maandag 26 januari 2026

Doe eens lief (Willem Ritstier)

Er komen allerlei boeken en albums ter bespreking op mijn bureau terecht. Soms zijn dat uitgaven die precies in mijn straatje passen, andere keren vraag ik mij af of ik er wel de juiste recensent voor ben. Dat laatste speelt ook bij Doe eens lief van Willem Ritstier.

Ritstier is een duizendpoot in stripland. Niet alleen tekende en schreef hij graphic novels waarin hij dicht bij zijn eigen leven bleef, maar hij schreef ook voor tientallen albums, in allerlei genres, het scenario, waarvan sommige genomineerd werden voor penning van het Stripschap en die soms die penning ook daadwerkelijk kregen. In 2017 werd hem de Stripschapprijs toegekend. Daarnaast tekent Ritstier wenskaarten en hij heeft ook prentenboeken op zijn naam staan. 

Doe eens lief zit dicht tegen de wenskaarten aan. Er komen geen mensen in voor, de tekeningen zijn toegankelijk en aangenaam en de boodschap is positief. 

Kat

Op elke tekening komt een witte kat, met een dikke staart, voor. Voor mijn gevoel heeft de kat ook iets hondachtigs qua uiterlijk, maar qua gedrag is het een kat. Hij kan in ieder geval op een hek of een tak plaatsnemen. Het maakt ook niet uit of het een kat is en ook niet wat voor soort kat het dan is: het dier heeft iets universeels en ook iets menselijks. Als lezer identificeer je je met dit dier. 

Voor op het boek staat een groot hart en bovenop zitten de poes en een muis. Traditioneel zijn dat gezworen vijanden, maar de poes blaast een hartje in de richting van de muis en geeft zo gevolg aan de opdracht in de titel. Ook zien we op een tekening de poes een roos aanbieden aan een vogeltje. Er zit niets kwaads in het dier. 

Tekst

In het boek staat er op elke pagina een tekening en soms beslaat een tekening twee pagina's. Elke tekening heeft een boodschap of een advies, zoals 'Geluk kun je delen', 'Blijf zoals je herinnerd wilt worden', 'Je bent altijd genoeg', 'Houd van het leven. Dan houdt het leven ook van jou.' Een van de woorden in elke uitspraak is in het rood afgedrukt (en soms zijn dat er twee) om de kern van de boodschap uit te drukken. 

In het persbericht wordt de link gelegd met De jongen, de mol, de vos en het paard van Charly Mackesy. Ik heb nog even de bespreking opgezocht die ik daarover geschreven heb, want ik voelde bij het lezen ervan hetzelfde ongemak. 

Boodschap

Dat ongemak zit niet in het positieve van de boodschap. We hebben in onzekere tijden al het positieve nodig en daar is ook zeker behoefte aan. Het is meer dat ik moeite heb met expliciete boodschappen. Het zou onvriendelijk zijn om daarvoor het woord prekerigheid te gebruiken, maar wellicht komt een boek met een boodschap voor mij toch in die hoek terecht. 

Maar Doe eens lief is vooral vriendelijk. Het is geschreven met een groot hart voor de medemensen en voor het leven en het spoort mensen aan er het beste van te maken. Tegen die intentie kan niemand bezwaar hebben. Maar al die lievigheid werd me ook wel eens te veel. 

Er zijn in dit boek ook tekeningen zonder tekst: waarin de poes gewoon gelukkig is, vaak van kleine dingen. Van die tekeningen heb ik eigenlijk veel meer genoten, waarschijnlijk omdat ze minder sturend zijn. Soms staat er wel een hartje in de tekening en dat is me eigenlijk al te expliciet. 

Maar zoals gezegd, misschien ben ik wel niet de juiste bespreker voor juist dit boekje. Net zoals het boekje van Mackesy heeft dit de potentie om aan te sluiten bij een groot publiek. Niet alleen vanwege de positieve boodschap, maar ook omdat het een heel mooi uitgegeven boek is: gebonden, hardcover, linnen rug. Bovendien kan het als cadeauboek bij zo ongeveer elke gelegenheid gegeven worden. De boodschap is zo universeel, dat je daar niet een bepaalde feestdag of omstandigheid bij nodig hebt. 

Willem Ritstier, Doe eens lief. 2025, 108 blz. € 21,99 (gebonden, hardcover, linnen rug)

Eerder schreef ik over ander werk van Willem Ritstier.
Scenario en tekeningen:
Wills kracht
Opstaan... En doorgaan

Scenario:
De duistere orde (Jack Pott boek 6)
Paniek op Curaçao (Jeff Rylander 1)
Noodweer op Curaçao (Jeff Rylander 2)



vrijdag 23 januari 2026

Tosca (Maud Vanhauwaert)


Tot vlak hiervoor leefde ik in de veronderstelling dat ik Tosca van Maud Vanhauwaert opgenomen had in het lijstje met de tien beste boeken van 2023 die ik niet gelezen had, maar daar staat het niet in. De helft van de boeken in dat lijstje heb ik intussen gelezen en ook het boek van Vanhauwaert. Ik wist vooraf eigenlijk niet waarover het zou gaan, maar ik herinnerde me wel dat ik veel positieve reacties langs had zien komen, dus ik had er wel vertrouwen in. Mijn boekhandelaar was er intussen wel klaar mee en legde de roman in de bakken met boeken die hij na nieuwjaar niet meer in zijn winkel wilde. Daar heb ik het uit gehaald. 

De titel, Tosca, verwijst naar het begrip 'toska' en dat wordt uitgelegd in het motto, een citaat van Nabokov. Toska is een complex begrip dat verwijst naar een diepe pijn zonder directe oorzaak, een doffe pijn in de ziel, een diep verlangen zonder iets om naar te verlangen. Er zitten nog veel meer kanten aan. Het kan ook verveling zijn. Over dat gevoel zal de roman dus gaan. 

Vanhauwaert spelt het woord niet als 'toska', maar als 'tosca'. Wellicht om esthetische redenen, maar ook omdat ze dan een aantal haakjes in het woord kwijt kan: T()s(a. Op die haakjes kom ik nog terug. 

Aline

De hele roman is eigenlijk een lange brief, van May Solovjov aan haar redacteur Daniël. In de brief vertelt ze wat ze allemaal meegemaakt heeft met een zeventienjarig meisje (dat in de loop van het boek achttien wordt), Aline Verstraete. Die stuurt haar een berichtje nadat ze een lezing van May heeft bijgewoond. Uit het bericht kun je opmaken dat ze plannen heeft om haar leven te beëindigen. Verder stuurt ze een tekening: een portret van May, waarin die erg op haar vader lijkt. 

May gaat het contact met Aline aan en ze ontmoet haar ook verschillende keren. Het meisje leidt een lastig leven. Zo is ze een nacht in de week dakloos en wordt ze gepest omdat ze op meisjes valt en dat gepest loopt uit op gewelddadigheden. Er zijn in het verhaal fasen waarop Aline uitgebreid schrijft wat er allemaal aan de hand is, maar praten doet ze nauwelijks en ze heeft ook geregeld last van angstaanvallen. 

Vertalen

May is vertaalster en geeft ook les in vertaalkunde, maar Aline is moeilijk te lezen en nog moeilijker te vertalen. Of ze op haar woord te geloven is, weet May niet zeker, maar ze gaat mee in haar verhaal, ook omdat ze bang is dat Aline wat overkomt. 

Aline neemt geregeld contact met May op en dringt zo in haar leven, zowel op haar werk als in haar privé-leven. May leeft samen met Lou, die al vergeefse pogingen heeft gedaan om zwanger te worden. Je zou kunnen zeggen dat May ook een soort moederrol vervult: ze probeert Aline te beschermen. 

Wit

Alles wat Aline schrijft aan May, zet ze tussen haakjes. Vandaar dus de haakjes op de cover. Soms plaatst ze de tekst zelfs tussen dubbele haakjes. Alleen haar laatste brief staat niet tussen haakjes. Op de afbeelding hierboven is het niet te zien, maar op de haakjes na is de omslag wit. Titel en naam van de schrijfster zijn in reliëf aangebracht. Het wit is belangrijk in Tosca. 

Door het hele boek staan er gedichten en juist bij gedichten speelt ook het wit van de pagina mee. De gedichten hebben iets te maken met de tekst die er vlak voor of vlak na staat, maar het verband is ook weer niet overduidelijk. Zo wordt Aline in de prozatekst vergeleken met de belangrijkste pion op het spelbord en eindigt het eerstvolgende gedicht met 'een zwevende pion / in de klamme hand van een aarzelende schaker'. 

De dood wordt vergeleken met 'het oneindige wit':

De mogelijkheid jezelf te kunnen opheffen. Het is zoals met kleuren. Leg alle kleuren bij elkaar en je krijgt een verblindend wit licht. Niet anders is de dood. Het niet is het zuivere alles. 

Al eerder hebben we dan een gedicht gelezen over iemand die met sneeuwbollen op de markt staat en ze mee naar huis neemt, waarna ze maar met de bollen blijft schudden, zodat het wit niet neerdaalt. En Aline heeft al tegen May gezegd: 'U houdt van witruimtes die je op veel manieren kunt interpreteren.' Verder is er een gedicht waarin een ruimte met alles erin wit geverfd wordt, ook de ik en de jij in de ruimte: 'opdat wij onmerkbaar in elkaar // over zouden kunnen gaan'.

Vader

Ook de vader van May mompelt ergens een gedicht met daarin 'het wit dat grenzeloos maakt'. Vader heeft ooit naar het Westen moeten vluchten. May wil dichter bij hem komen. Misschien is haar fascinatie voor de Russische literatuur en haar drang tot vertalen een manier om dichter bij haar vader te komen. Misschien is de hele geschiedenis met Aline ook maar een omweg naar haar vader. De slotzin van Tosca lijkt dat te suggereren. 

Vaak gaat het in de roman over het naderen van mensen het afstand nemen. May en haar vader, May en Aline, May en Lou. Afstand nemen klinkt te actief, want soms gebeurt het gewoon. En misschien gaat het boek ook wel over dicht bij jezelf komen of verder van jezelf weg raken. May schrijft ergens: 

Meer nog dan dat ik bang was haar te verliezen, was ik misschien bang na haar dood mezelf te verliezen. 

Niet eenduidig

Al mijn opmerkingen plaats ik met een zekere omzichtigheid, want zo eenduidig is Tosca niet, maar dat is juist het boeiende van het boek. Het verband tussen wat in het verhaal verteld wordt lijkt op het verband zoals je dat soms in poëzie aantreft: je merkt dat dingen met elkaar te maken hebben, maar als je ze wilt definiëren, onttrekken ze zich aan je waarneming. Maar zo gaat het ook met May en Aline. Steeds als May denkt duidelijker te krijgen wie Aline is, tast ze in het duister. In het wit, bedoel ik. 

Het maakt Tosca wel tot een fascinerende roman. Het onderwerp interesseert me, ook door mijn vrijwilligerswerk bij 113 Zelfmoordpreventie. Ik zal het mijn collega's dan ook zeker aanbevelen, zoals ik dat ook deed met Wolf van Lara Taveirne. 

Maar het intrigerende van Tosca zit vooral ook in de manier waarop het geschreven is. Wat Aline meemaakt met May is vaak spannend. Ik vertel er niet te veel over, omdat ik wil dat er nog veel te ontdekken blijft in het boek. Maar er is meer dan het verhaal van die twee. Er zijn andere verhaallijnen die parallel lopen of er haaks op staan en je bent al ver in het boek voordat je je afvraagt hoe betrouwbaar de verhalen van Aline zijn en hoe betrouwbaar May is als verteller. Waar is ze eigenlijk mee bezig?

Tosca is een boek dat je niet uithebt als je de laatste bladzijde hebt gelezen. De personages gaan nog even door in je hoofd, zodat je wel terug moet bladeren en zeker de gedichten nog eens moet lezen en altijd heb je het idee dat het boek je gedeeltelijk ontglipt en juist dat het prachtige is. Geweldig boek!

donderdag 22 januari 2026

Winter


(column, voorgelezen bij Cultureel Café Dante)

Het is winter. Weliswaar is de sneeuw weg en wordt er niet meer geschaatst op natuurijs, maar wie het wereldnieuws volgt, zet zijn kraag op, slaat de sjaal een extra keer om de hals en drukt de bontmuts wat dieper in de ogen: kilte alom. En dan zitten we nog wel op een vrij rustig plekje op aarde en niet in Taiwan, Venezuela of Groenland, om van Oekraïne, Gaza, Soedan of Iran nog maar te zwijgen.

Maar veel mensen maken zich zorgen, en terecht. Alles wat op het wereldtoneel stabiel leek, is aan het schuiven gegaan en veel zekerheden brokkelen af onder onze vingers. Geen wonder dat mensen kampen met depressie en burn-out, dat er gesprekken gevoerd worden waarbij zorgelijk gekeken wordt. Het is winter en Van de Hulst zou zeggen dat het ‘bitter, bitter koud’ is.

In 2024 bleek uit een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam dat mensen in tijden van angst en onzekerheid optimistischer worden en daarop wordt ook wel ingespeeld: een toekomstig premier roept steeds dat het wel kan en iemand die premier had willen zijn roept dat de zon gaat schijnen in Nederland. Maar om ons heen horen we vooral het woord crisis: klimaatcrisis, wooncrisis, asielcrisis, energiecrisis, geopolitieke crisis.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau publiceerde eind 2025 het onderzoek Naar een toekomst die jongeren toekomt. Daarin werd aan jongeren gevraagd naar de zorgen die ze hebben om de toekomst, maar ook naar datgene wat hen kon steunen. Een aantal vragen ging over het ‘cultureel kapitaal’: hoe vaak ga je naar een museum, zijn er boeken in huis? Blijkbaar is de cultuur een medicijn tegen de somberheid. Juist de cultuur kan ons optillen uit onze dagelijkse sores.

Ik merkte dat zelf aan het eind van de coronaperiode (ook al een crisis!), toen ik voor het eerst weer naar een expositie kon. Ik dacht dat ik de tijd van lockdowns aardig was doorgekomen, maar pas toen die voorbij was, merkte ik hoezeer ik de kunst gemist had.

En daarom is het zo mooi dat er hier maandelijks een cultureel café is. Niet alleen omdat het gezellig is, niet alleen omdat er mooie dingen te zien en te horen zijn, maar ook uit oogpunt van de volksgezondheid. Ik snap dat Dante de drempel laag wil houden en alleen een vrijwillige bijdrage vraagt in de collectezak, maar als je voor de toegang flink zou moeten betalen, zou je dat geld terug moeten kunnen krijgen van je ziektekostenverzekering. Een avond Dante spaart heel veel andere zorg uit.

Je kunt op zo’n donderdagavond gaan sporten, maar het is belangrijker voor je mentale gezondheid om je onder te dompelen in een cultuurbad. Hier is het warm, hier schijnt de zon, hier kan het wél. Hier kun je je jas uitdoen en je sjaal af, en leg die bontmuts maar op de kapstok.

Buiten is het winter, buiten heerst de kou, wat buiten gebeurt laat je tanden klapperen. Maar wij zitten hier met muziek, zalf voor onze ziel. Met kunst, balsem voor onze ogen. Met elkaar, met de warmte die we elkaar geven. We veroorzaken onze kleine geestelijke klimaatverandering en als we aan het eind van de avond naar huis gaan, lijkt de kou ons minder te deren. Er gloeit iets in ons waar we nog lang op kunnen teren.

(bron illustratie: Chatgpt)

Afgestoft: Glinsteringen (diverse auteurs)

In Liter nr. 48, jaargang 10 (2007) besprak ik de verhalenbundel Glinsteringen, verschenen ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig jubileum van de christelijke schrijversvereniging Schrijvenderwijs. Volgens de ondertitel zijn het hoopvolle verhalen, maar ik vond indertijd de kwaliteit hopeloos. 

Waarom heb ik het indertijd besproken? Ongetwijfeld omdat het mij gevraagd werd en als je zo'n bundel gaat lezen hoop je dat het uiteindelijk toch nog wat wordt. En Liter was toen een christelijk tijdschrift, dus misschien moest het daar indertijd ook gewoon besproken worden. 

Hoe het intussen is met de vereniging Schrijvenderwijs weet ik niet. Ik zag pas een groepsfoto voorbijkomen van de nieuwjaarsbijeenkomst, dus de vereniging bestaat nog. Ik hoop dat de leden het gezellig hebben met elkaar, maar ook dat ze elkaar opstuwen tot het schrijven van betere boeken. Laten we er het beste van hopen. 

 


Hopeloze verhalen


De protestants-christelijke auteursvereniging Schrijvenderwijs bestaat vijfentwintig jaar. Ter gelegenheid van dat jubileum verscheen er bij uitgeverij Mozaïek een bundel ‘hoopvolle verhalen’, Glinsteringen. Dat het een jubileumbundel betreft, blijkt uit al het zilver dat in de verhalen voorkomt: Een zilveren (!) bies waarmee het hout van een ledikant is afgezet, twee zilveren bruiloften, zilverreigers, een lied waarin ‘silvery night’ voorkomt, pillen die in een zilverkleurige strip zitten, een ring (die niet van zilver blijkt te zijn), zilveren morgennevel, zilverpapier, een zilveren beker, de zilveren glinstering van een meer. ‘De oplettende lezer ziet af en toe het zilver glinsteren,’ schreef Joke Verweerd in het woord vooraf, voor het geval al dat nadrukkelijke edelmetaal toch nog aan onze aandacht zou zijn ontsnapt.

Deze glinsterende verhalen heb ik gelezen en zelfs herlezen, maar het viel me niet mee. Twee verhalen, van Hans Werkman en Gerrit Kraa, zijn redelijk van kwaliteit, maar alle andere zijn werkelijk hopeloos.

Het grootste mankement van de Schrijvenderwijsschrijvers is dat ze alles, maar dan ook werkelijk alles uitleggen: ‘Atlas, je weet wel, met de wereldbol op zijn rug.’ (Lijda Hammenga); ‘de diabolo, de duivel’ (Gerrit Kraa); ‘Ik zal je vertellen hoe dat komt, in de hoop dat je het begrijpt en het verdriet voelt, terwijl er ook plaats is voor een glimlach.’ (Cees Pols). Je voelt je als lezer behandeld als een klein kind.

Misschien dat verscheidene auteurs werkzaam zijn in het onderwijs, misschien zijn het eigenlijk kinderboekenschrijvers; ik weet het niet. In ieder geval hebben ze vaak een overduidelijke bedoeling met het verhaal en die bedoeling moet op de lezer overgebracht worden. Het lijkt vooral niet de bedoeling dat je als lezer zelf associaties hebt, dat je de ruimte krijgt om te interpreteren, dat je blijft zitten met vragen. De meeste verhalen hebben dan ook een alwetende verteller of in ieder geval passages waarin zo'n verteller opduikt. En anders zijn het de personages wel die de lezer eens even uit zullen leggen hoe het allemaal zit.

Gevoelens bijvoorbeeld worden niet duidelijk uit het gedrag van de personages of uit wat ze zeggen, maar doordat verteld wordt wat ze voelen. ‘Paul is verrast,’ schrijft Lijda Hammenga. En een bladzijde verder: ‘Ik ben verrast, laat Paul weten.’ Rob Visser schrijft: ‘Woest keek Martin zijn vader aan.’ En even verderop: ‘En, stelt hij al analyserend vast, er is niet enkel de pijn om begraven idealen en onvergefelijke fouten, om hun leven dat ging zoals het ging, waardoor hij uiteindelijk zijn geloof, hoop en liefde verloor. Ook zijn trots is gekrenkt, bekent hij zichzelf onwillig.’

Als personages wat zeggen, wordt er vaak aan toegevoegd hoe ze dat zeggen of wat ze erbij voelen: ‘jubelt Tessa’, ‘fronst Paul’, ‘daagt ze hem uit’, ‘wimpelt hij af’, ‘schampert ze’, ‘bitste Martin’, ‘dacht Nathanaël bitter’, ‘zoekt Jessica naar een excuus’, ‘begrijpt Hanneke’. Er wordt van alles gemompeld, gesist of hoe dan ook gezegd. Vooral bij Lijda Hammenga en Janwillem Blijdorp woekeren dit soort toevoegingen.

Veel van die toevoegingen zijn volstrekt overbodig: ‘Toch wil ik weten wat er gebeurt, hield Abigaïl vol’ (Frans van Houwelingen); ‘Wat kost die beker? vraagt Hanneke zakelijk’ (Janwillem Blijdorp); ‘Op een lang en gelukkig leven, wenste ze hem toe’ (weer Blijdorp). En een enkele keer schiet de constructie helemaal uit de bocht: ‘Die cadeaus! schoot Martin te binnen’ (Rob Visser).

Veel verhalen zijn vergeven van de clichés. Zweet ‘gutst’ van gezichten; als iemand ziek is, is hij ‘aan bed gekluisterd’; als iemand moet blozen, ‘schoot het bloed naar zijn hoofd’; een lachje ‘krult’ om de mond; als iemand onder de douche vandaan komt, wipt ze ‘proestend’ de handdoek van het haakje; ‘kostbare herinneringen’ worden ‘gekoesterd’ ‘op een speciaal plekje’ in het hart; soms komt over iemand ‘een wonderlijke rust’; men drinkt ‘verrukkelijk geurende koffie’; iemand volgt een ander ‘als een schaduw’; als je niet meer kunt ontsnappen, zit je natuurlijk ‘als een rat in de val’; adem ‘stokt’, zelfs ‘plotseling’ en ‘in de keel’.

Stijl is trouwens toch een zwak punt van veel schrijvers. Al die bijvoeglijke naamwoorden en die verduidelijkende bijwoorden! ‘Daardoorheen bleef dat bleke, doorgroefde gezicht van zijn vader en dat bijna tedere afscheidsgebaar als een niet weg te vagen beeld voor zijn ogen hangen.’ (Rob Visser); ‘Met een ruk draait het meisje haar hoofd om, zodat het glanzende haar sierlijk rond haar schouders zwiert. Haar bovenlichaam volgt de beweging elegant, evenals haar lange, slanke benen. De hoge hakken, waarvan ze geen enkele hinder lijkt te hebben, klikken kordaat over het versleten parket als ze de winkel verlaat.’ (Guurtje Leguijt).

Bouquetreeks, inderdaad. Vooral als de liefde in het verhaal komt. Dan wil Schrijvenderwijs ons graag de meest uitgekauwde clichés serveren: ‘Aldoor was tussen hen een soort spanning geweest, maar geen vonk, geen uitslaande brand. Wel had hij haar willen aanraken, om dichter bij haar te zijn en haar soepele zachtheid te voelen.’ (Joke Verweerd); ‘Hun blikken haken inéén, tasten elkaars gezicht af. Haar handen reiken naar de zijne. Ze kust hem op de wang.’ (Lijda Hammenga); ‘Hij drukte haar ranke lichaam tegen zich aan.’ (Rob Visser); ‘Wat een verrassing, zegt ze schor. Waarom?’ Tussen de borden en pannen door pakt Guus haar hand. Zijn ogen zoeken de hare. Daarom.’ (Nettie Dees).

Eigenlijk kun je je niet voorstellen dat een redacteur het manuscript in handen heeft gehad. Het zou mij niet verbazen als de secretaris en de voorzitter van de vereniging naar de uitgeverij zijn gestapt met een grote zak geld en bedongen hebben dat het boek zonder enige verandering werd uitgegeven. Een beetje redacteur struikelt toch over een zin als: ‘Haar keelgat is een bodemloze put, waarin ze voortdurend water kan gieten zonder dat haar dorst ook maar iets verlicht.’ (Eeuwoud Koolmees)? Volgens mij verlicht dorst nooit. En hoe ziet volgens u een dovend vuur eruit? Gerbrand Fenijn: ‘Achter de verbrijzelde boogramen flakkert het licht van een dovend vuur.’ Joke Verweerd schrijft: ‘Hij slikt moeilijk en onverwacht lijkt hij te stikken in een hoestbui.’ Ik verslikte me in ‘onverwacht’.

Inhoudelijk stellen de verhalen weinig voor. Meestal zijn het zoetsappige verhaaltjes, waarin er wat moeilijkheden opduiken, maar uiteindelijk loopt het goed af. De vrouw die het huwelijksbed in tweeën wil zagen, ziet het portret van haar man op de vloer liggen: ‘Ze pakte de foto op, veegde voorzichtig wat zaagsel van het lijstje en zette hem toen terug waar hij altijd had gestaan, op haar nachtkastje.’ (Gerry Velema). De vrouw die vermoedt dat haar man vreemd gaat, blijkt alleen maar door haar man verrast te worden (Nettie Dees). De vrouw die zich ongemakkelijk voelt bij het gedrag van haar superieur, neemt resoluut ontslag (Ina van der Beek). De man die zich ergert aan zijn vader, krijgt toch begrip voor hem (Rob Visser).

Het geloof is onvermijdelijk in een bundel van protestants-christelijke auteurs. Ook op dat gebied verlaten de auteurs nauwelijks de platgetreden paden en heel diep gaat het allemaal niet. Lijda Hammenga: ‘Weet je, hoop is onmisbaar, Paul. Hoop heeft met God te maken. Hij doet hoopvolle dingen.’ Paul neemt wel even de tijd om de woorden op zich in te laten werken. De man wiens dochter slachtoffer was van de moordenaar die aan het kruis tot inkeer komt, moet aanvankelijk niets van Jezus hebben, maar komt toch tot het inzicht dat hij de messias kan zijn. (Frans van Houwelingen) en Hans Mouthaan laat zijn personage inzien dat we niet bezorgd hoeven te zijn omdat de hemelse vader voor ons zorgt.

Kortom, Glinsteringen is een bundel met een en al treurigheid: verhalen met weinig diepgang, in een onbeholpen stijl geschreven. Als we het van Schrijvenderwijs moeten hebben, is er totaal geen hoop voor de christelijke literatuur.

woensdag 21 januari 2026

Bernard Prince, Generaal Satan en Storm over Coronado (Hermann & Greg)



Al eerder heb ik geschreven dat ik van integrale uitgaven hou en daarin sta ik niet alleen: elk jaar worden oude strips gebundeld en opnieuw uitgegeven in mooie hardcovers. Ik kom er weinig toe strips van vroeger te herlezen, maar dat doe ik wel bij zo'n integrale uitgave. Soms blijkt mijn geheugen dingen haarscherp onthouden te hebben, maar vaker herontdek ik dingen die ik al vergeten was en ontdek ik details waar ik nooit op gelet heb. 

Bij uitgeverij Sherpa is het eerste deel verschenen van de integrale uitgave van Bernard Prince. Het bevat de verhalen De piraten van Lokanga en Generaal Satan  (elk 22 platen) en het langere Storm over Coronado. Verder nog wat korte verhalen. 

De albums van Bernard Prince heb ik allemaal, voor zover ik weet. Veel heb ik tweedehands gekocht, want toen ik in de tweede helft van de jaren zeventig strips begon te kopen waren er al heel wat delen verschenen. Waarschijnlijk heb ik daarvoor de strip al wel leren kennen, onder de naam Rob Palland, in de Pep die ik zonder enige regelmaat kreeg van mijn buurjongen Chris. Het verhaal gaat dat de naam Bernard Prince niet acceptabel was, omdat die associatie met Prins Bernhard zou kunnen oproepen. 

Cormoran

Bernard Prince is inspecteur bij Interpol. Hij erft een jacht, de Cormoran, en neemt ontslag bij zijn werkgever. De Cormoran kan kleine vrachten en enkele passagiers vervoeren en daar wil Prince zich verder op richten. Hij heeft een beschermeling, de jongen Djinn, die eigenlijk naar school moet, maar als hij kans ziet, smokkelt hij zichzelf aan boord om mee te gaan op avontuur. 

Al meteen in het eerste verhaal, De Cormoran vaart uit! zijn er problemen. Op het schip blijkt zich een misdadiger verstopt te hebben, maar die wordt vakkundig buiten gevecht gesteld. 

Barney Jordan

Het derde personage van de strip moet dan nog op het toneel verschijnen: Barney Jordan, een ruwe zeebonk met het hart op de goede plaats. Bernard Prince en Djinn ontmoeten hem als hij bij een caféruzie op straat belandt. Dat gebeurt in het verhaal De piraten van Lokanga. Jordan maakt vanaf dan deel uit van de bemanning. De eerste opdracht is om een rivier op te varen en daar de vracht van een gestrand vliegtuig op te pikken. Wat die vracht is, blijft voorlopig ongewis. 

Het wordt een spannend avontuur. Deugt de opdrachtgever wel? En hoe zit het met de mensen die in het binnenland wonen? Hoe (on)vriendelijk zijn die? In die tijd zal ik ze ongetwijfeld inboorlingen hebben genoemd. 

Grondpatroon

Eigenlijk is daarmee het grondpatroon van veel verhalen van Bernard Prince al duidelijk: er is (vrijwillig of gedwongen) een opdracht die uitgevoerd moet worden. Daarbij moet de bemanning tot het uiterste gaan om die opdracht tot een goed einde te brengen. Er wordt kracht vereist, maar vooral moed en inventiviteit.  Daarbij heb je altijd het idee dat de bemanning van Cormoran de dingen doet die moreel juist zijn en dat ze het opnemen tegen een of andere vorm van kwaad. 

