zondag 7 oktober 2012

Ivo Michiels (1923-2012) overleden



Ivo Michiels is dood, ik las het net. Je weet, het kan gebeuren bij iemand van zijn leeftijd. En toch is het even schrikken.

De laatste jaren heb ik weinig aan en over Michiels gedacht. Er was een tijd dat dat anders was. In mijn boekenkast blijken twee exemplaren te staan van De Alfa-cyclus, die bestaat uit Het boek Alfa, Orchis militaris, Exit, Samuel, o Samuel en Dixi(t). Het ene exemplaar kocht ik in 1983, het andere is een afgeschreven bibliotheekexemplaar. Het kostte natuurlijk niet meer dan een scheet en drie knikkers en blijkbaar heb ik gedacht dat ik er ooit iemand blij mee zou maken. Dat is (nog) niet gebeurd.

In een van de dozen moet nog een exemplaar zitten van Het boek Alfa (1963), ergens in de jaren zeventig gekocht. Ik gok dat in diezelfde doos ook Het afscheid (1957) te vinden is en Verhalen uit Journal brut (vermeerderde uitgave van 1973) en Een tuin tussen hond en wolf (1977). Heb ik De vrouwen van de aartsengel (1983) nog gelezen? Misschien wel. Mogelijk is er een schrift waarin ik dat opgetekend heb, maar ach, al die moeite.

Een van mijn vrienden was weg van Michiels. Ik vermoed dat hij alles van hem gelezen heeft. Als er uit de dozen ooit een exemplaar van De ogenbank (1953) opduikt, heb ik dat van hem gekregen. Hij liet me ook de hele Alfa-cyclus lezen, waarbij hij stukken voorlas van het absurde, maar mooie spel Samuel, o Samuel. 

In mijn middelbare-schooltijd was Ivo Michiels zo'n beetje de laatste auteur die genoemd werd in onze literatuurmethode, als vertegenwoordiger van 'het andere proza'. In datzelfde stukje zal ook Hugo Raes genoemd zijn en wellicht ook Sybren Polet. Ik vond toen dat ik van al die auteurs wat moest lezen en dat heb ik ook gedaan. Van het werk van Michiels heb ik het meest genoten.

