donderdag 21 mei 2026

De ziener (S. Vestdijk)


Het is al bijna twee jaar geleden dat ik een boek van Simon Vestdijk las, zie ik. Link naar de bespreking vind je onderaan. En ik had me nog wel voorgenomen om elk jaar iets (en zo mogelijk meer dan iets) van hem te lezen. Al was het maar om de norm weer helder te krijgen: zo ziet een goed boek eruit. 

Natuurlijk is niet elk boek van Vestdijk even goed. Hijzelf vertelde in een interview aan Clara Eggink (De Telegraaf, 13 november 1959) dat hij bij herlezing zijn romans De vuuraanbidders en Het vijfde zegel 'bar vervelend' had gevonden. Maar van zijn formuleerkunst geniet ik ook in de wat mindere romans. 

Al een tijdje had ik een stapeltje Vestdijk klaarliggen en daarvan heb ik nu De ziener gelezen. Ik wist dat het boek over een voyeur ging. Een collega bij de Staatsexamens vertelde me dat ik in die voyeur vooral ook de schrijver moest zien, dus dat heb ik in mijn achterhoofd gehouden toen ik het boek las. 

De ziener verscheen in 1959. Ik las de tweede druk uit 1966. Daar staat op de achterflap een citaat uit de recensie van H.A. Gomperts, Het Parool,  31 oktober 1959. Die ziet in de voyeur duidelijk de schrijver. 


Die link was niet zo heel moeilijk te leggen, want op de achterkant van de eerste druk was ook al duidelijk gemaakt dat de voyeur staat voor de schrijver. Ondanks die aanwijzing, wilde of kon niet iedereen die parallel zien. 

De recensent van de Arnhemsche Courant,1 december 1959, schreef:


Bij oudere boeken wordt soms op de achterflap al het hele verhaal uit de doeken gedaan, zonder dat men blijkbaar bang was voor spoilers. In hoeverre dat bij de eerste druk gebeurd is, weet ik niet, maar wel dat ons er nadrukkelijk op gewezen wordt dat De ziener niet alleen gaat over voyeurisme, maar over het schrijverschap. 

Ik veronderstel dat dat gebeurd is omdat men het onderwerp controversieel achtte. In de recensies wordt hoofdpersoon vaak negatief getekend. De recensent neemt duidelijk afstand van Pieter le Roy. Enkele woorden die ik in recensies las: 'bepaald onfris', 'miezerig', 'een ietwat drabbige nietsnut', 'een geestelijk en sexueel gestoorde'. 

Pieter le Roy

Over wie hebben we het eigenlijk? Het betreft Pieter le Roy, een in het zwart geklede man, met een breedgerande hoed op. Hij woont nog thuis, bij zijn moeder, en heeft een postzegelverzameling. Hij vervult een adviseursfunctie bij een lompenhandel, maar die baan stelt eigenlijk niks voor, al probeert hij zich wel belangrijk te maken. In de loop van het boek raakt hij het baantje ook nog kwijt. Dat is misschien een spoiler, maar om spoilers bekommer ik mij niet in dit stuk. Volgens mij is een roman van Vestdijk altijd de moeite waard, ook als je al weet hoe die afloopt. Maar mocht je liever in het ongewisse blijven, lees dan de rest van dit stuk niet. 

Le Roy houdt ervan vrijende paartjes te bespieden. Hij weet dat hij daarbij betrapt kan worden en dat windt hem op. Zeker als hij dan ook daadwerkelijk betrapt wordt en een pak slaag krijgt. Het is hem niet om die aframmeling te doen, maar het moment er vlak voor. 

Maar zolang ze hem niet lam sloegen, of voor het leven verminkten, dan maakte ook dàt geen verschil. Het was de prijs nu eenmaal, de onaangename kant. Het allerlaatste. Het voorlaatste was heerlijk. Als ze op je afkwamen. Er zou een middel moeten bestaan om ervoor te zorgen, dat ze op je afkwamen, en dan niet sloegen. Maar als ze niet sloegen, dan wist je ook niet of ze op je af waren gekomen om te slaan en dat hinderde niet voor één keer, maar wel voor de volgende en daarop volgende keren, want dan zou je niet meer geloven dat het ernst was. 
Overigens overdreef hij, want in de vier of vijf jaar, waarin het misschien honderd of honderdvijftig maal gebeurd was, hadden ze hem niet meer dan twintig maal geslagen, ruim berekend. 
Verderop in het boek zal hij tegen iemand nog duidelijker uitleggen wat dat moment, vlak voor een aframmeling met hem doet:
Wanneer zo'n stel dan op me afkomt, of de jongen alleen, dan voel ik me opeens gelukkig. Dan is het of er iets geweldigs gaat gebeuren, een mooi feest, of een geweldige natuurramp, of een veldslag waarvan je niet weet hoe het zal aflopen, - een geweldige spanning, iets beslissends in je leven, - (...)

Le Roy is ook een intrigant. Bij een kaatswedstrijd doet er iemand mee wiens been niet helemaal in orde is. Le Roy wil dat dan wel even melden. Hij komt het huis van de notaris Thieme Bakker binnen en neemt schrijfpapier van hem mee om op dat papier te vertellen dat er een speler meedoet die eigenlijk geweerd zou moeten worden. 

Juffrouw Rappange en Dick

In het huis van Le Roy en zijn moeder worden kamers verhuurd en een ervan is verhuurd aan juffrouw Rappange, een docente Frans, 34 jaar oud. Er wordt expliciet door Vestdijk verteld dat ze niet knap is. Een andere belangrijke figuur is Dick, een scholier uit de hoogste klas van de hbs. Die heeft het ooit voor Le Roy opgenomen toen die een aframmeling kreeg. Volgens Le Roy heeft Dick zijn leven gered. 

Dick Thieme Bakker komt wel eens bij juffrouw Rappange op de kamer en Le Roy schrijft daarna twee anonieme brieven waarin verteld wordt dat de twee 'een liaison' hebben. Zowel de directeur van de school als de vader van Dick krijgen de brief. 

De ontvangers spelen open kaart. Thieme Bakker vertelt het aan zijn zoon en de directeur bespreekt het met enkele personeelsleden. In de hele roman zijn de personen vrij eerlijk tegenover elkaar: Dick bespreekt het met juffrouw Rappange en zij besluiten zich niets aan te trekken van de publieke opinie en elkaar regelmatig te zien in verband met bijlessen, die Dick eigenlijk niet nodig heeft. 

Aan de ene kant wil Le Roy graag dat juffrouw Rappange en Dick een relatie beginnen, zodat hij ze kan beloeren. Daartoe klimt hij in een boom en vandaaruit kan hij in de kamer van Rappange kijken. Hij wordt gezien en ook nu weer wordt er open kaart gespeeld: Dick spreekt Le Roy aan en juffrouw Rappange gaat ook een gesprek met hem aan. 

Aan de andere kant lijkt het erop dat Le Roy die twee ook gewoon een relatie gunt: Dick heeft immers zijn leven gered en juffrouw Rappange is altijd vriendelijk en ze bewaart buitenlandse postzegels voor zijn postzegelverzameling. In die zin is zijn gemanipuleer een daad van liefde. 

Door de omstandigheden worden de twee naar elkaar toe gedreven, zonder dat ze daaropuit zijn. Uiteindelijk vertrekt juffrouw Rappange en daarvan stelt Le Roy Dick meteen op de hoogte, zodat hij haar op station misschien nog kan treffen. 

De voyeur en de schrijver

Le Roy staat dus voor de schrijver: hij creëert situaties en kijkt er van een afstandje naar, maar neemt er eigenlijk niet aan deel. Nol Gregoor, aan wie De ziener is opgedragen, heeft ooit over Vestdijk gezegd dat hij schrijft om niet te hoeven leven. Dat is misschien wat kras uitgedrukt, maar een schrijver moet het in ieder geval hebben van zijn verbeelding. 

Le Roy kijkt niet alleen naar vrijende paartjes, maar soms fantaseert hij ook wat er allemaal kan gebeuren. Dan is zijn verbeelding volop aan het werk. Zo stelt hij zich voor dat zijn zus Tine loopt naast Roukema (van de lompenhandel), hoewel die twee nog nooit een woord gewisseld hebben.  

Le Roy manipuleert mensen, maar hij kan niet voorspellen hoe ze zullen reageren. Misschien heeft ook de schrijver zijn personages niet altijd in de hand en gaan ze uiteindelijk in de roman hun eigen gang. De schrijver kan dan alleen noteren wat er gebeurt: hij is de voyeur die het allemaal ziet, maar er uiteindelijk niets aan kan doen. 

Je zou kunnen zeggen dat de titel De ziener ironisch is: het gaat om iemand die ziet, een loerder, maar niet om een soort profeet. Maar misschien is er ook een minder ironische kant aan de titel. Le Roy voorziet dat Dick en juffrouw Rappange uiteindelijk samen zullen komen, dat er misschien wel een liefde tussen hen zal groeien. 

In een gesprek met juffrouw Rappange probeert Le Roy uit te leggen wat de reden is van voyeurisme en dat het niets te maken heeft met nieuwsgierigheid. 
Je kunt het vergelijken met God. God ziet óok alles, terwijl Hij toch niet ingrijpt, tenminste normaal niet, en Hij doet dat ook niet uit nieuwsgierigheid, want Hij weet alles van tevoren.
God is de schepper bij uitstek, maar ook degene die alles voorziet, die weet wat er gebeuren zal. Zowel Le Roy als de schrijver zijn daarin met hem verwant. 

Dat juffrouw Rappange uiteindelijk vertrekt, komt doordat ze weet hoe Le Roy alles opgezet heeft. Ze zegt dat ze niet kon blijven, omdat ze zich dan altijd een creatuur van Le Roy zou voelen en Dick ook. 

Van De ziener heb ik zeer genoten. In het eerste hoofdstuk leren we Pieter Le Roy kennen, maar voor mijn gevoel was het allemaal nogal ongericht. Langzaam kom je erachter met wat voor persoon je te maken hebt. Vestdijk switcht vaak van perspectief en daar lijkt weinig systeem achter te  zitten, maar daar wende ik tijdens het lezen snel aan. 

Het boek wordt in de loop van het verhaal alleen maar spannender en je komt dan als lezer dichter bij de personages en leeft meer met hen mee. Mooi boek. 

Koppelaar

Mijn collega bij de staatsexamens vertelde me dat hij ook gelezen had wat Pauline Slot en Maarten 't Hart over deze roman geschreven hebben en dat zich erover verbaasd had dat die niet ingingen op de koppelaarsrol van Le Roy. Volgens hem is Le Roy juist dan te vergelijken met de schrijver. Hij brengt de twee immers samen door brieven te schrijven. 

Dat is zo, al zie ik de schrijver net zo goed, zo niet meer, terug in de verbeelding van Le Roy, in zijn manipulatie, in zijn rol van buitenstaander. 

Dat Le Roy de opzet heeft om juffrouw Rappange en Dick samen te brengen, staat expliciet in het boek en het komt ook terug in verschillende recensies die indertijd verschenen. Dat Slot en 't Hart dat niet noemen, is dan wel vreemd, maar ik heb hun boeken niet gelezen en misschien past dit gewoon niet in wat ze over dit boek wilden schrijven. 

Ontvangst

De recensies die indertijd verschenen zijn, zijn overwegend positief. De recensent van De tijd De Maasbode  van 31 oktober 1959 vindt de roman niet zo geslaagd, omdat hij vindt dat het verhaal lijdt onder de symbolische betekenis ervan:


In Het Parool  van 31 oktober 1959 bespreekt H.A. Gomperts De ziener. Hierboven citeerde ik daar al wat uit. 
De mensen die Vestdijk plegen te beschuldigen van een ongezonde voorkeur voor onfrisse en morbide onderwerpen, krijgen dus met dit boek heel gemakkelijk gelijk. Maar zij zouden zich toch vergissen, als zij meenden dat het deze schrijver alleen om het nogal groezelige genoegen van het bekijken van zo'n bekijker te doen was. 
Hij bespreekt de roman tegelijk met een deel uit de Anton-Wachterreeks, De rimpels van Esther Ornstein, 'als roman een van Vestdijks zwakste boeken'. Over De ziener is hij alleen maar positief. 

In het Zutphens Dagblad van 9 november 1959 heeft Willem Brandt wat meer reserves. Hij vindt De ziener een beetje een herhaling van Het glinsterend pantser en hij vindt het verhaal hier en daar te veel uitgesponnen. Toch eindigt hij zijn recensie met:


Ronduit lovend is B. Stroman, de recensent van het Algemeen Handelsblad, 19 december 1959. Hij gaat uitgebreid in op de parallel met het schrijverschap en vindt De ziener ontroerend.  


Ook noemt hij de scène waarin misschien wel het duidelijkst blijkt dat Le Roy van een afstand toekijkt. Hij vernielt dan zijn dierbare postzegelverzameling en bekijkt tegelijkertijd zichzelf van een afstandje. Het is een prachtige passage. 
Maar onderwijl, alsof hij in een hoek van de kamer zat toe te zien, zag hij zichzelf aan de tafel het album vernielen, blad voor blad in tweeën en vieren scheuren, soms door de postzegels heen, soms vlak er naast. Daar zat hij, die andere Le Roy, hij zat daar met een doodsbleek gezicht en met tranen in de ogen iets te doen dat hij niet wou doen, een nogal nare vent om te zien, straks zou hij zijn domineeshoed opzetten en de straat opgaan, te beroerd voor een doodschop, - maar hij zat daar, en hij verscheurde zijn eigen postzegels, als de bewijzen van zijn schande, de paspoorten van zijn korte reizen, de zinnebeelden van zijn hart. 
Dat de recensent geroerd is, dat de roman hem aangesproken heeft, komt terug in meer recensies. In de Volkskrant van 3 december 1959 schrijft Gabriël Smit een niet zo lange bespreking, maar hij is heel lovend. Hij schrijft dat hij vaak een kille afstandelijkheid ervaart bij het lezen van het werk van Vestdijk, maar dat dat nu helemaal niet het geval is. De manier waarop Pieter le Roy beschreven is, vindt hij zelfs ontroerend. 

Hetzelfde overkwam de recensent van Trouw, 27 februari 1960, die vooraf niet zo'n zin had in een boek van Vestdijk, maar dit een ontroerende roman vindt. 

 
Hij noemt in het stukje hierboven dat er romans zijn die hij 'vervelend of om andere reden onaanvaardbaar' vindt. De recensent, v D., moest natuurlijk wel zijn christelijke lezerspubliek in het oog houden. Hij eindigt zijn bespreking dan ook met:
Een knappe, boeiende, verrassende roman. Wij wijzen er onze lezers nadrukkelijk op, dat dit niet een christelijke roman is en dat de auteur zich in sommige gesprekken een voor zijn sujetten kenmerkend gebruik van platte woorden veroorlooft, een gebruik dat ons tegen de borst stuit en dat vermeden kan worden. 

Stijl

Afgezien van hoe knap de roman is of hoe boeiend het verhaal is, bij Vestdijk zijn er ook altijd weer zinnen die opvallen, omdat ze verrassende beelden bevatten. Ik geef drie voorbeelden.

Het waren twee oude warmoezeniershuisjes, kleumig tegen elkaar aangedrukt, de kinds geworden gevelgezichtjes naar hun oude straatweg gekeerd.

In zulk een neerslachtige toestand kwam hij bij de directeur aan, met zulke sprekende gebaren van rouwbetoon, als een oudtestamentisch profeet die een andere profeet de ondergang van de de tempel komt aanzeggen (...).  

Was de directeur niet slaperig, dan ging er nog heel wat gezag van hem uit, vooral wanneer hij losweg bevelen gaf over enkele meters afstand, waarbij zijn oogspleten zich samenknepen en zijn stem een dwingende galm aannam; hij was dan als sommige legeraanvoerders, die in de open lucht, met wat kruitdamp, veel meer waard lijken dan tijdens een krijgsraad in de tent; men zag dan, dat hij misschien wel een domme man was, traag van begrip, gauw in de war wanneer men men hem haastte, maar geen onbeduidende man. 

De meeste recensies van De ziener waren positief en dat oordeel werd nog eens onderstreept door de jury van Romanprijs van de stad Amsterdam, die eind 1960 de prijs toekende aan Vestdijk voor De ziener

Nijmeegsch Dagblad, 29 december 1960


Eerder schreef ik over ander werk van Vestdijk:

2 opmerkingen:

  1. Teunis, wat vind je van de roman Het spook en de schaduw?

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Die heb ik dan weer niet gelezen, Joke. Ik ga wel meer van Vestdijk lezen, dus bedankt voor de tip!

      Verwijderen