vrijdag 7 september 2018

Washandje



Soms lijkt de tijd sneller te gaan ikzelf. Alsof de trein waarin ik zit, sneller gaat dan de coupé waarin ik me bevind. Ik dommel wat, kijk naar buiten en zie het landschap verglijden. En dan kijk ik om me heen en constateer dat mijn coupé is verschoven. Ik bevind me in dezelfde trein, maar enkele compartimenten verder naar achteren. Ik weet dat dat steeds zal gebeuren en dat ooit de trein door zal rijden zonder mij.

Alles verandert voortdurend, al valt dat niet steeds op. Je verandert immers mee. Maar in sommige dingen verander je niet. Ik zie het aan mijn moeder die nog steeds 'gulden' zegt als ze 'euro' bedoelt en die nog steeds geld overmaakt met overschrijvingskaarten. Nu ik dit opschrijf denk ik aan de ponskaarten die ik al bijna vergeten was en hoe gemakkelijk ik die achter me gelaten heb. Overgaan naar internetbankieren ging al minder gemakkelijk, maar ook over die drempel ben ik gestapt.

Zoals mijn moeder nooit over de drempel naar de computer gestapt is, zullen er ook voor mij steeds hogere drempels verschijnen. Sommige zal ik niet nemen.

Er zijn nu al zaken waarin ik niet meeveranderd ben, waar ik vastgehouden heb aan het bekende, terwijl veel anderen dat al hebben losgelaten. Ik heb nog steeds een katoenen zakdoek in mijn broekzak. Ik draag sokken die tot over mijn enkels reiken. Ik strik mijn veters. En ik gebruik een washandje.

Washandje

Er zijn nog steeds washandjes te koop, zie ik in bijvoorbeeld de Wibra, maar ik geloof niet dat iemand van de generatie van mijn kinderen zoiets gebruikt. Waarom eigenlijk niet? Ook in hotels worden tegenwoordig geen washandjes meer verstrekt.

Tot nu toe nam ik zelf een washandje mee naar het hotel. Een oud, dat ik na afloop achter kon laten in de prullenbak. Maar deze zomer vergat ik dat. Ik moest me wassen op de manier waarop anderen dat doen. Nou ja, de manier waarvan ik aannam dat anderen die gebruikten: blupje douchegel op je hand en wrijven. Het beviel me niet: niet alleen heeft een washandje een soort schrobeffect dat een hand niet heeft, maar ik moest ook veel meer douchegel gebruiken.

Misschien deed ik iets verkeerd en kunnen anderen zich wel helemaal wassen met een hoeveelheid ter grootte van een euromunt, maar mij lukte het niet. Als echter ook anderen een paar keer de fles moeten hanteren, waarom hoor ik dan nooit iemand die met het milieu begaan is daartegen protesteren? Waarom zouden we zoveel meer van dit soort middelen ter lichaamsreiniging gebruiken dan nodig is? Waarom zouden we toestaan dat er zoveel meer ongetwijfeld onprettig spul in ons afvoerwater terechtkomt?

Scheren

Ik zal wel teergevoelig zijn op dat punt, hoor. Ik herinner me nog dat ik ronduit geschokt was toen ik Hans Sibbel (Lebbis) in een van zijn conferences hoorde zeggen dat hij zich stond te scheren onder de douche. Ik had hem ingeschat als iemand die begaan was met de planeet (laat ik het meteen maar groot maken), zodat hij dus zuinig zou omspringen met water. Scheren terwijl je de kraan laat lopen? Ik was onthutst.

Misschien onterecht. Misschien draait Lebbis de kraan dicht als hij scheert. Maar misschien ook is dit wel de manier waarop bijna iedereen zich scheert. Ik ben baarddrager uit gemakzucht, dus ik heb lange tijd niet gelet op de scheerpraktijk. Mijn vader schoor zich tweemaal in de week: op woensdag en op zaterdag. Met een krabbertje, dat hij afspoelde in een rood bekertje met kokend water. Gezeten voor de scheerkist, het tweede cadeau dat hij ooit van mijn moeder kreeg. Het eerste was een leren hoesje voor zijn rijbewijs.  De spiegel van de scheerkist was al lang gesneuveld, pa had een klein spiegeltje, dat hij op de spiegelhouder klemde.

Dat is de coupé waarmee ik door de tijd gereisd ben. Ik let even niet op, kijk om me heen en alles is veranderd. Iedereen is doorgegaan en ik ben op mijn plaats gebleven. Of in ieder geval veel langzamer doorgegaan.

Rationaliteit

Weer even naar het washandje. Mensen mogen zich wassen hoe ze willen. Geen probleem. Maar als er iets verandert, wil ik graag de rationaliteit achter die verandering begrijpen, en die ontgaat me hier. Je wast je niet beter zonder washandje en je gebruikt ook nog eens meer  douchegel. Goed, je hebt geen washandje meer nodig, maar ik weet niet of ik dat een voordeel vind.

Nu ik erover nadenk, is het eigenlijk helemaal niet logisch dat ik indertijd afgestapt ben van het stukje zeep, waar je maanden mee kon doen. Wanneer heb ik dat besloten? Er zijn nergens meer zeepbakjes, terwijl er nog wel luxe zeepwinkels zijn. Vreemd.

