maandag 25 maart 2013

De rouwclub



Als een boek De rouwclub  heet, kun je daar eigenlijk al twee dingen aan aflezen: het zal wel gaan om iemand die gestorven is en het zal wel niet al te zwaar zijn. Een rouwclubje - dat klinkt al half jolig. Wat dat betreft voldoet Vrouwkje Tuinman aan de verwachtingen.

De dode is in dit geval Harold, tweede man in de organisatie van het popfestival Walhalla. Hij komt om in de drukte bij een ander popfestival. Het clubje rouwenden bestaat onder anderen uit zijn naaste collega Emma, Harolds vader Jan en Elmer, de eerste man in de organisatie. Tuinman legt het perspectief bij nog wel meer personages en van allemaal komen we te weten wat er met hen gebeurt rond en na de dood van Harold. Emma neemt de meest prominente plaats in.

Tuinman observeert scherp. Dat bleek ook al bij haar vorige boek, Buurvrouw, waarin ze goed wist op te roepen hoe de ik-figuur leefde met haar buurtgenoten. De personages nemen niet alleen elkaar scherp waar, maar ook zichzelf:
Victor antwoordde niet, maar omhelsde eerst hem en toen Emma. Stevig, als hadden ze hem zojuist gered van een onbewoond eiland. Nee, andersom. Alsof hij hen kwam redden. Dat knuffelen deden ze normaal nooit. Hij had zijn jas nog aan. Door de stof heen kon Emma voelen dat hij warm was, plakkerig stresszweet. Je zag het niet, maar het was er wel. 
En hier:
Hij produceerde een raar grinnikje dat hij van zichzelf niet kende en dat meer opluchting gaf dan al het gehuil tot dusver. 
De enige bindende factor in de rouwclub is de dode Harold en die is er niet meer. Door zijn coma, zijn dood en de nasleep ervan, hebben de clubleden veel met elkaar te maken. Maar ze weten al dat dat tijdelijk is. De club zal onherroepelijk uit elkaar vallen.

De clubleden zijn redelijk divers. Hoewel we van sommige personages best wat gedachten te weten komen, hield ik het idee dat ze niet echt uitgediept werden en zich ook maar weinig ontwikkelden. Iemand als de stagiair Joris, die aanwezig was bij Harolds ongeluk, is al vanaf het begin de kwaaie pier. Uit een mager plotje aan het eind blijkt dat ook te kloppen.

Tuinman wilde er duidelijk geen sentimenteel boek van maken. Vooral Emma zorgt voor relativerende opmerkingen op zijn tijd. Dat houdt het boek luchtig en dat leest prettig.

Een nadeel is wel dat daardoor het boek ook nogal afstandelijk blijft. De emoties die de personages voelen, ziet de lezer vanaf een afstand, maar hij voelt ze niet. Hij is de observator die vanachter glas naar de rouwclub kijkt. Hij ziet ze bewegingen maken, hij ziet een overhemd nat worden als iemand met een huilend hoofd ertegenaan ligt, maar het doet hem niks.

Een boek dat je volledig onberoerd laat, ontbeert toch iets. Je kunt het met gemak en plezier lezen, je kunt beamen dat de schrijfster goed observeert en heel aardig schrijft, maar zo gauw je het uit hebt, kun je het vergeten. Hanteerde ik een sterren- of bolletjessysteem, dan zou ik er maar twee zwart maken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen