Wat een reis nog naar uw handen
Met de poëzie van Michel van der Plas ben ik altijd nogal nonchalant omgegaan; zijn werk verscheen zonder dat ik het opmerkte en als ik het wel in de gaten had, las ik het meestal niet. In 1980 kocht het 'signalement van zijn werk' Paspoort, dat al vier jaar daarvoor verschenen was. Daarin stonden ook gedichten, die ik, herinner ik me, 'wel mooi' vond. Later kocht ik tweedehands Dance for you, waarvan me vooral bijgebleven is, dat ik het al fietsend gelezen heb.
En nu ligt ineens De oevers bekennen kleur voor me, Van der Plas' Verzamelde gedichten. Een mooi uitgegeven boek, al mis ik een verantwoording of inleiding, waarin verteld wordt dat niet alle gedichten van Van der plas in deze bundel opgenomen zijn. Ook mis ik een bibliografie. In de inhoudsopgave is wel te vinden uit welke bundel een gedicht komt, maar niet wanneer die bundel verschenen is. Jammer.
Het is een behoorlijk grote overgang: van jarenlang geen Van der Plas naar enkele weken heel veel Van der Plas. Dagenlang lees en herlees ik zijn poëzie. De vertalingen (van poëzie van Eliot, Auden, Claudel en Cummings) laat ik voorlopig ongelezen; ik heb het idee dat ik daar nauwelijks over kan oordelen en er blijft nog meer dan genoeg te lezen over.
Veel sonnetten, zie ik al bij het doorbladeren. Als vanaf de eerste bundel bedient Van der Plas zich van deze versvorm en het lijkt wel of hij zich er steeds beter bij thuisvoelt. De laatste bundel, Vaderland (1992), bestaat zelfs geheel uit sonnetten. Dat hij andere vormen ook beheerst, laat Van der Plas zien in bundels als Ergenshuizen (1953) en Een hemel op aarde (1955), waarin hij personen uit de klassieke oudheid en de Bijbel aan het woord laat. Deze gedichten hebben een vrijere vormen vaak zijn ze ook langer.
Vader
Bij het lezen van de gedichten valt al snel op, dat er nogal wat gedichten over de ouders van de dichter opgenomen zijn. Het eerste gedicht dat van Van der Plas gepubliceerd werd (het staat niet in deze bundel overigens) ging al over de vader. Aanvankelijk zijn er trouwens meer gedichten gewijd aan de moeder dan aan de vader. Zoals 'Gras':
Ik heb mijn moeder honderd maal verloren.In dromen; winters; aan een stenen stad;aan andere kinderen, uit haar geboren;en aan die vader, bevend liefgehad.Maar honderd maal heb ik haar teruggewonnen:languit voorover in gewoon groen gras,dat ademde en zwoegde of onbezonnengolfde als een lied en, golvend, eeuwig was.Wees eindeloos, wees zacht, een en al armen.Grasmoeder, moedergras, bevend erbarmen.Achter ons staat de mensenhemel rood.De wolken zeilen en de vogels zweven.Leer me nog met een hart te veel te leven,totdat ik weg kan in uw beider schoot.
In alle gedichten waarin zijn moeder voorkomt, schrijft Van der Plas heel liefdevol over haar. In bovenstaand gedicht wordt de vader aangeduid als 'die vader' en in 'Vader en moeder' wordt hij 'die man' genoemd. Daar spreekt op zijn minst enige reserve, afstand, uit. Niet voor niets lezen we dat zijn moeder (of de dichter) de vader 'bevend' liefhad.
Vader was blijkbaar niet zo'n gemakkelijke man. We leren uit gedichten zijn driftige stap kennen, zijn koppigheid. In de bundel Langzaam vertrekken (1965) wordt de vader milder beschreven. Zoals in het eenvoudige 'In memoriam patris' (dat voor het doodsprentje van de vader geschreven werd) of het gedicht 'Een man zoals', waarin 'Een man zoals mijn vader is geweest / staat te biljarten.' Het gedicht eindigt met de regels: 'Hij kan niet tegen zijn verlies. Ik houd van hem.'
De laatste bundel, Vaderland, is geheel gewijd aan de vader. In bijna veertig sonnetten bouwt Van der Plas daar een monument voor zijn vader. Liefdevol tekent hij zijn portret. Het slotgedicht, 'Laatste droom', was onlangs nog in Woordwerk te lezen. In dit gedicht valt de vader samen met Jezus, die na Zijn opstanding verschijnt aan zijn discipelen bij de zee van Tiberias. Het is zonder meer het mooiste gedicht uit de hele bundel. Als je Vaderland niet in één keer leest, maar er zomaar een gedicht uit pikt, blijken de gedichten nogal middelmatig te zijn. Ik moest regels lezen als: 'Je had zo graag een hond gehad, een grote, / kleur maakt niet uit, ruwharig, maar fideel: / een Hector aan je zij op hoge poten, / braver dan kinderen en personeel.' Brave sonnetten, denk ik dan, maar niet zo bijzonder. En toch.
En toch ben ik blij dat ik de bundel gelezen en herlezen heb. De afzonderlijke gedichten mogen dan vaak wat tegenvallen, als geheel blijft de bundel mij toch boeien. Waarschijnlijk komt dat doordat Van der Plas de emoties die hij heeft niet expliciet noemt, maar ze wel dichtbij brengt in zijn beschrijvingen. 'Als ik terugkom met een slentergang / vind ik je slapend, in bretels, een hand / boven je hoofd, een halm over je wang.' Uit zo'n beschrijving blijkt de aandacht waarmee de dichter gekeken heeft. Het beeld van de slapende vader roept misschien zelfs meedogen op door de weerloosheid die eruit spreekt. Dat het bij de dichter, die in dit gedicht nog maar een negenjarig jongetje is, wat gecompliceerder is, blijkt verderop uit het gedicht waarin hij haat voor zijn vader voelt en zich tegelijk realiseert hoeveel zij beiden gemeen hebben.
Geloof
In In de kou (1969) zei Michel van der Plas tegen Godfried Bomans over zijn vader: 'Hij was een nogal vrome man - als niemand hem zag.' Ook in Vaderland is de vader verschillende keren verbonden met geloof een kerk, wat al te zien is aan titels als 'Hemel', 'Kerk' en 'God'. Maar niet alleen in verband met de vader komt het geloof voor in de gedichten van Van der Plas.
Ooit wilde Van der Plas priester worden en bezocht hij daartoe het seminarie. Uiteindelijk bleek hij een keuze te moeten maken tussen het priesterschap en het dichterschap en hij koos voor het laatste. Soms duiken gedachten aan die seminarietijd nog op, zoals in Korte metten (1980) als hij over 'de witte monniken' schrijft: 'Mannen even oud als ik. / Mijn broeders, denk ik soms een ogenblik. / Maar dan weer: vreemden op een kale maan.'
Van der Plas zegde het priesterschap vaarwel, maar het geloof bleef hij trouw. In nagenoeg alle bundels komen gedichten over het geloof voor. Ik citeer uit De dag van morgen (1958) 'Psalm':
De Heer is mijn verder. Hij laat mij missen:roes, aarde, nu. Laat mij te weinig zijnen wensen. Drijft mij op naar duisternissenvan bos en braakland, in een perk van pijn.Is mijn elders. Laat hemelen verhalen,de macht, de glorie. En houdt mij doodsbangover mijn dorst gebogen. Zendt zijn stralenbij mondjesmaat. En wacht, mijn leven lang.Mijn vijand drinkt en doezelt voor mijn ogen.De kinderen zingen van een vergezicht.De Heer is mijn eenmaal. Ik moet nog hoger.Zijn heil en zegen zullen op mij jagen,mijn leven lang. Ik zal het dwingelandslichtzien, haten en verlangen, al mijn dagen.
Uit dit gedicht blijkt al de ambivalente houding tegenover het geloof: de dichter zal 'het dwingelandslicht' haten èn verlangen, twee uitersten, waartussen veel gedichten over het geloof zich bewegen.
Al in een eerdere bundel schreef Van der Plas een 'Psalm': 'Een nieuw lied voor de Heer die de vogeltjes schiep.' In deze psalm juicht de dichter het uit. 'O gij wateren, looft, en gij landstreken, looft, / en gij vogeltjes, looft onze Heer.' Zo'n gedicht is uit de zekerheid geschreven. Maar momenten van zekerheid worden afgewisseld door tijden van twijfel. In een wat recentere bundel, God en omstreken (1988), lezen we: 'Mijn laatste geloof begint te versmallen / tot een sprietje dat mij niet meer houden kan. / Nog even maar en ik zal in het koude / heelal voor eeuwig naar het donker vallen.' Of, in 'Donkere metten': 'O God, geef me toch eindelijke een teken, / ach een klein teken maar dat je me kent / en dat je van eeuwig mijn vader bent / en dat ik in jouw huis niet mag ontbreken.'
In de hele bundel God en omstreken worstelt de dichter met het geloof. Er zijn enkele mooie cycli opgenomen zoals 'Jezus in Jericho' en 'De goede moordenaar'. In de eerste wordt Jezus in zijn twijfel getekend, in de tweede wordt de goede moordenaar toegesproken, waarbij de dichter hem om hulp vraagt: 'sta dan op, loop de tuin uit, halverwege, / en roep me in de zwarte kuil van de kou, / en kom me, kom me dan, kom me toch tegen.' Maar ook zingt hij in deze bundel de 'Lof Gods of ik het wil of niet.'
Het ei van Columbus
Het geloof is ook aanwezig in de bundel die ik als Van der Plas' beste beschouw, Het ei van Columbus. Tussen de gedichten door staan stukjes proza die duidelijk maken waarnaar de gedichten verwijzen of wat er tussen twee gedichten door gebeurd is.
Al in het begin krijgen we de legende van Christofoor te lezen, zoals die aan Columbus verteld wordt. Natuurlijk voelt hij zich met Christofoor verwant; hij draagt immers zijn naam. Ook Columbus wil Christus dragen, 'kruisen planten in ongelovige grond', zoals zijn maîtresse zegt. Vol vertrouwen is hij, maar dat vertrouwen komt onder druk te staan als er maar geen land in zicht komt. Van Christus schrijft hij zelfs op een moment: 'Buiten, op zee, is hij gestorven.'
Aan het eind van zijn leven komt de legende van Christofoor weer terug. Eerst wordt Maria aangeroepen, die immers ook Christus droeg. Op 19 mei 1506, vigilie van Hemelvaart, sterft Columbus en dan lezen we:
Nu moet jij mij dragen.Kind, zet de veerman over.En die ziel in mijn lichaam,van pijn naar pijn. Nee, verder.Maak een wolk, onttrek meaan de ogen van nu, van hier.Zet me in mijn wapenop een eiland neer,in het derde kwartier,waar de quetzal fladderten de ara roept,en dichtbij de oevervan een goudrivier.
In het gedicht dat erop volgt, verzucht hij nog: 'Jezus, Jezus en / wat een reis nog // naar uw handen, / mijn recht, mijn eer.'
Het ei van Columbus geeft een prachtig beeld van Columbus. Als een dichter zich zo in iemand kan inleven, moet hij wat met hem gemeen hebben, denk ik dan. Zowel Columbus' als Van der Plas' vader waren werkzaam in de textiel, maar dat zal wel niet de belangrijkste overeenkomst zijn. Ik kan me voorstellen dat Van der Plas het geloofsvertrouwen en de twijfel van Columbus herkent. Maar de sympathieke en geloofwaardige tekening van Columbus is niet de enige verdienste van deze bundel. De bundel is heel gevarieerd, doordat er verschillende personen aan het woord komen. De verschillende stemmen zijn niet alleen te herkennen aan hun woordgebruik, maar ook aan de verschillende versvormen. Een hoogtepunt in de bundel is het lange gedicht 'De zeldzame brief', over de 'lettera rarissima' die Columbus aan koningin Isabella schreef. Het is één lange, bittere klacht over alle teleurstellingen, gevaren en ellende die hij tijdens de laatste tocht ondervonden heeft. Tussen de woorden van Columbus door krijgen we te lezen hoe Isabella de brief leest en wat ze erbij denkt. De twee 'stemmen' in dit gedicht zingen een prachtig duet.
Nog verscheidene keren zal ik bladeren in De oevers bekennen kleur. Ik zal veel gedichten tegenkomen die ik 'wel mooi' vind. En in ieder geval zal deze bundel altijd het boek blijven waarin Het ei van Columbus opgenomen is. Iemand die dat kan schrijven, wil ik graag alle minder gelukte gedichten vergeven.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten