar die soms een dun verhaallijntje volgen, zoals de kat en de muis in Leonardo. Zoiets is altijd handig bij het herlezen van een strip: dan ontdekt een kind dingen die bij eerste lezing ontgaan zijn.

Zeventien oude verhalen verschijnen nu in heruitgave bij uitgeverij Silvester, opnieuw ingekleurd, vertaald en geletterd. Zoals gezegd: ik weet hoe de strip eruitziet, maar de oorspronkelijke delen zijn mij indertijd ontgaan. De verhalen zijn bedoeld voor de jonge lezers, die hun eerste stappen zetten in stripland.

Nieuwe verhalen

Maar er verschijnen ook nieuwe delen van Pol: de tekeningen zijn van Thierry Capezzone en Per Sanderhage schreef het scenario. Het eerste deel heet Pol en de vulkaan.

Aan het begin van het album treffen we de vertrouwde personages aan, evenals de boot Mary, waarmee de vriendengroep altijd de locaties bereikt waar zich de avonturen afspelen. Er is in dit deel veel gedoe om een losliggende plank aan dek. Voor de kleintjes is dat wellicht grappig, maar het houdt ook een beetje op. De aanloop tot de reis naar het Vulkaaneiland wordt daardoor nogal lang.

Op het Vulkaaneiland blijkt Pol bekend te zijn als stripfiguur: de havenmeester heeft al zijn avonturen gelezen. Misschien is dat een grapje, maar je kunt je ook afvragen of de wereld van de lezer en die binnen het verhaal niet gescheiden hadden moeten blijven. Nog even en de lieve lezertjes wordt gevraagd zich met het verhaal te bemoeien. Dat kan wel, maar dat geeft een andere strip.

Moeilijkheden overwinnen

Een held gedijt natuurlijk het best als er moeilijkheden overwonnen moeten worden. Vaten met peperkorrels barsten open bij het lossen, wat een massale niesbui veroorzaakt. Kan dat eigenlijk wel? Is het niet juist de gemalen peper die een kriebel in de neus veroorzaakt? Hoe dan ook, door het genies worden alle vuren gedoofd en Pol en zijn makkers moeten naar de vulkaan om daar het vuur te halen. Natuurlijk komt uiteindelijk alles goed.

Ik denk dat voor jonge lezers Pol een aardige strip is. Voor oudere lezers, die geen last hebben van jeugdsentiment is er in de strip niet veel meer te halen. Mij overtuigde de strip niet. Ook omdat er een zo groot verschil tussen de verschillende bladzijden is qua tekeningen: scènes met bewust simpel gehouden decors, gaan over in passages waarin bijvoorbeeld een dorp redelijk gedetailleerd getekend is, maar de rook uit alle schoorstenen, lijkt er dan weer snelsnel bij gekalkt te zijn. Soms had het tekenwerk mogen krijgen.

Maar goed, misschien is Pol voor jonge lezers een mooi opstapje naar betere strips. En mogelijk denken oudere lezers terug aan de tijd dat ze de verhalen van Pol voor het eerst laten, waardoor zich een ach-gut-gevoel van hen kan meester maken. Ja, zeg dat wel: de tijd gaat snel.


Titel: Pol en de vulkaan
Auteurs: P. Sanderhage (scenario), T. Capezzone (tekeningen)
Uitgeverij Silvester, 's-Hertogenbosch 2018.
softcover, 32 blz. € 6,95

donderdag 25 oktober 2018

Podcast: Eindbazen


Hoe ik er ooit toe gekomen ben om een aflevering van de podcast Eindbazen te beluisteren, kan ik me niet meer herinneren. Waarschijnlijk was het een suggestie in iTunes. Sinds die tijd luister ik van tijd tot tijd. Soms haak ik al snel af, andere keren haal ik het einde, weer andere keren ben ik de hele aflevering lang geboeid.

Ik ben niet gewend om iets over een podcast te lezen; zo bezoek ik eigenlijk nooit een bijbehorende site en lees ik ook niet de bijbehorende informatie. Dat doe ik alleen als ik er iets over schrijf. Daardoor ben ik er ook niet zeker van of ik deze podcast juist typeer. Toen ik voor de eerste keer luisterde, waren er zeker al zo'n tachtig afleveringen geweest. Ik heb nog wat oudere gesprekken doorgenomen en heb verder bij elke nieuwe aflevering afgewogen of ik die zou beluisteren. Meestal gaf ik die een minuut of twintig een kans.

Eindbaas

Mijn indruk is dat de podcast gaat over leiderschap. De wat vreemde naam 'Eindbaas' verwijst al een beetje in die richting. In het woord 'baas' speelt misschien ook de jongerentaal wat mee, waarin iemand voor wie je respect hebt, 'een baas' genoemd kan worden en het woorddeel 'eind' is al vaker bijna zonder betekenis gebruikt. Als je wilt weten wie ergens verantwoordelijk voor is, kun je vragen: 'Wie is de verantwoordelijke?', maar je hoort mensen evengoed vragen: 'Wie is de eindverantwoordelijke?'

In iTunes staat bij de omschrijving: 'Michiel Vos en Wiggert Meerman spreken tijdens deze podcasts met bijzondere mensen -Eindbazen- die een uitzonderlijke prestatie of bijdrage hebben geleverd op het gebied van sport, wetenschap, ondernemen, cultuur, maatschappij of technologie.' Dat is zo breed dat zo'n beetje iedereen wiens kop een eindje boven het maaiveld uit steekt eronder valt. De gesprekken kunnen variëren van lengte, maar duren gemiddeld ongeveer twee uur. Je vindt ze hier.

Aan het begin van de podcast maakt het tweetal altijd even reclame voor hun bedrijfje. Ze verdienen hun brood in wat op mij overkomt als de placebo-industrie: voedingssupplementen die goed zijn voor je brein. Voor Philip Corvage (Ivoren wachters) waren het noten, voor de schilder Terpen Tijn waren het augurken. Als je het gelooft, werkt het.

Reclame en aankondigingen

In het spotje suggereren ze dat je gegarandeerd je geld terugkrijgt: 'money back guarantee'. Dat is een opmerkelijk verdienmodel. Ik denk dat ze 'Niet goed, geld terug' bedoelen. Tegenwoordig beslaan de reclame plus aankondigingen van bijeenkomsten, workshops en zo een minuut of vier aan het begin. Die kun je dus overslaan. Zo rond aflevering nummer 95 van de podcast kon de duur van het inleidende stukje oplopen tot een minuut of negen en een enkele keer zelfs tot bijna twaalf minuten. Ik vraag mij af hoeveel mensen dat hebben volgehouden en nog gewoon naar het daarop volgende gesprek hebben geluisterd.

Ik volg de podcast een beetje halfhartig. Altijd erger ik me aan het taalgebruik van de interviewers, waarin veel in het Engels moet, net als bij sommigen van hun gasten. Dan krijg je zinnen als 'Mensen pooren heel erg hun heart out' of 'Daarin ben ik wel hesitant' of 'Jij bent toch ook van het disrupten van markten?' of 'Ik heb ook wel eens zo'n disconnect gehad.'

Soms loopt het de spuigaten uit. Ik herinner me een gesprek met iemand die zich 'lifecrafting coach' noemde. Je vermoedt dat het een functie is die de persoon zelf verzonnen heeft. Wat het precies inhoudt, weet ik niet. Het taalgebruik van deze dame was zo abominabel, dat ik na een kwartier gestopt ben. De dokter heeft me daarna een zalfje voor mijn oren voorgeschreven.

Taal

Taal is het zwakke punt in deze podcast. Er kan iemand aangekondigd worden die iets te maken heeft met '365 dagen succesvol', waarbij je je afvraagt waarom iemand genoegen neemt met een succes dat maar een jaar duurt. Misschien wordt er bedoeld dat je, wanneer je deze goeroe volgt, 365 dagen per jaar succesvol bent of dat je in 365 dagen succesvol kunt worden, maar dat is iets anders dan '365 dagen succesvol'. Later kom ik op het taalgebruik terug.

Want, ondanks de taal heb ik wel al heel wat gesprekken beluisterd. Soms geboeid van begin tot eind (de gesprekken met Toon Gerbrands, Dick Berlijn, Marianne Thieme, Bas Haring bijvoorbeeld) en bij andere gesprekken zit er vaak wel iets in waar je nog even over kunt nadenken. Jan Terlouw mocht zijn vertrouwde verhaal vertellen, maar dat is altijd wel prettig om aan te horen.

Goede luisteraars, enthousiaste reageerders

Vos en Meerman zijn goede luisteraars, die enthousiast reageren op wat de geïnterviewde te vertellen heeft. In principe staan ze aan zijn (meestal 'zijn', soms 'haar') kant. Ze willen weten wat de ondervraagde precies bedoelt en reageren met herkenning. Soms zijn de interviewers een tijd lang aan het woord als ze anekdotes uit hun eigen praktijk vertellen.

Maar hun manier van interviewen maakt de gesprekken wel aangenaam om te beluisteren. Zeker als je bedenkt dat ik bepaald niet tot de doelgroep van de podcast behoor. Gewoonlijk beluister ik podcasts op het gebied van de cultuur: literatuur, geschiedenis, muziek, wetenschap.

Wat zij aan de orde stellen, stemt ook tot nadenken over de wereld waarin we leven. Veel cursussen en termen waarnaar ze verwijzen komen uit Amerika en die Amerikanisering gaat blijkbaar hard in het bedrijfsleven. Als iemand het zwaar heeft op zijn werk, moet hij 'timemanagen': zijn werk zo indelen, dat hij meer kan doen op een dag. Het zal wel goed zijn voor de productiviteit, maar het is de vraag of je leven daar beter van wordt.

Maar ook in de gesprekken zelf worden vraagtekens gezet bij een begrip als 'duurzame inzetbaarheid'. Dat zegt iets over de manier waarop medewerkers worden beschouwd: als mensen die ingezet kunnen worden. Pionnen in het arbeidsproces.

En weer de taal

Taalgebruik heeft altijd mijn aandacht en het lokt gemakkelijk mijn kritiek uit. In deze podcast ergert het mij niet in de eerste plaats, maar het vertelt me ook iets over een wereld waar ik verder weinig contact mee heb.

Als ik de zin hoor 'Je kunt het ook in huis laten doen', denk ik aan mijn huis, maar daarna volgt 'met het hele team'. Ah, men bedoelt niet 'in je huis' maar 'op je eigen bedrijf'. Maar dat dat 'huis' wordt genoemd is natuurlijk al tekenend.

De belevingswereld van Meerman en Voss is een gans andere dan de mijne en dat levert soms een mooie botsing van interpretaties op. Toen de term 'personal coach' viel dacht ik aan iemand die bijvoorbeeld een directeur begeleidde, iemand met wie hij of zij van gedachten kon wisselen over zijn of haar manier van leidinggeven. Het bleek over sporten te gaan.

Goudmijn

Het is een wonderlijke wereld, waarin mensen 'verandercompetenties' willen of waarin het gaat over 'persoonlijk leiderschap'. Ik ga ervan uit dat leiderschap altijd persoonlijk is. Een wereld waarin gepraat wordt over hoe je mensen werft voor 'seminars', waarin het kan gaan over 'sexy onderwerpen', waarin je mensen 'aangehaakt' moet houden, waarin het gaat over 'kennisinjecties' en 'mindset', waarin mensen 'accountable' zijn en waarin iets wat georganiseerd is een 'event' heet. Kennis moet natuurlijk 'geïmplementeerd' worden en er wordt gesuggereerd om mensen te laten 'auditen' en dat je specialisten kunt laten 'invliegen'. Een goudmijn voor Japke-d Bouma.

Deze passage noteerde ik letterlijk (voor zover ik het goed gehoord/begrepen heb).
Dat is dan het stukje workflow. En andere dingen die worden gepreekt (gepreegd?) binnen je character zijn dingen als goalsetting, een broadmap hebben, missie, visie, dat soort dingen, zijn daar componenten die je gebruikt? Ik bedoel: dit manifesteer je niet zomaar, daar zul je wel iets van een structuur voor gebruiken.
Dat is toch heel wat anders dan 'Bakker, twee grof volkoren' of 'Ik moet nodig pissen.'

Je moet een beetje (= heel erg) door de woordenbrij heen luisteren, maar dat is mij in veel gevallen toch wel gelukt, waarschijnlijk door het enthousiasme en de betrokkenheid waarmee de gesprekken gevoerd worden.

Voor mij is Eindbazen geen podcast om in alle gevallen te beluisteren, maar van de nieuwe afleveringen beluister ik er meer wel dan niet.  Aardige podcast. En voor degenen die houden van modieuze managerstaal is het een must.

vrijdag 19 oktober 2018

Code Kattenkruid (Jacques Vriens)



'Hoe mijn opa vrolijk doodging' is de ondertitel van Operatie Kattenkruid, een jeugdboek van Jacques Vriens. Op de omslag is dat 'vrolijk' ook nog eens in geel gedrukt. De voorkant van het boek spreekt mij verder helemaal niet aan, maar ik behoor ook niet tot de doelgroep. Geef mij toch maar een omslag als dat van Lampje.

Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik nog nooit (ja, letterlijk) een boek van Jacques Vriens heb gelezen. Uit mijn hoofd wist ik alleen de titels Die rotschool met die fijne klas (1976) en Achtstegroepers huilen niet (1999) te noemen. Maar het is wel een naam in de wereld der kinderboeken en ik had het idee dat zijn bibliografie enkele tientallen titels zou beslaan.

Nu ik het wikapedieer, blijkt mijn leesachterstand nog groter dan ik dacht: het aantal titels dat Vriens op zijn naam heeft staan, nadert de honderd. Twee keer een zilveren griffel gehad, wat mooi is, maar ook weer niet overdreven veel, gezien de omvang van het oeuvre.

Net als bij 67 seconden van Jason Reynolds was het de Grote Vriendelijke Podcast die mij het boek deed aanschaffen. Aan de ene kant vanwege het onderwerp, aan de andere kant vanwege een soort schuldgevoel: ook al geef ik al jaren niet meer les aan onderbouwklassen, ik vond dat ik toch onderhand in ieder geval iets gelezen moest hebben.

Operatie Kattenkruid gaat over Opa (Marinus) en kleinzoon Stijn, die net dertien is. Bij het begin van het boek heeft Opa te horen gekregen dat hij kanker heeft, of, zoals hij het zelf zegt, dat er een krab in hem zit die steeds groter wordt. Opa besluit om niet allerlei behandelingen te ondergaan, maar om gewoon het fietstochtje van enkele dagen met Stijn, dat ze al gepland hadden te ondernemen. Hij wil ook niet het einde helemaal afwachten.
'Ik ga trouwens niet zitten wachten tot ik langzaam in elkaar stort van ellende en eindig als een plant, want ik stap er eerder uit.'
Ik schrok en stamelde: 'Maar opa...'
'Niks, "maar opa". Misschien ga ik vanzelf dood, maar als het niet anders kan, wil ik euthanasie. Weet je wat dat is?'
'Ja, dat je een prik krijgt en dat je dan... dan...' Ik kon het niet zeggen.
De familie vindt de fietstocht niet zo'n goed idee. Tante Yvon wordt ook wel als erg bevoogdend neergezet, maar Vriens houdt van duidelijkheid en is niet meteen genuanceerd in zijn karaktertekening. Maar hij is vakman genoeg om een personage niet helemaal eenduidig te maken: Stijn heeft wel in de gaten dat Yvon vooral bezorgd is.

Opa wil tijdens de fietstocht ook zijn geboorteplaats Maashegel bezoeken. Hij heeft er de eerste zeven jaren van zijn leven gewoond. Opa was een verwoed visser en blijkbaar was hij er ook erg goed in. Hij zegt dat hij karpers van wel twintig kilo gevangen heeft, wat me onwaarschijnlijk lijkt voor een jongetje van zeven jaar of jonger.

Vreemd genoeg kijkt Opa, als ze in Maashegel zijn, nauwelijks rond of hij er iets herkent, terwijl hij er al jaren niet meer is geweest. Hij gaat alleen even kijken naar waar de boerderij uit zijn jeugd stond. Er blijkt nu een supermarkt te zijn. Tijdens het fietsen wijst hij in het voorbijgaan naar de kleuterschool die hij bezocht heeft, maar die lijkt hem verder niet heel veel te interesseren.

Verder zijn er tijdens het tochtje niet zulke spectaculaire gebeurtenissen. Nou ja, het cliché van de lekke band heeft Vriens niet vermeden, maar waarschijnlijk ook om te laten zien dat Opa van een andere tijd is dan Stijn. Met een lekke band ga je niet naar de fietsenmaker; die repareer je zelf. Het gaat ook eigenlijk niet om de gebeurtenissen, maar om de relatie tussen Opa en Stijn.

Opa is een vrolijke ouwe baas en hij heeft wel een 'toon' die je gemakkelijk kunt aanhoren en wilt volgen. Aan de andere kant heeft Operatie Kattenkruid ook iets oubolligs, al kan ik niet goed achterhalen waar dat nu in zit. Misschien in de uitleggerigheid, die Opa bijvoorbeeld ook al heeft in het hierboven gegeven citaat. Maar ook in de gedeelten die zo duidelijk grappig en spannend moeten zijn: het naar het schuurtje smokkelen van een nieuwe elektrische fiets (voordat de tocht begint) en het ontlopen van tante Yvon en haar man in een pretpark bijvoorbeeld.

Een diepere laag, bijvoorbeeld die van de emotie, boort Vriens niet vaak aan. Wel als hij tekent hoe Opa in het verleden dreigde te verloederen na het overlijden van oma. Pas aan het eind, als het ook echt het einde van Opa is, wordt het boek aangrijpend.

Ik snap wel dat Vriens bij dit zware onderwerp (terminaal zieke man, euthanasie) een zekere luchtigheid wilde bewaren. Het gevolg is echter dat in een groot deel van het boek de tragiek wel erg op afstand blijft.

Aan het eind van het boek schrijft Vriens nog ruim een bladzij over euthanasie op een wat uiteenzettende manier. Blijkbaar wilde de uitgever de kinderen niet zomaar laten zitten met een dode opa.

Over het onderwerp euthanasie heb ik niet eerder een jeugdboek gelezen, voor zover ik mij herinner. Het komt wel voor in de literatuur voor volwassenen, bijvoorbeeld in Ik omhels je met duizend armen van Ronald Giphart. Ook bij hem blijven de emoties op afstand. Zelfs bij het overlijden van de moeder slaag Giphart er niet in om de lezer dichterbij te halen. Dat doet Vriens in die passage beter.

Een kinderboek waar ik wel af en toe aan moest denken is Een opa met gaatjes (1996) van Wally de Doncker, maar dat gaat over een opa die aan het dementeren is. Maar ook daar bezie je de opa door de ogen van een kleinkind en ook daarin is er sprake van aftakeling.

Dat Vriens een serieus onderwerp voor kinderen behapbaar of in ieder geval bespreekbaar heeft gemaakt is zonder meer een verdienste. Zijn manier van schrijven heeft niet meteen in mij het verlangen gewekt om ook de rest van het oeuvre van deze schrijver tot mij te nemen, ik ben blij dat ik in ieder geval iets van Vriens gelezen heb en in mijn oordeel niet meer alleen af hoef te gaan op vage vermoedens.

maandag 15 oktober 2018

Edena (Moebius)


Als iemand zegt: 'Eigenlijk houd ik niet van jenever', is de kans groot dat hij juist op dat moment een jonge in de hand heeft; eigenlijk houdt hij er niet van, maar deze is toch wel erg lekker. Zo'n uitspraak moet ik ook doen: Eigenlijk houd ik niet van science-fiction.

Ik ken niet de fijne onderverdeling in het genre, maar voor mij is alles science-fiction dat zich in de toekomst afspeelt. Vaak spelen daarbij ruimteschepen een rol. Voor de goede orde: ik lees het wel (tenminste in stripvorm) en ik heb hier ook al, positief, het een en ander besproken, bijvoorbeeld de boeken van Frederik Peeters of de albums van Ravian en Laureline en ook werk van Moebius kwam hier al voorbij. Maar het is nooit mijn eerste keus.

Als ik moet kiezen tussen bijvoorbeeld een western en science-fiction, weet ik het wel. Voor mijn gevoel liggen de beide genres ver uit elkaar, maar in de tekenaar Jean Giraud verenigen ze zich. Onder die naam tekende hij bijvoorbeeld Blueberry, maar hij tekende ook onder de naam Moebius, volstrekt ander werk.

Goed gedaan, dat wel. Maar ik moet me altijd wel ergens overheen zetten. Misschien omdat het allemaal net te weinig aards is. Te zweverig (letterlijk en figuurlijk), te dromerig, te symbolisch. Maar tekenen kan Moebius natuurlijk wel en, verdorie, hij kreeg me tijdens het lezen toch te pakken met Edena.

Edena
is een prachtig uitgegeven boek: gebonden, leeslint, glanzend papier. Het kan qua uitvoering naast andere kunstboeken in de kast. Het boek is een bundeling van de verhalen die afzonderlijke bundels zijn verschenen, maar die allemaal gaan over de fictieve wereld van Edena. Hoofdpersonen zijn Stel en Atan, een man en een vrouw, die reparaties verrichten in de ruimte. Ze komen in een hen onbekende wereld terecht en raken uit elkaar. Een groot deel van het boek is Stel op zoek naar Atan/Atana.

Gaandeweg worden Stel en Atana meer menselijk qua uiterlijk, meer man en vrouw. Wie wil, kan de hele tocht die ze maken ook symbolisch duiden en dan is er wellicht ook nog chocola van te maken, maar je kunt ook domweg het verhaal volgen. Ook dan is de liefde tussen hen duidelijk en merk je hoe sterk ze daardoor gedreven worden.

Verder zijn er natuurlijk genoeg vreemde locaties en vreemde wezens. Boeiend gedaan, prachtig getekend. Maar je moet er wel van houden. Aan het eind van het boek komen we Jean Giraud zelf nog tegen, achter zijn tekentafel. Eerst onder een glazen stolp, later in zijn werkkamer. Een groot en veelzijdig stripmaker, ongetwijfeld. Binnenkort maar weer eens Blueberry bespreken.



Titel: Edena
Auteur: Moebius
Inleiding: Benoît Mouchart
Uitgeverij: Sherpa
Haarlem 2018, 408 blz. gebonden € 55,-


donderdag 11 oktober 2018

67 seconden (Jason Reynolds)


Soms komt er zomaar een boek op je pad. Onlangs luisterde ik naar de eerste twee afleveringen van de Grote Vriendelijke Podcast. Daaraan zal ik hier waarschijnlijk nog wel eens aandacht besteden. De geïnterviewden of de interviewers mochten een boek aanbevelen. Een van hen noemde 67 seconden van Jason Reynolds. Nooit van de man gehoord, nooit van het boek gehoord en bij de boekhandel was het ook al niet op voorraad. Maar het kon natuurlijk besteld worden. Intussen heb ik het gelezen.

In een wijk waarin geweld aan de orde van de dag is, wordt een jongen, Shawn, doodgeschoten. Zijn jongere broer, Will (15 jaar) kent de regels: niet huilen, niet snitchen, wraak. De volgende dag haalt hij een pistool uit het laatje van Shawn, stopt het achter in zijn broekband en gaat met de lift zes verdiepingen naar beneden, op weg om wraak te nemen.

Die lifttocht duurt 67 seconden; vandaar de titel. In die tijd zal hij moeten beslissen of hij zijn plan zal uitvoeren of niet. Het deed me, weliswaar heel in de verte, denken aan Het boek Alfa van Ivo Michiels. Daar staat een soldaat op wacht die zich afvraagt of hij zal blijven staan of weg zal lopen. De rest van het boek is wat er allemaal aan gedachten door hem heen schiet.

Ook bij 67 seconden zitten we in het hoofd van Will. We lezen wat hij zich herinnert, wat hij denkt, wat hij ziet. En wat hij ziet, ziet hij voor een deel alleen maar in zijn hoofd. Bij elke verdieping stapt er iemand in de lift. Dat is elke keer een dode. Maar er wordt gepraat en en gerookt; doden krijg je niet zomaar weg - die blijven dicht bij je. Ook in het bekroonde Lampje praat overigens een afwezige moeder in het hoofd van de hoofdpersoon.

En in het hoofd van de lezer praat Will, die hem al meteen op de eerste pagina in vertrouwen neemt.
Niemand  
gelooft niks meer
tegenwoordig 
en daarom heb ik
niemand verteld
wat ik jou ga vertellen. 
En weet je,
jij zal het vast
ook niet geloven,
zal denken dat ik lieg
of dat ik gek word,
maar ik zeg het je, 
het is waar.
Ik heb het meegemaakt.
Echt. 
Echt waar.  
             En hoe.
Aan zo'n pagina is meteen te zien hoe het boek geschreven is: in 'gedichten'. Nou ja, ze zien eruit als gedichten, maar ze lezen als proza, waarbij de vetgedrukte 'titels' (of eerste regeles) onderdeel uitmaken van het verhaal. Ik had dat nog niet eerder zo gezien.

Het werkt wel. Zo'n spatie voor 'En hoe' wordt automatisch een moment van stilte. Soms staat het laatste woord van een 'gedicht' op de volgende pagina, waardoor de stilte nog langer wordt. Voor mij werkt de typografie spanningverhogend. Spanning heeft daarbij niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, te maken met spannende gebeurtenissen, maar met het meeleven met de hoofdpersoon; emotionele spanning.

Ook hoe het papier eruitziet werkt daaraan mee. De bladzijden zijn niet smetteloos wit, maar groezelig, met strepen, met vlekjes, in heel licht grijs. Reynolds beschrijft dan ook een smoezelige werkelijkheid, en een hoofdpersoon die zeker geen tabula rasa is.

Misschien maakt daarom 67 seconden indruk: je leeft niet alleen mee met de hoofdpersoon, maar je wordt een wereld in getrokken. Een wereld van geweld, van daders en slachtoffers. Een wereld waarin ook kinderen precies weten wat ze moeten doen zo gauw ze schoten horen. De dood van Shawn is niet de donderslag bij heldere hemel, hij past in een patroon.

De moeder van Shawn kreunt zacht na zijn dood: 'Niet mijn jochie / Niet mijn jochie / Waarom?' Dat er doden zouden vallen is ingecalculeerd. De hoop is alleen dat het niet jouw doden zullen zijn. 67 seconden haalt je uit de wereld van verzekeringen, voetgangerslichten, weerswaarschuwingen en helpdesks. Reynolds krijgt het voor elkaar ons die wereld in al zijn rauwheid te tonen.

Binnen die onordelijke wereld zijn er regels. Aan die regels wil Will zich vasthouden en je merkt dat hij de regels nooit ter discussie gesteld heeft. Ze zijn er nu eenmaal. Misschien zijn het de enige zaken die houvast geven. Als ook die gaan wankelen, wankelt je hele wereld. Will houdt zich ook vast aan anagrammen, die door het hele boek heen voorkomen, bijvoorbeeld 'weg zijn = zwijgen'. Het zijn strohalmen: ze suggereren structuur, en geven het idee dat er tenminste iets klopt.

Behalve de tekening van een onveilige wereld en het verhaal van een moord plus een wraakneming, is 67 seconden ook de tekening van een broederband en van solidariteit. Van mensen die hun verantwoordelijkheid nemen en op anderen letten, omdat ze weten dat iemand het alleen in deze wereld niet zal redden. In deze wereld hebben mensen elkaar nodig.

Blijkbaar houdt die verantwoordelijkheid niet op bij de dood. Nog na hun dood ziet Will bijvoorbeeld zijn vader, zijn oom, een vriendinnetje. Zij zijn degenen die hem laten twijfelen, maar hijzelf zal een beslissing moeten nemen.

Het taalgebruik van Jason Reynolds is over het algemeen nogal sober. De inhoud vraagt ook om niet al te bloemrijk taalgebruik. Soms is er een vergelijking die treft. Bij de moeder die zich over de dode zoon buigt:
en ze boog zich
als een gedoofde
lantaarnpaal
over het lijk van mijn broer.
Je zou kunnen zeggen dat het strikt gezien niet de paal is die gedoofd is, maar voor de houding van de moeder heb je wel die gebogen paal nodig. Het beeld werkt, denk ik. En dat is vaak zo: goed gekozen bewoordingen, die oproepen wat we moeten zien of horen. Ik weet niet hoe de originele tekst was, maar de vertaalster, Maria Postema, mogen we hier zeker met waardering noemen.

67 seconden is bedoeld als boek voor jongeren en ik geloof dat we die in het Nederlands tegenwoordig 'young adults' moeten noemen. Die zullen het zeker kunnen waarderen: het boek is toegankelijk en het is met vaart geschreven. Ik vermoed dat de meeste lezers het in één keer uit zullen lezen. Probeer het maar.

woensdag 10 oktober 2018

Slapend rijk (Franca Treur)


Over de laatste roman van Franca TreurHoor nu mijn stem, was ik behoorlijk tevreden. Goed boek.  Maar Treur is ook goed op de korte baan. Eerder besprak ik hier de verhalenbundel X en Y, waarin in elke keer weer in kort bestek geschetst wordt hoe mensen hun weg zoeken in de hedendaagse wereld. De verhalen zijn stukjes die Treur voor verschillende kranten schreef. Daar is nu een nieuwe bundeling van, Slapend rijk.

Ook in deze bundel zijn tekeningen opgenomen van Olivia Ettema. De tekeningen hebben duidelijke, zwarte lijnen en de inkleuring maakt de indruk dat die met de hand gedaan is. Het zijn fraaie tekeningen, die soms een desolate indruk maken, wat wellicht ook komt door zware schaduwen  waarmee Ettema werkt. Op elke afbeelding zijn de personen prominent aanwezig, net als in de verhalen van Treur.

Van die verhalen heb ik weer zeer genoten. Treur weet dat ze weinig ruimte heeft en daarom is het begin altijd krachtig: meteen wordt de situatie duidelijk gemaakt. Bijvoorbeeld:
Bij het zondagse ontbijt merkt Folkert op dat Esther in haar hum lijkt vandaag, en in zijn stem klinkt verrassing door. Het doet hem goed haar zo opgewekt te zien zitten, ze mag dat gerust weten. Esther, die het niet hebben kan dat haar stemming het onderwerp wordt van gesprek, staat op en neemt de hond mee voor een ommetje. 
 In dit verhaal ligt het perspectief bij Esther en dat blijft zo tot het eind. In andere verhalen is Treur niet vies van een perspectiefwisseling en af toe neigt ze naar het opvoeren van een alwetende verteller. Hoe dan ook, het verhaal moet zo efficiënt mogelijk verteld worden.

Dat betekent vaak dat er aardig wat vaart in de gebeurtenissen zit. Dat er een duidelijk eindpunt is, lijkt in deze bundel minder belangrijk geworden: meer en meer worden de verhalen uitsneden uit het hedendaagse leven, met de nadruk op de relaties tussen mensen.

Enkele verhalen zijn hilarisch. Zo heb ik zeer genoten van 'Superspeciaal', waarin twee koppels dezelfde naam hebben bedacht voor hun toekomstige baby en dat geeft wrijving. En ook om het verhaal 'Veranderen', waarin een vrouw naast een 'Jehova's getuigeachtige' man in het vliegtuig zit en zich een beetje opgelaten voelt, deed mij breed grijnzen.

Het geloof, dat meestal niet de verhalen voorkomt, zien we verder terug in 'Tussen hen in' waarin een vrouw zonder godsdienstige achtergrond meegaat naar een evangelisch aandoende dienst en daarin zelfs naar voren stapt.
Arjan klapt ook. Hij strekt zijn hals om een glimp op te vangen van Simone. Hij heeft ineens sterk het gevoel dat er iemand tussen hen in komen staan. 
De personages van Treur zijn scherp in het beschouwen en analyseren van zichzelf en van de mensen om hen heen.
Jet weet van zichzelf dat ze wel eens een beetje in het negatieve blijft hangen. Regenbuien of insecten kunnen haar humeur in één klap verpesten. Terwijl Anna juist altijd dingen zegt als: 'Hè, gezellig, zoals we hier zitten!' Met terugwerkende kracht schaamt Jet zich nu voor haar karakter.
 Het zijn altijd weer de details die een observatie scherp maken. Ook de observaties van gedragingen. Die details weet Treur trefzeker te kiezen:
Jolanda zit hem te versieren, vinden ze, met haar gesloof, haar lange benen en haar haren aanstellerig naar één kant. 
Ik vermoed dat Franca Treur het schrijven van deze korte verhalen (meestal maar twee bladzijden lang) als een soort stijloefeningen gebruikt: ze oefent de vaart, maar ook de verschillende situaties waarin mensen terecht kunnen komen en ze blijkt het allemaal vrij goed te beheersen. Het zou kunnen dat dat ook gevolgen heeft voor haar romans. Zo had ik het idee dat in Hoor nu mijn stem meer vaart zit dan in het vroege werk.

Waardoor het komt, weet ik niet, maar ik heb de neiging om een roman zwaarder aan te slaan dan deze korte krantenverhalen. Alsof ze maar tussendoortjes zijn. Dat zijn ze misschien ook wel, en je kunt ze ook als aardigheidjes tussendoor lezen: even snel een verhaaltje. Maar in al hun beknoptheid zijn het (voor het overgrote deel) wel gewoon goede verhalen. Hopelijk gaat Franca Treur daar nog even mee door.