dinsdag 19 maart 2013

Boekenweek 1957


De Boekenweek van 1957 kende een geschenk waarvan de auteur aanvankelijk onbekend was. Het publiek moest raden wie De nacht der Girondijnen had geschreven. Er was een lijst met vijftig schrijvers waaruit gekozen kon worden. Mej. Agnes Kunst uit Amsterdam had goed geraden dat Jacques Presser de auteur was en won de eerste prijs, een boekenbon ter waarde van fl. 125,-. De boekenbon van fl. 100,- ging naar G. Wijle-Reijenga, ook uit Amsterdam, die van fl. 75,- naar H. Lambooy uit Rotterdam. Verder waren er vijftig mensen die een boekenbon van een tientje kregen. 

Er waren ruim 13.000 inzenders van wie 4000 de goede naam geraden hadden. Een opmerkelijk hoog percentage, lijkt mij. De hele Boekenweek lang werd niet bekendgemaakt wie de auteur was. Hij werd dus niet, zoals tegenwoordig in het zonnetje gezet. De uitslag kwam pas in mei. Zou in de tussentijd de naam gelekt zijn, waardoor zoveel mensen Presser als auteur herkenden? Zoveel had hij nog niet geschreven. Zou het grote publiek zich hem herinnerd hebben van Moord in Meppel, een parodie op een detective?

De novelle was uitgekozen door een jury die bestond uit Antoon Coolen, Clare Lennart, Hans Gompterts, G. Kamphuis, Chr. Leeflang, P.G.M. Coebergh en P.J. Venemans. De jury was tevreden over de inzendingen. Het gehucht van Defresne zou in 1958 Boekenweekgeschenk worden. Er waren eervolle vermeldingen voor An Rutgers van der Loeff-Basenau, Tony van der Horst en Inez van Dullemen. 

In De Tijd van 30 maart 1957 schreef een verslaggever.: 'Men schijnt er, ondanks het sombere thema, nogal wat van te verwachten: het boekje is in een oplaag van ruim 150.000 exemplaren gedrukt.' Op dezelfde pagina van De Tijd recenseert Alb. W. het boekje lovend:
Het verhaal is meesterlijk gecomponeerd van het aarzelende, hier en daar maar wat grijpende begin af, waar reeds dat sterke overrompelende gevoel van authenticiteit, van echtheid ontstaat, dat de lezer tot de laatste bladzijde niet meer zal verlaten. Het laat een bewonderenswaardige beheersing van de schrijftechniek zien, in de kernachtigheid van de beschrijvingen, in het duidelijk mee laten resoneren van de gevoelens, die soms de schrijvende "ik" moeten bestormen. Waardoor herhalingen ontstaan, tussenwerpsels, bedenkingen -een techniek, beheerst en gestuwd door het intensieve vermogen van de schrijver om wat hij schrijft authentiek, echt te laten klinken, om uit het samenvoegen van woorden, woorden, dat onnaspeurlijke te doen ontstaan, dat van de op papier beschreven mens een mens maakt, die er niet is en toch voor de lezer leeft.
Alb. W. eindigt met: 'een volmaakte novelle; een juweel van een geschenk.' In Nieuwsblad van het noorden bespreekt Johan van der Woude De nacht der Girondijnen op 27 april 1957. De Boekenweek is dan al drie weken voorbij:
"De nacht der Girondijnen" is een uitzonderlijk werkstuk, niet in de eerste plaats om de literaire verdiensten ervan, men kan het ook nauwelijks een novelle noemen, maar omdat de stof, die erin werd verwerkt, van waarlijk grootse allure is. 
Voor de jonge mensen was er de bloemlezing De muze en het meisje, samengesteld door Ad den Besten en Bert Voeten. Alb. W. noemt het 'een zwierig bundeltje'. Hij zegt ook nog wat over de illustraties: 'Jan van Keulen heeft het gevalletje pretentieloos geïllustreerd en zo gaat het nu op weg naar de schooltas van de middelbare scholen.'




De Boekenweek werd wat rustiger geopend dan het jaar ervoor. Nel Oosthout droeg twee verhalen voor: 'De binocle' van Couperus en 'De gelijkenis' van Harry Mulisch. Daarna was er een ballet en daar weer na het bal. Prinses Beatrix was aanwezig, evenals de ministers Cals, Suurhof, Samkalden, Mansholt en Hofstra. Mulisch schijnt tegen Beatrix gezegd te hebben dat zijn collega Couperus jammer genoeg verhinderd was.  

In de Leeuwarder Courant van 30 maart werd gesignaleerd dat Annie Schmidt en Simon Carmiggelt ontbraken. De foyers en wandelgangen van de Stadsschouwburg waren versierd door Wim Bijmoer, afgewisseld met 'leerzame spreuken' als: 'Vraag rustig een voorschot aan Geert van Oorschot'; 'Goede gijn behoeft geen Gans'; 'Anthony van Kampen bezorgt amateurs krampen'; 'Schrijver, laat u niet paaien, inbinden is beter dan innaaien'.



In De Tijd van 30 maart 1957 staat een verslag van een mini-enquête onder boekhandelaren. De journalist heeft er twee gesproken, een christelijke en een neutrale. 
De christelijke boekverkoper constateert in deze tijd vóór Pasen een verhoogde belangstelling voor godsdienstige lectuur, een terrein waarop hij zich uiteraard ook meer specialiseert dan zijn "neutrale"collega. Maar in beider boekhandel zijn de pocket-books het meest in trek. Ze vliegen de pan uit, zogezegd. 
Het zijn niet de slechtste boeken die als pocket verschijnen.
De mooie linnen band met de gouden letters lijkt wel haast voorbehouden aan het (slechte) boek, waarnaar de (slechte) film is gemaakt....
 De boekhandelaren vertellen verder dat er vraag is naar reisbeschrijvingen, historische romans en boeken over de diepzee. Ook boeken over archeologie zin populair:
Men leest graag over Babyloniërs en Assyriërs, over de Hittieten en hun geheimzinnig schrift. Vanwaar deze belangstelling? We weten het niet. Misschien spreekt er de behoefte uit aan een rustpunt in deze jachtige tijd, aan de wetenschap -nu de techniek zulke vorderingen maakt dat ze zichzelf haast niet bij kan houden- dat er in de wereld ook nog zaken zijn die eeuwen onveranderd zijn gebleven, die diep begraven onder het zand, in het ijs of in afgelegen grotten, het rusteloze mensdom aan zich hebben zien voorbij gaan. En daar niet onder geleden hebben. Want dat prikkelt ons, mensen, misschien nog het meest: dat er dingen zijn en blijven bestaan, die ons helemaal niet nodig hebben.
Nogmaals noemt Alb. W. de reisgidsen waarmee het goed gaat en 'de hedendaagse, niet al te experimentele poëzie'. Dan de 'lachertjes', de grappige boeken, waarmee het wat minder gaat.
Men blijkt zich op den duur bij al die lollige boekjes toch een beetje te vervelen, en toont zich gaarne bereid weer een echt verhaal ter hand te nemen. Een uitzondering moet gemaakt worden voor die kleine, spirituele kolderversjes, waarin zich tegenwoordig ook een Iers-aandoend man specialiseert. Men heeft ons verteld, dat de gegadigden voor zijn nieuwe boekje reeds op een wachtlijst staan.
Ik neem aan dat het hier gaat om John O'Mill, die in 1956 debuteerde met Lyrical laria. In 1957 kwam Rollicky rhymes uit. Hoe Iers hij ook aandoet, het is een Nederlander.

Nel Oosthout was in de Boekenweek niet alleen bij  de opening actief, zoals blijkt uit het affiche hieronder. Ook het ballet op de openingsavond viel in de smaak. Op Koninginnedag mocht het een uitvoering geven voor de AVRO-televisie.




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen