Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht lodewijk mulder. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht lodewijk mulder. Sorteren op datum Alle posts tonen

maandag 25 oktober 2021

De kiesvereeniging van Stellendijk (Lodewijk Mulder)

Onlangs sprak ik met een collega over het humoristische werk Het leesgezelschap van Diepenbeek (1847). De inhoud stond me nog aardig bij. Het is geschreven door P. van Limburg Brouwer (1795 - 1847), die niet verward moet worden met P.A.S. van Limburg Brouwer (1829 - 1873), bekend geworden met de roman Akbar uit 1872. In het gesprek met mijn collega noemde ik echter een andere naam: Lodewijk Mulder (1822 - 1907). 

Thuis besefte ik dat ik twee werken door elkaar gehaald had: Het leesgezelschap van Diepenbeek en De kiesvereeniging van Stellendijk (1880) en dat laatste is van Lodewijk Mulder. Jaren geleden heb ik vier van de vijf delen met Verspreide geschriften van Lodewijk Mulder gekocht, maar ik heb er nooit iets van gelezen, realiseerde ik me. Dus de Kiesvereeniging maar eens ter hand genomen. 

De politieke kompasnaald

Dit is een toneelstuk, dus dat leest ook nog lekker snel. Bovendien is het humoristisch. Het gaat om de kiesvereniging van de vrijzinnige liberalen, De politieke kompasnaald, die zal gaan vergaderen in de benedenzaal van het logement De klimmende tortel. Op de vergadering zal een lid voor de Tweede Kamer voorgedragen worden. 

Er blijken slechts drie mensen aanwezig te zijn bij de vergadering: de voorzitter, de heer Schor, de secretaris, de heer Valburg en de heer Haspelstok, die voor het eerst een dergelijke vergadering bezoekt. Ondanks het geringe aantal aanwezigen wordt er gewoon vergaderd. Op de gebruikelijke manier leest Valburg de notulen voor: onverstaanbaar en in razend tempo. 

Haspelstok

Bij alles wat er gebeurt, heeft Haspelstok vragen en elke keer loopt hij aan tegen het feit dat hij niet weet wat de regels bij de vergadering zijn. Zo moet hij elke keer officieel het woord vragen en krijgen. Nadat er een tijd vergaderd is, wordt besloten om later op de dag een tweede vergadering uit te schrijven. De convocaties worden geschreven en bezorgd, maar met daarop expres de verkeerde datum. Valburg heeft het idee dat de door hem gewenste kandidaat dan meer kans heeft om gekozen te worden. 

Die kandidaat is zijn vriend Lansing, die niet staat te trappelen, maar als er een beroep op hem gedaan zal worden, zal hij de klus opknappen. Hij is getrouwd met Louise, die later een grote erfenis zal wachten van haar conservatieve oom Marksteen, grootgrondbezitter, maar die moet niets hebben van de opvattingen van Lansing. Als die toch naar de Tweede Kamer gaat, zal oom zijn nichtje onterven. 

Misverstanden, onverwachte ontwikkelingen, sneren naar de vergadercultuur en uiteindelijk komt het allemaal goed. Iedereen blij. 

Prijsvraag

Het toneelstuk werd door Lodewijk Mulder geschreven naar aanleiding van een prijsvraag, uitgeschreven door de drie directeuren van de Rotterdamse Schouwburg. Mulder was op het nippertje met inleveren. Hij had het laten overschrijven en leverde het op oudejaarsavond 1876 om elf uur 's avonds in bij een van de juryleden, Carel Vosmaer, onder het motto 'Ter elfder ure!' Het handschrift werd bekroond en het toneelstuk werd opgevoerd. In het Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage van 15 oktober 1877 werd de première aangekondigd:



In Het vaderland van 18 oktober 1877 is het verslag van de succesvolle opvoering te lezen, waarbij de recensent het hele toneelstuk navertelt, inclusief alle plotwisselingen. Hij eindigt de samenvatting met: 
Ziedaar de loop van 't stuk, dat uitmunt door aardige zetten, dwaze invallen, geestige toespelingen, en dat uitmuntend gespeeld werd. 
Hij heeft wel wat aanmerkingen op het stuk (het tweede bedrijf had gemist kunnen worden), maar is toch positief. 
Wel werd hier een schitterend bewijs gegeven, dat men een volle comediezaal kan doen gieren van het lachen zonder een enkele schouwe dubbelzinnigheid of onvertogen toespeling.

In het Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage van 18 januari 1878 staat een verslag van de opvoering in Den Haag door de Rotterdamsche Schouwburg-Vereeniging. Over het toneelstuk is de recensent maar matig te spreken: hij noemt het 'arm van inhoud' en de vrouwenrollen stellen maar weinig voor, maar het wordt wel goed gespeeld en daarom moedigt hij Mulder aan toneel te blijven schrijven. 


Succesvol

De kiesvereeniging van Stellendijk is een succes en trekt veel publiek. Ook bij de uitvoering in Arnhem op 9 mei zit de zaal vol, meldt de Arnhemsche Courant van 10 mei 1878: 'De schouwburg was gisteren avond zoo vol, als men zich herinneren kan dat hij ooit geweest is.' De recensent heeft het over 'het thans zoo algemeen geprezen toneelstuk'.  

Hij typeert het toneelstuk als volgt:


Het publiek is enthousiast: 

Op 13 mei 1878 wordt er een uitvoering besproken in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. De kiesvereeniging van Stellendijk blijkt dan al algemeen bekend te zijn. De recensent vindt het dan ook 'een betrekkelijk lastigen taak iets te zeggen van een reeds zoo algemeen besproken stuk.' Het spel van de meeste acteurs wordt geroemd. 

Het jaar erop, op 29 juli 1879 wordt het stuk opnieuw opgevoerd, lezen we in dezelfde krant van 4 augustus. Het publiek is dan echter 'minder talrijk', maar het stuk verveelt nog niet, ook niet bij de recensent die het voor de tweede keer ziet: 

de vroolijke geest, die er ons uit tegenstraalt, de gulle goed Hollandsche scherts, die het geheel kruidt, en hier en daar tot humor stijgt - geeft aan het geheel een hooge waarde.

Driejaarlijkse medaille

Bij de algemene vergadering van het Nederlandsch Toneelverbond wordt het toneelstuk ook nog genoemd, lezen we in Het Vaderland van 11 november 1879. Vanwege de krapte der financiën overweegt het bestuur namelijk om de driejaarlijkse medaille af te schaffen. Maar de afdeling Rotterdam protesteert en noemt De kiesvereniging van Stellendijk als een stuk dat een bekroning verdient. 

Het Vaderland heeft een 'feuilleton' over het toneel, een soort mix tussen column en informatie over het toneel.  Als er in een Frans weekblad wordt beweerd dat het het Nederlandse toneel niet zoveel voorstelt, in tegenstelling tot het proza (Lidewyde van Busken Huet en Het verloren kind van Jan ten Brinke worden genoemd), reageert de schrijver van het feuilleton, A.C. Loffelt, op 4 december 1879:

Op tooneelgebied zijn De kiesvereeniging van Stellendijk, Uitgaan, De roofvogels, ja zelfs Een bittere pil vrij wat belangrijker dan de zooëven genoemde romans, die weinig kenmerkend Nederlandsch bezitten.

Een bittere pil is geschreven door Justus van Maurik, Uitgaan door Glanor (Hugo Beyerman) en De roofvogels door H.G. Roodhuyzen. Het is overigens opmerkelijk hoe vaak 'Nederlandsch' als een aanbeveling geldt. Hierboven wordt De kiesvereeniging ook al 'een echt Nederlandsch blijspel' genoemd. 

Uitvoering in Londen

Het Nieuws van den Dag van 10 mei 1880 meldt dat het Rotterdams toneelgezelschap het toneelstuk van Mulder gaat opvoeren in Londen, samen met twaalf andere stukken, waaronder Vorstenschool van Multatuli. Uit de Londensche brieven in die krant, van 29 juni 1880. Blijkt dat de voorstellingen (in het Nederlands!) een succes waren. Van De kiesvereeniging werd maar een enkel bedrijf opgevoerd en de schrijver van de brieven noemt het een 'failure'. Dat is te begrijpen: het toneelstuk moet het hebben van de dialogen en niet van de handelingen. Veel van die dialogen zal niet aangekomen zijn bij het Engelse publiek. 

Toneelstuk gedrukt

In 1880 verschijnt het toneelstuk in druk. We lezen in de Arnhemsche Courant van 13 november 1880:


De laatste woorden van het toneelstuk waarnaar verwezen wordt, zijn  ''t goed succes van de Stellendijksche kiesvereeniging' waarop oom Marksteen een dronk uitbrengt. 

Voortdurend op het programma

Het stuk wordt dan overigens nog steeds opgevoerd, door de Vereeniging het Nederlandsch Tooneel en het trekt nog steeds volle zalen, zoals blijkt uit de Arnhemsche Courant van 31 december 1880. Voor de goedkoopste plaatsen betaalde men toen veertig cent, voor de duurste twee gulden. Zie bijvoorbeeld (hier).

Maar ook het Rotterdamse gezelschap speelt het stuk nog af en toe, steeds met succes, bijvoorbeeld bij de opening van het seizoen in Zwolle in 1885. En als er een actrice ziek is, zodat er een gepland toneelstuk (Gevaarlijk spel van A.Th. Boelen) niet kan doorgaan, wordt meteen De kiesvereeniging van Stellendijk op de planken gebracht als goede vervanger:

Rotterdamsch Nieuwsblad 24 november 1885

Na tien en twintig jaar

Zelfs in 1887, tien jaar na de première, speelt het Rotterdamse gezelschap het stuk van Lodewijk Mulder nog bij de opening van het seizoen. Het blijspel is blijkbaar een ware succesmachine. In 1889 wordt het gespeeld ter gelegenheid van de algemene vergadering van het Nederlandsch Tooneelverbond. Als het in 1890 nog eens wordt gespeeld meldt de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 31 juli dat het blijspel 'nog steeds onaangevochten zijn roem handhaaft'. Maar het stuk veroudert toch 'een weinigje' en de satire verbleekt. Dat heeft misschien ook te maken met de wisseling van spelers. 

Ook twintig jaar later wordt het nog gespeeld, ter viering van een jubileum. In Het Nieuws van den Dag van 3 februari blikt J.H. Rössing terug op het stuk en vermeldt dat het zelfs aanleiding is geweest om een artikel in de grondwet aan te scherpen. Ook hij heeft het over het typisch Nederlandse van het stuk.


Overlijden

Tot zijn dood in 1907, dertig jaar na de eerste opvoering van De kiesvereeniging van Stellendijk, heeft Lodewijk Mulder meegemaakt dat zijn stuk met succes werd opgevoerd. 


Bij de uitvaart was er, volgens Het Vaderland van 17 mei 1907, 'Eene groote schare belangstellenden' en er spraken verschillende mensen aan het graf.

In hetzelfde jaar nog verschijnen de vijf delen met Verspreide geschriften. 

Honderd jaar na de geboorte van Lodewijk Mulder verschijnt er een artikel in Het Vaderland (8 april1922). Er wordt in vermeld dat de uitgave van De kiesvereeniging van Stellendijk zeven drukken beleefde en dat het toneelstuk in 1913 nog is opgevoerd. Bijna elk jaar stond het wel ergens in Nederland op het programma. 

Daarna komt het overigens nog geregeld terug op het toneel. Ik vond uitvoeringen in 1924 en 1925, waar het op twee opeenvolgende avonden in Rotterdam wordt gespeeld. Daarna is het ook wel zo'n beetje afgelopen. 

Na vijftig jaar

Vijftig jaar na de première krijgt het stuk uitgebreid aandacht in Het Vaderland (14 oktober 1927). Hoewel het een beetje verouderd wordt geacht, wordt het toch gekenschetst als 'een kranig stuk werk (...), echt Hollandsch, van vreemde smetten vrij; in goede, beschaafde spreektaal, met bij elken persoon zijn persoonlijke wijze van uitdrukking.'

In literatuurgeschiedenissen

De kiesvereeniging in Stellendijk is een enorme toneelhit geweest. In de Geschiedenis der Noord-Nederlandsche Letteren in de XIXe eeuw (1888) schrijft Jan ten Brink: 'De Kiesvereeniging van Stellendijk schijnt mij (...) bestemd een klassiek blijspel te worden, dat eene zekere periode uit het Nederlandsch maatschappelijk leven in alle kleuren en geuren voor het nageslacht zal bewaren.'

G. Kalff schrijft in het zevende deel van zijn Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (1912) dat De kiesvereenging van Stellendijk en Op glad ijs (1901) beter zijn dan de twee andere toneelstukken van Lodewijk Mulder, Een vriendendienst en Een lief vers (1880) 'doordat zij naar iets hoogers grijpen. In zijn eerste stuk hekelde Mulder den parlementairen omslag, de vergader-zucht, de dwaze deftigheid en holheid van het politieke leven; in het tweede trachtte hij het streven der sociaal-democraten tegen te gaan en verdacht te maken'.

Dr. G.P.M. Knuvelder noemt de twee toneelstukken nog wel, in deel III van het Handboek tot de de geschiedenis der Nederlandse letterkunde (zevende druk, 1980) en zegt erbij dat ze hun verdiensten hadden, maar dat ze het niet halen bij het werk van Heijermans. 

Ander werk

Van Mulder moet ik ook nog zijn historische roman Jan Faessen (1856) noemen, die veel waardering kreeg en Stockvisch-orders (1850), waarin hij de draak stak met de militaire wereld. Daar wist hij overigens alles vanaf. Hij bezocht de Militaire Academie in Breda, waar hij ook kennismaakte met Mark Prager Lindo), die een goede vriend van hem zou worden. Die werd als schrijver bekend onder de naam Den ouden heer Smits. Eerder schreef ik over zijn roman Clementine.

Intussen lijkt me Lodewijk Mulder wel vergeten, net als zijn toneelstuk De kiesvereeniging van Stellendijk. Dat is wel begrijpelijk, maar ik heb me toch niet verveeld bij het lezen van het stuk en sommige delen zijn nog steeds geestig. 

Beeld van de tijd

Je krijgt in het stuk ook een goed beeld van wat er speelt in die tijd. Dat er mogelijk een spoorlijn wordt aangelegd door het grondgebied van Stellendijk speelt bijvoorbeeld een rol. De heer Valburg is ingenieur en betrokken bij de aanleg van spoorwegen. Oom Marksteen is ook zeer voor de spoorweg. Verder wordt bijvoorbeeld de 'lijkenverbranding' genoemd. De Vereeniging voor Lijkenverbranding was in 1874 opgericht, maar de eerste crematie in Nederland zou pas in 1914 zou plaatsvinden. 

De kiesvereeniging van Stellendijk is nog steeds een aardig stuk. Hopelijk stuit nog af en toe iemand erop, gaat het lezen en heeft daarmee een leuk avondje. En misschien is de historische roman Jan Faessen nog iets, al moet daar meer tijd voor uitgetrokken worden. Als iemand het kent, hoor ik het graag. 

Laat ik besluiten met een citaat uit het slot van Mulders successtuk:

En nu, laten we er allegaar samen een pleizierigen avond van maken, en doen alsof er geen politiek in de wereld was. 

Het portret van Lodewijk Mulder heb ik gejat van de Wikipediapagina die aan hem gewijd is, in de hoop dat er geen rechten meer aan de afbeelding kleven.

maandag 27 februari 2023

Romantici en Revolutionairen (Rick Honings & Lotte Jensen)

Eind jaren zeventig kocht ik voor een prikkie het vierde deel van de literatuurgeschiedenis van Frans Bastiaanse, uit 1927. De complete titel is: Overzicht van de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde, met bloemlezing - in 4 deelen'.

Het deel begint in de tweede helft van de negentiende eeuw, met de auteurs H.J. Schimmel, W. Hofdijk, B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis, François Haversmith (sic!), G. van de Linde Jansz., Mark Prager Lindo en Lodewijk Mulder.  Alleen Sloet tot Oldhuis zegt me niets meer, de andere auteurs kan ik nog wel plaatsen. Bij Hofdijk, die zich overigens W.J. Hofdijk noemde, heb ik nog aan het graf gestaan. Je kon zien dat hij wat voorstelde in zijn tijd.  Ik kocht ook zijn serie Ons voorgeslacht.

Obscure auteurs

Het boek van Bastiaans, dat zo'n zevenhonderd pagina's beslaat, heb ik zo'n beetje helemaal doorgewerkt en ik kwam er allerlei auteurs tegen van wier bestaan ik volstrekt niet op de hoogte was. Werk van obscure auteurs als Joannes Reddingius en Noto Soeroto staat nu in mijn boekenkast; ik leerde het kennen door Bastiaans. 

Tot ongeveer 1925, verder gaat Bastiaans niet, maar hij neemt wel de Vlamingen mee en de literatuur uit Zuid-Afrika. Er staan veel gedichten en prozafragmenten in, die duidelijk maken over wat voor literatuur het gaat. 

Intussen ben ik jaren ouder en heb ik veel meer gelezen in literatuurgeschiedenissen. De grote lijnen zijn me wel bekend en van veel auteurs heb ik wel iets gelezen. Maar ik blijf het leuk vinden om me te verdiepen in de letterkunde. 

Vorig jaar kreeg ik van collega met wie ik jarenlang heb samengewerkt het boek Romantici en Revolutionairen van Rick Honings en Lotte Jensen. Weer zo'n heerlijk boek. Ik heb er lekker lang over gedaan, steeds een hoofdstukje, om er goed lang van te kunnen genieten. 

Auteurschap

In dit boek gaan Honings en Jensen uit van het auteurschap. Ze behandelen verschillende soorten auteurs zoals de politieke auteur, de sentimentalist, de kindervriend, de byroniaan, de koloniale idealist en de voordrachtskunstenaar. Onder elk kopje passen verschillende auteurs en in eenentwintig hoofdstukken gaan we door de tijd, die opgedeeld is in drie tijdperken: de tweede helft van de achttiende eeuw, de eerste en de tweede helft van de negentiende eeuw. Het boek eindigt met de Tachtiger, de naturalist en de feminist. 

De auteurs staan centraal, met hun opvattingen, maar ook met hun sociale, religieuze en politieke context. Vaak wordt ook de internationale literaire context geschetst. Elk van de drie delen heeft een uitgebreide inleiding, waarna zeven hoofdstukken over een soort auteur volgen. Uiteindelijk komen op die manier de meeste auteurs wel even voorbij. De nadruk ligt op Noord-Nederland (wat nu Nederland is). Dat is een keuze, maar daardoor komt een auteur als Guido Gezelle er wel wat bekaaid af. 

Verder was er bijna niemand die ik miste. Nou ja, Carel Vosmaer (van wie ik ooit Amazone las) ontbreekt en de beide heren Limburg Brouwer (P. en P.A.S.) vond ik niet terug. Misschien zijn ze te obscuur of pasten ze niet onder een kopje. Bovendien moet een boek hanteerbaar blijven. Je kunt niet voor iedereen plaats inruimen. 

Maar geen gezeur - ik heb erg genoten van Romantici en Revolutionairen. Ik leerde allerlei auteurs kennen die ik maar vaag of in het geheel niet kende, waardoor ik maar weer eens geconfronteerd werd met alles wat ik nog niet gelezen heb, wat zowel frustrerend als heerlijk is: er is nog zoveel te ontdekken!

Vrouwelijke auteurs

Het eerste hoofdstuk, 'De spectator' begint bijvoorbeeld niet met Justus van Effen, maar met Petronella Moens, die slechts een naam voor mij was. Het volgende hoofdstuk, 'De toneelschrijver' begint met Lucretia Wilhelmina van Merken, van wie ik nog nooit gehoord had. Voor vrouwelijke auteurs is er in het verleden altijd minder aandacht geweest dan voor mannelijke. Er zullen wel minder schrijvende vrouwen geweest zijn, maar die er wel waren, zijn vaak veronachtzaamd. In dit boek is er nadrukkelijk aandacht voor de vrouwen en dat is terecht: er is een achterstand weg te werken. 

Door het hele boek heen heb ik streepjes gezet: zaken die ik globaal wist, werden duidelijker uitgelegd, boeken waarvan ik wel eens gehoord had werden behandeld en er werden schrijvers en titels genoemd waarvan ik maar een heel vage voorstelling had. En natuurlijk bij de voor mij compleet nieuwe auteurs: Margaretha Geertruid Cambon-van der Werken, Margaretha Jacoba de Neufville, Gerardus Swaving, om er maar eens enkele te noemen. 

Hernieuwde kennismaking

Sommige boeken was ik een beetje vergeten, hoewel ik ze wel ooit gelezen heb, zoals Het huis Lauernesse van Truitje Bosboom-Toussaint of Lidewyde van Busken Huet. De hernieuwde kennismaking was aangenaam. En de boeken die me nog wel goed bijstonden werden opgepoetst, waardoor de herinnering nog levendiger werd. 

Romantici en revolutionairen leest ook lekker: een heldere stijl, goed lopende hoofdstukken, betrokkenheid die enthousiasmeert. Genoeg foto's ter illustratie en in elk hoofdstuk losse stukjes in kader, die je even tussendoor kunt lezen. Een handige bibliografische verantwoording per hoofdstuk, een flinke bibliografie en een handig register. 

Natuurlijk kreeg ik door het lezen ook zin om weer wat oude literatuur te gaan lezen. Zo las ik de Dichterlijke nalatenschap van Elias Annes Borger en schreef daar hier over en op dit moment lees ik van tijd tot een verhaal uit Waarheid en droomen van Jonathan (pseudoniem van J.P. Hasebroek). Het werk van Tollens en Ten Kate staat nagenoeg compleet in mijn kast, maar veel ervan heb ik niet gelezen. Dat begint toch ook aan mij te trekken. 

De oude literatuur moet het bij mij over het algemeen doen met de snippers tijd die overblijven, omdat ik ook de hedendaagse literatuur (en de strips) een beetje wil bijhouden, maar ik ben vast van plan de oude boeken wat minder stiefvaderlijk te bedelen. Een aantal maanden gelezen las ik een verhalenbundel van Justus van Maurik. Maar daar heb ik dan weer niet over geschreven. Dat moet ik in het vervolg maar niet meer nalaten. Als het te lang duur, herinner je me er maar aan. 

Hieronder nog wat linkjes naar stukken over oudere literatuur op Bunt Blogt:

De wonderbare genezing (Marianne Philips)
Jongensdagen (Theo Thijssen)
Clementine (Den ouden heer Smits)
Zijne vrouw zet bloedzuigers (Charles de Coster)
De klop op de deur (Ina Boudier-Bakker)
Kamertjeszonde (Herman Heijermans)

donderdag 23 april 2020

Jacob van Lennep, Een bezielde schavuit (Marita Mathijsen)


Eigenlijk weet ik niet meer hoe op mijn middelbare school de negentiende eeuw behandeld werd bij de literatuurlessen. Er werd aandacht besteed aan Multatuli, ongetwijfeld, en aan Hildebrand, vermoed ik. HaverSchmidt? En dan snel over naar de Tachtigers.

Over Jacob van Lennep herinner ik me geen lessen. Maar ik herinner me toch al weinig lessen. Onze docent Nederlands moest altijd gniffelen als het over seks ging (Wolkers) en deed dan ook nog een hand voor zijn mond, maar hij leerde ons ook Achterberg en Nijhoff lezen, waarmee hem veel, zo niet alles vergeven kan worden.

Er is een tijd geweest dat ik veel las uit de negentiende eeuw. Van Van Lennep las ik, naast wat gedichten, Ferdinand Huyck, dat ik veel later ook als hoorspel beluisterde en De roos van Dekama. Verder Oltmans (bij wie ik de natuurbeschrijvingen te lang vond), Bosboom-Toussaint, Van Koetsveld, Laurillard, J.J.L. Ten Kate, van wie ik ook heel wat aanschafte, mede vanwege de mooie banden. Multatuli, De Génestet, ach, De Génestet, Staring, een beetje Tollens, Klikspaan, Lodewijk Mulder, Potgieter, heel weinig Bilderdijk. Van Busken Huet las ik Lidewyde, waar ik  toch moeilijk doorheen kwam. En de Vlamingen: Gezelle, Conscience.

Graven

Graf van Jacob van Lennep
Ik stond aan het graf van De Génestet, Bernard ter Haar en Hofdijk op Rozendaal bij Arnhem. Daar lig je wel goed. En in Oosterbeek bij dat van Van Lennep, niet zo ver bij dat van Augusta de Wit vandaan, als ik het mij goed herinner. De vader van Gerard Bilders moet er ook liggen. Bilders was een veelbelovend schilder, maar hij schreef ook uitstekend.

Waar die liefde voor de negentiende eeuw vandaan komt, weet ik niet goed. Zeker zal meegespeeld hebben dat ik les kreeg van Ellen Krol, die zich toen (jaren tachtig) bezighield met de huiselijkheid in de literatuur en ik denk dat ik op haar aansporing ook een tijdlang een abonnement gehad heb op De negentiende eeuw.

Biografie

Hoe dan ook, toen ik begon te lezen aan de biografie van Jacob van Lennep, zoemde er al van alles door mijn hoofd aan wat ik ooit gelezen had uit en over de negentiende eeuw. Ik had veel verwachtingen van Jacob van Lennep, Een bezielde schavuit, geschreven door Marita Mathijsen. Ik nam het op in mijn lijstje van 'De beste boeken van 2018 (die ik niet gelezen heb), waar ik het op plaats drie zette, na Pfeijffer en Van Essen. Zo'n lijstje heeft altijd iets vreemds, alsof je een schaatser en een bokser naast elkaar zet en je je afvraagt wie de beste sporter is, maar het is een goed geheugensteuntje bij het kopen van boeken.

Van Marita Mathijsen las ik al meer. Ik genoot zeer van haar 'interviews' in De geest van de dichter. Ik kocht ook de door haar bezorgde De brieven van De Schoolmeester, twee delen, die ik helemaal las en ik vond ze heerlijk. Ik las verder Ik zou u gaarne meer schrijven, dat ik  in mijn hoofd in verband breng met Mathijsen, maar ik zie de uitgave niet terug in mijn boekenkast en kan dat dus niet controleren. Ik weet alleen nog dat ik rond die tijd De kring van Heiloo las. Doordat ik zo genoten heb van het werk van Mathijsen ben ik natuurlijk wel bevooroordeeld. Dat koester ik maar.

Helder

Mathijsen schrijft heerlijk. Helder, vooral helder, en dat betekent dat Een bezielde schavuit prettig leest. Ze schrijft ook spannend en werkt met clifhangers. Verschillende keren las ik dat ze verderop terug zou komen op een onderwerp. Verder is ze een enthousiast verteller die ook op verteltoon alle informatie bij ons brengt en het niet heeft over het narratief rond Van Lennep en de receptie van zijn werk. (Wel over die onderwerpen, maar niet in die taal).
Portret van Jacob van Lennep
A.J. Ehnle, ca. 1853

Van Lennep is ook nog een interessant persoon. Ik wist dat hij belangrijk was: beroemd schrijver en cruciaal bij de publicatie van de Max Havelaar. Wat ik niet wist is dat hij zo'n beetje met alles te maken heeft wat erin zijn tijd gebeurt. Dat geldt overigens ook voor zijn vader, David Jacob van Lennep. Die kennen we van zijn pleidooi voor de historische roman, maar hij zat dicht bij elk belangrijk vuur dat er gestookt werd.

Drie lijnen

Mathijsen (waarom heb ik toch steeds de neiging haar naam met dubbel 's' te schrijven?) volgt verschillende lijnen in haar boek over Van Lennep: we krijgen natuurlijk een beeld van zijn leven, zijn familie, geboorte en overlijden van familieleden en dierbaren, verder een beeld van het oeuvre van de schrijver, maar ook een beeld van de eeuw waarin hij leefde.

Dat laatste helpt zeer om iemand te 'plaatsen' en om iemand te begrijpen in zijn context. Hoe ging reizen in die tijd? Hoe zat het met de gezondheidszorg? Het zijn vragen die ik me anders misschien niet gesteld zou hebben en waarop ik nu antwoord krijg. Zo had ik mij niet gerealiseerd dat steden vroeger zo afgescheiden waren van de omgeving, door de stadsmuren en -wallen en hoe dat allemaal verdween in de negentiende eeuw.

Ik snapte ook meer hoe roerig een tijd kon zijn. Tot nu toe heb ik toch vaak gewoon een werk uit pakweg 1835 gelezen, zonder me te realiseren dat vijf jaar daarvoor België onafhankelijk was geworden en dat dat niet genegeerd kan worden. Elke tijd is complex, maar Mathijsen slaagt erin het beeld helder te krijgen, voor zover ik dat kan beoordelen.

Een schrijver leefde niet van zijn werk. Van Lennep was rijksadvocaat. Nooit geweten. Het lijkt niet de baan te zijn die hij ambieerde, maar de baan die beschikbaar was en hij is daar zijn hele leven niet meer van afgekomen, al heeft hij zijn best gedaan.

Moeder overleden

De moeder van Jacob van Lennep overleed toen hij veertien jaar oud was. Dat heeft grote gevolgen, volgens de biograaf. Jacob zal vaak bezig zijn met vrouwen, wat zij interpreteert als een Muttersuche. Dat zou natuurlijk kunnen, zeker als je bedenkt dat hij trouwt met een vrouw die tien jaar ouder is dan hij. Maar zijn avonturen betreffen niet alleen affaires met oudere vrouwen en in mijn hoofd zijn die toch wat anders dan een zoektocht naar zijn moeder. Maar Mathijsen heeft natuurlijk door haar onderzoek een veel helderder beeld en het is ook prettig dat we hier een biograaf met een visie hebben en niet iemand die alleen maar de feiten op een rij zet.

Over een van die avonturen, met ene Doortje Ringeling (zo'n naam is al een cadeautje), wordt in verschillende recensies naverteld en de geschiedenis is te mooi om onvermeld te blijven. Jacob pakt zijn koffers en wil er met Doortje (eigenlijk het buurmeisje) vandoor, naar Engeland. Maar de familie krijgt er lucht van en vader en zwager reizen Jacob na.

Jacob en Doortje overnachten in Hotel des Pays Bas in Rotterdam. Die nacht gunt vader hem. Hij wacht tot David uit zijn kamer komt en neemt hem dan (zonder zijn laarzen) mee terug naar huis. Tot zijn dood is Jacob getrouwd gebleven met Henrietta Roël.

Dompers

In zijn jonge jaren is Van Lennep overigens nogal onder de invloed van de 'dompers'. Hij volgt colleges bij Willem Bilderdijk en gaat veel om met Isaac da Costa. Met hem heeft Mathijsen niet zoveel op, is mijn indruk. In het hoofdstuk waar hij voor het eerst uitgebreid aan bod komt, wordt hij meteen 'de bezeten bekeerling Isaac da Costa' genoemd.

Onder invloed van de dompers doet Van Lennep aan zelfonderzoek en ze beïnvloeden voor een tijd ook zijn visie op hoe je zou moeten leven en welke opvattingen je zou moeten hebben. Later neemt hij daar afstand van.

De ontwikkelingen op kerkelijk gebied noemt Mathijsen maar zijdelings, waarschijnlijk omdat van Lennep daar niet zo bij betrokken was. Hendrik de Cock, bij wie de Afscheiding begon, wordt niet genoemd, Bernard ter Haar maar een enkele keer, Ten Kate iets vaker, maar niet in verhouding tot zijn productie, Hasebroek ook wel een paar keer, Van Koetsveld niet. De Génestet wel. Die had in ieder geval direct contact met Van Lennep, net als Nicolaas Beets. Maar misschien vindt Mathijsen die dominee-dichters wat minder interessant.

Historische romans

Van Van Lennep kennen we vooral nog zijn historische romans (denk ik). Doordat Mathijsen het decor zo goed schildert, kom je erachter dat die historische romans het een tijdlang goed doen, maar dat ze op een gegeven moment er ook weer uit raken en dat een schrijver zich steeds moet afvragen of er nog wel aftrek is voor het genre dat hij beoefent.

Bij de historische roman wordt Oltmans trouwens maar een enkele keer, in een opsomming, genoemd. Dat kan betekenen dat hij minder belangrijk is dan ik mij had voorgesteld of dat hij verder van Van Lennep af stond. En natuurlijk moest Mathijsen keuzen maken.

Zo had ik mij ook voorgesteld dat Kneppelhout een veel belangrijker rol zou spelen, waarschijnlijk doordat ik weet dat hij tegelijk met Van Lennep in Oosterbeek was. Maar misschien hadden ze niet zoveel contact. Dat ook Staring maar een enkele keer zijdelings wordt genoemd kan ik me beter voorstellen: die zat in een ander deel van het land. Hoewel, brieven kwamen overal.

Klaasje Zevenster

Van Lennep pakt, later in zijn leven, nog eens flink uit met een vijfdelige roman: Klaasje Zevenster. Het schandaal daarover verbaasde me. Voor hedendaagse begrippen gaat Van Lennep zich bepaald niet te buiten aan schunnigheden, maar het feit dat er een bordeel in voorkomt was al voldoende om mensen op de achterste benen te brengen. Zonder de biografie zou je aan het boek niet meer kunnen merken dat  het ooit controversieel is geweest. Toen ik ging googlen, ontdekte ik trouwens dat er tegenwoordig zelfs een verpleeghuis voor dementerenden is dat Klaasje Zevenster heet. Het lukt mij maar niet om de link tussen de naam en het soort instelling te leggen.

Van Lennep is niet alleen een belangrijk schrijver, hij is ook belangrijk geweest voor cultuurbehoud. Hij heeft geprotesteerd tegen de sloop van oude gebouwen, zodat de Ridderzaal nog steeds bestaat, hij heeft zich ingezet voor monumenten en hij heeft het verzamelde werk van Vondel uitgegeven. Ik heb die rode deeltjes (na de herziening door Unger) in mijn kast staan en ik gebruik die nog om aan leerlingen het handschrift van Vondel te tonen.

De werkkracht van Van Lennep moet geweldig geweest zijn. Het is onvoorstelbaar wat hij allemaal gedaan heeft, op velerlei gebied. Zonder Van Lennep had Amsterdam pas (veel?) later waterleiding gehad, wat in tijden van cholera het verschil tussen dood en leven kan betekenen. Hij had een druk leven door al die diverse activiteiten en het zou niet vreemd geweest zijn als hij het schrijven van romans en toneelstukken er helemaal niet bij had kunnen hebben. Bovendien werd hij van tijd tot tijd geplaagd door podagra, jicht, pijnlijke, reumatische ontstekingen.

Respect

Het past ons om groot respect te tonen voor deze man, die niet alleen veel gedaan en veel betekend heeft, maar ook geestig was en, zoals de titel zegt, 'een schavuit'. En natuurlijk wil ik ook graag een confettikanon afschieten voor Marita Mathijsen, die een prachtig boek heeft geschreven, niet alleen over Van Lennep, maar ook over zijn tijd. Een boek met heel veel informatie en bovendien 'lekker' geschreven.

Ik kreeg meteen zin om weer wat te gaan lezen uit die negentiende eeuw. In mijn kast staat nog, ongelezen, Sinjeur Semeyns van H. J. Schimmel en verder staan er ook nog een paar deeltjes van Den Ouden Heer Smits plus nog het een en ander van J.J. Cremer en Melati van Java (maar die zijn van later datum). En ik zou ook weer eens wat moeten opzoeken van of over Kneppelhout. Doe ik. Beloofd!


Marita Mathijsen is ook te horen in de podcast Mulisch.
Hier schreef ik over Gekleurd grijs van Gerard Bilders/Jan Kneppelhout.
Het portret van Van Lennep heb ik gejat van de site van het Stadsarchief Amsterdam.

woensdag 11 februari 2026

Volgen

Deze week kreeg ik een aardige mail van een aardig iemand over een oude blogpost, die over Gekleurd grijs, over Gerard Bilders, en over Kneppelhout. Het boek staat mij nog heel goed bij en een maand geleden zag ik nog schilderijen van Bilders (en zijn vader) op een expositie in Nunspeet. Afgelopen zondag wandelde ik nog in Wolfheze, langs de Wodanseiken, die in de negentiende eeuw veelvuldig zijn geschilderd door de Veluwezoomschilders.

Ik heb een voorliefde voor de negentiende eeuw en als je zoekt in Bunt Blogt vind je daar allerlei bijdragen over die tijd, van die over Waarheid en droomen (Jonathan) of De kiesvereeniging van Stellendijk (Lodewijk Mulder) tot de Dichterlijke nalatenschap (E.A. Borger) en de biografie van Jacob van Lennep. Als je die stukken zoekt, vind je ze wel. 

De mailschrijfster vroeg mij hoe ze mijn weblog kon volgen. Hoe kun je ervoor zorgen dat je een mailtje krijgt als er weer iets op Bunt Blogt verschenen is. Ik wist het niet. Ik heb een leeslijst, van weblogs die ik ooit wilde volgen en ook wel gevolgd heb, maar eerlijk gezegd doe ik daar niet veel meer mee. 

Maar jij weet wellicht hoe dat op een eenvoudige manier kan. Zou je dat willen laten weten? Daar help je iemand mee. 

Terwijl ik dit aan het tikken ben, komt er een berichtje van mijn dochter binnen: Cees Nooteboom overleden. Oud geworden en toch nog verscheiden voordat hem de Nobelprijs toegekend werd. Ik zal binnenkort over hem schrijven. 

Als plaatje bij deze blogpost koos ik de omslag van een boek van Wam de Moor. Wordt zijn naam ook weer eens genoemd. Ik las zijn recensies indertijd in De Tijd en ik volgde ooit een cursus bij hem, toen men aan het uitvinden was hoe het vak culturele en kunstzinnige vorming eruit moest gaan zien. 

Gebundelde kritieken - die verschijnen ook niet meer, vermoed ik. Ik kocht ze indertijd: van Tom van Deel, van Carel Peeters en dus ook van Wam de Moor. Hopelijk zijn hun namen nog niet vergeten. 

Door de illustratie lijkt het een beetje of ik oproep om Bunt Blogt te volgen, maar dat is niet de bedoeling. Maar ik zou wel willen weten hoe je een weblog op blogspot volgt, om iemand ter wille te zijn. Alvast bedankt voor je medewerking. 

zaterdag 21 november 2015

De leeslijst (Nina Geerdink e.a.)


Wie wat meer wil weten over de Nederlandse literatuur heeft de keuze uit allerlei sites, veel naslagwerken en verschillende literatuurgeschiedenissen. Daar is nu De leeslijst bij gekomen, een boek dat ontstaan is rond de Radboud Universiteit Nijmegen. Alle medewerkers zijn of waren docent of onderzoeker aan die universiteit.

De leeslijst heeft een chronologische opbouw en gaat uit van de afzonderlijke werken. Elk werk krijgt twee bladzijden toebedeeld. In de eerste kolom staat een korte karakteristiek, in de overige drie kolommen wordt er dieper ingegaan op het werk. Soms belicht de auteur de thematiek of de opbouw van het werk, soms de receptie, soms de plaatsing in de tijd van ontstaan, soms wordt er een detail uitgelicht en besproken. Je kunt zeggen dat daar weinig lijn in zit, maar ik vind het wel prettig dat niet elk stuk dezelfde opbouw heeft. De afwisseling nodigt uit om te blijven lezen.

De samenstellers (Nina Geerdink, Jos Joosten en Johan Oosterman) hebben niet de bedoeling een representatieve keuze te maken uit de Nederlandse literatuur, dus daar mogen we ze eigenlijk niet op beoordelen. Maar ik ga bij zo'n boek toch meteen kijken naar wie erin staat en wie er ontbreekt. Verschillende bekende schrijvers van een respectabel oeuvre mis ik toch wel. Ik noem er twintig: Jacob Campo Weyerman, Hendrik Tollens, Nicolaas Beets, E.J. Potgieter, J.J. Slauerhoff, Willem Brakman, Maarten 't Hart, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Herman de Coninck, Adriaan van Dis, K. Schippers, Oek de Jong, Arthur Japin, Leon de Winter, Joost Zwagerman, Jan Siebelink, Connie Palmen, P.F. Thomése en Esther Gerritsen.

Daar staat natuurlijk tegenover dat er andere, minder bekende schrijvers of werken wel opgenomen zijn. Ik heb het nageteld: slechts de helft van de behandelde werken heb ik gelezen. Van auteurs als Rutghera van Eck, Arnout Hellemans Hooft, Matthijs van de Merwede, Catharina Questiers en Cornelia van der Veer, Titia Brongersma, Pieter Elzevier, Joachim Oudaan, Lambert Bidloo, Jan Pieter van Male, Katharina Lescailje, Jan de Marre, Margareta van der Werken, Lucretia Wilhelmina van Merken, Elisabeth Hoofman, Johannes Nomsz, E.J.B. Schonck, H.H. Klijn en Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (ik beperk me tot de eerste honderd besproken werken) had ik zelfs nog nooit gehoord.

Indertijd heb ik erg genoten van Het leesgezelschap van Diepenbeek van P. van Limburg Brouwer. Het is opgenomen in De leeslijst. Mijn docent L.J.M. Hage vertelde er in de les enthousiast over en dat zorgde ervoor dat ik het boek ging lezen, evenals De kiesvereeniging van Stellendijk van Lodewijk Mulder. En daarna las ik heel wat uit negentiende eeuw, van het werk van Justus van Maurik (niet in De leeslijst) tot J.J. Cremer (wel behandeld) en van Johannes Kneppelhout (niet opgenomen) tot Jacob van Lennep (wel besproken).

Vlaamse en vrouwelijke auteurs komen verhoudingsgewijs veel voor in De leeslijst, schrijven de samenstellers. Wat de Vlamingen betreft: het doet mij deugd dat Cyriel Buysse erbij staat. Weliswaar met Het recht van de sterkste, wat bepaald niet zijn beste boek is, maar het is wel een kenmerkend werk.

Prudens van Duyse kende ik van naam. Dat hij zoveel geschreven had, was mij onbekend, evenals dat hij belangrijk is geweest voor de Vlaamse beweging. In een boek als De leestlijst leer je zo iemand kennen. Onder elk lemma staat een beknopte lijst met secundaire literatuur. Wie verder wil lezen over zo'n auteur, hoeft daar niet veel moeite voor te doen.

Ook bij de Vlamingen miste ik enkele prominente namen. De Coninck noemde ik hierboven al. Karel van de Woestijne, Ivo Michiels, Leonard Nolens, Leo Pleysier en Dimitri Verhulst zijn in mijn ogen opvallende afwezigen.

Walter van den Broeck wordt gelukkig wel behandeld. Met Brief aan Boudewijn bereikte hij een groot publiek, maar ik heb het idee dat het daarna (in Nederland althans) nog niet zo erg wil lukken met de verkoop van zijn werk. Hij haalt niet de oplagen van 't Hart of Van Dis.

Ik mis in De leeslijst aandacht voor Suriname en de Antillen. Waar zijn: Cola Debrot, Albert Helman, Tip Marugg, Boeli van Leeuwen, Frank Martinus Arion? Het lijkt wel of er geen enkele auteur in deze overzeese gebiedsdelen is opgestaan of daarover heeft geschreven. Nou ja, Faverey wordt genoemd, maar in zijn werk speelt zijn land van herkomst geen rol, voor zover ik weet.

Ook bij de schrijvers van allochtone herkomst ontbreken er namen die ik wel verwacht had: Kader Abdolah, Abdelkader Benali, Hafid Bouazza.

Bij de moderne schrijvers mis ik de aandacht voor het korte verhaal. Mij schieten namen te binnen als Maarten Biesheuvel, F.B. Hotz, Manon Uphoff, A.L. Snijders, Sanneke van Hassel. De leeslijst sloeg hen over. Frans Kusters is wel opgenomen. Ja, ja, Nijmegenaar, ik weet het, maar ik had hem graag tegen bijvoorbeeld Hotz geruild.

Ook bij de poëzie zijn er opvallende afwezigen. Je kunt niet iedereen opnemen, maar Kopland, Komrij en De Coninck (ik noemde hen al) overslaan is bijna een statement. En ik moest ook meteen denken aan: Barnard/Van der Graft, Anna Enquist, Eva Gerlach, Rob Schouten, Neeltje Maria Min, Jan Eijkelboom, Menno Wigman.

Er moeten keuzes gemaakt worden: Saskia de Coster wel, Annelies Verbeke niet; Joost de Vries wel, Marente de Moor, Maartje Wortel of Gustaaf Peek niet. 'Er hadden ook 150 of 200 andere werken van dezelfde of andere auteurs opgenomen kunnen worden,' schrijven de samenstellers. Ik geloof het graag.

De essayisten uit de twintigste en de eenentwintigste eeuw zijn ook maar magertjes vertegenwoordigd. Gelukkig wordt Kees Fens behandeld en dat zal niet alleen gebeurd zijn omdat Fens banden met Nijmegen had. Maar geen Renate Rubinstein, H.J.A. Hofland, Karel van het Reve, Rudy Kousbroek, Bas Heijne.

Niet alleen bij de auteurs, ook bij de werken zijn er verrassende keuzen gemaakt. Wat is er van Mulisch opgenomen? Nee, niet De aanslag, niet De ontdekking van de hemel, maar het boekenweekgeschenk Het theater, de brief en de waarheid. Van Hermans niet Nooit meer slapen of De donkere kamer van Damokles, maar Ik heb altijd gelijk. Van Wolkers niet Kort Amerikaans of Terug naar Oegstgeest maar De hond met de blauwe tong. Ja, ik weet het, toch een verhalenbundel. En van Ilja Leonard Pfeijffer niet La Superba, maar Het grote baggerboek.

Enkele auteurs komen twee keer voor. Niemand zal boos worden om twee keer Hooft, Vondel of Kouwenaar, lijkt me. Het zijn woudreuzen in het bos van de literatuur.

Het is aardig dat de besprekers af en toe stevige standpunten innemen en ferme uitspraken niet schuwen. Mij gaat het wel wat ver om op grond van een enkele kritiek te zeggen dat Busken Huet erdoor 'als criticus en als mens' gediskwalificeerd wordt, maar de opmerking dat iedereen die Nescio alleen om zijn eenvoud roemt, de schrijver schromelijk tekortdoet, kan menigeen in zijn zak steken.

De ene auteur heeft meer kaas gegeten van het schrijven in mensentaal dan de ander, bij wie de wetenschap de stijl ernstig heeft aangetast. Dan krijg je zinnen als: 'Het land van herkomst komt uiteindelijk opmerkelijk dicht in de buurt van het biografisch narratief over Du Perron.' Ik weet niet of je met dit taalgebruik mensen aan het lezen van literatuur krijgt.

In zo'n dik boek gaat er vanzelfsprekend wel eens iets fout. Meestal geeft het niet en hobbel je als lezer wel over een tikfout heen. Als er in een citaat iets misgaat, is dat wel jammer. Ik heb een fragment van een gedicht van Augusta Peaux twee keer moeten lezen, voordat ik begreep dat 'siert hij zijn wagen' natuurlijk 'stiert hij zijn wagen' moest zijn.

Twee keer bezondigt iemand zich aan het verwarren van 'niet het minst' en 'niet in het minst'; iemand presteert het om iets een bijwoord te noemen in plaats van een voorzetsel; de Openbaringen aan Johannes worden de Openbaringen van Johannes; een dominee heeft parochianen in plaats van gemeenteleden; en bij consummeren en consumeren gaat het weer eens fout. In een parodie op Feith zou er over de 'lichamelijke consumptie van hun liefde' geschreven zijn in plaats van over de consummatie.

De mooiste tikfout wil ik u niet onthouden. Bedoeld was: 'In de goddelijke discussie resoneert het politieke debat tussen orangisten en patriotten over de juiste staatsvorm voor de Republiek.' Het zet- of tikduiveltje maakte er echter een debat tussen organisten en patriotten van.

Dat soort dingen gebeurt. Het zijn kleinigheden bij alles wat De leeslijst te bieden heeft. Veel stukken lezen bijzonder prettig en ze wijzen me op zaken waar ik niet eerder bij stil had gestaan. Ik kende bijvoorbeeld Een cluyte van Playerwater niet. Het is al leuk om daarmee kennis te maken, maar dan blijkt ook nog dat het waarschijnlijk voorkomt op een schilderij van Pieter Balten.

Jos Joosten wijst ons erop dat het schoolreisje in Bint helemaal niet past bij de pedagogische opvattingen van Bint. Tijdens de fietstocht vallen er onmiddellijk gaten in het systeem van Bint. Een mooi inzicht in een overbekend boek.

Het huis Lauernesse heb ik indertijd wel gelezen, maar ik heb me nooit gerealiseerd dat het maar tien jaar na de Belgische Opstand is geschreven en dat dat in de verheerlijking van het protestantse geloof door Bosboom-Toussaint meegespeeld kan hebben.

Het leukst is natuurlijk dat De leeslijst je aanzet tot lezen. Ik zie in mijn boekenkast de boeken staan die ik ooit heb aangeschaft en waarvan ik vast van plan ben ze ooit te gaan lezen. Akbar van P. van Limburg Brouwer, bijvoorbeeld of Waarheid en dromen van J.P. Hasebroek. En zou ik Vader van God van Martin Michael Driessen moeten gaan lezen? Hij was geheel aan mijn aandacht ontsnapt. Intussen ben ik bezig in De klop op de deur van Ina Boudier-Bakker. Daar zal ik u ooit nog mee lastigvallen.

En dan zijn er nog de boeken die niet in De leeslijst staan, maar die in de boekenkast wel met een verwijtende rug naar mij toe staan, omdat ik ze nog niet gelezen heb. Wanneer grijp ik naar het werk van den ouden heer Smits, Israël Querido, Christiaan Weijts of Auke Hulst? We zullen zien.

Naschrift: Jeroen Dera maakte mij erop attent dat ik hem niet juist heb geciteerd. Hij heeft gelijk. Het citaat is intussen aangepast. Het oordeel over de geciteerde zin (waarbij ik de schrijver discreet ongenoemd had gelaten) handhaaf ik.

Verder wees Dera erop dat er in het lemma over Faverey wel degelijk iets staat over zijn Surinaamse afkomst. Ook daarin heeft hij gelijk, zij het dat het gaat om een interpretatie waarvan hij zelf zegt dat die eigenlijk niet getoetst kan worden. Zelfs als die interpretatie klopt, blijft het zoeken in Favereys oeuvre naar zijn roots. Ik vermoed dat er weinig mensen zijn die hem als een Surinaams dichter zullen zien.

Johan Oosterman wees mij op een komische tikfout: 'Ook bij de schrijvers van allochtone herkomst ontbreken er namen die ik wel veracht had'. Intussen heb ik dat veranderd in 'verwacht'. Daarmee blijft de zin overigens ambigu: je kunt hem ook lezen als: ik had wel verwacht dat die namen zouden ontbreken. Misschien zou er moeten staan: 'die ik wel verwacht had'.

Mijn dank gaat uit naar de nauwkeurige lezers.

dinsdag 1 februari 2022

Telemachus in het dorp (Marnix Gijsen)


Dit jaar wil ik wat meer oude literatuur gaan lezen. Dat deed ik de afgelopen jaren ook wel van tijd tot tijd. Ik schreef bijvoorbeeld over Frans Coenen, Lodewijk Mulder, Cyriel Buysse, Den ouden heer Smits  en ook over een roman van Wolkers uit 1963. Maar dit jaar wil ik proberen wil ik proberen om elke maand ook iets ouds te lezen. Laten we zeggen van minimaal vijftig jaar geleden. 

Er is veel wat ik nog wil lezen en ik weet dat het er niet altijd van zal komen, maar misschien helpt het dat ik aankondig dat ik weer eens in een roman van Vestdijk wil en duiken van C.C.S. Crone heb ik nog nooit wat gelezen, wat toch eigenlijk ook een keer moet. Verder ligt er nog een boek van Frans Coenen klaar en al jaren staat Waarheid en dromen van Jonathan in mijn kast. Tot meer dan bladeren ben ik niet gekomen. Zo kan ik nog van alles uit mijn boekenkast halen. 

Deze keer Telemachus in het dorp van Marnix Gijsen, een boek uit 1948. Gijsen had toen al heel wat publicaties op zijn naam staan, voornamelijk over literatuur. Fictie had hij nog niet zoveel geschreven. Alleen Het boek van Joachim van Babylon (1947). Zijn beroemdste roman, Klaaglied om Agnes zal in 1951 verschijnen. 

Afrekening

Telemachus was de zoon van Odysseus. Na diens terugkeer zouden ze samen de vrijers die om de hand van Penelope kwamen een kopje kleiner maken. Met die geschiedenis in het achterhoofd zou je het boek van Gijsen kunnen zien als een afrekening met de mensen in het dorp. 

Dat dorp is Blaren. Meteen na zijn geboorte werd de ik-figuur hier ondergebracht, omdat zijn moeder ziek was. Hij leefde er drie jaar bij een voedster. Verder woonde er veel familie van vaderskant: zijn grootmoeder en drie ooms. Die ooms, Louis (pastoor), Felix (gemeentesecretaris) en Leander (de hoofdonderwijzer), maken de dienst uit in het dorp. Op zondag bezocht het gezin van de hoofdpersoon die familieleden.

De pastoor blijft in het verhaal een beetje op afstand, maar de andere twee krijgen ruim aandacht. Op Felix is van alles aan te merken. Zo verrijkt hij zichzelf door percelen grond te kopen, daar een weg door te plannen en dan zichzelf een fors bedrag uit te keren. Bovendien raken dienstmeisjes bij hem zwanger, waarna ze discreet weggemoffeld worden in een huwelijk met een jongen die niets met de zwangerschap van doen heeft. 

Oom Leander

Oom Leander is tiranniek in de klas en zwaar katholiek. Wel geniet hij aanzien in het dorp, zelfs bij degenen die onder hem te lijden hebben gehad. Op een gegeven moment organiseert hij een reis naar Lourdes, die fataal afloopt. De trein krijgt op de terugweg een ongeluk, waarbij doden vallen. 

De hoofdpersoon is intussen ouder geworden. Hij brengt zijn vakantie door in Lourdes. In de bossen loopt hij naakt rond, om zo dicht mogelijk bij de klassieken te komen. Hij heeft een exemplaar bij zich van Les avontures de Télémaque  (1699) van Fénélon. Ook dat is een verwijzing naar de titel. 

Hij is op een leeftijd (middelbare scholier, neem ik aan) dat hij goed in de gaten heeft wat er in het dorp omgaat. Het lijkt een rustig dorp, maar er woelt van alles. 

Philip van Lierde had het eens, in een lyrische bui, vergeleken bij een doorzichtige vijfer, waarin de vissen traag en vreedzaam rondzwommen in regelmatige cirkelgang. Het vergde mij heel mijn jeugd, eer ik begreep, dat er meer haaien en octopussen in dit stille water huisden, dan ik er later zag zwemmen rond de koraalriffen van de tropische eilanden. Maar toen was het voor mij reeds te laat. 

Trauma

Die laatste zin klinkt nogal dramatisch en dat kenmerkt de hoofdpersoon. Hij lijkt zwaar getraumatiseerd door het dorp. Aan het eind van het boek spreekt hij over 'de donkere engelen van Blaren, de mensen die ik in het begin van mijn leven had ontmoet en die mij allen diep hadden gewond of zacht gekneusd.'

De hoofdpersoon heeft wel nare dingen meegemaakt: zo was hij betrokken bij een treinongeluk (maar raakte niet gewond) en was hij getuige van de dood van zijn ooms. Maar hij is niet het slachtoffer van de mensen in Blaren. Toch zegt hij dat de schimmen uit zijn jeugd hem zijn hele leven hebben achtervolgd en hij spreekt over zijn bittere en onrustige jeugd.

Dat komt op mij over als aanstellerig en dat heb ik dan ook tegen deze korte roman. De beschrijving van de personages is goed en het dorp zie je helemaal voor je. Maar het klagerige van de hoofdpersoon, het belangrijk maken van zijn eigen leven, het gezochte slachtofferschap - die walm kan ik maar lastig verdragen. Het aanstellerige zit eigenlijk al in de titel. 

Het drama zit soms in dingen die terloops vermeld worden, zoals dat grootmoeder vijf broers en zussen heeft verloren in een tyfusepidemie en dat van haar tien kinderen er nog maar twee in leven zijn (oom Felix is niet een zoon, maar een schoonzoon van grootje). Het zijn maar losse zinnetjes, maar toch snap je meteen dat iemand daardoor getekend is. Dat werkt veel beter dan het zelfbeklag van de verteller.

Ironie

Verder is Telemachus in het dorp best een aardig boek. Gijsen vertelt vrij sober maar is ook trefzeker in de beschrijvingen en de ik-figuur kan van tijd tot tijd met ironie de dorpsgemeenschap bekijken. Op een gegeven moment komt er een prediker. Over zijn preek:

Ik moest echter mee naar den groten prediker, die met de grove borstel, zo zei hij, de vunze zielen zou afschuren. Het viel mij op, dat hij vooraf altijd zichzelf overtuigd verklaarde, dat al de aanwezige gelovigen brave zielen waren, maar dat vergat hij blijkbaar in het vuur van zijn rede, want eens dat hij zijn vlucht genomen had, kreeg men de indruk, dat hij voor het uitschot der mensheid sprak. 

Complexe personages

De beschrijving van de personages is uitstekend. De ooms zijn complexe figuren en ze hebben zeker niet de onverdeelde sympathie van de hoofdpersoon, maar ze hebben hem wel mede bepaald. Aan het eind van het boek zegt hij daarover:

Geen van beiden was een groot man, maar geen mens die ik gekend heb in mijn lang zwerversbestaan, heeft op mij ooit een dieperen indruk gemaakt dan deze twee. Van mijn oom Louis, de pastoor, wil ik liefst niet spreken. Hij was droog en streng als een dogma en menselijk heeft hij mij nooit beroerd. 

Telemachus in het dorp is een mooie schets van een  gesloten dorpsgemeenschap, waarin de verteller een buitenstaander is. 'Ik ben een stadskind' is de openingszin van het boek. Die verteller zat mij soms in de weg, maar de rest van het boek intrigeerde mij wel. Als ik een roman als Goed en kwaad (1950), De kat in de boom (1953) of Terwille van Leentje (1957) tegenkom, neem ik die mee naar huis. 

donderdag 8 januari 2026

De prullenmand heeft veel plezier van mij (Thomas Heerma van Voss)

Van sommige boeken weet ik al op voorhand dat ik ze mooi zal vinden en dan komt die verwachting natuurlijk uit. Dat was bijvoorbeeld het geval bij De prullenmand heeft veel plezier van mij van Thomas Heerma van Voss. 

In 1977 vroeg het tijdschrift De Revisor aan een heel stel schrijvers om een zelfportret te tekenen. Die portretten zijn ooit verzameld in een boekje en dat boekje had ik indertijd. Misschien heb ik het nog, maar ik denk dat ik het al aan iemand cadeau heb gedaan. Veel van die schrijvers zijn intussen overleden, maar achttien van die schrijvers leefden nog toen Heerma van Voss begon aan wat dit boek zou worden. Hij ging in gesprek met de schrijvers, van wie sommigen succesvol zijn geworden, maar anderen zijn intussen vergeten geraakt. Dat heeft voor een deel te maken met hun leeftijd. Sommigen schrijven intussen niet meer, anderen schrijven door, maar er is geen uitgever meer die belangstelling heeft voor hun werk.

Bastiaanse

Dat ik dat boekje ooit bezat, voedde wel mijn belangstelling, maar dat kan niet het enige zijn dat mij bij voorbaat innam voor het boek. Ik heb altijd graag gelezen over schrijvers die intussen wat in de vergetelheid geraakt zijn. Misschien begon dat wel toen ik een jaar of twintig was en van mijn docent, mr. L.J.M. Hage, het vierde deel kocht van de literatuurgeschiedenis van Frans Bastiaanse. Hage struinde antiquariaten af en wat hij daar vond, verkocht hij voor een prikje aan zijn studenten. Ik kocht bijvoorbeeld ook Daniël Sils van J.J. Cremer, Dichterlijke nalatenschap van E.A. Borger en jaargangen van de tijdschriften Opwaartsche wegen,  De Beweging, Raam en Roeping. Wie leest het nog?

In de literatuurgeschiedenis van Bastiaanse (voor een deel ook een bloemlezing) kwam ik werk tegen van mensen als Lodewijk Mulder, Willem Hofdijk, Justus van Maurik, Melati van Java, Herman Robbers en van nog veel meer schrijvers van wie de namen toen al bij weinig mensen nog bekend waren. Van tijd tot tijd lees ik boeken van deze schrijvers en dan schrijf ik er hier ook over. Vaak betreft het boeken die nog best even mee gekund hadden, maar goed, dat is niet gebeurd. 

In het blad Liter heb ik een korte serie artikelen geschreven ('Onder het stof') over vergeten dichters als H.W.J.M. Keuls, Joannes Reddingius, Willem Brandt en Niek Verhaagen. Van enkelen snapte ik ook wel dat ze vergeten waren, maar werk van anderen bleek nog steeds goed leesbaar.

Aandacht voor de vergetenen

Gelukkig is er voor de geheel of half vergetenen wel af en toe aandacht. Jeroen Brouwers schreef over hen in De laatste deur en in andere artikelen, Stefan Brijs in De standaard (en die stukken werden gebundeld in De vergeethoek ) en Joris van Casterens stukken werden het boek Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf. Over enkele van die schrijvers (Aleida Leeuwenberg, Peter Andriesse) heb ik hier wel geschreven en van Judicus Verstegen ben ik vast van plan nog wat te lezen. Ik heb de boeken in huis. 

Intussen ben ik op een leeftijd dat ik een deel van de literatuurgeschiedenis heb meegemaakt, de tijd dat je blij kon zijn met de nieuwe Hermans of de nieuwe Mulisch. Van bijna alle schrijvers die Heerma van Voss ontmoet heb ik werk gelezen. Volgens mij alleen niet van Hilbert Kuik en niet van Lidy van Marissing. 

Maar van Rudolf Geel, waarmee het boek van Heerma van Voss opent, kocht en las ik Ongenaakbaar (1981), al kon het me indertijd niet zo bekoren. En in de decennia erna vergat ik de schrijver. Bij veel auteurs in deze bundel dacht ik 'och gut, ja'. Waarom heb ik bijvoorbeeld al zo lang niet meer gedacht aan het werk van Nicolaas Matsier? Na Gesloten huis (1994), een goede roman overigens, las ik niets meer van hem, terwijl ik toch ook met plezier De eeuwige stad (1982), Onbepaald vertraagd (1979) en Oud-Zuid (1976) heb gelezen. En van H.C. ten Berge herinner ik me Het geheim van een opgewekt humeur (1986) als een goed boek. 

Verschillende van de geportretteerde schrijvers genieten nog steeds een zeker aanzien, als ik dat tenminste goed inschat: Judith Herzberg, Willem Jan Otten, Cees Nooteboom, Anton Korteweg, Jan Siebelink en Mensje van Keulen. Ik hoop tenminste dat die namen nog steeds wat betekenen, ook voor lezers die veel jonger zijn. 

Schets van een tijdperk

Heerma van Voss ging op bezoek bij de schrijvers, als ze dat wilden, sprak met hen over het zelfportret en liet hen met de ogen van nu kijken naar de tijd van toen. Zo krijg je een schets van een tijdperk en ik vind dat heel aangenaam. Ook door de andere namen die genoemd worden. Een van de titels die voorbijkomen is Stampende mussen (1980) van Henk Romijn Meijer, die ik me toch vooral herinner als de schrijver van Mijn naam is Garrigue (1983). Ik zag van Stampende mussen wel meteen de omslag voor me (getekend door Peter Vos), maar de inhoud ben ik kwijt.

Veel schrijvers hebben twijfels gekend. Nooteboom, die voor mijn gevoel toch altijd bij de top van de schrijvers heeft behoord, had het gevoel dat hij er niet helemaal bij hoorde, omdat hij in Avenue schreef en omdat hij reisverhalen schreef. Dat was een verrassing voor mij. Mijn oom en tante, oma Ab en tante Rhea lazen de Avenue en ik vond juist dat het blad er zo prachtig uitzag en dat het zo bijzonder was dat er achterin altijd literatuur te vinden was. En Nootebooms bundels, zoals Een avond in Isfahan (1978) en Een ochtend in Bahia werden indertijd grif verkocht, dacht ik. 

Nooteboom zegt dat hij geminacht werd en dat de eerste recensie van Rituelen (1980) in NRC echt een persoonlijke aanval was. Maar Rituelen kreeg juist heel veel positieve recensies, als mijn geheugen me niet bedriegt. Opmerkelijk dat een negatieve bespreking dan juist blijft hangen. En van de boeken die daar vlak na verschenen, Een lied van schijn en wezen (1981) en Mokusei! (1982) herinner ik mij vooral dat ze geprezen werden. 

Ook Matsier kent de twijfel:

Ook al lukten er best wat dingen in die tijd, ik blaakte nooit van zelfvertrouwen. Soms ben ik even overtuigd van wat ik schrijf. Maar ik vind het moeilijk om te denken dat het écht iets voorstelt.

Aandacht voor de persoon

Veel van de schrijvers vinden het trouwens prettig dat ze terug mogen denken aan de tijd van het zelfportret en ook dat er een jonge schrijver is die aandacht voor hen heeft. In alle stukken krijg je een indruk van de persoon van de schrijver, de mens achter het portret en achter het werk. Heerma van Voss beschrijft in welk huis hij ontvangen wordt en ook steeds wat hij te drinken krijgt en wat erbij geserveerd wordt. En natuurlijk met wat voor persoon hij te maken heeft. 

Ik was ontroerd door het portret van de oude Nooteboom, geamuseerd door de speelse geest van Judith Herzberg en het boeide me hoe al die anderen zich staande houden, doorgaan soms met schrijven en welke verhouding ze nu hebben met hun verleden. 

Meestal is Heerma van Voss degene die registreert en meestal houdt hij zichzelf buiten de aandacht, maar hij is, net als de geïnterviewden een schrijver en hij ontkomt er soms niet aan zichzelf te vergelijken met zijn gesprekspartner. 

Geel was 36 toen hij deze tekening maakte - iets ouder dan ik nu. Net als Geel debuteerde ik op jonge leeftijd. En net als Geel is mijn werk uitsluitend geredigeerd en uitgegeven door mensen die ouder zijn dan ik. (...) Zal ik ooit aan vroegere auteursfoto's denken zoals Geel nu aan zijn zelfportret denkt, met eenzelfde afstand en genegen vervreemding?

De prullenmand heeft veel plezier van mij (het is een uitspraak van Judith Herzberg) is een prettig boek. Omdat het herinneringen naar boven haalt, een tijd doet herleven waarvan ik nog steeds levendige beelden heb. Ook een tijd waarvan veel representanten al overleden zijn trouwens. Maar afgezien van de persoonlijke herinneringen die opgepord worden, heeft dit boek ook belang omdat het een periode in onze literatuur laat herleven. Het geeft natuurlijk geen compleet beeld, maar wel achttien keer een kijk op een periode in onze literatuur. 

Menselijk

Het is een heel menselijk boek. De schrijvers zijn met mededogen geportretteerd, zonder de lastige kanten van sommigen te verdoezelen. Maar het boek blijft iets vriendelijks houden en dat vond ik aangenaam tijdens het lezen. Voor sommigen lijkt het opgenomen worden in zo'n bundeling een vorm van late erkenning en eigenlijk gun je ze dat ook wel.  

Achterin zijn wat 'biografieën' opgenomen, maar die voegen niet zo heel veel toe. Elke schrijver mag zijn belangrijkste of meest dierbare boek kiezen en soms is er een korte reflectie van Heerma van Voss op het bezoek. Voor mijn gevoel had hij die ook wel in de stukken zelf kwijt gekund. 

Het boek is mooi uitgegeven: gebonden, stofomslag, leeslint. De cover is een collage van enkele van de zelfportretten, maar het geheel is een beetje een rommeltje geworden. Dat had beter gekund, lijkt me. 

Hopelijk gaat Heerma van Voss op zoek naar meer schrijvers die in de loop der jaren in de marge zijn beland. Daar zijn er nog genoeg van. Ik kan hem zo een lijstje leveren. 

En er zijn ook heel wat overleden schrijvers die wel weer eens wat aandacht verdienen. Gelukkig hebben we Fixdit, die aandacht vraagt voor vrouwelijke auteurs zoals Hermine de Graaf, Loekie Zvonik, Ida Simons en Mary Dorna en sinds kort ook voor vrouwen uit een verder verleden. Maar het zou mooi zijn als we weer eens wat lazen over Hellema, Alfred Kossmann, Nelly Heykamp of Geert van Beek. En misschien duikt iemand het werk op van auteurs die nog verder onder het stof verdwenen zijn, zoals Jos Kroeze, Arnold Clerx of Noto Soeroto. Zo gauw zo'n boek er is, zal ik naar de boekhandel rennen. 

maandag 8 juni 2020

Clementine (Den Ouden Heer Smits)


Toen ik Een bezielde schavuit las, de biografie van Jacob van Lennep, realiseerde ik me dat ik de Nederlandstalige negentiende-eeuwse literatuur nogal verwaarloosd heb de laatste jaren. Ik beloofde daar wat aan te gaan te doen en daar heb ik een begin mee gemaakt: ik las de roman Clementine (1858) van Den Ouden Heer Smits.

De naam van de auteur is natuurlijk een pseudoniem. Daarachter schuilt Mark Prager Lindo. Die dubbele achternaam is een combinatie van de achternaam van zijn vader, David Alexander Lindo, en die van zijn moeder, Matilde Prager. Een dergelijk pseudoniem, waarin je jezelf ouder (en impliciet wijzer) maakt, was niet ongebruikelijk. Het gebeurde ook bij spectatoriale geschriften. In de achttiende eeuw (1767 -1769) verscheen bijvoorbeeld De Gryzaard. Prager Lindo richtte in 1865 overigens De Nederlandsche Spectator op.

Briefroman

Clementine begint als een briefroman: Clementine is opgegroeid in een familie met geld, op het platteland. Ze gaat bij haar tante in de stad wonen, in de hoop daar een goede echtgenoot te vinden. Die situatie doet denken aan Opkomst en val van een koffiehuisnichtje van Jacob Campo Weyerman. Met dat 'koffiehuisnichtje' loopt het overigens niet zo goed af.

Aan het begin van het boek lezen we vooral brieven van Clementine aan haar vriendin Auguste, waarin ze verslag doet van hoe het haar vergaat. Ze ontmoet al snel een oude buurjongen, Willem Bleeker. Dezelfde naam is later door Mensje van Keulen gebruikt in Bleekers zomer (1972). Een andere oude bekende van haar is Ada, die intussen getrouwd is met een kunstenaar, Kobalt. Verdere rollen zijn er weggelegd voor de jongeman Van Langhorst en de wat oudere man De Cauchemar.

Bleeker, De Cauchemar en Van Langhorst zien allemaal wel iets in de nog jonge Clementine. Ze is bijna negentien. Tante heeft haar uitgebreid instructies gegeven. Wat betreft de omgang met andere meisjes:
met de jongere dames kunt gij nooit anders dan op een afstand omgaan: - òf het zijn mededingsters, òf meisjes, die, uwe voordeelen niet bezittende, u benijden zullen, en u in geen geval van eenig nut kunnen wezen. 

Omgang met heren

Ook wat de heren betreft, is het uitkijken geblazen:
Laat u nooit tot eenig discours verleiden, waarin het gevoel betrokken worde: - dat is altijd gevaarlijk: - vergeet ook niet zorgvuldig elk gesprek te vermijden, dat den schijn heeft van geleerdheid, -ik meen over boeken of zoo iets; - daar zijn de heeren altijd bang voor, - en bovendien, spreek nooit over eenig huishoudelijk onderwerp; - want hoewel de mannen altijd den mond vol hebben van de deugden eener echtgenoote, welke de huishouding verstaat, en dergelijke gekheden meer, is het zeker dat een meisje dat eenige ingenomenheid toont met dergelijke domestique onderwerpen, met recht in de wereld geschuwd wordt. 
En naar wat voor man moet ze op zoek?
Gij moet een man hebben, die u aan fortuin en stand gelijk is - een jaar of wat ouder of jonger komt er niet op aan, en wees overtuigd, kindlief zoo gij er wezenlijk behoefte aan gevoelt, iemand, zooals het heet, te beminnen, gij evengoed u verlieven kunt op een goede partij, als op een armen sukkel, die niets dan zijne aanbidding heeft. 
Zoals uit de citaten (hopelijk) te merken is, heeft de verteller een onderhoudende toon en ook in de ontwikkelingen zit vaart. De briefvorm werkt goed: er is een zekere vertrouwdheid tussen schrijver en aangesprokene en daardoor kan zo'n beetje alles gezegd worden. De brief is op dat moment ook een vrij snel medium, zeker als die in dezelfde stad bezorgd moet worden.

Verteller als personage

De verteller is den ouden heer Smits, die ook als personage optreedt. Hij heeft zakelijke contacten met de vader van Clementine. Haar moeder is overigens overleden. Vader, hij wordt een 'land-edelman' genoemd, bezit tabaksplantages en een groot deel van de tabak wordt al jaren door Smits opgekocht.

Smits komt voor het eerst voor in het verhaal als er een brief afgebroken wordt. Smits laat een deel van een brief weg, omdat het onderwerp in een volgende brief ook aan de orde zal komen. Blijkbaar heeft hij de redactie van het boek.

Op een gegeven moment gaat hij niet verder met de brieven, maar slaat hij zelf aan het vertellen:
Er ligt zulk een stapel brieven op mijne tafel van de verschillende personen, die eene meer of minder belangrijke rol spelen in de lotgevallen van de jonge dame, voor wie ik mijne lezers eenige belangstelling heb trachten in te boezemen, dat, ten einde plaats te winnen, ik mij genoopt vind, in stede van ze alle op te nemen, tusschenbeide slechts het hoofdzakelijke daaruit mede te deelen, vooral, daar die brieven niet in alle opzichten belangrijk zijn. 

Breuk in de compositie

Misschien kwam Prager Lindo er niet helemaal uit bij het schrijven van de brieven. Het is in ieder geval een breuk in de compositie van het boek. Daarvan is hij zich ook bewust en later komt hij erop terug, waarbij hij zich verdedigt.

Herman Robbers vertelt in Het ontstaan van een roman (1922) dat lezers aan den ouden heer Smits vroegen hoe de roman zou aflopen en dat hij antwoordde: 'Lieve vrienden, ik wou dat ik het zelf wist.'  Daaruit blijkt dat de oude heer Smits in ieder geval geen schema vooraf maakte. Als we hem tenminste op zijn woord mogen geloven.

Het spelen met feit en fictie komt in veel negentiende-eeuwse literatuur voor: denk aan het pak van Sjaalman in Max Havelaar of aan de context waarin de gedichten in Snikken en grimlachjes worden gepresenteerd.

De verteller doet alsof de brieven op zijn bureau liggen. Hoe hij aan de brieven van al die mensen komt, is onduidelijk. Binnen de werkelijkheid van de fictie lijkt dat al niet helemaal te kloppen. Later richt hij nog wel het woord tot de lezer, maar hij speelt eigenlijk verder niet meer mee in het verhaal. Hij heeft bijvoorbeeld geen gesprekken met de vader van Clementine.

Voor mijn gevoel rammelt de constructie behoorlijk en ik vermoed dat de schrijver zich daar ook van bewust is. Dat zal ook de reden dat hij het zelf ter sprake brengt.

Godsdienst

Het verhaal van Clementine blijft overigens boeiend genoeg. Ze heeft andere opvattingen dan haar tante. Die laatste is nogal 'zwaar' wat betreft de godsdienst, daarin geadviseerd door de dominee.
De hoofdtrek van haar godsdienstigheid schijnt ook daarin te bestaan, dat zij over alles en iedereen zucht en klaagt (vooral over de verdorvenheid der mindere klassen,) zichzelfve voor 'eene uitverkorene' houdt, en mij zoekt te overtuigen, dat ik mij eerst recht gelukkig zal gevoelen, als ik besef, dat ik diep ellendig ben. Dat is: volgens haar, moet ik leeren inzien, dat er niets goeds aan mij is, en dat ik eene zeer groote zondares ben.
Clementine is juist opgevoed met een liefdevolle God. We zien dat ook in De koele meren des doods (1900) van Frederik van Eeden, waarin Hedwig te maken krijgt met een ander soort godsdienst dan waarmee haar moeder haar heeft opgevoed. En natuurlijk in het hilarische Het leesgezelschap van Diepenbeek (1847) van Lodewijk Mulder. In De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782) hangt Sara een andere vorm van godsdienst aan dan haar 'fyne' tante Hofland.

Iemand die qua kerkgeschiedenis meer onderlegd is, kan waarschijnlijk uitleggen of dat nog iets heeft  te maken met het opkomen van de Groninger Richting. Sara Burgerhart natuurlijk niet; dat was voor die tijd.

In dat laatste boek worden de 'fynen' (in mijn herinnering althans) ook getekend als hypocriet, wat ook geldt voor de tante van Clementine:
(...) zij [= tante] beschouwt zichzelve als iemand, die het der Voorzienigheid behaagd heeft aan allerlei zware beproevingen bloot te stellen en te onderwerpen, en alleen door dit telkens te belijden en dagelijks zich in haar lot te schikken (wat ook niet moeielijk is, daar zij geen wensch heeft, die niet dadelijk vervuld wordt), kan zij hopen zalig te worden, vooral, zooals zij steeds herhaalt, door te verklaren, dat zij zelve onwaardig is, terwijl zij toch iedereen, die haar niet als een heilige beschouwt en behandelt, van de grootste onchristelijkheid beschuldigt. 
Het is overigens een vrij milde observatie, die eerder voort lijkt te komen uit verwondering dan uit irritatie. In de tekening van de dominee (die zich soms honds gedraagt tegenover dienstboden) zit meer venijn.

Positie

Tussen tante en nichtje zijn er vooral verschillen van mening over haar positie. Daar moet Clementine zich steeds van bewust zijn, vindt tante. En Clementine is dat dan ook. Ze krijgt een gouvernante toegewezen die haar daarin moet begeleiden. Clementine heeft 'de vreemdste denkbeelden omtrent de maatschappij,' volgens tante en de gouvernante moet verder zorgdragen voor:
'En vooral eene zorgvuldige uitroeiing van alle dwaze romantische ideën van, - van - enfin, van die ideën, welke in deze revolutionaire tijden zoo algemeen beginnen verspreid te worden; zelfs tot in onze beste kringen doordringen.'
Pas als ze bij Kobalt is, kan Clementine de gedachte aan haar positie laten varen. Maar die heeft dan ook geen positie op te houden:
'Ik geloof ook, dat die Monsieur Kobalt in eene vreeselijke achterbuurt woont,' viel mademoiselle met een huivering in, 'zelfs ergens buiten de poort!'
Alles buiten de stad is blijkbaar per definitie verdacht.

De tegenstelling tussen hoe het hoort en hoe je je wilt gedragen komt veel voor in de literatuur, bijvoorbeeld in Majoor Frans (1875) van A.L.G. Bosboom - Toussaint. Zeker voor hedendaagse lezers is een eigenzinnige hoofdpersoon aantrekkelijk. Hoe dat in de negentiende eeuw het geval is geweest, is (zeker voor mij) moeilijker na te gaan, maar er zijn aardig wat personage die eigenwijs hun weg kiezen.

Verlies van kapitaal

Het belang van een maatschappelijke positie wordt in Clementine uitgewerkt: vader raakt zijn kapitaal kwijt, zodat Clementine in een andere positie komt. Ook hier blijkt weer dat de schrijver kiest voor iemand die eerlijk is en die haar lot met blijmoedigheid en geduld draagt. Dat blijkt belangrijker dan welke positie iemand inneemt.

Haar veranderde maatschappelijke positie zorgt ook voor een veranderde positie op de huwelijksmarkt. De vraag is of Clementine zal kunnen kiezen voor een man van wie ze houdt in plaats van voor een man die haar financieel wat te bieden heeft.

Toen zijn financieel nog in gunstiger positie was, was Willem Bleeker veel geld kwijtgeraakt bij het kaarten. Daar stapte de vader van Clementine toen gemakkelijk overheen.

De oude heer Smits weet de ontwikkelingen boeiend te houden: intriges, speurwerk en ontmaskering. Je vraagt je af of het allemaal goedkomt. Toen ik het boek bijna uit had, kwam ik erachter dat er in mijn uitgave een bladzijde ontbrak. Gelukkig is Clementine ook te vinden op DBNL, zodat ik niets heb hoeven te missen.

Publicatie

In het Algemeen Handelsblad van 13 september 1858 treffen we een advertentie aan van uitgeverij Thieme. Clementine is verschenen als nummer drie in de zogeheten 'Guldens-editie.' Advertenties in andere kranten volgen. Anderhalf jaar later, in dezelfde krant van 18 februari, als nummer vijf verschenen is, wordt Clementine nogmaals genoemd. Het boek blijkt 282 pagina's te tellen.

In Het leeskabinet van 1 februari 1858 wordt aandacht geschonken aan het initiatief van Thieme om boeken voor een lage prijs op de markt te brengen. In welk opzicht deze uitgaven verschilden van reguliere uitgaven, is mij niet bekend.

De uitgaven zouden, 'op de gewone wijze gedrukt,' in ieder geval veel duurder zijn:
Reeds meermalen hebben onze wakkere uitgevers beproefd te gemoet te komen aan het niet ongegronde bezwaar, dat er voor velen in gelegen is, om toe te geven aan den lust tot het koopen van onze Hollandsche werken van smaak daar die veelal te duur zijn om anders dan voor leesgezelschappen of leescirkels te worden aangekocht. Op nieuw waagt de Heer Thieme eene poging om goed en goedkoop met elkander te vereenigen, en zijne landgenooten daardoor in de gelegenheid te stellen, voor eene betrekkelijk geringe uitgave langzamerhand in het bezit te geraken van eene collectie degelijke en nuttige boekwerken, die, op de gewone wijze gedrukt en uitgegeven, zeker drie à vier maal den prijs zouden te boeven gaan, door hen voor deze serie bepaald. (…) In het bekende, niet onbevallige Tauchnitz-formaat gedrukt, bedraagt de prijs van ieder deel, dat ook afzonderlijk verkrijgbaar is, slechts één gulden.

Recensie

Op 1 januari 1859 besteedt datzelfde Leeskabinet aandacht aan Clementine. Het boek blijkt al in afleveringen verschenen te zijn geweest in Den Nederlandschen Spectator. Daardoor is het al door heel wat mensen gelezen.

De auteur heeft het verwijt gekregen dat hij, in plaats van te 'Smitsen' een geregeld verhaal heeft verteld 'dat toch niets te beteekenen' heeft. Met dat laatste is Het leeskabinet het niet eens:


Vertalingen

Op 17 juni 1861 meldt het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad dat 'de bekende novelle' van den ouden heer Smits te New York in Engelse vertaling is verschenen.

Opmerkelijk is dat een boek van 282 bladzijden een novelle wordt genoemd. Tegenwoordig reserveren we die term voor boeken met een beperkte omvang. Maar blijkbaar werd het woord 'roman' voor een ander soort boeken gebruikt. Wel is Clementine intussen een bekend boek geworden en de uitgever doet moeite het ook over de grens bekendheid te geven.












Daar blijft het niet bij. Clementine wordt ook in het Frans vertaald. Het verschijnt als feuilleton in het Belgische blad l'Echo du Parlement. Dat wordt op 3 november 1871 gemeld in de krant De locomotief.


Vergeten

Intussen is Clementine vergeten, net als de oude heer Smits, lijkt me. In ieder geval is Clementine geen hecht gecomponeerde roman, maar het verhaal is nog steeds boeiend en de humor doet nog steeds glimlachen. De kennismaking met het werk van de oude heer Smits is me niet tegengevallen. Van jongere auteurs als Justus van Maurik en Jacob Jan Cremer heb ik meer gelezen en van hun werk heb ik intussen een beter beeld.

Eigenlijk heb ik er nog geen idee van wat de auteur bedoelt met 'Smitsen'. Zou dat beter in zijn korte stukjes tot uitdrukking komen? Of heeft dat te maken met de meer spectator-achtige aanpak, waarbij de auteur er steeds tussendoor komt. Daar leed Clementine ook af en toe onder.

In mijn kast staat nog meer werk van Mark Prager Lindo. Mocht ik daar meer van gelezen hebben, dan meld ik het.