Er zijn meer veranderingen die ik niet (of maar half) meegemaakt heb, omdat ik de rationaliteit er niet van inzag. Het zal al wel enkele decennia geleden zijn, toen jongeren ineens hun veters niet meer vastmaakten. Het leek me erg onpraktisch. Wat loopt er nou lekkerder dan schoenen met flink aangesnoerde veters?

Sportschoenen

Misschien was het dezelfde tijd dat mensen ineens sportkleding en sportschoenen gingen dragen, ook als ze niet aan het sporten waren. Ik weet dat ik tegenwoordig 'sneakers' moet zeggen, maar heb nog steeds de neiging (niet om te zeggen, maar wel om te denken), als ik met iemand in gesprek kom met sportschoenen met een opzichtig logo en felle kleuren (ja, ik vind ze ook heel lelijk): 'Lekker gegymd?'

Ik geloof dat ik zo zoiets ook las in Remington van Bert Natter. Daar betrof het een bejaarde vader. Ja, ja, ook ik word bejaard of ben het al. Mij zullen ze niet zien op sportschoenen of zelfs maar op schoenen met witte zolen. En ik knoop mijn veters dicht.

Kleren met gaten en scheuren - ook zoiets onpraktisch. Ik heb een moeder die vroeger mijn overalls keurig lapte als er scheuren in zaten. Zij kon dat heel goed. Andere moeders naaiden gewoon een lap over het gat heen, mijn moeder zette een nieuw stuk in de broek, van naad tot naad. Voor zo'n broek hoefde je je niet schamen. Ze zou vinden dat ik 'vur schaand' liep met een gescheurde broek. Misschien vind ik dat stiekem nog steeds en misschien wel uit loyaliteit met mijn moeder.

Katoenen zakdoek

Dat mensen geen katoenen zakdoek meer gebruiken, snap ik weer wel. Eigenlijk is het niet hygiënisch om je snot te bewaren. En als je echt zwaar verkouden bent, red je het niet met zo'n stoffen lap en gaan er pakjes vol zakdoekjes doorheen. Ik weet ook niet of al die papieren zakdoekjes zoveel slechter voor het milieu zijn dan het uitwassen van een zakdoek. Er is vast wel iemand die mij dat kan vertellen.

Mijn vader had vroeger een rode zakdoek. Een boerenzakdoek, denk ik. Hij hield die veel te lang in zijn broekzak. Hij zal hem niet alleen gehad hebben om zijn neus te snuiten, maar ook om zijn zweet af te vegen. Zijn werk vergde nogal wat lichamelijke inspanning. Soms had ik als kind dringend een zakdoek nodig en dan vroeg ik of ik de zijne mocht gebruiken. 'Zakdoekje stink, jongen,' zei hij dan, terwijl hij mij zijn muffe zakdoek aanreikte. Dat vond ik toen geen probleem. Mijn moeder zal wel op hem gefoeterd hebben dat hij niet vaker een schone zakdoek pakte. Trouwens: het woord 'foeteren' gebruikt ook bijna niemand meer.

Achter in de trein

Daar zit ik dan achter in de trein. Ik heb nog een vaste telefoonverbinding, lees nog een papieren krant, weiger om ook maar het kleinste restje eten weg te gooien, let ook bij berichten op WhatsApp op leestekens en hoofdletters, draag sokken die je kunt optrekken (en dat zijn zelfs van tijd tot tijd gebreide sokken), heb nog een leren schooltas, die al meer dan twintig jaar meegaat en gebruik bijna nooit mijn BlueTooth koptelefoon, omdat ik tijden bezig ben om de verbinding te leggen.

'En je laat niet voor twintig euro eten bezorgen als je geen zin hebt om te koken,' vult mijn dochter aan. Het idee dat je wel eens geen zin kunt hebben om te koken komt al niet in mij op.

Straks komt de conducteur, die hoofdschuddend mijn kaartje bekijkt. Misschien schaam ik mij dan. Misschien kan ik glimlachend berusten en uitstappen als de trein me te snel gaat. Dan wandel ik nog even langs het spoor om te genieten van de paardenbloemen, de wilgen, de merels. Al die dingen die al eeuwenlang hetzelfde zijn.

donderdag 6 september 2018

Exodus (Jasper Rietman)



Een boek dat je kunt lezen als één lange, doorlopende tekening, waarbij je de weg van vluchtelingen kunt volgen. Dat is Exodus van Jasper Rietman. Ik schreef daar onlangs over op Literair Nederland:


Kijken naar vluchtelingen en naar jezelf

Het is altijd prettig als een boek afwijkt van wat gebruikelijk is. Het roept dan een frissere blik op, verhindert de lezer om op de automatische piloot het boek tot zich te nemen. Exodus van Jasper Rietman is zo’n boek.

Rietman maakt illustraties voor kranten als The New York Times, The Guardian en The Washington Post, en, dichter bij huis, voor De Standaard en de Volkskrant. Zijn stijl is ‘de klare lijn’, wat aan zijn tekeningen helderheid geeft. Exodus is zijn eerste boek. Het is gedrukt op oblongformaat, wat het gevolg heeft dat de bladzijden eruitzien als een strook. Daar komt nog bij dat alle bladzijden op elkaar aansluiten, zodat je ze aan elkaar zou kunnen leggen tot één lange strook. Er is geen tekst, de tekeningen vertellen het verhaal.

