Van sommige boeken weet ik al op voorhand dat ik ze mooi zal vinden en dan komt die verwachting natuurlijk uit. Dat was bijvoorbeeld het geval bij De prullenmand heeft veel plezier van mij van Thomas Heerma van Voss.
In 1977 vroeg het tijdschrift De Revisor aan een heel stel schrijvers om een zelfportret te tekenen. Die portretten zijn ooit verzameld in een boekje en dat boekje had ik indertijd. Misschien heb ik het nog, maar ik denk dat ik het al aan iemand cadeau heb gedaan. Veel van die schrijvers zijn intussen overleden, maar achttien van die schrijvers leefden nog toen Heerma van Voss begon aan wat dit boek zou worden. Hij ging in gesprek met de schrijvers, van wie sommigen succesvol zijn geworden, maar anderen zijn intussen vergeten geraakt. Dat heeft voor een deel te maken met hun leeftijd. Sommigen schrijven intussen niet meer, anderen schrijven door, maar er is geen uitgever meer die belangstelling heeft voor hun werk.
Bastiaanse
Dat ik dat boekje ooit bezat, voedde wel mijn belangstelling, maar dat kan niet het enige zijn dat mij bij voorbaat innam voor het boek. Ik heb altijd graag gelezen over schrijvers die intussen wat in de vergetelheid geraakt zijn. Misschien begon dat wel toen ik een jaar of twintig was en van mijn docent, mr. L.J.M. Hage, het vierde deel kocht van de literatuurgeschiedenis van Frans Bastiaanse. Hage struinde antiquariaten af en wat hij daar vond, verkocht hij voor een prikje aan zijn studenten. Ik kocht bijvoorbeeld ook Daniël Sils van J.J. Cremer, Dichterlijke nalatenschap van E.A. Borger en jaargangen van de tijdschriften Opwaartsche wegen, De Beweging, Raam en Roeping. Wie leest het nog?
In de literatuurgeschiedenis van Bastiaanse (voor een deel ook een bloemlezing) kwam ik werk tegen van mensen als Lodewijk Mulder, Willem Hofdijk, Justus van Maurik, Melati van Java, Herman Robbers en van nog veel meer schrijvers van wie de namen toen al bij weinig mensen nog bekend waren. Van tijd tot tijd lees ik boeken van deze schrijvers en dan schrijf ik er hier ook over. Vaak betreft het boeken die nog best even mee gekund hadden, maar goed, dat is niet gebeurd.
In het blad Liter heb ik een korte serie artikelen geschreven ('Onder het stof') over vergeten dichters als H.W.J.M. Keuls, Joannes Reddingius, Willem Brandt en Niek Verhaagen. Van enkelen snapte ik ook wel dat ze vergeten waren, maar werk van anderen bleek nog steeds goed leesbaar.
Aandacht voor de vergetenen
Gelukkig is er voor de geheel of half vergetenen wel af en toe aandacht. Jeroen Brouwers schreef over hen in De laatste deur en in andere artikelen, Stefan Brijs in De standaard (en die stukken werden gebundeld in De vergeethoek ) en Joris van Casterens stukken werden het boek Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf. Over enkele van die schrijvers (Aleida Leeuwenberg, Peter Andriesse) heb ik hier wel geschreven en van Judicus Verstegen ben ik vast van plan nog wat te lezen. Ik heb de boeken in huis.
Intussen ben ik op een leeftijd dat ik een deel van de literatuurgeschiedenis heb meegemaakt, de tijd dat je blij kon zijn met de nieuwe Hermans of de nieuwe Mulisch. Van bijna alle schrijvers die Heerma van Voss ontmoet heb ik werk gelezen. Volgens mij alleen niet van Hilbert Kuik en niet van Lidy van Marissing.
Maar van Rudolf Geel, waarmee het boek van Heerma van Voss opent, kocht en las ik Ongenaakbaar (1981), al kon het me indertijd niet zo bekoren. En in de decennia erna vergat ik de schrijver. Bij veel auteurs in deze bundel dacht ik 'och gut, ja'. Waarom heb ik bijvoorbeeld al zo lang niet meer gedacht aan het werk van Nicolaas Matsier? Na Gesloten huis (1994), een goede roman overigens, las ik niets meer van hem, terwijl ik toch ook met plezier De eeuwige stad (1982), Onbepaald vertraagd (1979) en Oud-Zuid (1976) heb gelezen. En van H.C. ten Berge herinner ik me Het geheim van een opgewekt humeur (1986) als een goed boek.
Verschillende van de geportretteerde schrijvers genieten nog steeds een zeker aanzien, als ik dat tenminste goed inschat: Judith Herzberg, Willem Jan Otten, Cees Nooteboom, Anton Korteweg, Jan Siebelink en Mensje van Keulen. Ik hoop tenminste dat die namen nog steeds wat betekenen, ook voor lezers die veel jonger zijn.
Schets van een tijdperk
Heerma van Voss ging op bezoek bij de schrijvers, als ze dat wilden, sprak met hen over het zelfportret en liet hen met de ogen van nu kijken naar de tijd van toen. Zo krijg je een schets van een tijdperk en ik vind dat heel aangenaam. Ook door de andere namen die genoemd worden. Een van de titels die voorbijkomen is Stampende mussen (1980) van Henk Romijn Meijer, die ik me toch vooral herinner als de schrijver van Mijn naam is Garrigue (1983). Ik zag van Stampende mussen wel meteen de omslag voor me (getekend door Peter Vos), maar de inhoud ben ik kwijt.
Veel schrijvers hebben twijfels gekend. Nooteboom, die voor mijn gevoel toch altijd bij de top van de schrijvers heeft behoord, had het gevoel dat hij er niet helemaal bij hoorde, omdat hij in Avenue schreef en omdat hij reisverhalen schreef. Dat was een verrassing voor mij. Mijn oom en tante, oma Ab en tante Rhea lazen de Avenue en ik vond juist dat het blad er zo prachtig uitzag en dat het zo bijzonder was dat er achterin altijd literatuur te vinden was. En Nootebooms bundels, zoals Een avond in Isfahan (1978) en Een ochtend in Bahia werden indertijd grif verkocht, dacht ik.
Nooteboom zegt dat hij geminacht werd en dat de eerste recensie van Rituelen (1980) in NRC echt een persoonlijke aanval was. Maar Rituelen kreeg juist heel veel positieve recensies, als mijn geheugen me niet bedriegt. Opmerkelijk dat een negatieve bespreking dan juist blijft hangen. En van de boeken die daar vlak na verschenen, Een lied van schijn en wezen (1981) en Mokusei! (1982) herinner ik mij vooral dat ze geprezen werden.
Ook Matsier kent de twijfel:
Ook al lukten er best wat dingen in die tijd, ik blaakte nooit van zelfvertrouwen. Soms ben ik even overtuigd van wat ik schrijf. Maar ik vind het moeilijk om te denken dat het écht iets voorstelt.
Aandacht voor de persoon
Veel van de schrijvers vinden het trouwens prettig dat ze terug mogen denken aan de tijd van het zelfportret en ook dat er een jonge schrijver is die aandacht voor hen heeft. In alle stukken krijg je een indruk van de persoon van de schrijver, de mens achter het portret en achter het werk. Heerma van Voss beschrijft in welk huis hij ontvangen wordt en ook steeds wat hij te drinken krijgt en wat erbij geserveerd wordt. En natuurlijk met wat voor persoon hij te maken heeft.
Ik was ontroerd door het portret van de oude Nooteboom, geamuseerd door de speelse geest van Judith Herzberg en het boeide me hoe al die anderen zich staande houden, doorgaan soms met schrijven en welke verhouding ze nu hebben met hun verleden.
Meestal is Heerma van Voss degene die registreert en meestal houdt hij zichzelf buiten de aandacht, maar hij is, net als de geïnterviewden een schrijver en hij ontkomt er soms niet aan zichzelf te vergelijken met zijn gesprekspartner.
Geel was 36 toen hij deze tekening maakte - iets ouder dan ik nu. Net als Geel debuteerde ik op jonge leeftijd. En net als Geel is mijn werk uitsluitend geredigeerd en uitgegeven door mensen die ouder zijn dan ik. (...) Zal ik ooit aan vroegere auteursfoto's denken zoals Geel nu aan zijn zelfportret denkt, met eenzelfde afstand en genegen vervreemding?
De prullenmand heeft veel plezier van mij (het is een uitspraak van Judith Herzberg) is een prettig boek. Omdat het herinneringen naar boven haalt, een tijd doet herleven waarvan ik nog steeds levendige beelden heb. Ook een tijd waarvan veel representanten al overleden zijn trouwens. Maar afgezien van de persoonlijke herinneringen die opgepord worden, heeft dit boek ook belang omdat het een periode in onze literatuur laat herleven. Het geeft natuurlijk geen compleet beeld, maar wel achttien keer een kijk op een periode in onze literatuur.
Menselijk
Het is een heel menselijk boek. De schrijvers zijn met mededogen geportretteerd, zonder de lastige kanten van sommigen te verdoezelen. Maar het boek blijft iets vriendelijks houden en dat vond ik aangenaam tijdens het lezen. Voor sommigen lijkt het opgenomen worden in zo'n bundeling een vorm van late erkenning en eigenlijk gun je ze dat ook wel.
Achterin zijn wat 'biografieën' opgenomen, maar die voegen niet zo heel veel toe. Elke schrijver mag zijn belangrijkste of meest dierbare boek kiezen en soms is er een korte reflectie van Heerma van Voss op het bezoek. Voor mijn gevoel had hij die ook wel in de stukken zelf kwijt gekund.
Het boek is mooi uitgegeven: gebonden, stofomslag, leeslint. De cover is een collage van enkele van de zelfportretten, maar het geheel is een beetje een rommeltje geworden. Dat had beter gekund, lijkt me.
Hopelijk gaat Heerma van Voss op zoek naar meer schrijvers die in de loop der jaren in de marge zijn beland. Daar zijn er nog genoeg van. Ik kan hem zo een lijstje leveren.
En er zijn ook heel wat overleden schrijvers die wel weer eens wat aandacht verdienen. Gelukkig hebben we Fixdit, die aandacht vraagt voor vrouwelijke auteurs zoals Hermine de Graaf, Loekie Zvonik, Ida Simons en Mary Dorna en sinds kort ook voor vrouwen uit een verder verleden. Maar het zou mooi zijn als we weer eens wat lazen over Hellema, Alfred Kossmann, Nelly Heykamp of Geert van Beek. En misschien duikt iemand het werk op van auteurs die nog verder onder het stof verdwenen zijn, zoals Jos Kroeze, Arnold Clerx of Noto Soeroto. Zo gauw zo'n boek er is, zal ik naar de boekhandel rennen.





















