donderdag 3 januari 2013

Dit zijn de namen



Van Tommy Wieringa las ik, zoals iedereen, Joe Speedboot. Caesarion sloeg ik over; wel las ik het kleine boekje Portret van een heer. En zojuist heb ik de fraaie roman Dit zijn de namen gelezen.

Het verhaal zal intussen bekend zijn, ook bij degenen die het boek (nog) niet gelezen hebben. De recensies hebben erover verteld: in een grensstad in de steppe leeft Pontus Beg, hoofd van de plaatselijke politie. Het is een beetje behelpen in zijn leven: hij heeft een koude voet en een fluittoon in zijn oor. Een nacht in de maand beslaapt hij zijn huishoudster.

Op een dag komt er een haveloos groepje van de steppe. Broodmager, uitgeput. Ze blijken een afgehakt hoofd bij zich te dragen, dat ze vereren als ware het een godheid. Beg zet ze vast en verhoort hen.

Godsdienst interesseert Beg wel. Hij heeft ontdekt dat hij wellicht Joods is. Je zou ook kunnen zeggen dat hij ervoor heeft gekozen om Jood te zijn, om te passen in een traditie, om ergens bij te horen.

Dit zijn de namen is thematisch een rijke roman. Wieringa stelt vragen over religie, over wat religie voor mensen betekent, of een god de gelovigen bevoordeelt. Hij laat ook zien hoe mensen kiezen voor zichzelf. De jongen die met de haveloze groep meetrekt, haalt zijn schouders op als Beg hem vraagt naar het oude vrouwtje wier wintervoorraad de groep meegenomen heeft: 'Het was wij of zij, snap je.'

Het was de bedoeling van het groepje verlorenen om over de grens te raken. Sterker nog: ze dachten dat ze al over de grens waren, wat niet bleek te kloppen. Ze waren op zoek naar het beloofde land, zoals ooit het volk Israël. Ze zeulden een hoofd met zich mee, zoals Israël de beenderen van Jozef met zich meedroeg. Aan het eind van het boek laat Beg aan de jongen zien waar de grens is. Hij laat hem met een verrekijker over de grens kijken, zoals Mozes ooit het land van melk en honing mocht zien, al zou hij niet over de grens komen.

Wieringa laat de lezer heen en weer zwenken tussen de wereld van Pontus Beg en van de groep gelukzoekers. Beide werelden boeien. De gelukzoekers moeten zien te overleven. Ze weten dat ze van de anderen niets goeds te verwachten hebben. Ze kunnen alleen bij de groep horen zolang ze iets kunnen bijdragen. Wie te zwak is, is verloren. Maar ze hebben een doel en dat zullen ze blind voor ogen houden, al weten ze niet of ze het ooit bereiken.

Het leven van Pontus verandert als hij ontdekt dat hij misschien wel Joods is. Ineens krijgt hij er een context bij, een traditie, wellicht een geloof. Als politieman wentelt hij zich in het vuil van de wereld. Als hem gevraagd wordt hoe hij zich daarvan reinigt, antwoordt hij dat sommig vuil niet meer weggaat. Maar als hij het bad met levend water heeft gezien, waarin Joden ritueel gereinigd kunnen worden (mikwe) begint hij te hopen dat hij misschien wel gereinigd kan worden.

Dit zijn de namen stelt vragen over rein en onrein, over moraal, over traditie, over geloof. Die vragen blijven nog door je hoofd zingen als je het boek uit hebt. En verder blijven de beelden je bij, van de eindeloze steppe, van de hardheid van het bestaan, van de mensen voor wie overleven bijna boven hun macht ligt. Wieringa heeft een roman met allure geschreven. Verplichte kost.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen