vrijdag 26 juni 2026

Afgestoft: Flitsleemte (Elma van Haren)/De deugende cirkel (Saskia de Jong)

Twee korte besprekingen deze keer, die ooit gepubliceerd zijn in  Liter nr. 59, jaargang 13 (2010) en beide recensies van dichtbundels: Flitsleemte van Elma van Haren en De deugende cirkel van Saskia de Jong. 

Ik zal zoeken naar de oude recensies die ik nog niet afgestoft heb. Dat zullen er een stel uit Nederlands Dagblad zijn, maar ik heb niet tot alles wat ik daarin ooit geschreven heb nog toegang. In Liter heb ik een serie artikelen geschreven in een rubriek 'Onder het mes'. Die heb ik niet gelezen, maar ik vermoed dat dat nogal betweterige stukjes zijn, die misschien maar beter onder het stof kunnen blijven. 

En ik heb nog wel het een en ander geschreven voor de Poëziekrant, maar ik heb de oude nummers van dat blad ooit aan iemand cadeau gedaan, dus die recensies heb ik niet meer en ik weet ook niet hoe die nog te pakken kan krijgen. 



Een dot lukraak geluk

Soms wandel je, handen in de zakken, kop naar de grond, langs de prachtigste dingen zonder ze te zien. Zonde. Van Elma van Haren heb ik de eerste twee bundels in de kast staan: De reis naar het welkom geheten en De wankel. Hoe ik eraan kom, weet ik niet eens meer. Ik heb ze nauwelijks gelezen. Als iemand mij ernaar gevraagd zou hebben, zou ik iets vaags gemompeld hebben als: ‘lange zinnen’ (waarvan ik niet zo houd) en ‘wel eigenzinnig, ja’, en daarmee zou ik niets gezegd hebben.

Maar nu heb ik haar laatste bundel in huis: Flitsleemte. En ik heb hem gelezen en steeds weer gelezen en ik wil iedereen die bundel geven en alle vorige bundels gaan lezen en roepen dat het poëzie is die vonkt en tinkelt, die je het water in de mond laat lopen, die je zachtjes over je arm krabt, die in je nek ademt, die je kietelt, die je een por in je zij geeft.

Poëzie met daarin stukjes zin als ‘een partijtje geurworstelen’, ‘sterk als eigen getrokken kippenbouillon’, ‘een dot lukraak geluk’, ‘levertranen’, ‘klompenlicht’, ‘heupwiegend loof’, ‘het dijende landschap’, ‘niet als gespikkelde eieren zo broos’, ‘zoomzwelgend’.

Bijzonder zinnelijke poëzie is het; een tafel helemaal vol gerechten die er allemaal lekker uitzien en je weet niet waar je moet beginnen te eten. Poëzie die ‘Joehoe’ zegt en ‘Zag je dat?’ en ‘Zul je dit nooit meer flikken?’, alsof ze naast je staat en heel vertrouwd is met je. Maar ook poëzie die afstand weet te bewaren:

Het zijn Uw vleugels, doch het is mijn hooghartigheid!
Op een warme avond dolf ik naar goud, maar vond
in het rode blad van een geranium het kleinste bloedvat boven, 
    de grimas van de geur hartvormig,
    hartstochtelijk in haar verbetenheid.
Zonder U ben ik donkerend hout met een vleug vorst erin.
Doch ik heb zon in mijn zinnen en tong waar U bestaat. 
Ik ga graag op in rauwe dingen,
ik zing hoog en vals, tot 
U blauw de glazen breekt en mij in gruzelementen vallen laat 
en vangen kan 
                        in Uw zingend rood geraniumorgaan.

Die afstand is trouwens niet zo verwonderlijk. Het motto boven het gedicht waaruit dit citaat komt is van Hadewijch: ‘Doen werdic genoeget van buten in allen vollen sade.’ Net als Hadewijch weet Elma van Haren het hogere en tastbare met elkaar te verbinden.

In verbindingen maken is ze trouwens toch goed. Haar gedichten dansen van de associaties. Allemaal dingen die ze even noemt en als lezer ga je ze verbinden en dan gaat er steeds meer meezingen in het gedicht.

Soms legt ze de verbinding expliciet, zoals die tussen verwelkte prei en de oren van een lusteloos hangoorkonijn en nooit meer zal ik het een kunnen zien zonder aan het ander te moeten denken.

En hoewel ik ze al tien keer gelezen heb, zal ik nog vaak terugbladeren naar bijvoorbeeld het Hadewijchgedicht (‘Klompenlicht’) of ‘Klop van het engagement’, waarin de gruwelijkheid van de jacht (‘luid keelgeklop van de fazanten / opgejaagd door de honden. / Hazen en reeën buitelen dwaas tussen / steeds dunner wordend loof’) gecombineerd wordt met gezellig koffie drinken (‘Het is een vrolijke dood hier in de bossen en / vooralsnog drinken wij buiten de koffie.’).

Dreiging en genot, ze zijn er allebei. Zoals ook verder in het gedicht ‘Klop van het engagement’: 
Het zijn dagen waarin vrienden, gekoppeld aan accu's 
van kleine mechanische harten (en zo hun sterven al acht keer 
hebben uitgesteld) elkaar bezoeken en het leven bezingen 
met kasten vol boeken en muren vol kunst. 
Hun hele leven dat hart gevolgd en dus 
geen cent te makken gehad, maar hopelijk, 
als we het halen en mogen van een terugkerend katholicisme, 
zullen we in de toekomst de klop van nieuwe harten volgen, 
in kunst in liefde in hartstocht in het genot.

Zinderende gedichten schrijft Elma van Haren. Ik laat me er graag door bij de keel grijpen.


De godgans gakte


Er is heel wat poëzie speciaal voor kinderen geschreven. Ted van Lieshout, Wiel Kusters en Edward van de Vendel zijn enkele dichters die me zo te binnen schieten en als ik even langer nadenk, kom ik ook nog wel op Bas Rompa, André Sollie en Daniël Billiet. Bij dat rijtje mag nu ook gerust Saskia de Jong aanschuiven, met De deugende cirkel.

De bundel begint met enkele zwarte bladzijden en dan is er het eerste gedicht: ‘en het was licht, de godgans gakte.’ Het begin van de schepping dus. Na de godgans (‘de godganse dag op het water lopend’) volgen in alfabetische volgorde vijfentwintig andere dieren, bezongen in rondelen en elk rondeel vergezeld van een prachtig ‘knipsel’.

De auteur gaat niet op haar hurken zitten om de kinderen toe te spreken, maar vertrouwt erop dat zij ook wel in soms wat lastiger gedichten zullen doordringen. Vaak zijn de gedichten vrolijk of op zijn minst monter. Maar de ernst ontwijkt De Jong niet. Over de olifant dichtte ze: 
daar lag die dode olifant 
we vormden een kring voor het afscheid 
troostten met onze slurf uitgebreid 
en raakten haar aan, zielsverwant 
probeerden haar nog in rechte stand 

het was een hele plechtigheid 
daar lag die dode olifant 
aarde en bladeren op haar gespreid 

zijn wij bij beenderen aanbeland 
dan besnuffelen wij deze geheid 
herinneren ons een vroegere tijd 
dan peutert het aan ons verstand 
daar lag die dode olifant

Het leukst van de bundel is de woordenlijst achterin, waarin werkelijk elk woord dat in de gedichten voorkomt op te zoeken is. Ik vond er verklaringen als ‘dit: wat hier is’, ‘dauw: een vochtig goedje dat 's morgen op de natuur ligt’ en ‘armen: uitsteeksels aan je lichaam waarmee je kunt zwaaien.’

Ik geloof dat het vooral na het lezen van de woordenlijst was, dat ik geen kwaad woord meer over De deugende cirkel wilde horen of zeggen. Een boek dat je zo breed doet grijnzen, kun je alleen maar aanprijzen. Dat doe ik graag.



donderdag 25 juni 2026

Eerst duidelijk dan snel

Weer een stukje uit een dagboek, met herinneringen aan de lagere school. Ik schreef dit voor mijn kleinzoon op dinsdag 1 augustus 2023. 

Het is weer van alles wat, zonder erg veel lijn: van het opzeggen van het versje tot het schrijfschriftje, van het schoolsparen en het zendingsgeld tot de leesboekjes en de geschiedenisplaten van de stempels bij aardrijkskunde tot de tekenlessen. 

Mogelijk herken je er iets van, afhankelijk van je leeftijd. En mogelijk is het allemaal nieuw voor je, omdat het al zo oud is. 


Op maandag wordt op school het ‘versje’ overhoord. Het versje is een psalm of een gezang dat je uit je hoofd moet leren. Onze school is een hervormde school. Er wordt gezongen uit de nieuwe berijming en gelezen uit de nieuwe vertaling, van 1951. Maar bij mij thuis lezen we de Statenvertaling en zingen we de oude berijming. Ik mag van school altijd een psalm in de oude berijming opzeggen.

Een voor een wordt iedereen voor het bord geroepen en dan zeg je het versje op. Dat doe je in een razend hoog tempo, om te laten merken hoe goed je het geleerd hebt. Je krijgt er ook een cijfer voor op het rapport. Het is niet een vak dat voorgedrukt vermeld staat; de meester of juf moet het er met hand bij schrijven. Ik heb meestal een 9 of een 10, maar misschien hebben de meeste kinderen dat wel. Je krijgt ook een cijfer voor ‘vlijt’, dat ook wel ‘ijver’ wordt genoemd. Later zal men dat ‘inzet’ noemen. En voor ‘gedrag’. Er is een rapport waarop ik maar een 6,5 voor ‘gedrag’ scoor en eigenlijk moet je wel een 7 halen en nog liever een 8. Waar ik die 6,5 aan te danken heb, weet ik niet. Mijn ouders doen er niet moeilijk over.

Mijn laagste cijfer is altijd voor ‘schrijven’, meestal een 6 of een 6-, soms een 5,5. Slechts een enkele keer scoor ik een 6,5. Schrijven gaat niet zo best met mijn linkerhand. Er zijn volwassenen die vertellen dat ik maar bof. In hun tijd werd je gedwongen om met rechts te schrijven en ik mag mijn pen met links vasthouden. Maar ik heb hetzelfde schrijfschriftje als de rechtshandigen, van Tazelaar en Mathijsse, met een blauw/geel kaft. Eerst duidelijk, dan snel heet de methode.

We schrijven in de laagste klassen met pen en inkt. Een linkshandige moet goed oppassen dat hij niet met zijn hand over de natte inkt gaat. Dat valt niet mee. Als je een draadje aan de punt van je pen hebt, gaat het schrijven ook niet goed. Gelukkig heb ik een inktlap, waarmee ik mijn pen kan afvegen. Ik heb een hele mooie, van schuimrubber, in de vorm van een hondje. De meeste leerlingen hebben er een met een stel velletjes van spul dat een beetje op de zemelap van mijn moeder lijkt.

Als ik even niet kijk, heeft mijn buurman mijn inktlap te pakken. Op dat moment is dat Gerard (Joekie). Hij trekt de inktlap in stukjes en propt die in de inktpot, wat een enorme zooi geeft. Hoe het verder gaat, weet ik niet.

Als je inktpot bijna leeg is, kun je het tegen de juf zeggen. Die haalt dan uit de kast een heel grote fles inkt. Minstens twee liter, schat ik. Er zit een tuitje aan, zodat je makkelijk kunt schenken.

Mijn moeder maakt zelf een nieuwe inktlap voor me. Ze knipt met de kartelschaar allemaal rondjes uit, zo groot als een beschuit. Het zijn er heel veel. Die naait ze in het midden aan elkaar. Bovenop komt een grote, roze knoop. Het bovenste lapje stof is donkergroen, met een ribbeltje. Het zijn zoveel velletjes, dat ik er heel lang mee kan doen. Altijd is er wel een schoon plekje op te vinden.

Als je een stukje geschreven hebt, leg je je vloeipapier erop. Dat is van lichtgroen, nogal vezelig papier. Als je een druppel inkt op je schrift hebt laten vallen, moet je dat velletje er niet zomaar op drukken, want dan wordt het een grote vlek. Met een hoek van het vloeipapier kun je eerst wat inkt opzuigen.

In de laagste klassen leer je lezen, schrijven, rekenen en taal. Daarnaast natuurlijk tekenen en gym. En godsdienst, maar dat heet ‘Bijbelse geschiedenis’. Daar begint elke dag mee en met zingen. De meeste vakken gaan me redelijk af, al vind ik taal leuker dan rekenen.

Bijbelse geschiedenis is altijd mooi, want de juf kan goed vertellen. Een enkele keer zet ze het viltbord voor de klas. Daar blijven plaatjes aan plakken. Voor sommige bijbelverhalen heeft ze een set plaatjes. Dat vind ik altijd prachtig.

Op maandag nemen we geld mee naar school voor de zending en voor het schoolsparen. Ik zit al niet meer in de eerste klas als er voor de zending ineens een bruin plastic kerkje is, met een gleuf in het dak. Als je daar geld in gooit, tingelt hij een beetje. In de hoogste klas mag je ook iets uitzoeken als beloning voor al het geld dat je voor de zending geeft. Ik kies twee keer een langwerpig boekje, een stripboek: een reeks plaatjes met daaronder tekst. De tekeningen zijn in zwart/wit, maar enkele ervan kleur ik in. Ik zal de boeken later kwijtraken. Verder kies ik een keer een leesboek:
Kameroen in 59 dagen
, over een man uit Afrika die in een paar maanden door heel Kameroen fietst. 

Voor het sparen krijg je zegels die je op een spaarkaart moet plakken. Donkerrode zegels met een eekhoorn erop. Als de kaart vol is, ga je met je spaarbankboekje naar het postkantoor. Daar wordt het bedrag dat je gespaard hebt bijgeschreven op je boekje. Je kunt ook geld storten op het boekje door een contant bedrag mee te nemen naar het postkantoor, bijvoorbeeld als je geld voor je verjaardag hebt gekregen. En jaarlijks kun je rente bij laten schrijven.

Lezen doen we uit de boekjes van Jaap en Gerdientje. Het zijn al oude boekjes en ze zijn misschien zelfs al verouderd, maar ik herken er veel van. De verhalen spelen zich af op het platteland. Er zijn daar ook kinderen die op klompen lopen. Zelf loop ik helemaal niet zo vaak op klompen, meer op laarzen, maar goed. Ik hou erg van de tekeningen van Tjeerd Bottema.

We lezen klassikaal, om de beurt een stukje. Maar sommige kinderen lezen erg traag en dan ga je vanzelf vooruitlezen. Het gevolg is wel dat je dan soms niet weet waar ze zijn als je ineens de beurt krijgt.


Jaap en Gerdientje
Er is ook een klassenbibliotheekje van een paar plankjes met boeken. Als je klaar bent met je werk, mag je soms gaan lezen in je bibliotheekboek. Alle boeken zijn gekaft met bruin papier met een streepje. Als ik in klas vijf zit, zijn er ineens nieuwe boeken, zonder kaftpapier, met een kleurrijke voorkant. Ik word daar helemaal gelukkig van.

Zoveel kleur is er gewoonlijk niet. In de boeken van taal en rekenen staan geen plaatjes, alleen maar oefeningen. Alle schriften zijn donkergroen. Maar er zit wel een etiket voorop, waarop de juf of de meester heel netjes je naam schrijft. Het etiket is een plaatje met daaronder ruimte voor je naam. Een van de etiketten is er eentje met een boot. Meestal mag je zelf niet kiezen.

Als ik in klas 2 zit, verlang ik erg naar klas 3. Dan krijg je vaderlandse geschiedenis. De methode heet Toen… en nu. De tekst is van W.G. van de Hulst. Er staan mooie tekeningen in het boek (van J.H. Isings) en soms pakt de meester er een schoolplaat bij. Enkele van die schoolplaten hangen aan de muur. Over de walvisvaart, met een ijsbeer erbij die een mens aanvalt. Over de Noormannen, over Maarten Luther. En natuurplaten over sloot en plas of over het weiland. Allemaal prachtig. Ik zal mijn hele leven lang van schoolplaten houden.

Die natuurplaten zijn voor het vak dat ‘kennis der natuur’ heet. Later zal dat biologie genoemd worden. Er is een meester die wil dat wij een herbarium aanleggen. Daarvoor moeten planten gedroogd worden. Je legt ze in een dik boek en dan plet je ze. Het vocht wordt opgenomen door de bladzijden. Ik heb er niet zo’n zin in en verzamel maar vijf planten, waaronder de boterbloem, het herderstasje en het klein kruiskruid. Van die laatste weet ik de naam niet. Iemand moet me daarbij helpen.

Al die plantjes gaan in een plakboek, op elke bladzijde eentje. Je moet ze met heel dunne stukjes plakband vastmaken. Onder aan de bladzijde moet je opschrijven waar je ze gevonden hebt.

Er zijn leerlingen die er hele boekwerken van hebben gemaakt. Ik heb maar vijf plantjes, maar ik heb ze wel goed gedroogd en heel netjes vastgeplakt. Toch een voldoende.

In klas drie krijgen we ook aardrijkskunde. Dan hangt de meester een landkaart voor het bord en wijst de plaatsen aan. Er is een kaart met de namen erbij en er is een ‘blinde’ kaart. Het zijn hele rijtjes plaatsnamen, rivieren en meren die we moeten leren.

In de derde klas leren we alleen over Nederland, alle elf provincies. Als er een nieuwe provincie aan de beurt is, komt de meester langs om een paginagrote stempel in je schrift te zetten. De stempels zitten elk in een doos, blauw met heel licht grijs. Ze zijn gebogen, zodat de meester ze gemakkelijk op het stempelkussen kan drukken. Daarna krijg je de stempel in je schrift. Je moet wel even wachten tot het droog is. Daarna kun je de nummers bij de plaatsen schrijven en de letters bij de rivieren. De namen overschrijven en leren maar!

Later zal men dat topografie of topo noemen. Dat woord kennen wij dan nog niet.

We krijgen niet alleen een stempel bij aardrijkskunde. Als je taal of rekenen (of een ander vak) heel goed hebt gedaan, krijg je ook een stempel. Je krijgt altijd twee cijfers: voor het vak en voor schrijven. In mijn geval is dat dan weer jammer. De juf schrijft dan bijvoorbeeld T9 S5. Dan heb je taal wel goed gedaan, maar het schrijven was dan toch onvoldoende.

Later komen er piepkleine stickertjes, die we plaatjes noemen. Eerst naast de stempels. Is drie stempels een plaatje? Later zijn de stempels er niet meer en hebben de plaatjes het overgenomen.

Er is ook een vak tekenen, maar daar leer je niet zoveel. Soms moet je een opstel schrijven. Meestal is de opdracht om het bijbelverhaal na te vertellen. Daarbij maak je ook een tekening.

In de hoogste klassen moeten we een voorbeeld natekenen. Als ik in de vijfde zit, is er een jongen in de zesde die daar altijd negens voor haalt: Kees Frentz. Ik blijf meestal op de zeven steken, maar ik heb er best plezier in. Een deel van de tekenles op vrijdagmiddag mis ik, doordat ik dan net de grote houten prullenbakken aan het ophalen ben.

De voorbeelden zijn er in allerlei stijlen. Ik kies de leeuw met de rotsblokken. Dat is nog best lastig. En na het tekenen moet je ook nog inkleuren. Als de punt van je kleurpotlood stomp geworden is, mag je je potlood slijpen met het slijpmachientje dat op het bureau van de meester vastgeklemd is. Je ruikt dan het hout.

Er is ook een tekenvoorbeeld van een man met een hoge hoed en een bril die hij aan een stokje vasthoudt. Een ouderwetse tekening van een deftige man. Hij heeft een blauwe jas aan, een gele broek en hij draagt laarzen.

Bij een bepaalde gelegenheid maken enkele kinderen deze tekening in het groot. We hebben geen heel grote tekenvellen, maar ze plakken een heel stel vellen aan elkaar. Het wordt een prachtige, grote tekening. Ze mogen hem inkleuren met verf. De plaat wordt overhandigd aan de burgemeester, op de stoep van het gemeentehuis. Clasina houdt de tekening vast, samen met Ina Hofman. Er komt een foto van in de krant.

Een van de mooiste dingen op school is iets waarvan ik niet weet hoe het heet. Nog vroeger noemden ze het een toverlantaarn, maar dat is het eigenlijk niet, geloof ik. Achter in het lokaal staat een soort projector in de kast. Een doodenkele keer haalt de meester die eruit en zet die op een tafeltje. Hij hangt een landkaart achterstevoren voor het bord en daar kan de projector op schijnen.

Dan moet er nog een filmstrook in het apparaat. De filmpjes zitten in plastic kokertjes met een deksel erop. Die zien eruit als de doosjes waarin fotorolletjes zitten. De meester zet het rolletje op de pin naast het apparaat, leidt het filmpje voor de lamp langs en draait het op het spoeltje dat op de pin aan de andere kant van het apparaat zit. Dan kan de voorstelling beginnen.

Nou ja, voorstelling - de meester vertelt een verhaal en schuift het filmpje steeds een plaatje verder. Ik vind het prachtig. Het is geen film, maar het is wel in kleur. Televisie is dan nog in zwart/wit, dus dit is wel iets heel bijzonders. Maar het gebeurt bijna nooit. Dat is wel jammer.

woensdag 24 juni 2026

Ruisend gruis (Willem Frederik Hermans)

Op de benaming 'de grote drie' in onze literatuur van de twintigste eeuw is veel af te dingen. Waarom zouden we bijvoorbeeld Hella Haasse, Hugo Claus en Jan Wolkers ook niet bij de top scharen? Maar dat Mulisch, Reve en Hermans grote schrijvers waren, met een interessant oeuvre, waarvan de beste boeken ook heel erg goed zijn, lijkt me duidelijk. 

Vandaag wil ik het hebben over Hermans (1921-1995), wiens werk mogelijk van de drie de tand des tijds het best zal doorstaan. Ik heb indertijd veel van hem gelezen. Niet alleen romans als De tranen der acacia's (1949), De donkere kamer van Damokles (1958) en Nooit meer slapen (1966), maar ook essaybundels als Houten leeuwen en leeuwen van goud (1979), Ik draag geen helm met vederbos (1979) en Klaas kwam niet (1983). En dan natuurlijk de novellen, zoals Filip's sonatine (1980) en Homme's hoest (1980) en het polemische werk in boeken als Mandarijnen op zwavelzuur (1964) en Het sadistische universum (1964). 

Niet alles wat ik las vond ik even goed. De novellen Geyerstein's dynamiek (1982) en De zegelring (1984) vond ik minder goed (als mijn geheugen mij niet bedriegt) en de roman Au pair (1989) is onderhoudend, maar haalt het niet bij de topwerken van Hermans.

Hieronder zal ik wat links opnemen naar wat ik eerder over Hermans schreef, waaronder een recensie van Een heilige van de horlogerie (1987). 

Ooit luisterde ik naar de podcast Boeken FM, waar 'de grote drie' besproken werden. Die aflevering zorgde ervoor dat ik afhaakte. Een van de besprekers had slechts twee boeken van Hermans gelezen, maar meende zich wel een oordeel over het oeuvre te kunnen aanmeten. Mogelijk zijn er nu andere medewerkers aan de podcast en geldt wat ik net schreef helemaal niet voor de huidige medewerkers. 

Niet alles gelezen

Ik moet trouwens meteen het boetekleed aantrekken: ook ik heb verschillende boeken van Hermans niet gelezen. De opvallendste titel daarbij is Onder professoren (1975), een leuke roman over de Universiteit van Groningen. Uit talloos veel miljoenen (1981), een soort vervolg, heb ik begrepen, heb ik weer wel gelezen. Onderhoudende roman. Verder heb ik de bundel De laatste roker (1991) en tot voor kort had ik Ruisend gruis (1995) niet gelezen, een korte roman. Maar nu wel, en daar gaat dit stukje over. 

Onder professoren en De laatste roker heb ik intussen in huis. Het eerstgenoemde boek ga ik dit jaar nog lezen, calamiteiten voorbehouden. 

Ik wist niet wat ik moest verwachten bij Ruisend gruis. Waarschijnlijk heb ik indertijd de recensie gelezen, maar er stond mij absoluut niet meer bij waarover het boek ging. Ik begon dus vrij blanco te lezen. 

Ruisend gruis verscheen postuum, in 1995, het jaar van Hermans' overlijden. Het jaar ervoor werd de roman al door Hermans aangekondigd, toen hij te gast was bij de Stichting Literaire Activiteiten Leeuwaren. De Volkskrant deed er verslag van in het artikel 'Groningen is voorlopig nog niet van W.F. Hermans' toorn verlost, dat op 13 oktober 1994 in die krant stond. Een passage daaruit:


De professor is Vigeland Fahrenkrog, gespecialiseerd in de mineralogie. De naam Groningen valt niet in het begin van het boek (als ik het goed gelezen), maar later wordt er wel gesproken over de N.V. Groninger Maatschappij voor Grondborigen, de Groninger Harmonie en de Groninger stadskleuren. In de recensies die ik gelezen heb, wordt steeds een link gelegd met Onder professoren en Uit talloos veel miljoenen. Dan wordt Ruisend gruis gezien als een afrekening met de Groninger universitaire wereld.  

De hoofdpersoon zou autobiografische trekken kunnen hebben. Zo heeft hij hoestbuien, net als Hermans zelf, zoals iedereen weet die wel eens een interview met hem heeft teruggeluisterd of -gekeken. Voor andere wetenschappers die in het boek voorkomen, zoals Silvio Birra en Ulbo Rombouts zouden ook mensen uit de werkelijkheid model hebben gestaan. 

Fahrenkrog is al vaak verhuisd. De vorige panden heeft hij steeds gehuurd, maar nu heeft hij een huis gekocht. Als hij alleen in het huis is, boort hij een gaatje in een muur, omdat hij daar een oude kwikbarometer wil ophangen, maar dan begint er stof, zand, poeder, gruis (hoe moet je het noemen?) uit het gaatje te stromen. Aanvankelijk lijkt het alsof het gruis (laat ik het woord uit de titel maar aanhouden) uit de spouw van de muur komt, maar dan zou de stroom al gauw moeten stoppen en hier gaat die maar door. Fahrenkrog gaat naar de zolder, maar kan later niet meer naar beneden en kan dus zijn huis niet verlaten. Gelukkig heeft het huis een balkon, zodat hij kan communiceren met eventuele voorbijgangers. 

Fahrenkrog zal niet zomaar gered worden, weten we uit het andere werk van Hermans. Door moedwil en misverstand gaan er altijd dingen mis. Dat zal ook hier het geval zijn, al laat ik de juiste toedracht nog even in het midden. 

Grappig

Het is een intrigerend gegeven, die stroom gruis, en daardoor zit je ook meteen in het verhaal. Het is spannend, want je wilt weten hoe de professor zich zal redden. Als je in het personage Hermans ziet, is het ook grappig, zeker als hij zich vergelijkt met de andere wetenschappers. 

In gezelschap van andere mineralogen vreesde hij dat ze hem eigenlijk niet knap genoeg vonden, in ieder geval niet zo knap als zij (terwijl hij meer publiceerde!) Dit maakte zijn optreden stroef, houterig. Niemand doorzag zijn verlegenheid, en zijn angst betrokken te zullen raken in gesprekken over onderwerpen die hij niet beter beheerste dan iedereen. (De kans hierop was in werkelijkheid klein.) Dus stond hij te boek als verwaand en onuitstaanbaar. Deze reputatie werd door kwaadsprekers nog versterkt, omdat hij menigmaal zonder daar bijzonder zijn best voor te doen, veel briljanter was dan zijn collega's, wat zij heel goed beseften, zij het met afgunst en spijt. 

Fahrenkrog heeft een dochtertje, Lievestro, elf jaar oud. Ze heeft een handplant, een plant die groeit in de palm van haar hand. Die koestert ze, al kan ze die ook doorgeven aan een ander, door een handdruk. Bij haar leeftijdsgenoten is de handplant een soort rage, zoals bijvoorbeeld de tamagotchi, maar die was er toen nog niet. Fahrenkrog is niet voor zo'n plant:

'Je weet toch dat die organismen vroeger niet bestonden, dat ze met behulp van radioactieve straling zijn geteeld. Zelfs of het eigenlijk wel een plant is, weet niemand precies. Er zijn stemmen opgegaan die staande houden dat handplanten virussen zijn, tot monsterlijke afmetingen vergroot. Ik word doodziek als ik er alleen maar aan denk...'
'Jij wel.'
Lievestro's moeder leeft niet meer. Ze is anderhalf jaar geleden met Fahrenkrog mee geweest op expeditie en gevallen bij een hete vulkanische bron. Dat betekende haar dood. 

Professor Birra is algemeen geoloog. Hij gaat vaak met zijn studenten in een busje op onderzoek uit, samen met Rombouts, zijn assistent. Hij is net met het busje in de buurt als Fahrenkrog in het nauw gebracht wordt door het gruis. 

Magisch realisme

Fahrenkrog is in ernstige moeilijkheden, al verliest hij daarbij niet de moed. Het hele boek heeft een luchtige toon en is voornamelijk vermakelijk. Je hebt het idee dat Hermans dit boek met ontzettend veel plezier geschreven heeft en hij heeft zijn fantasie de vrije loop gelaten. Dit boek deed mij denken aan magisch-realistische werken, zoals De trein der traagheid van Johan Daisne en De komst van Joachim Stiller of De vingerafdrukken van Brahma van Hubert Lampo. 

Het is niet alleen het gegeven van het ruisende gruis en van de handplant, maar ook opmerkingen over professor Birra. Leefde hij nog toen Fahrenkrog het zo zwaar te verduren had? En is hij eigenlijk wel dood?
(...) want het staat als een paal boven water dat hij in dat busje de laatste adem heeft uitgeblazen: hartverlamming, en dood was hij. (Maar wanneer? En is het eigenlijk wel zo?). 

De onverwachte uitbarsting van een soort stofvulkaan vergelijkt iemand in Ruisend gruis met het neerstorten van een vliegtuig op een flatgebouw in de Bijlmer, een paar jaar daarvoor. Toen kwam de hel uit de hemel. Nu gebeurt het tegenovergestelde. 

De onderwereld komt boven. Het wordt allemaal veroorzaakt doordat de aardgaswinning de bodem heeft verzwakt, gelooft u mij maar. 
Het noemen van de gevolgen van de aardgaswinning zou nu weer actueel zijn. 

Plezier

Ruisend gruis is een wonderlijk boek, dat met veel plezier geschreven lijkt en dat ik ook met plezier gelezen heb. Tijdens het lezen was het mij niet meteen helder dat het een afrekening zou kunnen zijn met de Groninger universiteit, maar zo is het wel opgevat en het is ook zo bedoeld, als ik lees wat Hermans er zelf over zegt. 

Ik las het vooral als een vrolijk boek, dat ook wel sarrend is. Zo heeft Hermans wonderlijke namen bedacht voor zijn personages. Zoals de interviewer Krelis Kwakernaat en de oudtestamentici Cnudde Cnoestigh en Gesinus Donderkijl. Er zijn ook personages die geen nieuwe naam hebben gekregen, maar hun bekende naam gehouden hebben, zoals 'de onvervangbare minister van Ontwikkelingssamenwerking, ja juist, die met dat slappe stofzuigergezicht, Jan Pronk.'

Mij maakte het wel vrolijk. Een hoogtepunt uit het werk van Hermans is dit boek niet, maar het zet, voor mijn gevoel, ook minder hoog in. Leuk om te lezen is het in ieder geval. 


Eerder schreef ik over:

Over knipogen naar het werk van Hermans

dinsdag 23 juni 2026

Lawmen 2: De Molly Maguires (Roger Seiter / Fabrice Le Hénanff


 

Vorig jaar besprak ik hier het eerste deel van Lawmen, De wraak van Eliza Fuller, dat me indertijd zeer beviel. Intussen is er een nieuw deel, De Molly Maguires

Hoofdpersonen zijn weer rechter Amos T. Cameron en marshal Juste Derval. Deze keer worden ze ontboden in Washington om onderzoek te doen naar een brute moord in een rustig dorpje in Mississippi. Terwijl ze nog bezig zijn met het onderzoek wordt er een soortgelijke moord gepleegd en ze hebben al snel in de gaten dat die moorden met elkaar te maken hebben. En met een zegelring die gevonden is. 

Tekeningen

We schrijven 1872 en Lawmen 2 verplaatst je meteen terug naar die tijd door de oude raderboot op de eerste pagina. De tekeningen van Fabrice Le Hénannff, die zeer realistisch zijn en wel iets weghebben van oude sepiakleurige foto's, laten ons de tijd naar de tweede helft van de negentiende eeuw moeiteloos overbruggen. 

De inkleuring is trouwens niet helemaal in bruintinten: er is ook donkergroen gebruikt en bij de nachtscènes overweegt donkerblauw. Hier en daar zijn andere kleuren iets aangezet, bijvoorbeeld het rood, bij iemand met rood haar, maar ook bij bloed. Maar steeds is dat terughoudend gebeurd, nergens wordt er op het effect gespeeld. 

De speurtocht van de mannen is spannend. Al gauw hebben ze een lijstje met namen en de moordenaars lijken dat lijstje af te werken. De lawmen lijken net achter de feiten aan te lopen. En waarom moeten de mannen op dit lijstje eigenlijk dood?

Iers genootschap

De titel, De Molly Maguires, verwijst naar een geheim Iers genootschap. De zegelring die al in het begin van het verhaal gevonden wordt, geeft aan dat het genootschap iets met deze moorden te maken heeft. Aanvankelijk was het een organisatie die opkwam voor de belangen van kolenmijnwerkers. Op de ring zijn nog de schop en het houweel te zien.  Intussen zijn de leden het genootschap beland in de georganiseerde misdaad. Er is nog oud zeer, uit 1863, en dat zet hen aan tot afwerken van het lijstje namen. 

Wat er in 1863 gebeurd is en of de lawmen op tijd kunnen ingrijpen, ga ik hier niet vertellen. Dat zul je zelf moeten lezen. 

Rustig

De inhoud van het verhaal is vrij spectaculair, maar de scenarist, Roger Seiter vertelt het verhaal op een rustige toon. Er zit een zekere bezadigdheid in de manier van vertellen en die werkt heel goed, juist omdat alles wat er gebeurt behoorlijk heftig is. De speurders blijven rustig en doen hun werk. Ze krijgen hulp van enkele mensen om hen heen en doen wat ze moeten doen. Ze zijn niet uit op avontuur, ze doen het niet voor hun eigen ego, maar ze vervullen hun opdracht. 

Wat begint als een onderzoek naar een moord, wordt een onderzoek naar een criminele organisatie, die onderhand eens aangepakt moet worden. 

Het verhaal van Seiter zit heel goed in elkaar. Ook als je weet wat er aan de hand is, blijft er veel spanning. Het is maar de vraag of er op tijd ingegrepen kan worden. De informatie wordt uitstekend gedoseerd en je blijft doorlezen omdat je antwoord wilt op je vragen. Dit is geen strip om halverwege weg te leggen. Als je er eenmaal aan begint, wil je ook weten hoe het afloopt. 

De tekeningen van Fabrice Le Hénanff zijn prachtig. Aan het eind van het album zijn als extraatje nog vijf paginagrote portretten opgenomen, waaraan je goed kunt zien hoe geweldig hij kan tekenen. Ik heb me laten vertellen dat enkele personages in de strip het gezicht hebben van bekende mensen, maar dat zijn dan weer mensen die ik niet ken. Het zijn acteurs die wel in westerns spelen, denk ik, maar ik weet weinig van acteurs af. Maar als je deze strip gaat lezen, zou ik er zeker op letten. 

Reeks: Arboris XL
Reeks: Lawmen
Deel 2: De Molly Maguires
Scenario: Roger Seiter
Tekeningen: Fabrice Le Hénanff
Vertaling: Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2026, 72 blz. € 12,95 (softcover)




maandag 22 juni 2026

Mannetje van de krant. Een persoonlijke biografie van Jan Blokker (Jan Blokker jr.)

Wat blijft er over van iemand na diens overlijden? Uiteindelijk valt dat altijd tegen. We weten nog heel wat over onze schrijvers, maar wie leest hun werk nog? En veel anderen blijken uiteindelijk gereduceerd te zijn tot een van hun activiteiten, tot een snedige opmerking, een leuke anekdote. Jaren geleden wijdde Willem Jan Otten er een roman aan: Een man van horen zeggen (1984). Na de dood van de hoofdpersoon bestaat hij alleen nog voor zover er aan hem gedacht of over hem gesproken wordt. Uiteindelijk is er alleen nog een ober die jaarlijks dezelfde anekdote vertelt. 

Toen ik vertelde dat ik de biografie van Jan Blokker aan het lezen was, begon iedereen over zijn columns in De Volkskrant. Die stonden mij ook het sterkst bij en meestal las ik die ook. Altijd goed geformuleerd, vaak wat brommerig van toon, met toch een luchtige ondertoon. Blokker kon uitleggen wat hij vond van wat er gaande was en waarom hij dat vond. Maar Blokker was meer. 

Dat blijkt uit de biografie, Mannetje van de krant, Een persoonlijke biografie van Jan Blokker (2025), door zijn zoon, Jan Blokker jr.  Van die laatste heb ik een dichtbundel in mijn kast staan, Kind (1984). Die heb ik ook gelezen: vriendelijke, toegankelijke gedichten. Vriendelijk in hun toegankelijkheid, bedoel ik. Er staat ook een cyclus over Bergen-Belsen in. Verder heb ik Er was eens een god (2006) liggen, een boek dat hij samen met zijn vader en zijn broer Bas schreef. Het gaat over bijbelse schoolplaten. Ik kocht het boek toen het afgeprijsd was, was vast van plan het te lezen en dat plan heb ik eigenlijk nog steeds. Ik leende het uit aan mijn schoonmoeder, die het een mooi boek vond. 

Deze Jan Blokker schreef dus een biografie van zijn vader. Dat zou een hachelijke onderneming kunnen zijn. Hoeveel afstand kun je immers bewaren tot je eigen vader? In de praktijk blijkt het goed uit te vallen. Blokker jr. gaat zorgvuldig om met zijn bronnen en hij voegt daar de persoonlijke inkleuring aan toe. Als hij iets met zijn vader heeft meegemaakt, zoekt hij andere bronnen die iets soortgelijks kunnen bevestigen. 

Literatuur

Jan Blokker sr. (1927 -2010) debuteerde als literair schrijver met Séjour (1950), waarvoor hij de Reina Prinsen Geerligsprijs ontving. Een paar jaar daarvoor had Reve de prijs gewonnen voor De avonden. Na Blokker zou Mulisch de prijs winnen met archibald strohalm. Een mooi rijtje. In het begin wordt Blokker ook echt wel als literair schrijver gezien. Maar hoewel hij later nog enkele romans schreef en hij ook een stel kinderboeken heeft geschreven, lag op dat vlak toch niet zijn toekomst. Voor wie meer over zijn kinderboeken wil weten: er is aandacht aan hem besteed in  het Lexicon van de jeugdliteratuur.

De eerste columns die Blokker schrijft, worden gepubliceerd in het Algemeen Handelsblad. Men spreekt dan nog van 'cursiefjes'. Die benaming kennen we van de stukjes van Simon Carmiggelt, maar er waren in die tijd meer columnisten. Mij schieten de namen te binnen van Godfried Bomans, Henriëtte van Eyk, Jacques en Henri Knap en Eduard Elias. Er zullen er ongetwijfeld meer geweest zijn, maar het genre moest nog wel volwassen worden. Blokker heeft een groot deel van zijn leven columns geschreven. 

Eigenlijk zou ik nog wel eens een analyse van die columns willen zien. Over welke onderwerpen schreef Blokker door de jaren heen? Welke opvattingen droeg hij uit? Veranderde zijn toon? Verschoven zijn standpunten? Dat komt niet duidelijk aan de orde in dit boek, maar mogelijk verdient dat een aparte studie. 

Film

Verder was Blokker actief op het gebied van de film. Hij schreef filmkritieken en ook dat genre moest nog echt ontwikkeld worden. Blokker dacht ook na over hoe de filmwereld zich zou kunnen of moeten ontwikkelen. Hij schreef ook filmscenario's, waarbij het eerste meteen raak was: Fanfare (1958), een film van Bert Haanstra over de ruzie in een fanfareorkest die de groep in twee kampen verdeelt. Wie de film ooit gezien heeft, vergeet die niet meer. Heel grappig, maar ook de setting (de opnames waren in Giethoorn) is bijzonder. 

Later zou Blokker tekenen voor scenario's van bijvoorbeeld De komst van Joachim Stiller (1976), Bij nader inzien (1991), Eline Vere (1992) en Hoogste tijd (1995). Die film wordt door Blokker jr. per ongeluk De hoogste tijd  genoemd in de bibliografie. Het betreft een film van Frans Weisz, naar een van de beste boeken van Harry Mulisch. 

De titel van de biografie is niet voor niets Mannetje van de krant. Niet alleen schreef hij zijn columns en recensies, maar hij had ook ideeën over hoe de krant zich verder kon ontwikkelen. Vijf jaar lang (1979 - 1984) was hij adjunct-hoofdredacteur was. Hij praatte veel met andere medewerkers. Dat hij gezeten op een prullenbak geregeld bij iemand aanschuift aan het bureau is een beeld dat ik niet meer zal vergeten. 

Omroep

Blokker hield zich ook bezig met de omroep. Hij werkte mee aan het befaamde satirische VARA-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer. Andere medewerkers waren onder anderen Rinus Ferdinandusse, Dimitri Frenkel Frank, maar ook Gerard Reve en Mies Bouwman. Het was indertijd zeer spraakmakend en later werd er nog een uitzending van Andere tijden aan besteed. 

Zijn kennis over films kon hij ook kwijt op tv, in een filmrubriek, bij de VARA. Bij VPRO werd hij redacteur televisie, vooral ook omdat hij ideeën had over waar het heen moest bij de omroep. Hij kreeg de vrijheid om nieuwe mensen aan te nemen, zoals Hans Keller en Roelof Kiers. De VPRO kwam met bijzondere programma's, zoals de avondvullende uitzending over Gerard Reve (die toen nog Gerard Kornelis van het Reve heette), Hoepla en de Fred Haché Show. 

Later maakte Blokker nog beroemde buitenlandreportages bij het programma Diogenes. Ook nu weer had hij een team naar zijn keuze en hij kon een tijdje zijn gang gaan, maar alles bij de media is tijdelijk. 

Dat bleek ook zijn column bij de Volkskrant te zijn. Toen er gesproken werd over een lagere frequentie, vertrok Blokker en stapte over naar NRC next. 

Niet alleen werk

Natuurlijk gaat Mannetje van de krant niet alleen over het werk van Blokker, al neemt dat natuurlijk veel ruimte in. Blokker jr. beschrijft zijn vader ook als familieman en echtgenoot, waarbij hij de hobbels die soms genomen moesten worden niet verzwijgt. Bijzonder is ook hoe het aflopen van het leven van Blokker beschreven wordt. Met zijn gezondheid ging het al niet goed. Zo had hij al een tijdje extra zuurstof nodig. 

Al eerder was hem het roken verboden en mensen zagen hem toen ook niet meer roken. Maar Blokker jr. beschrijft hoe de geur van sigarettenrook  wel te ruiken was als zijn vader op zijn brommer een tochtje gemaakt had in de omgeving van zijn tweede huis in Frankrijk. Later was ook dat over. Als zoon was hij de laatste tijd voor Blokkers overlijden in de buurt van zijn vader en we krijgen het verslag dan ook uit de eerste hand. 

Persoonlijke biografie

Blokker jr. noemt Mannetje van de krant dan ook Een persoonlijke biografie en dat is het ook. Tegelijkertijd is het wel voluit een biografie, die voldoet aan alle eisen die je aan zo'n boek stelt. En Blokker jr. schrijft helder en onderhoudend; het boek leest gewoon lekker. 

Ik heb een veel completer beeld van Jan Blokker gekregen. Dingen die ik ooit geweten had, maar die weggezakt waren, werden weer helder en veel onbekende dingen las ik voor het eerst. Niet alleen roept het de persoon Jan Blokker op, maar ook de tijd waarin hij leefde. Iemand is altijd een representant van zijn tijd, maar Blokker had ook behoorlijk wat eigens en zijn zoon probeert dat wel te peilen. Zo legt hij uit waar het wantrouwen tegen autoriteiten, dat Blokker altijd gehad heeft, vandaan komt. 

De biografie noemt Blokker een Mannetje van de krant, en dat is Blokker in de eerste plaats geweest, maar hij was veel meer en bij die kranten was hij niet alleen maar een mannetje, maar ook echt een meneer, al past die laatste benaming mogelijk minder bij hem. 

Intussen heb ik nog een stel biografieën liggen en die ga ik ook lezen. En als ik ze lees, schrijf ik er ook over. De eerstvolgende waarover je een stukje kunt verwachten is Dubbelleven van Maite Karssenberg, over Geertruida Kapteyn-Muysken. Over een paar weken, schat ik. 

Jan Blokker jr., Mannetje van de krant. Een persoonlijke biografie van Jan Blokker. Uitg. Querido, 2025; 384 blz. € 26,99

vrijdag 19 juni 2026

Afgestoft: Martien Beversluis

Al eerder heb ik hier bijdragen geplaatst die ooit verschenen zijn in de serie 'Onder het stof', in het blad Liter. Dit is de laatste uit het rijtje, al verscheen die indertijd als vierde, in Liter nr. 46, jaargang 10 (2007). 

De laatste bijdragen uit die reeks die afgestoft heb, zijn die over Niek Verhaagen  en Justus de Harduwijn. Onder het stuk over die laatste vind je de links naar de andere drie bijdragen, over H.W.J.M. Keuls, Joannes Reddingius en Willem Brandt. 

Met Martien Beversluis heb ik me lang beziggehouden. Ik heb nagenoeg al zijn werk, waaronder enkele manuscripten en een paar brieven. Het is een boeiend figuur, over wie de onvolprezen Lo van Driel een biografie geschreven heeft. Daarin corrigeerde hij wat ik in onderstaand stukje schrijf: het meisje dat daarin voorkomt heette niet Anmuth, maar Almuth. Goed dat hij dat gecorrigeerd heeft. Ik moest vertrouwen op mijn geheugen en dat bleek weer eens niet helemaal nauwkeurig. 

Hier schreef ik over de biografie, Het ongerijmde leven van Martien Beversluis. 

Het portret van Beversluis is gemaakt door Herman Gouwe. Het werd afgedrukt voor in de bundel Canzonen (1925).



Portret van Martien Beversluis door Herman Gouwe



Onder het stof 4
Martien Beversluis (Barendrecht 1894-Veere? 1966)

Het kleine gebed op de binnenplaats

O! Heer! Behoed voor Uw geweld
mijn hart, een scheefstaand cherubijntje,
dat in de schaduw overhelt
op het verlaten binnenpleintje -
De plooien van mijn kleed en beî
mijn vleugels, door het stage droppen
der zeven zonden boven mij
gestort uit even zoveel koppen,
zijn weggewist en afgebrokkeld;
Mijn handen, eens tot vrome nis,
door wind en water grauw betokkeld,
vangen bederf en droefenis.
O Heer, mijn hart half opgericht,
bij 't ingebladerde fonteintje,
hef het weer op en zend het licht
nog eenmaal op dit binnenpleintje.
Amen!


Dit kleine gebed is een van de weinige gedichten van Martien Beversluis die, wat mij betreft, de tijd hebben doorstaan. Veel van wat Beversluis ooit schreef is onleesbaar geworden. Te veel techniek, te weinig bezieling, te veel geronk vooral. En ook in dit gedicht storen mij de drie nadrukkelijke uitroeptekens. Maar verder vind ik het een mooi, ingehouden gedicht.

Het is te vinden aan het slot van de bundel Chimera's, die verscheen in 1937, een tijd dat Beversluis net was gaan staan in de christelijke hoek. Hij zou in zijn leven verscheidene keren van hoek wisselen, alsof het hem niet uitmaakte waar hij bij hoorde; socialist, communist, nationaal socialist. Wie zal zeggen waarom hij zo met alle winden meewaaide? Het zou mij niet verbazen als uiteindelijk alleen de kans op applaus zijn richting bepaalde. Hij was een ijdele man, die zich graag liet bejubelen.

En hij is in zijn leven genoeg bejubeld. Samen met Henriëtte Roland Holst stond hij op het podium van het Concertgebouw om zijn gedichten voor te lezen. Zijn poëzie sloeg beter aan dan die van tante Jet, die voor de arbeiders toch wat moeilijk was. ‘Martien! Martien!’ riepen ze als Beversluis verscheen en dan deed hij zijn armen omhoog. Tenminste, als ik Beversluis' tweede vrouw, Johanna Verstraete, mag geloven.

Achter in de zaal stond politie, die kwam luisteren of Beversluis geen verboden gedichten voorlas. De regering was immers bepaald niet gecharmeerd van de gedichten in bijvoorbeeld de bundel Verzamelen (1935). Het eerste gedicht uit de bundel is rechtstreeks gericht aan de minister van Justitie. Drie bladzijden lang houdt Beversluis een vurige toespraak. Halverwege het gedicht zegt hij:

Minister! Men neemt in de laatste tijd
een loopje hier met de gerechtigheid.
Men houdt met Gestapo en Hitlertrawanten
een drijfjacht op hulploze emigranten.
Men gunt ze geen vrijheid, asiel en verblijf.
Uw dienaren slaan hen en vloeken hen stijf.
Minister van Schaik! Mijnheer Excellentie!
Ik vraag niet uw gunst, noch uw hoge clementie.
Ik eis in de naam der Justitie, die gij zijt,
hun Vrijheid!!


‘Daar komt-ie!’ riep Beversluis, en hij las het gedicht voor, terwijl de arbeiders de politieagenten tegenhielden, die zich naar het podium probeerden te worstelen. Nogmaals: volgens Johanna Verstraete.

Verzamelen is een eenvoudige bundel, maar de gedichten gloeien van het protest dat erin doorklinkt. Bijvoorbeeld naar aanleiding van het feit dat in verschillende neutrale en christelijke kookscholen in de grote steden cursussen gegeven werden aan de arbeidersvrouwen. Op advies van de geneeskundige dienst werd hun daar geleerd hoe ze van viskoppen nog voedsel konden fabriceren. Het bracht Beversluis tot een woedend gedicht dat eindigde met:

Mis! Mis! Helemaal mis
is de proleet die daar zoet mee is.
Jij slechts de graten, de kop of de staart?
Open de kast waar de kuit is bewaard!
Eeuwenlang nemen de dieven de moten!
Wring ze de hom en de zooi uit de poten!

Vis! Vis! Boter bij de vis!
En de uitvreters naar de verdoemenis.


Het lijkt of er een idealist aan het woord is, een man die ergens voor stáát. Misschien is dat ook wel zo, maar voor hoe lang? Beversluis kon zo'n ‘links’ gedicht schrijven, hij werd ontslagen bij de Vara, onder andere omdat hij niet gematigd genoeg was, hij stapte over naar de communisten, omdat de socialisten hem niet ver genoeg gingen. Maar hij zou net zo gemakkelijk meedraaien in De nieuwe Gids toen die al volstrekt fout was, hij zou met plezier NSB-burgemeester van Veere worden en, wellicht met enige trots, het boek Wij zagen den Führer vertalen, waarin foto's staan waarop Hitler zo leuk met kinderen omgaat.

Tijdens de bezetting ging Beversluis om met SS-officieren. Een ervan had zijn hele gezin naar Zeeland over laten komen. Toen diens dochtertje stierf aan tuberculose, schreef Beversluis gedichten die uitgedeeld werden op de begrafenis: ‘Für Anmuth’. Johanna Verstraete toonde ze mij ooit, maar na haar dood vond ik ze niet terug in de nalatenschap die naar het Letterkundig Museum ging. Blijkbaar achtte de familie het raadzaam de boel te zuiveren.

Noem de naam Beversluis en je krijgt als reactie dat dat een foute dichter was. Terecht natuurlijk. Maar wie kent zijn poëzie nog? In 1920 debuteerde Beversluis met Zwerversweelde en twee jaar later verscheen de bundel Verzen. J.A. Rispens noemde deze gedichten ‘verzen, die door eenvoud, zuiverheid van gevoel en plastische kracht, vermelding verdienen.’ Over gedichten uit de bundel Canzonen schreef hij zelfs: ‘Hier doet Beversluis in genen dele voor de beste dichters der Beweging onder.’

Ach ja, het zijn wel charmante natuurgedichten waarmee Beversluis zijn dichtersloopbaan begon. Maar veel meer dan schouderophalen zal een lezer niet kunnen opbrengen als hij leest:

In de effen schoot der velden
liggen plekkend drom bij drom
bruingedorde bospartijen
in de weggefijnde zije,
nevel van de morgenzon.


Als er nog literatuurgeschiedenis binnen het voortgezet onderwijs zou bestaan, zou een docent het kunnen gebruiken als illustratie bij epigonen van Tachtig, maar dan houdt het wel zo ongeveer op.

De bundels Canzonen (1925) en De bellenblazer (1929) herinnerde ik mij als de beste van Beversluis' hand, maar bij het opnieuw doorbladeren blijkt het toch lastig iets citeerbaars te vinden. Waarschijnlijk zijn het wel de laatste bundels waarin de dichter zijn gedichten schreef om de gedichten en niet met een of ander ‘hoger’ ideaal voor ogen. Na gedichten die het pacifisme uit moesten dragen of die de arbeidersstrijd mee moesten strijden, gedichten die vaderlandsliefde moesten preken en wat al niet meer, keerde hij nog in de oorlog terug naar de natuurlyriek, met bundels als Uit de wijdte en Het zaad (beide 1943).

De eerste bundel opent met ‘Gevallen koren’.

De slaande nanacht drukte diep haar sporen
met loden regen in 't bezwaard gewas.
En wijd en zijd ligt het verstruikeld koren,
gevallen terwe en vervlegeld vlas.


Niet eens een onaardige strofe, maar verderop zakt het gedicht helemaal in en ik heb de verdenking dat ook niet elke zin grammaticaal helemaal klopt. Haastwerk, blijkt uit het manuscript. Beversluis schreef de hele bundel (veertig gedichten) in veertien dagen. Geen wonder dat hij zo'n rij titels op zijn naam kon krijgen. Ik schat zijn werk op zeker een meter kastplank, wat voor een dichter ongewoon veel is.

Na de oorlog stonden de uitgevers natuurlijk niet op Beversluis te wachten, waardoor hij veel in eigen beheer moest uitgeven. Nog steeds had hij een kring bewonderaars. Jonge dichters kwamen bij hem aan huis en misschien hebben ze eerbiedig geluisterd naar wat de meester te vertellen had. Ook in Vlaanderen schijnt hij lang populair gebleven te zijn.

Aan het einde van zijn leven vond Beversluis onderdak bij Callenbach. In de jaren zestig kon hij daar nog drie bundeltjes kwijt: De kinkhoorn, Kruisbogen en Doorzichten. Doorsneepoëzie die je vindt in doorsneebundeltjes in antiquariaten. De gedichten zijn vergeten en dat moet maar zo blijven.

Beversluis stierf in 1966. Zijn weduwe bleef nog jaren wonen in Veere, in het huis dat ze De Veste hadden genoemd. Toen stierf ook zij. Soms kom ik haar schrijversnaam nog tegen als ik in een boekenstalletje ineens Jikkemien van Dignate Robbertz in mijn hand houd. Maar als ik het boek wegleg, is ook de schrijfster weg.

donderdag 18 juni 2026

Echo / Narcissus (Sam Peeters)

 

Sommige verhalen zijn al oud, maar nog lang niet verouderd. Dat geldt voor bijvoorbeeld de Bijbelverhalen, maar ook voor verhalen uit de Griekse, Romeinse of Noordse mythologie. Al zijn ze nog zo vaak verteld, nog steeds vinden auteurs manieren om ze fris aan ons te presenteren. 

Sam Peeters doet dat met de verhalen over Narcissus en Echo, die hij samengebracht heeft in een soort dubbelboek. Als je vanaf de ene kant begint te lezen krijg je het verhaal over Narcissus, begin je aan de andere kant, dan lees je het verhaal over Echo. In het midden ontmoeten de verhalen elkaar. 

Dat is een originele manier om twee verhalen te vertellen die met elkaar te maken hebben, al is die manier ook niet helemaal nieuw. Daan Remmerts de Vries deed het bijvoorbeeld met De noordenwindheks waarin twee kinderen naast elkaar in het ziekenhuis liggen, met tussen hen in een gordijn. Aan de ene kant van het boek begint het verhaal van het jongetje, aan de andere dat van het meisje. In het midden is het gordijn getekend. 

Hetzelfde deed Roelof Smit in het boek De dubbele waarheid. Aan de ene kant begint het verhaal van de (vermeende) dader, aan de andere dat van het (vermeende) slachtoffer. 

Zonder tekst

Sam Peeters koos ervoor om het verhaal in alleen maar tekeningen te vertellen, zonder tekst dus. Dat is vergelijkbaar met hoe Pieter de Poortere zijn verhalen over Boerke in stripvorm vertelt of Frank Flöthmann het doet in Stille nacht en in Sprookjes van Grimm zonder woorden. De tekeningen moeten voor zich spreken en dat doen ze ook. 

Bovendien is de bladzijde-indeling van beide verhalen precies gelijk. Als je heen en weer bladert, zie je dat een bladzijde met vier tekeningen altijd in het andere verhaal op dezelfde plaats een bladzijde van vier tekeningen is en een spread blijft een spread. Dat zal een heel gepuzzel geweest zijn, maar dat is er niet meer aan af te zien. Het doet allemaal heel natuurlijk aan. 

Wat was het oorspronkelijke verhaal ook alweer, zoals het bijvoorbeeld door Ovidius verteld is? Echo draagt een vloek met zich mee, waardoor ze alleen nog maar iemands woorden kan herhalen en niet zelf meer iets kan formuleren. Narcissus houdt zich vooral bezig met de jacht. 

Als hij Echo ontmoet, kan ze alleen maar delen van zijn zinnen herhalen en daar is hij gauw klaar mee. Hij wijst haar dus af. Echo trekt zich terug in een grot, waar ze wegkwijnt. Uiteindelijk blijft alleen haar stem over (die we nog steeds ervaren als de echo). 

Echo is niet de enige vrouw die door Narcissus afgewezen werd. Een andere vrouw bidt dat Narcissus ook zelf eens zal weten hoe is om verliefd te zijn zonder dat die liefde beantwoord wordt. En dat gebeurt. Narcissus wordt verliefd op zijn eigen spiegelbeeld. Omdat zijn liefde niet beantwoord wordt, kwijnt Narcissus weg. Na zijn dood blijft er alleen een gele bloem over, de narcis. 

Spiegeling

Dat Peeters ervoor gekozen heeft om dit verhaal in een spiegelboek vorm te geven, is niet zo vreemd. Spiegeling speelt immers een belangrijke rol. Natuurlijk vanwege het spiegelbeeld van Narcissus in het wateroppervlak, maar wat Echo doet, delen van zinnen herhalen, is ook een vorm van (auditieve) spiegeling. Peeters visualiseert dat: als Echo met iemand praat, neemt ze de vorm van haar gesprekspartner aan. Als Narcissus met haar praat, praat hij dus tegen zijn spiegelbeeld, dat hij, anders dan in het klassieke verhaal, in de armen kan vallen. 

De laatste bladzijden van beide verhalen zijn identiek. Ze ontmoeten elkaar bij een afbeelding van narcissen aan de waterkant. 

Peeters heeft het oude verhaal behoorlijk opgefrist. In dat verhaal heeft Narcissus geen oog voor zijn aanbidsters, in dit verhaal gaat zijn vrouw met allerlei mensen naar bed, omdat hij te weinig oog voor har heeft. Het verhaal wordt verder door verschillende elementen eigentijdser. Zo jaagt Narcissus met een geweer op konijnen en niet bijvoorbeeld met pijl en boog. 

Narcissus en Echo leggen een soortgelijke weg af en door de strakke vorm waarom Peeters die gegoten heeft, krijgt die iets onvermijdelijks. Het moest wel uitlopen op iets wat de beide personen opheft of misschien moet ik zeggen: wat beide personen overstijgt. De middentekening, met de narcissen aan de waterkant, is een vreedzaam tafereel, waardoor je je kunt verzoenen met de gang van zaken. 

Tragisch en luchtig

In het oorspronkelijke verhaal komt Narcissus vooral over als een hork, maar hier is hij ook zeker een tragische figuur, net als Echo. Er is veel knaps aan Echo / Narcissus, maar een van de knappe kanten is wel dat het tragische verhaal tegelijkertijd luchtig, humoristisch is, zonder dat dat afdoet aan de tragiek. 

Echo / Narcissus is een heerlijk boek, waarvan ik me goed kan voorstellen dat het op de middelbare school gebruikt gaat worden bij de lessen klassieke talen. 

Met zo'n uitspraak moet ik een beetje voorzichtig zijn, nadat er een klacht gekomen is over een van de vorige boeken van Sam Peeters, Iedereen op Claudia. Een ouder van een leerling op een school in Antwerpen diende die klacht in: de strip zou te expliciet over seks en geweld gaan. School reageerde nogal geschrokken, terwijl er waarschijnlijk ook andere boeken op de literatuurlijst staan die confronterend kunnen zijn. Alleen hebben die geen plaatjes. 

Op de lijst

Het lijkt me dat Iedereen op Claudia nog steeds prima op de lijst kan. Als het boek vragen oproept, is dat alleen maar goed. Daarover kan het gesprek gevoerd worden en een leerling kan ook verwoorden wat hij confronterend vond of bedenken waarom Peeters juist voor deze vorm gekozen om het verhaal te vertellen. 

Strips verdienen een plaats in het onderwijs. Of ze in plaats van de literatuur op de lijst moeten of naast de literatuur - daarover kun je het gesprek aangaan. Zo kan Narcissus / Echo ook prima op de lijst. Als iemand vragen of bedenkingen heeft: schrijf het in een reflectieverslag, breng het ter sprake bij het mondeling examen. Ik denk dat we niet te snel boeken moeten weghouden bij onze jongeren. Als we bang zijn dat hun kinderzieltjes te teer zijn, dan moeten we ze beter begeleiden bij hun zoektocht door de literatuur en de strips. 

Bij Narcissus / Echo verwacht ik eigenlijk geen problemen, al is er altijd iets te vinden waarover iemand zou kunnen vallen. Maar bij Iedereen op Claudia zag ik die problemen eigenlijk ook niet. Wie nauwkeurig leest, zal tot de conclusie komen dat bij dit boek, net als bij Narcissus /Echo, tragiek en luchtigheid hand in hand gaan en dat er ook een ontroerende kant aan het boek zit. 

Titel: Echo / Narcissus (Narcissus / Echo)
Tekeningen: Sam Peeters
Uitgever: Scratch
2026, 120 blz. 24,95 euro (softcover met flappen)