Sommige klassiekers heb ik nooit gelezen, al weet ik vaak wel waarover ze gaan. Sterker nog: ik heb er onbekommerd naar gevraagd bij het afnemen van mondelinge examens. Met enkele geestgenoten speelde ik vroeger wel eens het spelletje 'Bescheidenheid'. In een groep van vier bijvoorbeeld, noem je een titel van een boek dat je niet gelezen hebt, maar waarvan je vermoedt dat de anderen het wel gelezen hebben. Voor elke groepsgenoot die het betreffende boek wel gelezen heeft, krijg je een punt. Heeft iedereen het gelezen: dubbele punten.
Bij dat spel kon ik scoren met De kleine Johannes, De berg van licht en ook met Onder professoren. Maar dat laatste boek heb ik intussen gelezen. Toen ik eraan begon, wist ik alleen dat het een afrekening was met de Universiteit van Groningen en de mensen die daar indertijd werkten. En Uit talloos veel miljoenen (1981) zou een soort vervolg zijn. Dat boek heb ik overigens wel gelezen.
Nobelprijs
Onder professoren opent met het bezorgen van een telegram bij een boerderijtje (eigenlijk een arbeiderswoning) op het platteland in het noorden van het land. Het is het tweede huisje van de hoogleraar Rufus (Roef) Dingelam en zijn vrouw Gré. In het telegram wordt verteld dat Dingelam de Nobelprijs voor scheikunde is toegekend voor zijn ontdekking, twintig jaar geleden, van een stof die wel de derde witmaker werd genoemd, maar die ook als potentieverhogend middel gebruikt zou kunnen worden.
Dingelam staat bekend als iemand die nooit lacht en dat doet hij bij het ontvangen van dit bericht dus ook niet. Zijn vrouw Gré houdt hem bovendien met de voeten op de grond: 'Maar man! Tweehonderdtachtduizend gulden, dat is nog geen vier keer je jaarsalaris. Daar ben je zo doorheen!'
![]() |
| Het vrije volk, 23 mei 1975 |
Gré heeft iets aandoenlijks: ze beseft nauwelijks wat de Nobelprijs inhoudt, kan eigenlijk niet koken en past ook niet helemaal in het milieu waartoe ze veroordeeld is. Maar ze is ook grootmoedig, wil geen kwaad van haar man denken en neemt het allemaal voor hem op. Zonder meer een interessant personage.
Graantje meepikken
De omgeving van Dingelam is weliswaar blij voor hem, maar probeert ook een graantje mee te pikken. Men hoopt dat het aanzien van de prijswinnaar afstraalt op de universiteit waar Dingelam werkzaam is. Iedere lezer heeft daarbij de universiteit van Groningen in gedachten, waar Hermans lector is geweest. In het nawoord bij de roman, door dr. B.J.O. Zomerplaag (Hermans zelf) wordt nadrukkelijk gesteld dat het gaat om 'denkbeeldige professoren aan een denkbeeldige universiteit'. De roman is, volgens Zomerplaag, geen sleutelroman.
De universiteit lijkt met een soort minderwaardigheidscomplex te kampen en kan misschien bij haar strijd om gelijkheid de Nobelprijs inzetten:
Wij moeten onze Nobelprijs op tafel leggen en zeggen: Binnen een maand twintig fotokopieermachines en anders hoeft er niet meer op te worden gerekend dat er nog een enkele wetenschappelijke publikatie uit onze universiteit te voorschijn zal komen.
Sleutelroman
Dat Onder professoren behoorlijk wat trekken van een sleutelroman heeft, is intussen wel bekend. Sommige mensen (Lou de Jong, Jan Pen, Andreas Burnier, J.B. Charles) zijn herkenbaar geportretteerd of ze zijn zo vaak benoemd in relatie tot dit boek dat je ze daardoor tijdens het lezen door de personages heen ziet. Bij prof. dr. R. Tamsma, met wie Hermans in zijn Groningentijd een conflict had, heeft hij de naam nauwelijks veranderd (Prof. drs. K. Talsma), maar hij degradeerde hem wel van dr. tot drs. Het is een personage dat er bijzonder slecht afkomt.
In het Nieuwsblad van het noorden staat bij een bericht over de Nobelprijs bij vergissing het portret van Talsma afgedrukt in plaats van dat van Dingelam.
Dat snuit van Tamstra in de krant. En als die man nu nog een enigszins fatsoenlijk gezicht had! Maar het is precies de tronie van een spoorloos verdwenen Duitse oorlogsmisdadiger. Moet je dat mondje zien! En die enge oogjes! De overal vruchteloos gezochte voormalige commandant van het Duitse vernietigingskamp.
Van die vergissing zal Talsma nog misbruik maken.
Studenten hebben besloten een deel van de universiteit te bezetten, waardoor Dingelam niet meer bij zijn laboratorium kan. Later zal zijn huldiging verhinderd worden door een rookbom. Talsma verklaart zich solidair met de bezetters, maar waarschuwt wel de politie, waarbij hij zich uitgeeft voor Dingelam.
Dingelam leeft voor zijn vak en hij beseft nauwelijks waarmee de bezetters bezig zijn. 'Baas in eigen reageerbuis' is hun leus. Al op de eerste bladzijde laat de verteller weten dat Dingelam niet veel op heeft met de inspraak die er tegenwoordig geëist wordt op universiteiten.
Sinds de universiteiten waren gedemocratiseerd, wat inhield dat hij bijna elke week vele uren moest vergaderen om mensen die niets afwisten van de zaken waar ze over praatten, de gelegenheid te geven van hun democratische recht gebruik te maken er toch het hoogste woord over te voeren, ergerde hij zich.
Aksie!
De modieusheid van het actievoeren blijkt ook uit de spelling die Hermans hanteert als het over de bezetters gaat: aksie, aitems, konkrete situaatsie, prosent, systematiese, tejorie, ekonomiese emansipaatsie, implikaatsies, konsepten, demokraatsie, sosiale en ekonomiese revolutie, repressieve toleransie, hoostesses, sjoow.
Misschien legt hij een verband met het televisiekijken en typeert hij de studentengeneratie als jongeren die veel tv hebben gekeken.
Bij het woord 'aitempie' geeft hij een voetnoot: 'telefiesisch voor: onderwerp'. Ook het taalgebruik in de tv-reclame wordt belachelijk gemaakt: heel vaak 'dus'.
Daar kwam die mevrouw die nooit meer kloven in haar vingers had sinds ze het afwasmiddel Lux gebruikte dus. Het water blijft ook langer schuimen dus en het laat geen vette kringen achter in de afwasbak dus en mijn handen blijven gaaf en glad dus. Lux voor de vuile vaat. Met de derde witmaker.
En daar was die andere mevrouw weer, die haar vlees braadde in Diamantvet dus, omdat het dan veel mooier bruin werd dus en dat alles zonder spatten dus.
En dat het lijkt of de hele aksie speciaal tegen professor Dingelam was gericht, maar dat is absoluut niet waar, dus. Het gaat om de strukturen van de maatschappij, weet u wel?
Toeval
De nutteloze conversatie met dokter Barend kwam in zijn herinnering terug en bevestigde zijn vermoeden dat de hem toegekende unieke onderscheiding hem tot een van de eenzaamste mensen ter wereld maakte. Alsof hij eigenlijk niet altijd eenzaam was geweest. Maar hij had het tot dusverre tamelijk wel geheim kunnen houden.
Venijn
Pierre Dubois over W.F. Hermans in 1958
Ruisend gruis
Een heilige van de horlogerie
P.C. Hooftprijs 1959
![]() |
| de Telegraaf 12 september 1975 |



Geen opmerkingen:
Een reactie posten