Als we het boek openen, vallen we meteen in een oorlogssituatie. Het ziet eruit als een burgeroorloog in een land dat niet exact te duiden is, maar het zou ergens in het oosten kunnen liggen. Bij het doorbladeren van het boek verplaatst de lezer zich, niet alleen in de ruimte maar ook in de tijd. In het begin is er chaos, verwoesting, geweld, daarna komt er een vluchtelingenstroom op gang. Via allerlei voertuigen komen de vluchtelingen bij de kust terecht, waar ze in een boot stappen.

Uiteindelijk arriveren ze in het land aan de overzijde van het water waar ze worden opgevangen in een vluchtelingenkamp. De voertuigen bij dat kamp zijn enigszins futuristisch en boven het kamp vliegen drone-achtige luchtvaartuigen. Daardoor verschuift het boek van realistisch naar meer fictioneel.

Wat wil het verhaal zeggen over de huidige toestand in de wereld waarin vluchtelingen per boot de oversteek wagen naar Fort Europa? Er wordt in ieder geval duidelijk gemaakt hoe chaotisch en beangstigend het land is dat achtergelaten wordt en dat mensen uit puur lijfsbehoud de wijk nemen naar een voor hen onbekend land.

De mensen die geld verdienen aan het vluchten blijven buiten beeld, de overtocht verloopt gladjes en het opvangkamp ziet er niet al te ellendig uit. Maar er staan wel mensen met geweren in het kamp en je kunt je afvragen in hoeverre de vluchtelingen iets opgeschoten zijn met hun vlucht. Pas achter de muur die het kamp afsluit van de rest van het land, begint het groene gras.

Rietman heeft een vrij ‘cleane’ manier van tekenen, waarin de afstand ingebouwd is. Dat ook de lezer op afstand blijft, heeft te maken met het perspectief: je ziet de personen altijd schuin van boven, alsof je in een helikopter boven ze vliegt. De lezer kan zich alleen betrokken voelen als hij langzaam ‘leest’ en oog heeft voor de individuen op de tekening.

De kleuren zijn helder en bij een andere thematiek zouden die zelfs iets vrolijks aan de afbeeldingen kunnen geven. Het werkt goed. Als ook de inkleuring dreiging zou oproepen, ligt het gevaar van effectbejag op de loer. Nu heeft de inkleuring iets bedrieglijks; pas bij nauwkeuriger beschouwing dringt de omvang van de ellende door.

De rest van deze bijdrage is te lezen op Literair Nederland.


woensdag 5 september 2018

Podcast: Spraakwater of wodka


Aangezien literatuur het bad is waarin ik het liefst zwem, volg ik nogal wat podcasts die daarmee te maken hebben. Een aantal daarvan komt ongetwijfeld hier nog ter sprake. Deze keer een podcast waarbij ik na het beluisteren van de pilot ben afgehaakt: Spraakwater of wodka van Das Mag, gepresenteerd door Toine Donk, die nog een juniorredacteur naast zich heeft die als jurylid fungeert, maar eigenlijk niet veel toevoegt. De podcast is op verschillende plekken te vinden, bijvoorbeeld in iTunes. In de pilotaflevering was Peter Zantingh te gast, schrijver van het boek Na Matthias.

Als er een auteur optreedt in een podcast die over boeken gaat, is het vooral prettig als zij of hij veel vertelt over het boek. Goede interviewers kunnen vragen stellen die auteurs nopen tot nadenken, zodat ze niet op de automatische piloot kunnen antwoorden. Dat kan boeiende gesprekken opleveren, waarna de luisteraar meestal zin heeft om het boek te gaan lezen. Voorbeelden van dit soort podcasts zijn Kunststof, Wandelen met Lebowski en Boekenpodcast Het verhaal.

Format

Bij Spraakwater of wodka is afgeweken van het traditionele vraaggesprek. Wellicht omdat men vond dat er een afwijkend format moest zijn, of omdat men vooral een 'lichte' podcast wilde maken. De titel slaat op de wodkafles die op tafel staat. Als de auteur een verkeerd antwoord geeft of een onbevredigend antwoord, moet hij een shot wodka nemen. Daarmee wordt de podcast een spelletje, dat je kunt winnen of verliezen, terwijl, volgens mij, het boek centraal behoort te staan.

Alle media zijn vergeven van de spelletjes en van de lichtheid. Waarom zou ik daarvoor naar een podcast gaan luisteren? Ik wil iets over het boek te weten komen. Dat valt niet mee met deze podcast. Bovendien kun je je afvragen hoe goed een uitgeverij zorgt voor haar auteurs als die gedwongen worden alcohol te drinken, vooral ook omdat de schrijver aangeeft dat hij al maanden geen alcohol ingenomen heeft. Gezien de titel zal die wodka er wel in blijven. We hoeven niet bang te zijn dat schrijvers  een lijntje cocaïne moeten snuiven, een joint moeten roken of dat er dan een stukje van hun oorlel afgeknipt wordt bij een verkeerd antwoord.

Het blijft raar. De wodka zal niet zorgen voor betere antwoorden. Inhoudelijk heeft het drinken dus geen functie.

Opdrachten

De eerste opdracht: in dertig seconden het boek karakteriseren. Er mag geen 'eh' gezegd worden en er moeten drie woorden gebruikt worden die de presentator geeft. Daar gaat het al verkeerd. Eigenlijk had ik toen al de neiging om te stoppen met luisteren.

Wat is er mis met het zeggen van 'eh'? Zeker als dat betekent dat de schrijver moet nadenken. Dat een auteur in enkele zinnen zijn boek moet karakteriseren, is een goede opdracht. Hij of zij wordt dan gedwongen meteen tot de kern te komen. Maar het is natuurlijk onvergeeflijk dat Donk al vooraf vertelt wat hij wil horen. Het gaat namelijk niet om de presentator en om wat hij uit het boek heeft gehaald, maar om wat de schrijver wezenlijk in zijn of haar boek acht.

Donk plaatst zich vaker onterecht op de voorgrond. Op een gegeven moment is het onderwerp van gesprek de omstandigheid dat de schrijver vastloopt bij het schrijven van een boek en hoe de omgeving daar dan op moet reageren. De presentator vertelt hoe het bij hem werkt. Daar is werkelijk niemand in geïnteresseerd. Dat legt hij maar uit in de podcast van Mug tot Olifant, waarin hij zichzelf centraal kan stellen.

In de pilotaflevering krijgt de auteur daarna een personage en dat moet hij dan in één woord karakteriseren. Gelukkig mag hij na dat ene woord wel een toelichting geven. Maar het blijft allemaal erg aan de oppervlakte en vooral is het bezwaarlijk dat er maar geen lijn komt in het gesprek, waardoor je nauwelijks een beeld van het boek krijgt. Je hipt van personage naar personage en de noodzakelijke context wordt niet gegeven.

Dan krijgt Zantingh enkele uitspraken van zijn vriendin voorgelegd en hij moet zeggen of ze dat wel of niet gezegd heeft. Dat is nog wel aardig, omdat de citaten haakjes kunnen zijn waaraan je een gesprek kunt ophangen. De schrijver slaagt glanzend voor die proef. Eén keer heeft hij het fout, maar dat komt doordat Donk Zantinghs vriendin niet citeert, maar parafraseert. Desalniettemin moet de auteur de straf ondergaan. Vreemd.

Oordeel

Wie van spelletjes houdt, vindt het wellicht aardig om naar Spraakwater of wodka te luisteren, al wordt er nu ook weer niet zo'n interessant spelletje gespeeld. Wie van literatuur houdt, kan deze podcast overslaan. 

Het boek komt nauwelijks aan bod; je krijgt slechts een oppervlakkig beeld. Als je de flaptekst leest, weet je waarschijnlijk net zo veel. Het probleem is het format, dat niet bedoeld is om te luisteraar flink met het boek kennis te laten maken, en de presentator. Je kunt niet merken of hij het boek gelezen heeft of slechts een samenvatting. Geen enkele keer stelt hij een vraag waardoor we dieper het boek in duiken. Als luisteraar krijg je steeds meer de indruk dat men ook een willekeurige voorbijganger het lijstje met vragen had kunnen geven. De fles wodka lijkt belangrijker dan de vragen en ook belangrijker dan de antwoorden. 

Je kunt je wel afvragen waarom een schrijver eigenlijk zou meewerken aan een podcast waarin hij met zo weinig respect wordt behandeld en waarin zijn boek zo'n schamele rol speelt: alleen als onderwerp voor een spelletje. Alles voor de publiciteit wellicht, maar publiciteit moet ervoor zorgen dat het boek verkocht wordt. Ik kan me niet voorstellen dat er iemand is die na het beluisteren van de podcast naar de boekhandel rent om Na Matthias te kopen. 

Ik zie in ieder geval in de pilotaflevering van Spraakwater of wodka geen aanleiding om iets van Zantingh te gaan lezen, hoe sympathiek hij ook overkomt - aan hem ligt het niet.  En al helemaal niet om nog andere afleveringen van de podcast te beluisteren. 

Eerder schreef ik over

dinsdag 4 september 2018

En toen viel ik van het podium (Lidewijde Paris)


Actueel is het boek niet (het is van 2007) en er is ook geen noodzaak om er op dit moment iets over te schrijven. De enige aanleiding is dat ik En toen viel ik van het podium (samengesteld en ingeleid door Lidewijde Paris) net gelezen heb.

De ondertitel luidt: 'Schrijvers in verlegenheid'. Het gaat hierbij niet om schrijvers die achter hun bureau in verlegenheid zijn gebracht door bijvoorbeeld de ontwikkelingen van hun eigen verhaal, maar om publieke optredens: leesbeurten, lezingen, signeersessies, interviews, televisieoptredens. De nadruk moet daarbij blijkbaar liggen op het zich ongemakkelijk voelen in de situatie.

Minder interessant

Bij veel verhalen werkt dat goed en de schrijver hoeft geen ingewikkelde toeren uit te halen: simpel weergeven wat er gebeurd is, is vaak het beste. Schrijvers die zichzelf de opdracht hebben gegeven om iets 'leuks' te schrijven (Bart Chabot, Michael Frijda) of schrijvers die stiekem aan het opscheppen zijn (Tsjead Bruinja) leveren minder interessante bijdragen.

Vreemd is dat er een heus verhaal is opgenomen van Joost Zwagerman. De schrijver die de hoofdpersoon is, kennen we uit Chaos en rumoer en ook al staat het personage niet ver af van de auteur, het verhaal had wellicht niet in deze bundel opgenomen behoren te worden.

Maarten 't Hart, wiens fictie nogal eens dicht bij de werkelijkheid staat, komt met het verslag van een gebeurtenis dat ik eigenlijk gelezen heb als een verhaal, zoals dat ook gestaan had kunnen hebben in bijvoorbeeld De zaterdagvliegers of welke andere verhalenbundel dan ook. Leuk verteld, hoor, maar toch: een verhaal.

Optreden

Andere bijdragen heb ik veel meer gelezen als een blik in de praktijk van het optreden van een schrijver. Die van Christiaan Weijts bijvoorbeeld (over de schrijver op tv), Anneloes Timmerije (geïnterviewd worden door Ischa Meijer), Nilgun Yerli (over hoe slordig men met schrijvers kan omgaan, zelfs als er een prijs uitgereikt wordt), Jan van Mersbergen (over stotteren en een optreden dat tegenzit), Arnon Grunberg (met twee bijdragen, over optreden in het buitenland). Er zijn overigens meer voorbeelden van leuke, aardige, onderhoudende stukken.

In haar inleiding eindigt samensteller Lidewijde Paris met tips voor mensen die schrijvers ontvangen. Deze tips worden in de loop van het boek al heel wat in de wind geslagen. De schrijver die achter zijn of bureau vandaan gekomen is, dient in de watten gelegd te worden. De auteur is in een voor hem/haar onwennige omgeving en mag best wat geholpen worden. Voor de goede orde: dit bedoel ik niet ironisch.

Namen noemen

A.F.Th. van der Heijden, schrijft in 'Schwerpunkt' over de boekenbeurs. Hij schuwt het noemen van namen van collega's niet. Bijvoorbeeld:
Alleen Joost Zwagerman, enkele weken geleden nog door de cartoonist Steen in Het Parool neergezet als verbeten buschauffeur op weg naar Frankfurt, ontbreekt. Hij moet een boek afmaken en, een huis kopen, ja, dat is natuurlijk overmacht.
De wat vreemde interpunctie, heb ik overgenomen uit het boek.

De sneren zijn altijd leuk om te lezen, tenminste als je mijn slechte karakter hebt. Ik heb ook niet de indruk dat Van der Heijden zijn collega's wil afkraken, maar dat hij nu eenmaal zo over ze denkt en dat terloops vermeldt.

Ook Geerten Meijsing wil met zijn elleboog nog wel eens een collega tussen de ribben porren, met zinnen als: 'Heb ik misschien de Maximalen overgeslagen? Graag.' Of: 'Jules Deelder is van alle tijden, op het podium; daarbuiten is het niet veel.' Allemaal zeer aan mij besteed.

Niet eerder gepubliceerd?

Hoe kwam Paris eigenlijk aan deze stukken? Achter in het boek staat fier: 'Alle bijdragen in En toen viel ik van het podium zijn niet eerder gepubliceerd.' Tjonge! Maar meteen daarna: 'op de volgende bijdragen na'. En dan volgen er zeventien titels. Dat is meer dan de helft van de tweeëndertig verhalen! Maar ik snap ook wel dat 'De meeste bijdragen zou u al gelezen kunnen hebben' niet erg wervend klinkt.

De tekeningen van Stefan Verwey, altijd leuk, worden niet verantwoord. Zijn naam is alleen leesbaar op de cartoons zelf. Zijn naam had natuurlijk wel ergens genoemd moeten worden.

Zoals gezegd: niet alles in En toen viel ik van het podium is goed, maar al met al is het toch een aardig boek, waarin onderhoudende stukjes staan die je even tussendoor kunt lezen. Aardig boek.

zondag 26 augustus 2018

Goede dagen (Helga Warmels)


Een echtpaar op leeftijd, Arthur en Dieneke, gaat een weekje op vakantie in Limburg. Het is een groepsvakantie in een zorghotel. Artthur heeft al een tijdje de zorg voor de dementerende Dieneke. In het hotel zal hem veel uit handen genomen worden, zodat hij het ook even wat rustiger heeft. Vooral dochter Evelien heeft aangedrongen op de vakantie. Zij zal meerijden naar de vakantiebestemming.

De weg erheen gaat niet zonder moeilijkheden. De auto voor hen overrijdt een kat en Arthur besluit het dier uit zijn lijden te verlossen. Dat is al vlak bij het hotel. Later zal hij de kat ook nog begraven.

Dat is de situatie in de roman Goede dagen (2015) van Helga Warmels. Het boek is op een wat vreemde manier in mijn bezit gekomen. Ik wilde het christelijke actieboek van Els Florijn hebben, maar dan moest ik ook een ander boek kopen en ik kon in de christelijke boekhandel eigenlijk geen boek vinden dat ik wilde lezen. Toen praatte de boekhandelaar mij dit boek aan. Ik had nooit van de schrijfster gehoord en dit boek heeft ook nog een heel saaie voorkant. Ik heb me toch maar laten overtuigen, maar het  heeft wel een half jaar op een stapel gelegen voor ik eraan begon.