De tegenstelling tussen goed en kwaad zou daardoor wel heel scherp worden: als lezer identificeer je je met Bernard, Barney en Djinn, die deugen, en dan sta je dus als lezer altijd veilig aan de goede kant. Dat is ook wel een beetje zo, maar Barney is ongepolijst en doet impulsief soms dingen die hij bij nader inzien beter niet had kunnen doen en Bernard belandt soms in situaties waarin je hoe dan ook vuile handen moet maken. 

Scenario en tekeningen

De verhalen zijn geschreven door Greg, een uitstekend scenarioschrijver. Eerder schreef ik over andere reeksen die hij schreef: Comanche, Olivier Blunder en Luc Orient. De verhalen zitten goed in elkaar en zijn vooral heel spannend. Dat spannende zit ook in de onvoorspelbaarheid. De lezer ziet nog niet hoe de personages zich uit de benarde situatie moeten redden, maar de scenarioschrijver heeft alle touwtjes in handen. 

De tekeningen zijn van Hermann. Van hem besprak ik hier delen uit de reeks Jeremiah en Comanche. De tekeningen in dit eerste deel van Bernard Prince zijn al helemaal zoals we die van Hermann kennen. Later zou hij ietsje losser worden en ik vermoed dat toen ook de decors van tijd tot tijd wat soberder werden. De inkleuring is in de eerste verhalen vrij hard. Later zou Hermann met zachtere kleuren werken en nog weer later verdween er veel kleur uit zijn strips, wat in sommige albums tot gevolg had dat er wel erg veel met soepkleuren werd gewerkt. Aan de harde kleuren uit dit integraaldeel moest ik wel weer wennen. Aan de andere kant riepen ook juist de kleuren de leeservaring van vroeger op.

Alle aandacht voor de strips

In integrale uitgaven wordt vaak een dossier opgenomen, met daarin achtergrondinformatie. Dat ontbreekt in deze uitgave; er is een enkele pagina tekst over Barney Jordan, maar verder gaat de aandacht helemaal naar de strips, die op groot formaat zijn afgedrukt, zodat je goed de details van de tekeningen kunt bekijken. Aan de binnenkant van de cover, zowel voor als achter is een tekening afgedrukt, lekker groot dus. 

Voorafgaand aan elk verhaal zijn er extraatjes opgenomen: covers van het blad Kuifje waarop Bernard Prince staat, een bladzijde in zwart-wit, de cover van de albumuitgave. Het is allemaal prachtig, vind ik, maar misschien heb ik zulke goede herinneringen aan het lezen van Bernard Prince dat ik in dezen niet objectief kan zijn. Dat moet dan maar. 

Aan het eind staan nog een paar verhalen uit 'De Interpol-dossiers van Inspecteur Prince', die ooit in Kuifje hebben gestaan en zelfs een aanzet tot zo'n verhaal, dat afgekeurd is door Greg en dus nooit is gepubliceerd. 

Het geheel is een prachtige uitgave. Hermann zou uitgroeien tot een toptekenaar, maar je ziet hoe goed hij in de jaren zestig al was. Omdat er ook enkele tekeningen van later datum zijn opgenomen, kun je ook zien hoe goed hij zou worden. 

Naast deze uitgave op groot formaat (oplage vijfhonderd exemplaren) verschijnt er ook een luxe uitgave met linnen rug en een gesigneerde dubbele prent. De oplage daarvan is honderdvijftig exemplaren. In januari 2026 is ook het tweede deel verschenen. Daar kom ik later op terug. 

Titel: Bernard Prince - Generaal Satan
Scenario: Greg
Tekeningen: Hermann
Uitgever: Sherpa
2025, 128 blz. € 65,00 (hardcover), € 95,00 (hardcover, linnen rug, gesigneerde dubbele prent)

dinsdag 20 januari 2026

Afgestoft: De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten (Gerrit Komrij)

De bloemlezing De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten, van Gerrit Komrij staat op een vindbare plaats in mijn boekenkast, naast de andere bloemlezingen van Komrij. En soms grijp ik er zelfs naar. Het stond mij niet meer zo duidelijk bij, maar ik heb erover geschreven in Liter, jaargang 11 nr. 51 (2008). Dat stukje heb ik maar eens afgestoft. 

Wat me nu opvalt is dat een groot deel van de bespreking bestaat uit de vergelijking van het boek van Komrij met de bloemlezing die Anne de Vries maakte uit de kinderpoëzie, Van Alphen tot Zonderland. Ik was ook heel erg bezig met welke gedichten er nu wel en niet in waren opgenomen. Het is de vraag of ik daarmee de bloemlezing (en het gigantische werk van Komrij dat daaraan vooraf ging) recht heb gedaan. 

De redactie van Liter vond het indertijd allemaal best, voor zover ik mij dat goed herinner. Nauwkeurig lezende redactieleden die komen met voorstellen hoe je stuk anders kan, trof ik later pas aan. 

In ieder geval: de lezers moesten het indertijd doen met het stuk zoals het hieronder staat. En jij ook. 



De dikke Kinderkomrij


‘De dikke Komrij’ verscheen voor het eerst in 1979 en is uitgegroeid tot een monument. De bloemlezing, die intussen uit twee delen bestaat, is een standaardwerk geworden. Daarin staat de poëzie uit de afgelopen twee eeuwen die er blijkbaar toe doet. Ach, de arme dichter wiens werk er niet in opgenomen is! Hij telt eigenlijk maar half mee.

Later bloemleesde Komrij Nederlandse poëzie uit eerdere eeuwen, Afrikaanse poëzie en vorig jaar ook de kinderpoëzie. De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten geeft ons in duizend en enige pagina's zicht op de gedichten voor kinderen, maar ook op gedichten door kinderen, bakerrijmen en aftelversjes door de eeuwen heen. Komrij dook daarvoor een tijdje onder in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en diepte voor ons de schatten op.

Het is mooi dat deze gedichten nu toegankelijk zijn voor een groot publiek en dat wij nu gedichten kunnen lezen van dichters wier naam we daarvoor zelfs niet kenden. Ch. M. van Deventer bijvoorbeeld (vertegenwoordigd met zeven gedichten), David Tomkins (tien gedichten) of S. Franke (vijf gedichten). Zij behoren tot de keuze van Komrij, maar het zal me niet verbazen als ze over een aantal jaren gaan behoren tot de canon.

Als het werkelijk zo gaat, als de keuze van Komrij de standaard wordt, dan is het op zijn minst interessant om te kijken wat niet in zijn bloemlezing is opgenomen. Wie geen expert op het gebied van de kinderpoëzie is, merkt misschien op dat Annie M.G. Schmidt wel het vanzelfsprekende aantal van tien gedichten heeft gekregen, maar dat de spin Sebastiaan ontbreekt, en misschien ziet hij nog dat Jan Wit (met de heer de Boer en de boer de Heer, de kamer van Koelkilkeeuw en de veerman van Veere) geheel ontbreekt, maar dan houdt het wel zo'n beetje op.

Gelukkig zijn er deskundigen op het gebied van de kinderpoëzie: Anne de Vries is docent jeugdliteratuur aan de Vrije Universiteit, bij de KB is hij vakreferent kinderboeken. In 2000 publiceerde hij een dikke bloemlezing met bijna vijfhonderd gedichten uit de Nederlandse kinderpoëzie, Van Alphen tot Zonderland.

Bij nadere beschouwing blijkt dat Komrij ruim dertig dichters die De Vries de moeite van het bloemlezen waard achtte, niet heeft opgenomen. De al genoemde Jan Wit en verder vooral dichters die publiceerden in de negentiende eeuw (vijftien) en uit de eerste helft van de twintigste eeuw (dertien). Karel Jonckheere en Felix Timmermans zijn de bekendste namen, maar het zou nog kunnen zijn dat Komrij hun werk links liet liggen vanwege de kwaliteit. De verzen die De Vries van hen opnam zijn niet slecht, maar ook niet schokkend goed. Dat geldt misschien ook voor Th. Coopman, Catharine M. Doll Egges, Christine Doorman, J.T. Heins, Marian Hesper-Sint, To Hölscher, Hendrik Muyldermans en Julia Tulkens. Smaken verschillen en kwaliteitscriteria misschien ook wel.

Maar Komrij nam ook geen werk op van J. Adriaensen, Wilmine Besier, Ic. Bikkers, H. Bouman, S. Bouman-van Tertholen, Alexis Callant, Frans de Cort, Gaston Durnez, W.P. Ebbinge Wubben van Hasselt, H.D.F., Hubert Hermans, Lambrecht Lambrechts, Jan de Liefde, W. Metz Tz., Jan van Mulders, L. Nuttin, Jacob Stinnisen, G.A.C.W. de Thouars, Florent Vangoethem, Paul Verbruggen, P.A. de Vos, Jan Wit dus en W.J. van Zeggelen.

In het bekendste gedicht van Jan de Liefde zat misschien wel te veel God naar Komrijs smaak:

Weet gij hoeveel sterren kleven
aan de blauwe hemelboog?
Weet gij hoeveel wolken zweven
boven alle bergen hoog?
Al die duizenden tezamen
roept de Heer bij hunne namen.
En geen een ontglipt zijn oog.

Dat geldt waarschijnlijk ook voor Jacob Stinnisen, van wie De Vries ‘Leentje' opnam. Dat is een vrolijk, muzikaal gedicht, maar het eindigt wel met: Lieve God, / hoed ons kindje op zijn wegen; / zend uw vaderlijke zegen, / op zijn aards, zijn eeuwig lot.’

P.A. de Vos zal ook om die reden afgevallen zijn. De Vries bloemleesde ‘Waar is God?’ De meid zegt tegen het kind: je kunt een prentje van Jezus krijgen, als je kunt raden waar God is. Het kind: ik geef je deze bloemen als je me een plaats kunt noemen waar God niet is.

In Komrijs bloemlezing komt God niet veel voor, maar hij sluit gedichten waarin de godsdienst om de hoek komt kijken niet helemaal uit. Lambertus Goetman (ca. 1488) schreef een gedicht dat begint met: ‘Doet penitentie eer 't wordt te spade, / De tijd is kort om hier te sijne; / Soekt altijd aan God genade, / So moogt di ontgaan die helse pijne’ en Komrij nam het op. Toch durf ik te gokken dat, zeker in de achttiende en de negentiende eeuw, de godsdienst sterker vertegenwoordigd is in kindergedichten dan uit Komrijs bloemlezing blijkt.

Komrij houdt van speelse gedichten, van woordspelletjes, van rijmen, van grappen. En daarom is het raar dat sommige gedichten die De Vries opnam, niet bij Komrij door de selectie gekomen zijn. Bijvoorbeeld van Ic. Bikkers ‘De waarzegger’. Een waarzegger voorspelt daarin dingen als: zijn er vierentwintig uren om, dan is er een dag voorbij en wie het hele varken heeft, heeft ook de varkenskop.

Een gedicht met allemaal homoniemen (Florent Vangoethem), of een gedicht voor iemand die de l niet kan zeggen en waar die letter juist heel vaak in voorkomt (H.D.F.), de woordspelingen van Jan Wit, een gedicht met een opsomming van zoveel ongelijksoortige dingen dat het absurd wordt (W.J. van Zeggelen) - dat zou toch koren op Komrijs molen moeten zijn.

Onbekende dichters of onbekende gedichten van bekende dichters staan er altijd in een bloemlezing, maar het is ook leuk als je oude bekenden tegenkomt. Komrij heeft daar dan ook voor gezorgd. We komen de drie kleine kleutertjes tegen die op een hek zitten, de jongen die in een blauw geruite kiel aan het grote wiel draait, natuurlijk Jantje die pruimen ziet hangen, de zeven kikkertjes in een boerensloot, ‘Hallo meneer de Uil’ en Berend Botje, die oorspronkelijk Barendje Bot blijkt te heten. Maar ik miste ‘Meiregen maakt dat ik groter word, groter word.’ Anne de Vries nam het wel op. Ik kende het van Adama van Scheltema, maar het bleek al ouder te zijn. H. Bouman publiceerde het in 1868 en later zou Margot Vos nog een hele bundel Meiregen noemen. Daaruit citeert Komrij dan weer wel, maar niet het gedicht ‘Meie-regen’, dat De Vries natuurlijk wel heeft. Het is immers leuk als in zo'n bloemlezing gedichten naar elkaar verwijzen. Soms heeft Komrij wat dat betreft een kans gemist. Als je van De Schoolmeester de parodie opneemt van Van Alphens ‘De kinderliefde’ (Mijn vader is mijn beste vrind), dan zou je het origineel eigenlijk ook moeten opnemen.

Komrij heeft zich niet beperkt tot de dichters die zich duidelijk richtten tot kinderen. Hij nam ook Vondel op, Multatuli, Adwaïta, Leopold, Paul van Ostaijen, Nijhoff, Slauerhoff, Jan Hanlo, Leo Vroman, Paul Rodenko, Hans Lodeizen, Lucebert en Neeltje Maria Min. In beperktere mate deed De Vries dat trouwens ook al.

Het aardige daarvan is dat je kindergedichten gewoon als gedichten gaat lezen en niet als een aparte ondersoort. Komrij weet natuurlijk ook wel dat zijn bundel voornamelijk door volwassenen gelezen zal worden en daarom is het ook niet zo erg als er eens wat tussen staat waar het kinderverstand niet bij kan. Maar het gedicht van Marie W. Vos over een jonge ‘proletaar’ heeft met kinderen niets meer te maken. De eerste strofe:

Mijn lichaam is gespannen als een boog
En berstend vol met harde kracht geladen.
Een fel-begerig roofdier springt mijn oog,
en zoekt zich prooi op alle wereldpaden.

Voordat ik aan Komrijs bloemlezing begon, had ik het idee dat in oudere kindergedichten vaak het goede voorbeeld gegeven werd. Jantje ziet de pruimen hangen, geeft niet toe aan de verleiding en wordt uiteindelijk beloond. Maar uit Komrijs bloemlezing blijkt dat er juist vaak het verkeerde voorbeeld wordt gegeven. Iemand gaat in de fout en wordt gruwelijk gestraft. Jaap die iedereen laat schrikken sluit zich per ongeluk op in een kist en overleeft het niet, bij een duimzuiger wordt het duimpje afgeknipt (in twee gedichten) en ongehoorzaam Jantje verandert in een dwerg. Kinderen die met vuur spelen gaan in vlammen op (in twee gedichten) en een onbarmhartig meisje raakt zelf aan de bedelstaf. Natuurlijk is het allemaal heel opvoedend bedoeld, maar de dichters kunnen zo wel uitpakken in het beschrijven van het kwaad en je verdenkt ze ervan dat ze zich daar ook wel een beetje in verlekkeren.

Turken

Uw tulband, bonte pels en baard
Zijn waarlijk wel onze aandacht waard;
Maar heeft de Koran voorgeschreven
Een muilband uw vrouw te geven?
Dan was, al had hij veel verstand,
Uw Mahomet niet zeer galant.

Dat dichtte C.P.E. Robidé van der Aa (1791-1851). Het is duidelijk dat hier met ‘Turken’ moslims worden bedoeld. Het verbaasde me ze aan te treffen in deze bundel, evenals de negentiende-eeuwse bekommernis om de positie van de vrouw.

In de gedichten lopen ook Joden rond, die weinig scrupuleus beschreven worden. De vader van de kinderpoëzie, Hiëronymus van Alphen, stelt in ‘De verkeerde vrees’ Keesje nog gerust. Hij hoeft niet bang te zijn voor Joden. ‘Men behoeft slechts bang te wezen, / Als men voorneemt kwaad te doen.’

J. Immerzeel jr. laat het groentevrouwtje roepen:

Joodjes! hier uw kostje ook,
Hier komkommers, uien, look!
Eertijds kermdet ge om dat zelfde
Boek van Numeri, op 't elfde.

G. van Sandwijk (1794 - 1871) tekent ons 'De loterij-Jood' en 'De kanten Jodin', met het taalgebruik dat men toen blijkbaar voor Joden kenmerkend achtte: 'Hik wil her af, 'k ben moe van 't venten,/ 't His 't laatste hait mijn mand.'

Er is veel opmerkelijks, veel leuks, veel moois te vinden in de bloemlezing van Komrij, laat dat vooral gezegd zijn. Maar ik wil besluiten met één gedicht dat niet in Komrijs bloemlezing staat en dat er wat mij betreft echt in had gemoeten. Het is van Lambrecht Lambrechts (1865-1932).

De wiegende mijnwerker

Uw vader, lief kindje, zong zelden of nooit:
hij vond op zijn wegen geen bloemen gestrooid.
Ellende was alles wat de aarde hem bood.
Het leven? Een worstlen voor 't karige brood.
Maar gij doet hem zingen - gelijk hij 't vermag:
    tra la la la!
Voor ú zou hij zingen de godganse dag:
    tra la la la!

Veel beter voor u zal het leven niet zijn:
geen zonneken lacht in die donkere mijn.
U wacht er hetzelfde worstlen voor 't brood;
van achter de klompen beloert u de dood.
toch zinge mijn jongen - gelijk hij 't vermag:
    tra la la la!
Hij zinge, kan 't wezen, de godganse dag:
    tra la la la!

maandag 19 januari 2026

Onveranderlijk zichzelf, Het leven van Arthur van Schendel (1874-1946) (Rob Groenewegen)

In het lezen van een biografie heb ik eigenlijk altijd zin, al weet ik niet precies waarom. Vaak betreft het schrijvers van wie ik een stel boeken heb gelezen en zo'n biografie geeft natuurlijk context aan die boeken, maar ik besprak hier ook biografieën van Cornelis Vreeswijk, Ria Valk, Wally Tax, Kees Verkerk en Ageeth Scherphuis. Die gaan wel allemaal over een tijd die ik zelf voor een deel heb meegemaakt, dus misschien is het ook het herbeleven van die tijd die me naar deze boeken laat grijpen. 

Bij Van Schendel speelt dat laatste niet mee, want hij overleed in 1946, toen mijn vader zestien jaar oud was. Maar ik heb wel boeken van hem gelezen en met veel plezier. Verder heeft Van Schendel een tijdje in Ede gewoond, waar ik ook woon, en ik wilde ook wel weten in hoeverre er iets over Ede in de biografie zou staan. 

Onveranderlijk zichzelf

Die biografie is Onveranderlijk zichzelf van Rob Groenewegen, die hiervoor al biografieën schreef van Jo Otten en Victor van Vriesland. Vooral dat laatste boek lijkt me aantrekkelijk. Van Vriesland heeft met heel veel schrijvers te maken gehad en in zo'n biografie komt, als het goed is, het literaire klimaat van die tijd tot leven. Ik zag het ooit liggen in een boekhandel, kocht het niet en vergat het weer. Tot ik een boek over Adwaïta (Dèr Mouw). Ik moet het maar gewoon gaan kopen. 

De biografie van Van Schendel is een handzaam boek (ruim driehonderd pagina's) en dat is ook wel eens prettig. De ondertitel is: Het leven van Arthur van Schendel (1874 - 1946). Nu betreft een biografie altijd het leven van iemand, maar bij een schrijver wordt vaak ook het werk wel meegenomen. Natuurlijk noemt Rob Groenewegen dat werk ook, maar de analyse ervan laat hij aan anderen over. Vaak lezen we nog wel iets over de omstandigheden waaronder Van Schendel aan een boek werkte en over hoe hij mogelijk aan zijn stof kwam. 

Eerlijk gezegd had ik wel iets meer over die verschillende boeken willen lezen. Soms wordt slechts terzijde opgemerkt dat er een boek verschenen is. Dat vind ik jammer, maar misschien zegt dat meer over wat ik gehoopt had dan over wat je van een biografie mag verwachten. Maar meer aandacht voor het werk was toch wel op zijn plaats geweest. 

Van Schendel is geboren in Nederlands-Indië en heeft later in Den Haag gewoond, net als de tien jaar oudere Louis Couperus. Op latere leeftijd schreef hij zijn herinneringen op, op verzoek van zijn dochter Kennie. Verder is er het boekje Fratilamur (1928) dat veel autobiografische elementen bevat. 


Jeugd

De vader van Van Schendel overleed op 46-jarige leeftijd aan een leverontsteking. Arthur was toen zes jaar oud. Daardoor veranderde de financiële toestand van het gezin nogal:

Jarenlang had mijn moeder herhaaldelijk van verre verwanten geërfd, grote sommen geloof ik, maar mijn vader was ruim van hand geweest, mijn moeder verkwistend en bovendien onervaren met geld. 

De jonge Arthur maakt veel verhuizingen mee en op gegeven moment overlijdt zijn stiefzusje, negen maanden oud. Het is ook de tijd dat hij zich bewust wordt van het vermogen verhalen te verzinnen:

Van die tijd aan leefde ik met verbeeldingen en lange verhalen in mijn hoofd, dag na dag verder verteld door een onbekende maar vertrouwde stem, mijn eigen wereld waarvan niemand hoefde te weten. 

Het lukte moeder niet om goed voor de kinderen te zorgen. Arthur was vaak op zichzelf aangewezen. Als hij een jaar of zestien is, is hij zelfs een tijdje dakloos. Later heeft Van Schendel het wat ruimer, door een toelage van de Toneelschool. Volgens Groenewegen vervalt hij dan in impulsief, laat-puberaal gedrag. 'Tijd om werkelijk te puberen had hij voorheen immers nauwelijks gekend.' Het is de vraag of we ons idee van puberteit zomaar mogen plakken op een vroegere tijd. Voor 1938 is het woord 'puber' bijvoorbeeld niet in het Nederlands aangetroffen. 

Bertha Zimmerman

In 1896 verschijnt het eerste boek van Van Schendel, Drogon. Hij heeft contact met schrijvers en kunstenaars uit zijn tijd. Van Schendel trouwt met Bertha Zimmerman, die al een dochtertje heeft. Er is ook nog een slepende kwestie over geld dat Bertha gestoken heeft in Walden, de leefgemeenschap van Van Eeden. Groenewegen doet het uitvoerig uit de doeken. 

Het eerste boek waarmee Van Schendel bekend werd is Een zwerver verliefd (1904), gevolgd door Een zwerver verdwaald (1907). Die heb ik gelezen, maar ik herinner ze mij ook uit de lessen literatuurgeschiedenis, als de neo-romantiek behandeld werd. 

Zijn grote werken zou Van Schendel in de jaren dertig schrijven: Het fregatschip Johanna Maria (1930), De Waterman (1933), Een Hollands drama (1935), De grauwe vogels (1937) en De wereld een dansfeest (1938). 

Leed was hem intussen niet bespaard gebleven: de dood van een dochtertje en van zijn vrouw. In 1908 hertrouwde hij, met Annie de Boers. Hij maakte verschillende reizen, met vrienden. Voor zijn huwelijk woonde hij een tijd in Engeland, waar hij docent was. Uiteindelijk zou hij Nederland verlaten om in Italië te gaan wonen. Er waren vaak zorgen om de gezondheid van Annie, die leed aan astma. Voor een deel werd hij onderhouden door een fonds dat door vrienden was opgericht. Ook ontving hij, van 1905 tot 1939 een staatssubsidie. 

Aanzien

Als schrijver genoot Van Schendel veel aanzien. Hij kreeg de Tollensprijs en werd benoemd tot officier in de Orde van Oranje Nassau. Hij werd de 'troonopvolger van Couperus' genoemd en bij deze en gene leefde zelfs de gedachte dat hij wel eens de Nobelprijs voor literatuur zou kunnen krijgen. Hij werd officieel daarvoor voorgedragen door de hoogleraren N.A. Donkersloot, P.N. van Eyck en C.G.N. de Vooys. Verder werd hij benoemd tot buitenlands lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie. 

Van Schendel hield een strakke indeling aan: overdag was hij onder de mensen, maar in de avond trok hij zich terug en schreef hij, met strakke regelmaat. Hij moet een enorme discipline gehad hebben, gezien het oeuvre dat hij zo bij elkaar geschreven heeft. 

Interessant is hoe Groenewegen de literaire context van Van Schendel schetst. Eerst natuurlijk het contact met de Tachtigers, later met de schrijvers van Forum. Van Schendel had veel contacten, niet alleen met de schrijvers van zijn eigen generatie. 

Ook het literaire klimaat wordt wel wat duidelijker door dit boek van Groenewegen. Een schrijver kon voor de oorlog niet zomaar van alles publiceren. Maurits Dekker werd bijvoorbeeld veroordeeld tot 'een fikse geldboete wegens 'belediging van een bevriend staatshoofd', omdat hij Hitler hysterisch had genoemd. 

Italië

Van Schendel woont in Italië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Aan het einde ervan is zijn lichamelijke toestand niet best, mogelijk ook doordat hij zo veel van zichzelf gevraagd heeft en maar door is blijven schrijven. Hij wil graag repatriëren en dat zal uiteindelijk per ambulance gebeuren. In Nederland wordt hij door verschillende mensen bezocht. Dit schrijft Adriaan van der Veen:

Van de groote sterke man met zijn wonderlijk vreemde oogen en de krans van wit haar was niets dan een wrak overgebleven. Ik lachte om zijn nog steeds levendige humor en ik merkte dankbaar op hoezeer zijn sterke geest ongeschokt was gebleven, maar toen ik buiten stond kon ik een gevoel van ellende niet kwijtraken: het was onverdraaglijk om te zien hoe dit monument van concentratie en schrijverskracht een te zwak lichaam moest ondergaan. 

Van Schendel overlijdt in 1946. Kort na zijn dood verschijnt de roman Het oude huis, waarvoor hij postuum de P.C. Hooftprijs krijgt. De prijs werd toen nog niet gegeven voor een oeuvre, maar voor een boek. 

Persoonlijkheid

Er zijn verschillende getuigen die verklaren dat Van Schendel een uitzonderlijk persoon is geweest. Honderd jaar na zijn geboorte schreef Adriaan Roland Holst:

Wie Van Schendel niet kende, noch ooit een foto van hem onder ogen had, zou als hij aan kwam lopen terstond hebben gezien: daar komt een persoonlijkheid, niet iemand uit een reeks. Hij bestond op zichzelf.

Hij had opmerkelijke trekjes, zoals zijn afkeer van de kleur groen. Als Adriaan Morriën de schrijver in zijn nadagen bezoekt, heeft hij een groen jasje aan, waardoor het contact stroef verloopt. 

Groenewegen had niet veel bronnen: er zijn bijvoorbeeld weinig brieven van en naar Van Schendel bewaard. Ooit begon Kester Freriks aan een biografie, maar hij moest het opgeven. Uiteindelijk bleek het lastig om grip te krijgen op Van Schendel. 

Soms weten we ook niet welke bronnen Groenewegen heeft gehad. Hij schrijft bijvoorbeeld dat Vestdijk voor Rumeiland inspiratie opdeed in Van Schendels stuk 'De zeeroovers', maar daarbij geeft hij geen bron. Soms volstaat hij met een suggestie en gebruikt dan woorden als 'mogelijk', 'vermoedelijk', 'waarschijnlijk' of stelt hij een vraag waarop hij geen antwoord geeft, waardoor niet duidelijk of de suggestie ergens op berust. 

Bekaaid

Het leven van Van Schendel krijgen we in deze biografie aardig op een rijtje. Wat mij betreft komt het werk er wel een beetje bekaaid af, terwijl het hier toch gaat om de biografie van een schrijver. Een paar jaar terug schreef ik over De mensenhater (link: onderaan). Goed boek, vond en vind ik. Ik zocht een stel reacties op, waaronder die van Gerard Knuvelder, die door het schrijven van zijn literauurgeschiedenis belangrijk is geweest. Groenewegen noemt de recensie niet, hoewel die zeer uitgesproken is. 

Wel krijg ik zin in de boeken van Van Schendel die ik nog niet gelezen heb, zoals De grauwe vogels en Het oude huis. Daarvoor heeft de biografie dan toch gezorgd. En Groenewegen heeft een vlotte pen, waardoor je makkelijk blijft doorlezen. Het is een toegankelijke biografie, waarin wel duidelijk wordt met welke schrijvers Van Schendel contact had en dat waren er nogal wat. Ook had hij veel meer aanzien dan ik mij realiseerde. 

In een biografie horen natuurlijk ook foto's en Groenewegen heeft gezorgd voor een fraai fotokatern, met sprekende afbeeldingen en foto's. Altijd leuk, maar ook eigenlijk wel noodzakelijk. 

Ik hoop van harte dat dit boek zorgt voor wat meer belangstelling voor het werk van Van Schendel, want dat dreigt wel wat in de vergetelheid te raken. Op boekenlijsten bij de Staatsexamens kom ik ze nog heel af en toe tegen en dan doet het me altijd plezier. 

Groenewegen heeft alweer een nieuw project: hij werkt aan de biografie van Albert Kuyle, van wie ik nooit wat las en alles wat ik over hem las, heeft te maken met de oorlog. Ik ben wel benieuwd. 

Rob Groenewegen, Onveranderlijk zichzelf. Het leven van Arthur van Schendel (1874 - 1946). Walburgpers, 2025; 320 blz. € 27,50 (gebonden, stofomslag)

Eerder schreef ik over ander werk van Van Schendel:

En over andere (deel)biografieën van:

En verder heel veel biografische strips. Daar zal ik nog een keer lijstje van maken.