maandag 4 juli 2016

Het slapende woud (Pierre Boisserie / Nicolas Bara)


Gelukkig is er geen recept voor een geslaagde strip. Anders zou immers iedereen de juiste ingrediënten in de juiste hoeveelheden kunnen mixen en dan was succes verzekerd. Natuurlijk komt het altijd neer op de combinatie van een goed scenario en goede tekeningen, maar 'goed' heeft vele gezichten.

Pierre Boisserie is in ieder geval een ervaren scenarioschrijver. U zou hem kunnen kennen van de series De bank en Dantès en Flor de Luna. Hij schreef ook het scenario voor Het slapende woud, getekend door Nicolas Bara. Dat scenario heeft veel goeds: een mysterie dat opgelost moet worden; markante hoofdpersonen die zich in gevaar begeven; menselijk leed waaraan een einde gemaakt moet worden; de geur van het bovennatuurlijke, oude magie.

De hoofdpersonen zijn twee agenten, in dienst bij het Openbaar Ministerie van Geheime Zaken. Zo'n naam die zichzelf tegenspreekt is al een vondst. De speurders zijn de mooie Artémis D'Harcourt, weduwe, en Casimir Dupré, net als zij afkomstig uit de betere kringen. Hij is een heer, maar heeft ook iets kinderlijks (kinderachtigs?) behouden: hij wordt nog steeds verzorgd door zijn nanny.

Zoals het hoort bij zo'n duo gaat het contact soms stroef, maar uiteindelijk blijken zowel Artémis als Casimir natuurlijk die eigenschappen te hebben die nodig zijn om de wonderlijke zaak op te lossen en ze leren elkaar te waarderen, waardoor ze kunnen samenwerken.

De zaak is lastig: een gasthuis voor vrouwen en kinderen, waar de kinderen om middernacht een kring vormen op het dak, een merkwaardig en eentonig gezang aanheffen, wel een half uur lang. De arts die erbij betrokken is, vindt het een mooie casus om te bestuderen. Is hij de kwade genius? En wat roepen de kinderen op met hun gezang? Brengen de onschuldig ogende kinderen de wereld in gevaar?

Er is bovendien een plek in het bos met een groepje oeroude bomen. Daar is iets bijzonders mee. Artémis wordt onwel als ze er een tijdje is. En waarom is juist dat stuk grond  door het gasthuis aangekocht?

Verder is er duidelijk iemand die niet wil dat Artémis en Casimir hun missie volbrengen: het is dan ook maar of ze het zullen overleven.

Het scenario zit goed in elkaar. Wat duister is, wordt maar langzaam opgehelderd en als je weet hoe het zo ongeveer zit, is het misschien wel te laat voor de twee agenten om er iets aan te doen. De verhaallijn is helder: nooit hoef je terug te bladeren omdat je niet meer weet hoe het in elkaar zit. Er is actie genoeg en de uitleg is op een natuurlijke manier opgenomen in het verhaalverloop.

Het tekenwerk is zonder meer goed. Bara heeft zich uitgeleefd op de koppen van de personen: ze zijn karikaturaal en toch heb je het idee dat je de personen tegen zou kunnen komen in de tijd waarin het verhaal zich afspeelt.

De achtergronden zijn getekend met liefde voor het detail. Ook houdt Bara van het wisselen van standpunt: hij tekent net zo gemakkelijk scènes van onder af als in vogelvluchtperspectief. In het album staan fraaie tekeningen met iets groots op de voorgrond waarbij zo ver ingezoomd is dat er slechts een deel van zichtbaar is, terwijl er op een plan iets verder naar achteren van alles te bekijken valt.

Ten slotte is de inkleuring geslaagd te noemen. In de nachtscènes doen de blauwen en de andere donkeren het goed en in de meer heldere scènes is gekozen voor bruinen, die je gemakkelijk laten associëren met het sepia van oude foto's, wat weer goed past bij een verhaal dat in het verleden speelt. Aan het eind, als de spanning achter de rug is, zijn de tekeningen lichter, waarbij ook gelen en blauwen zijn gebruikt.

Natuurlijk zijn dat constateringen achteraf. Als je het album voor het eerst leest, lees je gewoon een spannend verhaal, dat goed getekend is, waarbij je zowel te weten wilt komen hoe het mysterie ontraadseld zal worden als hoe de verhouding tussen de speurders zich zal ontwikkelen. Het slapende woud is een degelijk in elkaar gezette strip. Vakwerk.




Titel: Het slapende woud
Scenario: Pierre Boisserie
Tekeningen en inkleuring: Nicolas Bara
Uitgeverij: Dargaud, Brussel 2016
Hardcover, 64 blz. € 16,95

zondag 3 juli 2016

Idioom van geluk (Inge Boulonois)


Inge Boulonois is een dichteres die verschillende soorten bundels schrijft. Soms houdt ze zich bezig met het lichte vers: gedichten die in een stripje staan, ollekebollekes, andere ironische gedichten in de kunstige vormen die in de hoek van de light verse bekend zijn. Dat zijn gedichten die het vaak ook goed doen bij voorleessessies, neem ik aan. Haar bundel Lichte en bonte gedichten besprak ik eerder.

Ze schrijft ook gedichten op een serieuzere toon. Het geluk van een tafel is een bundel met zulke gedichten. Die besprak ik hier. Het boekje blijkt een soort voorpublicatie te zijn van haar nieuwe bundel, Idioom van geluk. Veel van de gedichten uit de 'tafelbundel' komen terug in de 'idioombundel' en zelfs het motto is gehandhaafd.

Dat Boulonois twee titels heeft gekozen met daarin het woord 'geluk' is niet voor niets: ze heeft oog voor het geluk, ook (of misschien wel vooral) als het in kleine dingen schuilt: het spinnen van de kat, de weerkaatsing van licht, het gezang van vogels.

De afdeling 'Uit de kunst' stond ook al in Het geluk van een tafel. Boulonois heeft de gedichten nog eens onder handen genomen  en ze heeft er minder geselecteerd. De dichteres is ook beeldend kunstenaar, dus het thema kunst ligt dicht bij haar.

In deze afdeling staan gedichten over kunstwerken. Soms worden de schilderijen in woorden weergegeven, waarbij het gedicht een staaltje van beschrijvingskunst is, soms kiest Boulonois een andere insteek. In Meisje met de parel verplaatst ze zich in het door Vermeer geschilderde meisje. Verder staat in Idioom ook de cyclus 'Palet' waarin in elk gedicht een kleur centraal staat.

Achter in de bundel heeft Inge Boulonois enkele bladzijden aantekeningen opgenomen, waarin ze uitlegt waar de afzonderlijke gedichten eerder gepubliceerd zijn. Daarbij noemt ze wel tijdschriftpublicaties, maar niet Het geluk van een tafel. 

Verschillende van haar gedichten blijken bekroond te zijn bij wedstrijden. Dat snap ik ook wel. Al in een eerdere recensie schreef ik dat Boulonois aandacht heeft voor zinnen. Er staan ook in deze bundel weer zinnetjes die mooi nauwkeurig zijn of verrassend. Een zin als 'de dijk lekt langzaam naar de einder weg', wil je vanwege dat 'lekt' nog wel een keer lezen. Bij een gedicht over een fietstocht wordt van de aarde gezegd dat die 'om de eigen naaf' draait en ook dat is mooi gevonden. Daartegenover staat dat Boulonois niet terugschrikt voor zinnen als 'Dit huis slaat zijn armen veilig / om je heen.'

De gehele gedichten bevallen me vaak minder dan de afzonderlijke zinnen. Het zijn keurige gedichten, waar ongetwijfeld lang aan gesleuteld is, maar ik krijg het idee dat ze te veilig zijn, dat er te weinig op het spel staat. Diezelfde indruk had ik bij de laatste bundel van Chrétien Breukers.

Ook van Boulonois vermoed ik dat ze opschrijft wat ze al wist, dat ze niet door het dichten bij iets nieuws terechtgekomen is. Dat ze wel het kleine geluk opgezocht heeft, maar niet de schaamte; wel wat iedereen al weet, niet het persoonlijke. Ze heeft keurig beheerst haar gedichten in elkaar geschroefd, maar ik had liever gehad dat haar gedichten minder klopten, als ze dan maar een keer uit de bocht vlogen, zodat er ook werkelijk iets in te beleven is.

Neem nu het titelgedicht:
Idioom van geluk 
Zoek niet en je zult vinden. Vermijd gewoon
het eeuwige slachtveld van beter weten. 
Lach grootspraak weg. Trap niet in de strik
van woordentwist. Laat geen blik je ik
aanknippen. Sta verstomd en wees volmaakt 
ontbabeld. Spits je oren voor de keel van vogels.
Toom de slang van je eigen tong in. Hoor
de kat ontspannen spinnen en ga liggen 
in de hangmat van jezelf. Kijk om je heen.
Zie het idioom van alle windstreken:
het telkens anders kaatsende licht - 
Het gedicht heeft een positieve boodschap, die een beetje prekerig verwoord is. Maar niemand gaat ervan rechtop zitten en mompelt: 'Tjongejonge, dit heb ik nog nooit gehoord!' Eigenlijk geldt dat voor alle gedichten.

Ze zijn met aandacht geschreven, maar dat is het dan ook wel. Er gaat te weinig van uit, ze blijven keurig midden op het paadje. Woordspelinkje hier, vondstje daar, mooie zin af en toe. Altijd weer blijven de gedichten steken in de verwoording van de waarneming. Dat is me te weinig.

Er zullen genoeg mensen zijn die genieten van de beschrijvingskunst van Boulonois. Er zijn immers ook jury's die haar gedichten bekroond hebben. Misschien ben ik voor de gedichten niet de juiste lezer.

Ik eindig met het slotgedicht uit de bundel.
De zaaier 
              Vincent van Gogh (1888)
Zoals Van Gogh met verf op doek
in ongeveer een week een akker schiep
en die gedreven egde, toen
de hemel aanstreek, een onbewolkte
zon ophing, een boom scheef plantte
waarnaast een boer met klak en zaaitas,
hij vervolgens diens strooiende hand
tevoorschijn kwastte en zo de zaaier
zien liet, zo laat het schilderij
al duizenden weken horen
hoe het zaad ontkiemt - 

Inge Boulonois, Idioom van geluk. Uitgeverij Kontrast, z.pl. 2016; 84 blz. 

woensdag 29 juni 2016

Niet verder vertellen (K. Schippers)


Er zijn genoeg goede schrijvers, die mooie romans schrijven. Die lees ik graag, maar er zijn schrijvers die ik nog liever lees: schrijvers bij wie elke roman een belevenis is, omdat er meer gebeurt dan het vertellen van het verhaal.

Zo'n schrijver is bijvoorbeeld Thomas Lieske, die iemand zijn jongere ik laat ontmoeten (Alles kantelt) en in Door de waterspiegel nemen personages elkaars leven over, zodat niet meer duidelijk is wie nu wat meemaakt.

Ook K. Schippers schrijft onvoorspelbare romans. In Waar was je nou verdwijnt iemand in een foto, in De hoedenwinkel wordt de taal aangetast en in Voor jou bemoeien twee overleden vrienden van de schrijver zich met het boek.

De nieuwe roman, Niet verder vertellen, is ook weer zo'n heerlijk boek. Het begint, zoals vaker bij Schippers, redelijk traditioneel. Een ik-figuur, die erg lijkt op de schrijver, is met een vriendin, Simone, in Turijn. Nou ja, vriendin - de schrijver zegt dat hij haar als zuster heeft geadopteerd. Het werk van de kunstenaars De Chirico en Giacometti komt langs, evenals de lijkwade van Christus en een map waarin zich foto's van de moeder van de 'ik' bevinden.

Als je verder leest, merk je dat er dingen door elkaar gaan lopen. Het heden en het verleden bijvoorbeeld.
'Uw zoon schrijft over u,' zegt de vrouw.
'M'n zoon?'
'Ja.'
'Ik heb helemaal geen zoon.'
'Nog niet.'
We zitten hier in het heden: de schrijvende 'ik', die ik voor het gemak maar even de schrijver noem, en tegelijkertijd in het verleden, toen zijn moeder nog helemaal geen zoon had. De tweede tijden lopen eigenlijk niet door elkaar: ze zijn dezelfde tijd.

In De hoedenwinkel wordt de taal waarin het boek geschreven is onderwerp en misschien zelfs wel een personage. Ook in de Niet verder vertellen is de taal een sturende kracht.
Ze lopen naar een eik. Er is iets in gesneden, 'baron vivant'.
'Wat gek,' zegt Dien, 'zit er in z'n naam wat-ie is.'
'En houd je nog een ar over.'
'Geen wonder dat we in de sneeuw terecht zijn gekomen.' 
Zo'n springerige, speelse manier van denken doortrekt het hele boek, of misschien wel alle boeken van Schippers.

De verhaalconventies zijn bepaald niet heilig in Niet verder vertellen, wat wil zeggen dat zo'n beetje alles mogelijk is. Aanvankelijk lijken de personages weinig invloed te hebben op de loop van het verhaal.
Dien en Bertha buigen zich af en toe over het ½ uit de koers geraakte verhaal, worden zelf verteld en dan heb je er maar weinig over te zeggen.   
Maar nog geen tien bladzijden later kijken ze of ze toch niet het verhaal over kunnen nemen. De titel kan dan ook op twee manieren uitgelegd worden: niet aan een ander vertellen, maar ook: stoppen met vertellen.

De eigenzinnige personages deden me denken aan Vóór alles een dame van Renate Dorrestein, waarin de personages de schrijfster vastbinden en zelf het verhaal verderschrijven.

Schippers gaat nog een stapje verder, door ook de lezer in de werkelijkheid te betrekken. Hij observeert Dien en schrijft:
Ze opent de deur en laat haar aandacht naar iets anders uitgaan, ben net zo benieuwd naar haar bestemming als jij.
Er is veel te zeggen over Niet verder vertellen. Over het licht dat overal doorheen kiert; over de goochelaar, die verandert van naam en van nog wel van meer; over de gedichten in het boek; over de foto's die door het hele boek zijn opgenomen. Naar sommige foto's kun je tijden kijken en dan vind je het niet zo vreemd meer dat je naar een andere tijd en een andere plaats kunt reizen, terwijl je op je stoel zit. Maar de enige manier om echt iets te weten te komen over dit boek is het te lezen, te ondergaan. Man, man, wat een schrijver! En wat een boek!

zaterdag 25 juni 2016

Student Tijloos - Het spiegeldoolhof


Van naam kende ik de strip Sudent Tijloos, maar ik geloof niet dat ik indertijd de verhalen daadwerkelijk gelezen heb. Nu is er een mooie heruitgave van Het spiegeldoolhof, geschreven door Lo Hartog van Banda, getekend (voor het grootste deel) door Thé Tjong Khing.

Student Tijloos studeert elk jaar wat anders om op die manier meer zicht te krijgen op de mensen. Dit jaar studeert hij architectuur, aangezien een bouwwerk de bewoners weerspiegelt. Met zijn moeder heeft hij een bijzondere relatie. Het valt zelfs de postbode op dat moeder een brief meegeeft als antwoord op een brief die ze nog niet gelezen kan hebben. Dat is raadselachtig, maar dat past wel bij dit verhaal.

Tijloos laat zijn oog vallen op een bijzonder gebouw. een huis met verschillende afdelingen in steeds een andere stijl. Als het huis zijn bewoners weerspiegelt, wie woont er dan in dit huis? Tijloos tekent het huis na. De tekening die hij maakt, doet me denken aan de stijl van de cartoonist Yrrah (Harry Lammertink).

In het huis woont een jonge vrouw. Of zijn het er twee? Drie? Tijloos gaat het uitzoeken. Hij komt in een duistere wereld terecht. Soms moest ik, ook door de zwijgende tuinman, vermoed ik, denken aan de sfeer in Kraaienhove, van Willy Lohmann.

Het verhaal is aardig en de tekeningen zijn vertrouwd goed. Maar het mooist van deze uitgave is de uitleiding, waarin Thé Tjong Khing opnieuw naar de strip kijkt. De strip is al zo ver weggezakt in zijn geheugen dat hij er fris naar kan kijken.

Hij ziet in de tekeningen wat van zijn hand is en wat hij niet zelf getekend kan hebben, hij geeft zijn oordeel over het scenario ('Ik vond het too much dat ze gingen dansen. Vind je niet? Beetje raar dat hij met haar gaat dansen.'). En over de haardracht van een personage: 'De staarten zijn veel te dik. Verschrikkelijk! Ze lijkt wel een cockerspaniël!' Hij legt uit wat hij goed kan tekenen en wat minder (handen, achtergronden).

Er herleeft een stukje stripgeschiedenis. In het interview krijgen we een beeld van de samenwerking tussen tussen Jan Wesseling en Khing, maar ook Marten Toonder en Dick Matena komen om de hoek kijken. Dat een zus van Edwin Rutten model stond voor Wiebeline Wip (uit Koning Hollewijn), was nieuws voor mij.

Khing is enthousiast, bekijkt gretig zijn tekeningen, vraagt zich af wie details getekend heeft waarvan hij zeker is dat die niet van hem zijn. Die betrokkenheid, die opwinding, hebben Alex van Koten en Rudy Vrooman goed getroffen. Met zo'n stuk word je een bepaalde periode uit de stripgeschiedenis in getrokken, maar bovendien ga je er beter door kijken en dring je dieper door tot het stripverhaal. Ook daarom is het goed dat dit soort uitgaven verschijnen.

Titel: Student Tijloos - Het spiegeldoolhof
Tekst: Lo Hartog van Banda
Tekeningen: Thé Tjong Khing
Uitgeverij: Sherpa
Haarlem 2016, 80 blz., harcover, € 24,95


Bunt Blogt over andere strips van Khing:
Arman en Ilva, Het bevroren verleden
Arman en Ilva, Camilla

maandag 20 juni 2016

De eerste reis en andere verhalen (Edmond Baudoin)


Over sommige striptekenaars hoeft niet zoveel meer gezegd te worden: bijna iedereen heeft wel een beeld van hun werk. Zo'n striptekenaar is Edmond Baudoin. Eerder schreef ik over zijn album Carla

Bij Baudoin kun je soms tijden kijken naar een enkel plaatje: dat heerlijke lijntje van hem, direct met het penseel aangebracht. Vaak gebruikt hij papier met een vrij grove structuur en die structuur laat hij zien door met een wat droge penseel schaduwen aan te brengen. Zo krijgt hij zijn grijzen. Maar veel van zijn tekeningen zijn strikt zwart-wit, wat ze helderheid geeft, ook als de lijnvoering niet strak is.

Alle tekeningen geven de indruk heel gemakkelijk getekend te zijn. De houdingen van de personages zijn natuurlijk. Daardoor heb je meteen het idee dat het allemaal klopt. Daardoor kan Baudoin het zich in sommige tekeningen permitteren niet te detailleren. Minieme aanduidingen zijn als suggestie genoeg om de tekening compleet in het hoofd van de kijker te krijgen.

In De eerste reis en andere verhalen zijn vier verhalen samengebracht, die ook laten zien dat Baudoin niet alleen een goede tekenaar is, maar ook een goede scenarist. De verhalen zijn traag. Ze zijn niet geschreven vanwege de plot, maar vanwege de personages en de sfeer. Je leeft mee met de personen en je ontkomt niet aan een sfeer. Dat kan lamlendigheid zijn, of dreiging, of broeierigheid. Uiteindelijk doet het er dan niet meer toe wat de exacte gebeurtenissen zijn.

De manier van schrijven is verwant aan die van het tekenen. Niet alles wordt uitgelegd. Je merkt wat er speelt tussen de personages, zonder dat je het precies uit kunt leggen. Je voelt het, maar kunt er niet precies de vinger op leggen. Waarschijnlijk dat daardoor de verhalen zo dichtbij komen. Als je het allemaal snapte, kon je stoppen met erover na te denken.

Bij Baudoin gaan de verhalen nog even door in de lezer als hij ze uit heeft. Als het personage weg is, is er een leegte, waarin de vragen na blijven sudderen.

Bij 'Een robijn op de lippen' schrijft Baudoin: '(...) een verhaal van zwart en wit. (Een zwarte man, een ander die wit is... vanbinnen), het zwart doodt ongewild het wit, zoals ik dat ook met een penseel doe als ik het papier zet.' Ik wil het graag geloven: tekenen is het wit vermoorden. Het is een bekende gedachte, zoals de uitspraak dat elk geluid een aanslag op de stilte is. Maar ik vermoed dat voor geen enkele lezer dit een verhaal over het tekenen is. Dat is een betekenis die vooral vooral voor de tekenaar een rol speelt.

Ik denk bij 'Een robijn op de lippen' eerder aan het thema vriendschap en aan hoe fataal de chemie tussen mensen kan zijn. Maar wellicht dat andere lezers er weer andere boodschappen in lezen. Laten ze dat vooral doen.

Het verhaal 'Het portret' heeft als inspiratiebronnen de schilder Michel Houssin en Carol Vanni, danseres, die in dit verhaal het model is. Teksten uit haar brieven zijn overgenomen. Dat maakt het verhaal misschien authentieker, maar ik weet niet of 'Het portret' er sterker van geworden is. Baudoin laat dingen zien, de teksten vertellen meer filosofisch, beschouwend, waarnemend. Soms zijn ze me te zwaar aangezet en ze zijn nogal duidend, waardoor de lezer minder vrijheid krijgt. Ik denk dat ik ze voor een deel had kunnen missen.

Doordat Baudoin tekent over een schilder en diens werk, krijgt hij de gelegenheid om op sommige bladzijden flink 'los' te gaan, heel vrij te tekenen, ook met dikkere penselen, waarbij hij tot fraaie abstracties komt.

'De eerste reis', het titelverhaal, is alleen al de moeite waard door het 'vloeiende' hoofd van één van de personages. Er is niet een duidelijke scheiding tussen wat er in het hoofd zit en de buitenwereld. Een mooie vondst die het hele verhaal door blijft werken.

Het verhaal 'Opa' tenslotte is een doorleefd verhaal over een oude man die de Eerste Wereldoorlog nog steeds met zich mee draagt.

De eerste reis en andere verhalen is verschenen in een gelimiteerde oplage van vijfhonderd exemplaren. Op is op.





Titel: De eerste reis en andere verhalen
Tekst en tekeningen: Edmond Baudoin
Uitgever: Sherpa
gebonden, Haarlem 2016, 192 blz. €24,95

woensdag 15 juni 2016

Eredienst aan huis (Huib de Vries)


Wie opgegroeid is in een wereld waarin psalmen op hele noten werden gezongen, komt daar nooit meer vanaf. Voor sommigen is dat een straf, ik koester het maar. Ik heb over de religieuze kanten van mijn jeugd geschreven in bijvoorbeeld Psalm 68Het paradijs in de boomgaardCollecte en Het gelaat en het gewaad.

Het gezin waarin ik opgroeide behoorde tot een klein kerkgenootschap (Gereformeerde Gemeente in Nederland). We gingen wel naar de kerk, maar soms redden we het niet om op tijd te komen, als bijvoorbeeld de waterpomp kapot was, zodat de koeien niet te drinken hadden of als er iets tegenzat bij het werk op de boerderij. Dan lazen wij een preek, waarvan mijn ouders er heel wat in voorraad hadden. Ik herinner me de reeks, 'Uit de schat des Woords', waarvan we verschillende delen hadden, maar ook preken van Wulfert Floor of van Smytegeld. Mijn moeder leerde ons de gotische letters lezen, zodat we van die laatste predikant ook om de beurt een stukje konden voorlezen. Daar heb ik nog veel plezier van gehad.  Als ik me goed herinner hebben we ook in stukjes, maar uiteindelijk integraal De heilige oorlog van Bunyan gelezen.

In een prekenboek dat toebehoord had aan mijn opa van moederskant vonden we ooit een briefje in het handschrift van mijn oma: 'Twaalf bladzijden lezen, zes is ook genoeg.'

Er waren ook mensen die bijna nooit in de kerk kwamen, omdat ze bijna altijd thuis een preek lazen. Misschien dat zij wel in 'het gebouwke' kwamen, waar soms doordeweeks dienst was. Mijn moeder ging daar wel eens luisteren naar dominee Smits. Het zou kunnen zijn dat er onder luisteraars ook thuislezers waren.

Thuislezers zijn er nog steeds. Huib de Vries portretteerde ze in Eredienst aan huis. In de inleiding laat hij zien dat hij zowel verbondenheid met zijn onderwerp heeft als enige afstand ertoe:
Dat maakt kennisname van hun standpunten uitermate boeiend, al valt het voor een gewoon kerkmens niet altijd mee om hun gedachtevluchten te volgen. Zelfs niet voor iemand die opgroeide in een schuurtjeskerk, ergens tussen een geïnstitueerde kerk en een conventikel in.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de tocht door de wereld van de thuislezers soms ook deprimerend was. Lijkt het er vaak op dat geen twee kerkmensen in harmonie kunnen optrekken, onder hen die de kerk mijden is dat nog erger. Onderlinge vriendschappen werden na kortere of langere tijd weer verbroken, vanwege onenigheid over de doop, het duizendjarig rijk, de legitimiteit van incidentele kerkgang en andere geschilpunten.
Inderdaad zijn er onder degenen die aan het woord komen enkele scherpslijpers, van wie je je heel goed kunt voorstellen dat ze het niet in een kerk kunnen uithouden of dat geen kerk het met hen kan uithouden. Maar er zijn ook milde mensen onder, twijfelaars die ook niet zo goed weten of de door hen gekozen weg juist is. Een citaat:
Thuislezen heeft iets eenzaams. Daarom ga ik af en toe toch naar de kerk, omdat ik het niet kan laten. Wat dat betreft ben ik geen echte paauweaan.
Het deel waarin thuislezers aan het woord komen, is in drie delen verdeeld: 'Lezen tegenover de kerk', 'Terug naar de kerk' en 'Gezelschap naast de kerk'. Daarna is er een deel 'Spiegel voor de kerk', waarin er drie dominees aan het woord komen, die vreemd genoeg allemaal behoren tot de Hersteld Hervormde Kerk. Het afsluitende hoofdstuk heet 'Door de geschiedenis van de kerk'. Aan het eind van dat hoofdstuk krijgt -zucht- Jan Siebelink weer eens een veeg uit de pan. Hij zou in Knielen op een bed violen een eenzijdig beeld geschetst hebben van de wereld van thuislezers en gezelschapsmensen. Siebelink heeft een roman geschreven en nergens pretendeert hij een representatief beeld van welke bevolkingsgroep dan ook te geven. Ik schreef daarover in Jan Siebelink en de werkelijkheid.

Het is geen geheim dat Siebelink wel volgelingen van dominee Paauwe heeft gekend. Die komen ook voor in Eredienst aan huis, zie bijvoorbeeld het citaat hierboven.Er zijn aardig wat thuislezers die bepaalde dominees als voorbeeld hebben. Die hebben de waarheid recht gepredikt en heel veel anderen niet.  Een van de thuislezers zegt met de nodige zelfspot: 'Het zijn allemaal dwepers.'

Uit het boek van De Vries blijkt wel dat er een grote diversiteit is onder de thuislezers, wat betreft achtergrond, leeftijd, opvattingen. Dat betekent ook dat er eigenlijk geen beeld te geven is van de thuislezer. Dat is niet erg; iets van de sfeer rond thuislezers krijgen we toch wel mee.

De dominees die hun ervaringen met thuislezers mogen weergeven, zijn dr. P. de Vries, ds. M. van Kooten en dr. W.J. op 't Hof. Zoals gezegd, alle dominees zijn hersteld hervormd. Ze zijn ook nog eens van dezelfde generatie (tussen de oudste en de jongste is het verschil elf jaar). Daar had ik wel wat meer diversiteit in willen zien.

Op 't Hof heeft blijkbaar nog een rekeningetje te vereffenen met 'collega Van Lieburg'. Waarom hij daarvoor de ruimte krijgt van de auteur is niet duidelijk. In de reactie van de dominees lopen het oordeel over thuislezen en over het gezelschapsleven soms wat door elkaar. Van Kooten zegt over dat laatste:
Ik ben benauwd voor de sfeer van: daar zit Gods volk. Er ontstaat heel snel mensverheerlijking. De oude Grietje zei dit en Pietje kreeg dat te geloven. Vaak krijgen de woorden van Pietje en Grietje meer gezag dan het Woord van God.
En P. de Vries:
Op termijn ontspoort het thuislezen vrijwel altijd. Ik kan begrijpen dat mensen ertoe komen, maar zal ze zwaar afraden om ermee door te gaan. ook met het oog op de sacramenten. 
De Vries legt ook uit waarom thuislezers  soms dicht bij evangelische kerken staan:
Dat is niet zo vreemd, wand daar vind je hetzelfde idealistische kerkbegrip en dezelfde subjectieve theologie, waarin niet de Bijbelse leer maar het eigen geloof centraal staat. 
Zal het thuislezen een zachte dood sterven? Op 't Hof vermoedt van niet:
Integendeel, ik denk dat het thuislezen de toekomst heeft. In snel tempo wordt de godsdienstvrijheid in ons land ingeperkt. Als de SGP op termijn gedwongen wordt vrouwen op de kieslijst te plaatsen, is daarna de kerk aan de beurt. Dat is mijn vaste overtuiging. Als we worden verplicht vrouwen in de kerkenraad op te nemen, rest ons niets anders dan het officiële kerkelijke leven op te heffen en verder te gaan als gezelschappen en thuislezers.  
We zullen zien. Zeggen dat de godsdienstvrijheid in Nederland in snel tempo wordt ingeperkt grenst voor mijn gevoel aan het populisme. Het lijkt me sterk dat het orthodoxe christendom half ondergronds zou moeten gaan.

Eredienst aan huis is een interessant boek over een soort mensen over wie je niet zo vaak wat leest. Daar zitten ook mensen tussen van wie ik niet had kunnen bedenken dat ze nog bestaan. Bijvoorbeeld iemand die op zaterdagavond de hoofdschakelaar van de elektriciteit uitzet en overschakelt op accu's, met de motivering dat de voorvaderen op zondag ook geen petroleum kochten. Waar ontmoet je dat soort mensen? In dit boek dus.


Misschien heb je ook belangstelling voor: Refomeisje.

dinsdag 14 juni 2016

De man van nu (Hanco Kolk/Kim Duchateau)


Het manipuleren van de tijd is een bekend gegeven in de literatuur. Er zijn tijdreizen met bijvoorbeeld een tijdmachine. Dat komt in Suske en Wiske geregeld voor, maar ook bijvoorbeeld in Kruistocht in spijkerbroek van Thea Beckman. Daarbij komen mensen in een compleet andere tijd dan de hunne terecht.

Er kan ook gespeeld worden met de snelheid van de tijd. Bekend is het gedicht 'Tijd' van M. Vasalis dat begint met:
Ik droomde, dat ik langzaam leefde...
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt.  'k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen.
Bekend is ook Het leven uit een dag van A.F.Th. van der Heijden, dat begint in de wereld van de eendagsmensen. Uiteindelijk komt een van de hoofdpersonen terecht in de hel, waarin de eeuwige herhaling heerst. Die hel lijkt verdacht veel op de wereld om ons heen.

Ook Hanco Kolk en Kim Duchateau spelen met de snelheid van de tijd in hun nieuwe, gezamenlijke boek De man van nu. Het verhaal begint in de wereld die wij kennen. De hoofdpersoon in dat verhaal is Sylvia Calvijn, een vrouw in een rolstoel. We volgen haar tot in haar hotelkamer. Ze staat (of zit, eigenlijk) op het punt een toets op haar laptop aan te raken.

Dan blijkt er ineens een parallelle wereld te zijn, waarin de mensen veel sneller leven. Deze mensen worden Decimalen genoemd. Zij noemen de langzaam levende mensen zoals wij Chronomensen. De Chronomensen tellen in seconden en minuten, de Decimalen in nanoseconden en femtoseconden.

Dat wil zeggen dat de Decimalen zo snel leven, dat ze voor de Chronomensen onzichtbaar zijn. Ze zijn niet eens als flits te zien. Voor de Decimale mensen zijn de Chrono's wel levend, maar ze bewegen niet. Er zijn Chronogroepen die als een soort tableau vivant bezichtigd kunnen worden.

Rafael Falstaff is een Decimaal. Op zijn hotelkamer zit Sylvia Calvijn, eigenlijk als een soort meubelstuk. Hij vindt haar prachtig en raakt geobsedeerd door haar. Hij weet dat hij haar niet mag aanraken; dat betekent de dood voor hen beiden.

Het is een voordeel dat ze in een rolstoel zit. Nu kan hij haar verplaatsen zonder dat hij haar aan hoeft te raken. Hij vlucht met haar. Hij kan overigens met de rolstoel over het water rijden. Hij gaat immers (naar onze maatstaven) ongekend snel, ook als hij naar Decimale maatstaven een hele tijd stil zou staan.

Twee werelden in dezelfde ruimte, maar niet in dezelfde tijd. Dat is in fictie te combineren, en als lezer ga je voor een groot gedeelte wel in de verbeelding mee. Maar je gaat je toch vragen stellen, die niet afdoende beantwoord worden.

Rafael kan de rolstoel van Sylvia naar het andere einde van de stad rijden. Dan zou ze er een seconde later achter kunnen komen dat ze ineens op een heel andere plaats is beland. Dat is nog beredeneerbaar.

Maar als Sylvia verplaatst is door Rafael, moet dat gebeurd zijn met een enorme snelheid, van vele kilometers per seconde. Dat betekent dat er ook een bijzonder grote luchtweerstand te overwinnen geweest moet zijn. Niemand zal een verplaatsing met een zo hoge snelheid kunnen overleven.

Zo zitten er meer elementen in het verhaal die niet helemaal goed doordacht lijken. Rafael slaat een mug dood, opdat Sylvia daar straks geen last van zal hebben. Maar de mug vliegt, zodat het een Decimale mug geweest moet zijn en dan kan Sylvia nooit last van het diertje hebben.

De man van nu is een samenwerkingsproject van Hanco Kolk en Kim Duchateau en dat is in dit geval uitgekiend gedaan: Kolk tekent de gewone-mensenwereld, de wereld van de Chromomensen dus, en Duchateau tekent de wereld van de Decimalen. Die twee werelden kun je goed uit elkaar houden, omdat de stijl van de tekenaars nogal verschilt. Bovendien is het tekenwerk van Duchateau lichter afgedrukt, waardoor je de indruk krijgt dat er een dun filmpje overheen ligt. De zwarten neigen daardoor naar het grijs.

Voor de inkleuring moeten we het aquarelwerk van Marloes Dekkers wel even apart noemen. Dat is wonderschoon.

Het boek eindigt waar het begonnen is, in de wereld van de Chronomensen. De tijd is stilgezet op het moment dat er net een ongeluk dreigde te gebeuren. Rafael heeft zijn hele leven in dienst gesteld van zijn verliefdheid op Sylvia. Daar heeft hij alles voor opgegeven en misschien wel tevergeefs, want, ach, Chrono's en Decimalen - never the twain shall meet. Voordat hij sterft, zal hij nog iets groots verrichten.

Het gegeven van de twee werelden is origineel, ook al klopt het niet op onderdelen. Maar wat vooral bijblijft is de man die alles opgeeft voor een onmogelijke liefde. Door zo'n obsessie laat een lezer zich graag meesleuren. Geen kans hebben, maar die toch grijpen - dat willen we misschien ten diepste allemaal.