Arthur

We volgen in Goede dagen vooral Arthur, van wie we langzamerhand in de gaten krijgen dat hij ook niet helemaal helder meer is. Zo moet hij erg veel opschrijven (op zijn hand) om zijn geheugen te helpen. In de loop van de week gaat Arthur hard achteruit. Zelfs zo hard, dat het mij onwaarschijnlijk lijkt. Blijkbaar twijfelde de schrijfster er ook al aan, want op een avond laat ze Arthur flink drinken, zodat ook dat zijn vreemde gedrag nog een beetje kan verklaren.

Ik vind het jammer dat Warmels van zulk dik hout planken zaagt, waar ze eerder in het boek veel subtielere aanwijzingen geeft. Arthur is slim geworden in het vinden van verduidelijkende signalen, waardoor hij kan verhullen dat het met hem niet meer allemaal zo lekker gaat.

Op een dag gaat een groepje hotelgasten naar het zwembad. Op een gegeven moment beseft Arthur dat hij niet meer weet waar zijn kleren zijn.
Hij maakte het bandje om zijn pols los. Er stond een nummer op, dat moest het nummer van zijn kluisje zijn.
Hij kleedt zich aan en gaat op een bankje bij de kassa zitten, zich afvragend waar de rest blijft. De lezer weet dan wel dat iedereen nog lekker aan het zwemmen is en dat Arthur gewoon nog niet in de gaten heeft dat het nog niet de vertrektijd is.

Arthur leert in het hotel een vrouw kennen, Loes, die daar met haar dementerende man is. Ze vinden elkaar aardig en trekken wat samen op. Tussen de scènes in het heden door, krijgen we een blik op het verleden. De relatie tussen Dieneke en Arthur is moeizaam gestart: Dienekes vader wilde niets van de relatie weten, ze werd zwanger voordat ze getrouwd was en het te vroeg geboren kind bleek niet levensvatbaar.

Relatie

De relatie die Arthur nu met Dieneke heeft is nogal ambigu. Goede dagen opent met:
Bijna elke ochtend wanneer hij wakker werd, hoopte hij dat zijn vrouw dood naast hem lag. Het was een vreemde hoop, vermengd met een verstikkende, verlammende angst die hem belette zijn hoofd te draaien en zijn hand op haar borst te leggen om het te controleren - of ze nog warm was, of ze nog ademde.
Een sterke openingszin, die jammer genoeg een beetje onderuitgehaald wordt door de uitleg daarna. Dat is overigens iets wat Warmels vaker doet. Soms komt er een idee op in het hoofd van Arthur en dat wordt beschreven alsof Arthur het ook uitvoert. Even staat de lezer op het verkeerde been en dan schrijft Warmels: 'Hij deed niks'. Zonde. Het was sterker geweest als ze in het midden had gelaten of het de werkelijkheid in of buiten Arthurs was.

Ook bij het begin is de uitleg, zoals gezegd, niet nodig. Het huwelijk tussen Arthur en Dieneke is niet ideaal geweest, maar Arthur heeft zijn taak als echtgenoot met toewijding op zich genomen en ook nu nog verzorgt hij Dieneke zoals hij meent dat niemand anders kan. Hij had ook wel van haar af gewild, maar kan dat in haar huidige toestand niet meer maken.
Als hij Dieneke had willen verlaten, had hij het eerder moeten doen, veel eerder, toen ze zich nog zonder problemen had kunnen redden, maar die heldere gedachte was hem pas ingevallen toen het al rijkelijk te laat was. Hij haatte zichzelf omdat hij haar haatte, omdat hij zijn leven haatte, hun vervlochten levens, omdat hij zichzelf niet de liefhebbende, zorgzame echtgenoot wist zoals de buitenwereld hem zag, maar een huichelaar die zijn vrouw diep in zijn hart het liefst aan haar gruwelijke lot zou overlaten - of erger nog. 
Ook in dit citaat wordt er weer over iets verteld, in  plaats van dat de gebeurtenissen vertoond worden. Ik weet niet of dat getuigt van gebrek aan vertrouwen in de lezer of gebrek aan zelfvertrouwen van de auteur. Ze doet veel goed in dit boek en ik ben ervan overtuigd dat ze van dit gegeven met niet al te grote ingrepen een beter boek had kunnen maken.

Titel

De titel verwijst niet alleen naar de vakantie die bedoeld is als goede dagen voor Arthur of voor Arthur en Dieneke samen, maar meer nog naar de huwelijksbelofte om bij de partner te blijven, in goede en slechte dagen. Door dat plichtsbesef is Arthur nog steeds bij Dieneke.

De terugblikken naar het verleden, naar het begin van de relatie, werken goed. Dat is vooral duidelijk als Arthur de kat aan het begraven. De auteur legt hier expliciet het verband, maar ook zonder dat is wel duidelijk dat het begraven worden van het vroeggeboren kind van Arthur en Dieneke daarin resoneert. In het minder geloofwaardige deel van het boek wordt dat verband tot in het absurde doorgetrokken.

Oordeel

Van Goede dagen verwachtte ik niet zo veel. Misschien dat het alleen daardoor al meeviel. Stilistisch is de roman niet bijzonder, maar Warmels vertelt over het algemeen wel helder en het boek heeft aardig wat vaart. Voor enkele clichés had een redacteur haar moeten beschermen: 'Maar met haar flauwigheden had Dieneke ongemerkt slingers opgehangen in de dagen van hun samenzijn'.

De afwisseling tussen heden en verleden werkt goed en je leeft gemakkelijk mee met Arthur. Jammer van de groteske passage (waarover ik vanwege de plot verder niet uitweid) en van het net te veel expliciet maken van wat impliciet had kunnen blijven.

Dat alles maakt Goede dagen hooguit een aardig boek, dat lekker wegleest. Ik ben ervan overtuigd dat Warmels beter kan.


woensdag 22 augustus 2018

Podcast: Onder Mediadoctoren



Op Bunt Blogt gaat het veel over boeken. Maar aangezien ik zo'n zestig podcasts volg of heb gevolgd heb ik soms de aandrang om een lichtje te laten schijnen op zo'n podcast. Deze keer is dat Onder Mediadoctoren, van Vincent Crone en Linda Duits, die vaak niet alleen zelf praten over een onderwerp, maar ook een deskundige te gast. Bijna altijd is dat een persoon die goed weet te verwoorden, zodat je gemakkelijk naar haar/hem luistert.

Deze podcast heb ik niet helemaal vanaf het begin gevolgd. Ik vermoed dat ik de laatste vijfentwintig afleveringen beluisterd heb, misschien iets meer. Intussen zijn er 75 afleveringen geweest. Een greep uit de onderwerpen: Disco, Het einde van de televisie, Verantwoord eten, Filterbubbels, Schoonheidsidealen, Collectieve rouw, Klasse en consumptie, Rechtse media, Datecultuur, Walging.

Sinds ik de podcast ben gaan volgen, ben ik een redelijk enthousiast luisteraar en ik geloof dat ik alle afleveringen waaraan ik begonnen ben tot het eind toe beluisterd heb. De onderwerpen die gekozen worden, worden aardig uitgespit. Degelijke inhoud op een luchtige toon: dat is een mooie combinatie.

Taalgebruik

Ik raak overigens altijd een beetje in de war van Linda Duits. Wat ze te zeggen heeft, is meestal interessant, maar tegelijkertijd is het voor een taalliefhebber lastig om te luisteren naar haar poldernederlandse tongval (waarbij de 'eu' nogal eens neigt naar de 'ui'), haar raspende 'g', haar Gooise 'r' ('pleziej'), haar uitglijders op het taalpad.

Ze kan beweren dat men zich met 'man en kracht' ergens tegen verzet heeft en als iemand even zoekt naar het woord 'opdoffer' of 'optater', roept ze: 'Opkaleflater! Kaleflater!' Nu is 'opkalefateren' wel zo ongeveer het tegenovergestelde van iemand een optater verkopen. Dat de woorden tot de flaters behoren, is duidelijk. Ook kan ze onbekommerd een woord als 'grager' gebruiken.

Nauwkeurig formuleren is niet zo heel erg aan Duits besteed. Ze zegt bijvoorbeeld niet of iets een probleem, een dilemma, een tegenvaller of een detail is, maar: 'Dat is nog wel een dingetje'. Ze zegt niet van een man dat hij weinig empathisch, lui, dominant, eigenwijs of drankzuchtig is. Dat wordt: 'Haar man is gewoon heel erg kut.' In dat soort passe-partouts grossiert ze. Al let ze blijkbaar wel op de formulering want ik heb haar ooit 'nog kutter geformuleerd' horen zeggen.

Ik heb dus zo mijn ergernisjes, wat betreft uitspraak en taalgebruik, als ik naar Linda Duits luister, maar het gekke is, dat ik toch met sympathie blijf luisteren, naar beide presentatoren.

Duo

Vincent Crone is een mooie tegenhanger voor Linda Duits: meer rust, nauwkeuriger formulerend, met gevoel voor humor. Maar het succes van de podcast is waarschijnlijk toe te schrijven aan de combinatie van de twee presentatoren. Ze zijn beiden deskundig en verstaan de kunst hun kennis over te dragen en ze voelen zich duidelijk bij elkaar op hun gemak. Ze spelen gemakkelijk op elkaar in, kunnen zowel kritisch tegenover elkaar zijn en elkaar op de hak nemen, als elkaar aanvullen. Je merkt dat ze alles tegen elkaar kunnen zeggen en tegelijkertijd elkaar veel gunnen.

Bovendien draait het niet om hun ego (al kan ook dat ter sprake komen), maar om het onderwerp. Dat lijkt me een voorwaarde voor een goede podcast: de presentatoren hebben ons iets te vertellen. Ze hebben zich, gedreven door hun nieuwsgierigheid in een onderwerp verdiept en willen ons deelgenoot maken van hun bevindingen. Beiden zijn goed thuis op hun vakgebied en verwijzen, als dat zo te pas komt, naar onderzoeken.

Inhoudelijk interessant

Het ene onderwerp zegt me meer dan het andere, maar altijd luister ik geboeid. Je kunt van de meeste afleveringen wel wat opsteken en de gesprekken zijn onderhoudend. Na afloop denk ik nog wel eens na over wat er verteld is. Bijvoorbeeld over de reden waarom mensen bij Marqt kopen.

We weten intussen wel dat het label 'biologisch' niet betekent dat iets gezonder is of lekkerder of beter voor de natuur. Het is een kwestie van je identificeren met een bepaalde groep, het heeft te maken met klasse. Linda Duits: 'Mij zie je echt niet bij de Dirk!' Als je erop gewezen bent, zie je het overal om je heen: bij kleding, voedselkeuze, Netflixseries, belangstelling voor bepaalde sporten.

Website

Op hun website, die ik overigens voor ik dit stukje ging schrijven nooit eerder bezocht, zijn alle uitzendingen terug te horen/zien. Bij elke aflevering is bovendien vermeld welke boeken/studies gebruikt zijn, zodat de leergierige luisteraar ook zelf op onderzoek kan gaan.

Ik vermoed overigens dat ik daar verder geen gebruik van zal maken. Een podcast beluisteren doe ik tussendoor: in de trein, onder het boodschappen doen, onder het fietsen, onder huishoudelijke klussen. En dan gaan er al heel wat uren per week in zitten.

Aan ballen en sterren doe ik niet, maar Onder mediadoctoren is zonder meer een interessante podcast. Zoals gezegd: zowel informatief als onderhoudend. Interessante onderwerpen, aangenaam presentatieduo.

De podcast is genomineerd voor de podcast award van BNR (niet te verwarren met de podcastprijs van de NTR) in de categorie 'Journalistiek en media'. In totaal zijn er meer dan veertig podcasts genomineerd, dus misschien is het niet zo heel moeilijk om de lijst opgenomen te worden. In ieder geval heb ik vol overtuiging mijn stem uitgebracht op Onder Mediadoctoren.

Linda Duits en Vincent Crone
(foto gepikt van de site van de mediadoctoren en de gast eraf geknipt)

vrijdag 17 augustus 2018

Malpertuis (I.R. Ineke)


Ibrahim Ineke maakt duistere boeken. Dat duistere heeft zowel met de toegankelijkheid als met de thematiek te maken. Veel van zijn boeken geven zich tijdens het lezen niet gemakkelijk prijs en vergen herlezing, voordat ze zich voor je openen. Voor zijn thema's zoekt Ineke het vaak in verhalen waarin een tweede werkelijkheid meespeelt, die doordringt in de eerste. Er zijn machten die hun invloed doen gelden op de loop van de gebeurtenissen.

Dat is ook het geval bij Malpertuis, dat eigenlijk Jean Ray's Malpertuis heet. Jean Ray is het pseudoniem van Raymond de Kremer (1887 - 1964), die ook wel onder de naam John Flanders schreef. In 1955 publiceerde hij de magisch-realistische roman Malpertuis. Dat is het boek dat tot uitgangspunt heeft gediend bij de nieuwe graphic novel van Ibrahim Ineke.

Een jongeman komt, door een soort dwaallicht geleid, in een oud, mysterieus huis. Door de scherfachtige vormen op de bladzijden, wijst Ineke al op de niet coherente werkelijkheid, waarin dingen zomaar uit elkaar kunnen vallen. Dat komen we ook later in het boek tegen.

Op een gegeven moment loopt de dreiging zo hoog op dat de jongeman uit het raam springt en het huis probeert te ontvluchten. Bij het oversteken van een bevroren vijver zakt hij door het ijs, maar wordt gered.

De ruit, het ijs - het sluit allemaal aan bij de scherven die in het hele boek opduiken.

Het duurt een tijdje voordat we een schets van de situatie krijgen. De ik-figuur (de jongeman) en zijn zus Nancy hebben bericht gekregen dat ze voortaan in het huis Malpertuis mogen wonen, het huis van hun overleden oom Cassavius. Ze zullen het huis delen met andere familieleden.

Cassavius was beeldend kunstenaar. De hoofdpersoon krijgt de aanwijzing dat hij niet de schilderijen moet bekijken maar erdoor moet kijken. Er is namelijk een tweede werkelijkheid. Op zolder vindt hij nog een schetsboekje van zijn oom.

In huis blijkt het te spoken. Nancy verlaat de woning en de ik-figuur raakt in de ban van een Medusa-achtige vrouwelijke bewoner van het huis. Uiteindelijk blijkt wat de bedoeling is van zijn aanwezigheid in huis.

Net als de vorige boeken van Ineke is Malpertuis een indringend verhaal. Het gevoel dat er allerlei dingen niet-pluis zijn, weet Ineke altijd goed over te brengen. Wel zouden zijn boeken toegankelijker zijn als hij zich meer bekommerde om de helderheid van het verhaal. Natuurlijk beïnvloedt de thematiek de manier van vertellen, maar ik kan mij goed voorstellen dat lezers afhaken, omdat Ineke ze wel erg weinig aanknopingspunten geeft om het verhaal te (re)construeren.

Zo wordt er enkele gesproken over de dood van Matthias, maar mij is het niet duidelijk wie die Matthias is.

Maar wie niet terugschrikt voor wat graafwerk en zich wil onderdompelen, is Malpertuis zeker geschikt.

Titel: Jean Ray's Malpertuis
Auteur: I.R. Ineke
Uitgeverij: Sherpa
Haarlem, 2018; 112 blz. harccover, € 24,95


Eerdere boeken van Ibrahim Ineke op Bunt Blogt:
Eloise
Half blood
The White People