vrijdag 28 februari 2025

Afgestoft: De val (August Willemsen)

Ik hou van de reeks Privé-domein, al heb ik er helemaal niet zoveel delen van gelezen. Het laatste was Beminde vriend, het boek met de brieven die Eriek Verpaele schreef aan Luuk Gruwez. In 1985 kocht ik Braziliaanse brieven (1985) van August Willemsen (1936 -2007). Ik kan niet bedenken wat de aanleiding is geweest. Ik herinner me niet dat ik al iets van Willemsen wist. 

In ieder geval: ik kocht het, ik las het, ik vond het mooi. Willemsen, vooral bekend ook als vertaler, uit het Portugees, schreef na dit boek nog een bundel essays, De taal als bril (1987) en die las ik dan weer niet, maar in 1991 (of misschien in begin 1992) kreeg ik voor Dietsche Warande & Belfort het boek De val thuisgestuurd. De recensie die ik erover schreef, verscheen in het vijfde nummer van de 137e jaargang, oktober 1992. 

De val is niet de meest originele titel. We kennen die ook al van Albert Camus en Marga Minco. Dat August Willemsen hier toch voor koos, snap ik wel. De aanleiding voor het autobiografische boek is een val die hij maakte en die zette zijn leven op zijn kop. Enfin, lees maar. 

Voor op het nummer van DW&B staat vermeld wat er nog meer in te vinden is: Gedichten van Leonard Nolens en Peter Ghyssaert, proza van Leon de Winter en 'Over Hella Haasse, Nelleke Noordervliet en Monika van Paemel. 

Het stuk over Haasse is een meer dan zes pagina's lange bespreking van Heren van de thee door August Hans den Boef, Hugo Bousset bespreekt De eerste steen van Monika van Paemel en Jaak de Maere Het oog van de engel  van Nelleke Noordervliet. Zijn er nog mensen die dat laatste boek lezen? Daar heb ik indertijd zeer van genoten. 

Verder vinden we in dit nummer onder meer een interview met Guillaume van der Graft, onder de titel 'Struikelend naar de plek waar je hoort.'

August Willemsen schreef na De val nog een boek over het Braziliaanse voetbal, De goddelijke kanaries (1994), nog het een en ander aan essays en heel veel mooie vertalingen, onder ander van Fernando Pessoa en Carlos Drummond de Andrade. Postuum verscheen er nog een brievenboek, Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen (2014).


Uit de diepten

Op 10 december 1990 viel August Willemsen en brak zijn heup. Na een kortstondig verblijf in een ziekenhuis moest hij verder herstellen in een revalidatiecentrum, Huize J. Over zijn verblijf daar en over zijn alcoholproblemen, die uiteindelijk tot de noodlottige smak leidden, schreef Willemsen een boek: De val.

Huize J. was, gemiddeld genomen, geen prettige omgeving en de schrijver kan dan ook hartgrondig kankeren op zijn lotgenoten, die de hele dag voor de televisie hangen, roken in de eetzaal en lawaai maken. 'Al die runderkoppen hebben stemrecht,' denkt hij en hij huivert bij de gedachten aan het systeem democratie.

Natuurlijk zijn er niet alleen nare dingen geweest in die tijd, maar het zijn toch vooral de ergernissen die op papier gekomen zijn. De broer van de schrijver zegt tegen hem dat hij altijd buiten het gewone leven gestaan heeft en eigenlijk nooit in aanraking is geweest met 'het volk'. Volgens Willemsen is het alleen maar zo dat domheid, traagheid van geest, onhandigheid en gebeuzel op zijn zenuwen werken. 

Soms gaat de ergernis gepaard met begrip en mededogen en beseft de schrijver dat alle revaliderenden lotgenoten zijn en dat iedereen zich op een of andere manier zielig voelt. 

Hoewel de meeste patiënten wel wat te klagen hebben, hechten ze zich ook aan Huize J. Ze raken 'gehospitaliseerd'. Het centrum is een klein wereldje, waarin heel andere dingen belangrijk zijn dan in de grote buitenwereld. Bovendien is het veel overzichtelijker en is de verantwoordelijkheid er kleiner. De gedachte aan de terugkeer naar de 'gewone' wereld werkt daarom niet alleen bevrijdend, maar ook beangstigend. 

August Willemsen heeft scherp in het kleine wereldje rondgekeken en wat hij waarnam, vertelt hij ons op een manier die prettig is om aan te horen. De typeringen zijn raak, de zinnen zijn soepel. Maar wat is de noodzaak van dit proza?

Het nut van de beschrijvingen is voor de schrijver duidelijk. Zijn geschrijf is voor hem een poging om aan al die dagen enige zin te geven, om in ieder geval ergens gericht mee bezig te zijn tussen al die mensen die de ganse dag letterlijk niets doen. 

De lezer krijgt in ieder geval amusante beschrijvingen. En houdt het dan op? Gelukkig niet. De kracht van De val ligt niet in de tekening van des schrijvers toestand in Huize J. (al had ik die niet graag willen missen), maar in de beschrijving en de analyse van het alcoholisme waarmee hij te kampen had tot hij in het ziekenhuis belandde. 

Volgens Willemsen wordt elke vorm van afwijkend gedrag, dus ook zijn alcoholverslaving, bepaald door vier factoren: aanleg, oorzaak of achtergrond, aanleiding en bedoeling. 

De aanleg schuilt reeds in de genen van zijn vader: die en diens kinderen 'lustten 'm wel'. De oorzaak zoekt de schrijver bij zijn moeder. Toen hij drie jaar was, wilde zijn moeder dat hij het mooiste kind van de straat zou zijn en dergelijke hooggespannen verwachtingen zijn gebleven. Zoonlief beschaamde haar in haar hoop, bewondering en verwachting. Op den duur werd zijn vlucht voor wat zijn moeder verwachtte tot vlucht voor wat men verwacht: vlucht voor verantwoordelijkheid. Als hij zijn moeder dan ook nog eens in huis neemt, is dat meteen de aanleiding om te gaan drinken met de bedoeling zich van haar, van alles en iedereen los te maken. 

Zijn val uit het geregelde leven maken we van zeer dichtbij mee. In de maanden van elkaar opvolgende dronkenschappen (of is het een doorlopende dronkenschap?) blijft hij brieven schrijven aan zijn vriend Kees Hin. Op die manier kunnen we volgen hoe de val zich voltrekt. We zien het verval, dat zowel lichamelijk als geestelijk is. Op den duur is de schrijver niet meer in staat een samenhangende brief te schrijven. Hij volstaat met notities die los staan van elkaar en die vaak uit niet meer dan een enkele regel bestaan, zoals: 'Ik eet zout.' 'Waaraan kun je zien wat voor dag het is?' 'Die vliegtuigen. Waar moeten zoveel mensen naar toe?' 'Ik eet. Ik zuip. Ik slaap. Ik droom. Maar hoe deze brief buiten de deur moet komen is me een raadsel.'

De beschrijving van de hele neergang, die begint met het niet meer nakomen van afspraken en eindigt met een bijna volledig isolement, is het beste gedeelte van het boek. Het schrijnende is dat de schrijver vaak zelf signaleert dat het verkeerd gaat, maar dat hij niet in staat is er iets aan te doen. Soms vermoedt hij dat hij experimenteert met zichzelf, om te zien hoe ver zelfvernietiging kan gaan, maar dan is het wel een experiment dat hij niet beheerst, niet kan stoppen. 

Behalve beschrijvingen van de toestand waarin Willemsen verkeert, bevatten de brieven ook veel dromen. Trouwens, ook uit de periode in Huize J. krijgen we behoorlijk wat dromen te lezen. De betekenis van die dromen is niet altijd even duidelijk. Soms duidt de schrijver ze voor ons of deelt hij ze in in een categorie als 'schuldherinnerend'. Uit de hoeveelheid blijkt al dat ze voor hem belangrijk zijn. Hij kan door dromen evenzeer geschokt worden als door iets uit de werkelijkheid, ook als hij nuchter is. Als lezer weet ik echter niet altijd wat ik ermee aan moet en vaak kan ik niet meer doen dan mompelen dat ze wonderlijk zijn, zoals dromen dat meestal zijn. 

In februari 1989 verbleef Willemsen al enige weken in de Jellinekkliniek om van de alcohol af te komen. Ook toen schreef hij brieven en ook die vinden wij terug in De val. Evenals in Huize J. had Willemsen toen problemen met zijn omgeving. Hij klaagt over het gebrek aan rookvrije ruimten en over de betutteling die hij te verdragen heeft als het gaat over het gebruik van zijn astmamedicijnen of zijn schrijfmachine. Ook het 'zalvend-therapeutische' dat de behandeling aankleeft, begint hem de keel uit te hangen. De begeleiders verwijten hem dat hij te weinig zijn emoties toont, waarop Willemsen repliceert dat hij geen gevoelsarm mens is, maar alleen zich uitdrukt in grammaticaal correcte, goed geformuleerde zinnen...

De notities uit die periode completeren de voorgeschiedenis, die de geschiedenis van een neergang is. Het aardige is dat tussendoor steeds stukjes over Huize J. staan en die vormen samen de geschiedenis van een opgang, zij het dat er af en toe een terugslag is. Op die manier krijgt De val, dat achteloos gecomponeerd lijkt te zijn, toch een zeker evenwicht. 

Ook de stijl heeft die combinatie van enerzijds natuurlijkheid (alsof de zinnen onbewerkt uit de brieven geplukt zijn) en anderzijds trefzekerheid, waaruit blijkt dat Willemsen er wel degelijk aan heeft zitten schaven. Dat heeft dan in ieder geval geresulteerd in een boek dat ik met genoegen gelezen heb. 

4 opmerkingen:

  1. Hoi Teunis, een mooie bespreking van een geweldig boek. Ik ben een groot fan van de man en zijn oeuvre en "De val" is mijn lievelingsboek van hem. Zie mijn blog: https://erikleest.blogspot.com/2021/11/august-willemsen-de-val.html. Ook zijn vertaling van "De binnenlanden" van de Braziliaan Euclides da Cunha leest geweldig: https://erikleest.blogspot.com/2021/03/euclides-da-cunha-de-binnenlanden.html. Groetjes, Erik

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Fijn dat je zoveel aandacht aan dit boek hebt besteed, Erik. En ook nog aan drie andere boeken van Willemsen. En dan nog aan de vertalingen. Dankjewel!

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Hoi Teunis, ik denk dat August Willemsen niet zo'n hele grote naam binnen de Nederlandse letteren is, maar ik lees zijn boeken veel liever dan die van erkende "grootheden" als Hermans, Mulisch, Reve, Brouwers, Wolkers, Siebelink en Japin om maar een aantal schrijvers te noemen waar ik niet zo'n fan van ben. Ik denk dat dat te maken heeft met het feit dat deze schrijvers het nadrukkelijk nodig vonden om te etaleren wat voor geweldige schrijvers ze waren, terwijl August Willemsen die houding helemaal, maar dan ook helemaal niet had. Hij deed gewoon zijn werk, mooie boeken vertalen en schrijven.
      Groetjes, Erik

      Verwijderen
    2. Maar van de anderen die je noemt heb ik ook prachtige boeken gelezen.

      Verwijderen