Bij het literatuurboek hoorde ook een bloemlezing. Ik vermoed dat daarin ook een stukje Michiels heeft gestaan. Ik gok op dit gedeelte uit Het boek Alfa.  Het gaat over bevelen:
ze stroomden op hem toe uit de vensters van de klassen en ze klonken op uit de keuken en de slaapkamer en ook in de kerk en op de straat en op de speelplaats waren ze en er was haast geen minuut op de dag die zonder bevelen was en het begon al vroeg met hop uit je bed en hop bidden en hop een plasje doen en het ging voort met hop bidden en hop eten  en hop bidden en hop een kus aan je vader die opstapt en hop een kus aan je moeder die thuisblijft en hop je tas en hop je broer en hop recht naar school  met aan de hand je tas en je broer en voort met hop bidden en hop zwijgen en hop spelen en hop ophouden met spelen en hop aan het bord en hop je les en hop je kneukels en hop de armen omhoog en hop de armen omlaag en voort met hop bidden en hop zwijgen en hop zingen en hop ophouden met zingen en hop honderd keer schrijven ik moet behoorlijk leren zingen en hop tweehonderd keer schrijven ik moet zingen wanneer mij bevolen wordt dat ik moet zingen en hop driehonderd keer schrijven ik moet het gezag van mijn heer erkennen en hop drieduizend driehonderd keer schrijven ik moet ik moet ik moet ik moet en voort met hop bidden en hop recht naar huis en hop naar de kerk en hop op je knieën en op je hoofd buigen en hop je zonden en hop vergiffenis vragen voor al je zonden (voor de bal die je gestolen hebt of voor de bal die je niet gestolen hebt maar waarvan iedereen zegt dat je hem hebt gestolen hebt zodat je hem ten slotte toch gestolen hebt en voor de vuile manieren die je hebt gedaan toen de grote jongen zei dat mesjes het anders doen dan jongens en je daarop zei dat wil ik zien en de grote jongen zei kom mee dan laat ik je wat zien) en hop gehoorzaam zijn en hop voor één keer liegen, en hop voor één keer liegen dat je niets hebt gezien van wat je hebt gezien die nacht met je vader en je moeder en de tafella met het grote mes erin dat reeds op de vloer lag toen je binnensloop (en dat je niets hebt gehoord of gezien van wat je hebt gehoord en gezien die andere nacht toen het vakantie was en het kermis was en de vaders beneden in de herberg rond de biertafels zaten en ook de moeders in de herberg zaten en elkanders borsten maten en de vaders riepen en de moeders lachten en de vaders naar de moeders liepen en iedere vader een andere moeder nam om de borsten te meten) en hop in de processie en hop neerknielen in het stof en neerknielen in de modder en knielen op de keien en knielen in de sneeuw en hop lammetje zijn en hop engel zijn en hop Jezus zijn en hop heilig zijn en hop meedoen en heilig zijn en meedoen en heilig zijn en voort met hop bidden en hop de handen vouwen en hop bidden voor je grootmoeder die ziek is en hop bidden voor je grootvader opdat hij gezond moge blijven en op bidden voor je andere grootmoeder die al lang geleden is doodgegaan en je doopmeter was dat-weet-je-nog-wel en hop bidden voor je andere grootvader die nog altijd niet is doodgegaan en al bijna honderd jaar is en je dooppeter is dat-weet-je-toch-ook en hop bidden voor je ouders en je broer en de bisschop en de koning en de koningin en hop een kakje doen en hop naar je bed en hop op je rug en hop op je zij en hop de ogen dicht en hop naar de hemel en hop naar de hel en voort voort voort en nog was dit alles niet, nog oneindig meer bevelen waren er (...)
Hoe vaak heb ik, als docent, als vriend, als kennis, als minnaar, in welke hoedanigheid dan ook, de volgende passage voorgelezen? Ik weet het niet meer. Ik tik hem nu over.
Ze hadden hem bespot en er luidkeels om gelachen toen hij had gezegd dat hij de sneeuw hoorde vallen en hij had gedacht: dit durf ik nooit meer zeggen, zei toch: Als je heel stil bent kan ik het vallen van de sneeuw horen. Ze lachte niet, zei: Als je heel stil bent hoor ik het ook.
Wat hoor je dan?
De sneeuw, hoe hij naar beneden komt.
Waar lijkt het op wat je hoort?
Het lijkt op dansen.
Hoe kan het geluid van de sneeuw lijken op dansen?
Omdat niemand hem hoort.
Kan niemand het horen wanneer je danst?
Niemand.
Ik ook niet?
Jij wel, denk ik. Als je heel lang en heel aandachtig luistert.
Ja, misschien dans je wel als de sneeuw. Wat doe je nog meer als de sneeuw?
Dromen ook.
Droom je dikwijls?
Soms, wanneer ik niet dans.
Dans je nu?
Nu niet.
Kijk, er vallen miljoenen vlokken, is elke vlok die naar beneden komt een droom?
Als ik droom zijn het miljoenen vlokjes droom die naar beneden komen.
Droom je nu?
Neen, nu niet.
Dansen doe je ook niet?
Dansen ook niet.
Wat doe je dan?
Ik luister naar de sneeuw, hoe hij naar beneden komt.
Wat doe je nog als de sneeuw?
Lachen soms.
Als je lacht is dan elke vlok die naar beneden komt een lach?
Elke vlok.
Lach je nu?
Neen.
Wat doe je nog als de sneeuw?
Zingen ook.
Zing je wanneer niemand het hoort?
Alleen wanneer niemand het hoort.
Ja, dan zing je als de sneeuw. Wat doe je nog als de sneeuw?
Bidden soms.
Wat nog meer?
Zuchten soms.
Wat nog meer.
Huilen soms.
Huil je alleen wanneer niemand het hoort?
Alleen wanneer niemand het hoort.
Dan huil je als de sneeuw.
Wanneer ik huil is elke vlok die naar beneden komt een traan.
Miljoenen tranen?
Miljoenen en miljoenen.
Huil je?
Neen, nu niet.
Misschien is de ene vlok die naar beneden komt een traan en de andere vlok een zucht en de andere vlok een gebed en de andere vlok een lach en de andere vlok een droom en de andere vlok nog iets anders. Of opnieuw een traan.
Wanneer ik alleen maar luister en niet dans en niet zucht en niet lach en niet droom en niet bid en niet huil, dan is de ene vlok die naar beneden komt een traan en de ander vlok die naar beneden komt een traan en de andere vlok een zucht en de andere vlok een gebed en de andere vlok een lach en de andere vlok een droom en de andere vlok nog iets anders.
Dan hoor je de sneeuw net als ik.
We horen wat niemand hoort.
Als we heel stil blijven en ons niet bewegen. Of ons bewegen als de sneeuw.
Hoe kunnen we ons bewegen als de sneeuw?
Vallen terwijl toch niemand het hoort.
Of dansen.
Dansen ook.
Hoelang sneeuwt het nog?
Niet lang meer, tot we groot zijn.
Ga je me nu nu een kus geven?
Ik geef je een kus.
Als de sneeuw.
Stil nu.
Ja.
Je huilt.
Ik huil niet.
Dans je?
Dansen ook niet?
Bid je?
Bidden ook niet.
Zucht je?
Zuchten ook niet.
Lach je?
Lachen ook niet.
Droom je?
Dromen ook niet.
Luister je?
Hoor je niet aan de sneeuw hoe ik luister? Hoor je 't niet? 
Twee lange passages heb ik overgetypt. Het is weinig wat ik nog voor het werk van Michiels kan doen. Eigenlijk hoop ik dat er iemand is die nu Het boek Alfa gaat lezen, zodat het nog wat langer duurt voordat Michiels' werk verdwenen is.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen