vrijdag 12 oktober 2012

Zware pijnstillers




Rob Schouten schrijft geen gave gedichten. Ze zijn praterig van toon (op het kletserige af soms), zijn meestal niet mooi opgebouwd of afgerond, ze rafelen hier en daar. En toch lees ik ze altijd met plezier.

Ik vind Schouten een ongemeen spannend dichter, die altijd met onverwachte gedachten komt. In het openingsgedicht van Zware pijnstillers toont hij ons bijvoorbeeld Hitler als huisvriend.
Wanneer hij langskomt blijf ik altijd
nog even hangen om te zien hoe hij dat doet,
met zijn vertrouwde stem mij kalm krijgt.
Nou ja, niet hemelschokkend, dat is zo. Maar toch aardig. En altijd op die converserende toon; Schouten mijdt alle hoogdravendheid. Hij probeert er maar het beste van de maken, schrijft hij ergens. En hij is ook maar een ambachtsman:
voor al uw kunst tijdens kantooruren:
woordkramer, zinlozer, verslapper.
Nuchter dus. Ironisch ook. En vaak een beetje smoezelig. In twee gedichten wordt zacht gekotst, waarvan eenmaal in een zure zee. Er zijn 'aftandse billen', 'een rafelig geval', 'een vergeelde drel', 'warme kreeft in snot'. De wereld die Schouten tekent, is altijd wat ontluisterd.

Schouten is een aards dichter, maar wel met een tik van het hemelse. Hij is met de bijbel opgegroeid en dat zullen we weten ook: het laatste oordeel komt een paar keer voorbij en een leeggeschud golgotha; als een park bedoeld is voor iedereen, dan hebben we meteen 'De ware oekumene'.

Niet dat Schouten zegt dat er een god bestaat:
ik durf het niet te zeggen,
er is te weinig dril in mijn bestaan
om er iets uit op te maken
Maar sommige dingen kun je niet anders ervaren dan als genade: bijvoorbeeld 'van die overweldigende hoogovens' of de brug over de Rijn die geopend is. 'Dan denk je toch weer: God!'

Maar naast God is er bij Schouten ook plaats voor Kabouter Plop en Gargamel. Of: 'Iets zegt me dat ik sterven moet/maar eerst wat seksueel geweld/in vrouwelijk gezelschap.'

Opvallend is het lange gedicht 'Wie ik ben', dat bij zijn jeugd begint ('Kleuterklasje dan maar doen, meneer?') en met grote passen bij het heden uitkomt:
Nu dan, alweer een tiental jaren uitgezocht
staat de Originalfassung weer voor,
ondanks gebruikssporen redelijk onbedorven,
heb ik de indruk, eigenlijk best geschikt
om er dan nu een einde aan te maken
voordat de tweede helft zich helemaal ontvouwt
en je het lekker jonge ding wenst, eerst om
wie weet nog een geboorteakte voort te brengen
en je dan voort te karren richting zwarte gat
waar 'toch nog onverwacht'
je tegenwoordig tijdje plots afknapt
en nauwelijks de vraag rest wie dit was.
Er een einde aan maken - het komt in nog een gedicht voor: 'Fluks jaag ik me een kogel door de kop'. Maar in een interview heeft Schouten ooit gezegd dat hij 'niet suïcidabel' is. Het zal wel weer een gedachtenspel zijn.

Schouten houdt namelijk van denken, van ideeën, van peinzen. Piekeren doet hij ook en het komt in elke bundel voor. Ook in deze bundel is er een gedicht dat niet voor niets de titel 'Tien uur en transpirerend' draagt.

De gedichten van Schouten zijn niet licht van inhoud, maar wel van toon en dat maakt ze goed verteerbaar. En wie weet hebben we er iets aan. Zoals aan zware medicijnen. 'Je moet het slikken om er iets aan te hebben', staat in de bijsluiter die voor in de bundel ligt. Gebruik van alcohol bij de gedichten is toegestaan.

Tien uur en transpirerend
Ik hijs me in mijn avondstemming.
Iets zegt me dat ik sterven moet
maar eerst nog wat seksueel geweld
in vrouwelijk gezelschap.
Daarna wordt in mijn kalme stadje
de maatschappij ontbonden
en vangt m'n doodsstrijd aan.
Het afscheid is genadeloos,
dag kinderen en gliacellen!
Alles laat me geweldig in de steek
tot ik een dood man ben geworden.
Als ook mijn wederopstanding mislukt
leg ik mij neer. Mijn daden waren pluis
en waaiden maar al te gewillig weg.




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen