zaterdag 25 juli 2015

Het paradijs verloren (Pablo Auladell)



Tussen 1658 en 1663 schreef John Milton (1608 - 1674) Paradise lost, een gedicht dat in 1667 gepubliceerd werd in maar liefst tien boeken. Het is de bijbelse geschiedenis van de engelen die in opstand komen tegen God en van de mens die uit het paradijs verdreven wordt nadat hij gegeten heeft van de verboden vrucht. In Nederland had Joost van den Vondel dezelfde stof al gebruikt voor een van zijn beste toneelstukken, Lucifer (1654). In 1664 schreef Vondel Adam in ballingschap.


Een vroege Nederlandse vertaling van Milton trof ik hier aan, van de hand van J. van Zanten, 1728.
In 1875 bracht de bekende dichter J.J.L. ten Kate Miltons werk in het Nederlands uit. Het is hier te downloaden.

Voor wie zich niet door duizenden regels in ouder Nederlands heen wil worstelen, is er nu een alternatief: de beeldroman die de Spaanse tekenaar Pablo Auladell maakte naar aanleiding van Paradise lost.

In 2010 begon hij ermee. Hij voltooide Satan, dat nu als eerste hoofdstuk (de eerste zang) te vinden is in Het paradijs verloren. Daarna lag het werk twee jaar stil. Toen pakte Auladell het weer op en tekende in drie jaar tijd de laatste drie hoofdstukken.

Het verhaal begint klassiek: met het aanroepen van de muze. We hebben dan al enkele bladzijden met afbeeldingen achter de rug: een engel, van wie we later te weten komen dat het Satan is, maakt zich los uit de omhelzing van een vrouw. Snel daarna tuimelt hij de onderwereld in en terwijl we luisteren naar hoe de dichter zijn muze aanroept, kijken we naar de mistroostige afbeeldingen van de hel: het is er kaal en donker.

De verteller is een mens die zich afvraagt: 'Waarom hebben onze voorouders zich van hun schepper afgewend? Wie heeft ze verleid tot die schandelijke ongehoorzaamheid tot het overtreden van zijn enige verbod?' Het antwoord is natuurlijk: Satan.

Auladell moet natuurlijk sober zijn met tekst. Hij heeft daarom veel over moeten slaan. Milton legde in het eerste boek ook nog uit wat zijn doel was: dat 'des Allerhoogsten weg, / Gehouden met den mens, gebillykt word.' (Vertaling Van Zanten). Dat God de mens uit het paradijs verdreven heeft (want daar loopt het natuurlijk op uit), is volgens Milton dus niet onrechtvaardig of onredelijk.


Bij Auladell wordt Satan wel de duivelse slang genoemd, maar als lezer (kijker) leef ik wel met hem mee. Hij mobiliseert de andere gevallen engelen en gaat zelf op pad om wraak te nemen: hij zal de mens ten val brengen. Misschien dat die sympathie gemakkelijk opgeroepen wordt doordat je meeleeft met iemand die naar iets hogers streeft.

Bij Vondel is de mens de aanleiding tot de val: die wekt de jaloezie van sommige engelen op. De mens is in een prachtig paradijs geplaatst en bovenal: de mens is met zijn tweeën en kan zich dus voortplanten. Milton plaatst de val van de engelen voor de schepping van de aarde. De verleiding van de mens moet God treffen. Dat houdt Beëlzebub de andere gevallen engelen voor.
We zullen genieten van zijn ontzetting wanneer hij ziet dat zijn geliefde kinderen zich in de hel storten om samen met ons te lijden.
Satan zal zelf de taak op zich nemen de mensen over te halen. Hij zoekt de poorten van de hel op, om bij de aarde te komen. Daar ontmoet hij de dood, die hij zelf verwekt blijkt te hebben.

Ondertussen heeft men er in de hemel lucht van gekregen dat er wat broeit in de onderwereld. Satan heeft Eva al een keer gestoord in haar slaap, wat haar onrustig heeft gemaakt. God stuurt Rafaël naar de mensen om hen te waarschuwen. Uitgebreid vertelt die aan de mensen wat er gebeurd is met de engelen die ongehoorzaam waren en hoe de strijd van de hemelse legers verliep. Ook hierin verschilt Milton van Vondel. Bij Vondel spelen de mensen op de achtergrond mee, maar ze worden geen personages. Pas in Adam in ballingschap bekijken we ze van dichterbij. Bij Milton leven we met de mensen mee. Dan kantelt ook onze sympathie.

In het begin  van het boek leven we mee met Satan, de verworpene die een hoge gooi gaat doen. Maar zo gauw we als lezer meekijken in het paradijs, hopen we toch dat Eva bestand zal zijn tegen de verleidingen van Satan. Of ligt dat niet aan het verhaal van Milton, maar aan mijn opvoeding met de (kinder)bijbel? Ik wil het niet uitsluiten. Ook met Adam kunnen we ons gemakkelijk vereenzelvigen: hij eet, omdat hij bij Eva wil blijven.

Mineke Schipper schreef boeken over de schepping van de mens en over Adam en Eva.  Ze vergelijkt de verschillende paradijsverhalen van het jodendom, het christendom en de islam. In de Bijbel lezen we dat Eva van de verboden vrucht at en daarna haar man ervan te eten gaf, waarmee ze hun ondergang bewerkstelligde. Maar wat voor vrucht was dat?

Auladell laat Eva een appel eten, waarmee hij aansluit bij een traditie. In de Bijbel is niets te lezen over de aard van de vrucht. Buiten de Bijbel zijn er verhalen waarin de boom een vijg is. Als Adam en Eva gezondigd hebben, merken ze dat ze naakt zijn en willen ze zich bedekken. Er is een verhaal waarin de bomen weigeren hun bladeren daartoe af te staan. Alleen de vijg, waarvan de mensen gegeten hebben, stelt zijn blad ter beschikking.

Mogelijk heeft het vijgenblad niet te maken met de boom der kennis, maar is het het blad dat 'de vijg' moet bedekken. In het Italiaans is 'figa' nog steeds een vulgaire benaming voor het vrouwelijk geslachtsdeel (en daarmee soms voor de vrouw).

Als de mens ongehoorzaam is geworden aan God, gaat het snel: Satan verandert in een duivel en de mens moet het paradijs uit. Wel is er nog de belofte van een hernieuwd verbond met God.

Het verhaal van de zondeval blijft intrigerend, in welke variant je het ook leest en Auladell heeft er prachtige tekeningen bij gemaakt. De gevallen engelen zijn sober getekend. Zo hebben ze bijvoorbeeld geen haar. Ze zijn herkenbaar aan hun attributen: Satan heeft een hoed met een bloemenkrans op en Beëlzebub draagt een stierenkop.

Ook het kleurgebruik is zeer ingehouden. Zwartwit is de basis en daarbij wordt een steunkleur gebruikt. Soms is die zacht sepia, soms kopergroen, bij de scènes die verwijzen naar de hemel is er een kleur die neigt naar turquoise. Als God spreekt, hebben ook de tekstballonnen  de 'hemelkleur'. In sommige scènes worden twee steunkleuren gebruikt.

Auladell schrijft dat hij zich in de loop der jaren als tekenaar heeft ontwikkeld, maar dat hij toch het vroege deel van het boek heeft gehandhaafd:
Ik dacht dat het misschien wel mooi was om mijn ontwikkeling en alle littekens onopgesmukt te laten zien: het aarzelende begin, de beste pagina's, de pentimenti en de missers.Een boek als getuigenis van de vooruitgang en de mislukkingen van de afgelopen jaren.
Met die missers valt het wel mee, lijkt me. Wel zie je dat Auladell het voor elkaar krijgt om in de loop van het boek meer expressie mee te geven met de gezichten, terwijl ze toch ingetogen blijven. In de vormgeving van de mensfiguren (hun houdingen, de stand van het hoofd) sluit hij aan bij schilderijen uit de late Middeleeuwen en tegelijkertijd is zij vintage Auladell.



De sobere tekeningen ondersteunen het krachtige verhaal en staan het zeker niet in de weg. Toch is het niet alleen het verhaal dat ons bijblijft. Nooit meer zullen we het paradijsverhaal kunnen lezen zonder daarbij voor onze ogen de tekeningen van Auladell te zien.

Auteur: Pablo Auladell
Titel: Het paradijs verloren van John Milton
Uitgeverij: Sherpa
Vertaling: Hendrik Hutter
Lettering: Peter Kuipers
Redactie: Mat Schifferstein
gebonden, leeslint, 316 blz. € 39,95

vrijdag 17 juli 2015

Rogi Wieg (1962 - 2015) overleden


Als er een schrijver overlijdt, gaan mijn gedachten razendsnel de boeken langs die ik van hem gelezen heb. Daarna ga ik naar mijn boekenkast en vaak kom ik er dan achter dat mijn geheugen alweer een loopje met mij genomen heeft.

Afgelopen week overleed Rogi Wieg, door euthanasie. Vorig jaar won hij een proces waarin bepaald werd dat hij inderdaad psychisch ondraaglijk leed. Het was mij ontgaan, maar ik lees het in de berichten omtrent zijn verscheiden.

Dat het niet goed ging met Wieg, had ik al eerder gehoord of gelezen. Hij schreef onder meer de roman Kameraad scheermes (2003). Ik heb die niet gelezen. Indertijd heb ik ook geen interviews gelezen of gezien. Ongetwijfeld heeft hij verteld hoe autobiografisch het boek was, hoe hij leed aan depressies en hoe zwaar het leven was.

Dat ik het boek niet gelezen heb, heeft misschien te maken met de vrees dat zo'n autobiografisch boek alleen interessant is als je wat van de auteur weet. Of als het gewoon erg goed geschreven is. Blijkbaar had ik indertijd niet de indruk, of misschien wel niet het geld, of sowieso niet de interesse. In ieder geval ben ik niet naar de boekhandel gefietst om het boek te halen. Maar ik wist dat het er was en ik wist waarover het ging.

Mijn geheugen vertelde me dat ik  de bundels Toverdraad van dagverdrijf (1986) en De zee heeft geen manieren (1987) gelezen had. En de bloemlezing Ieder hangt aan zijn gevallen toren (1988). Verder niets, al heeft Wieg daarna nog veel gepubliceerd.

Mijn boekenkast leert met dat ik Toverdraad van dagverdrijf niet bezit. Ik zal het boekje ook niet bij de bibliotheek geleend hebben, vermoed ik. Ik ken de titel. Ik ken de titel zo goed, dat ik meende de dichtbundel te kennen. Dat klopt niet, vrees ik.

De bloemlezing heb ik wel, maar die ligt op mijn leskamer, op school. Het enige boekje dat mijn boekenkast levert is De zee heeft geen manieren. Ik blader er wat doorheen, lees hier en daar wat en dat valt me niet zo mee:
Zeg maar gerust de je terugkomt
uit de dood, primitiever en zelfs
niet goedgemanierd, maar je zult zijn
als mooie poëzie.
Het is het begin van 'Zeg maar gerust' en het leek me wel iets voor een in memoriam. Maar dat 'mooie' in 'mooie poëzie' is me te gortig. Er zijn meer gedichten waarin dat expliciete 'mooie' voorkomt. Ze worden er niet beter door.

Hier en daar lees ik een gedicht dat nog meekan:
Onvoorstelbaar
Ik droom nog wel eens dat
ik schrijf over mijn vader
die blootshoofds in een uitgebrand
maisveld staat. Zijn hoed heeft hij
vergeten bij kennissen, hij is oud en grijs
en heft zijn vuist op naar God.
Wie verder komt in de poëzie
schrijft niet meer over zijn vader.
Zijn hoofd wordt verruild voor de vrucht,
zijn hoed voor de tijd, zijn vuist voor een graftombe.
Alleen God is er nog, vluchtig en even onvoorstelbaar
symbolisch als altijd.
En deze. Toen ik het gedicht herlas, herinnerde ik me de sigarenrook. Vond ik ik indertijd het gedicht goed? Aan de bundel kan ik zien dat hij gelezen is, maar er staan geen potloodstreepes, plusjes, mwahs of andere aantekeningen in die mijn herinnering ondersteunen.
Verlaat mij niet
Verlaat mij niet. Ik ben niet veel
meer dan sigarenrook, zwierig
rondom een mensenhoofd vluchtend,
ik ben haast geen symbool meer,
geen trillende hamerslag op de muren
van ons huis. Wees opgewonden en draaiend
in die jurk, met in je handen twee handgeschilderde
kopjes koffie.
Verlaat mij niet, als ik slaap,
als ik mij van je afkeer om een taxi
te betalen. De wereld heeft nog altijd
mogelijkheden.
Waar zou je naartoe moeten nadat je de boulevards
hebt afgelopen.
Hee: 'symbool'. In het vorige gedicht stond ook al 'symbolisch'.  En in een ander gedicht lees ik 'Maar als ik slaap, laat het licht / mij de symbolen zien'.

Hoe ik ook blader, ik vind maar geen gedicht dat me omverblaast. Zo'n dichter was Wieg blijkbaar niet. Voor mij, althans. Maar het meeste van zijn oeuvre heb ik niet gelezen. Wie weet hoeveel moois daar nog in staat. Die mogelijkheid wil ik wel openhouden; ik wil graag positief zijn over iemand die net overleden is.

Van lezen van al die boeken en bundels zal wel niet meer komen. Misschien dat ik ooit in een boekhandel Beminde onrust (1990) tegenkom of Liefde is een zwaar beroep (1998) of Afgekapt dichtwerk (2014) en misschien is het dan wel zo goedkoop, dat ik het toch koop en als het eenmaal op de stapel ligt, zou ik het ook nog kunnen gaan lezen. Ik reken er niet op.


Misschien heb je belangstelling voor:
Ad den Besten overleden
H.H. ter Balkt overleden
Ward Ruyslinck overleden
Gerrit Kouwenaar overleden

dinsdag 14 juli 2015

Mene Tekel (Nescio/Joost Swarte)


In 1977 kwam ik na de zomervakantie terug in het internaat waar ik al twee jaar tijdens de schoolweken woonde. In de liftkamer zat een nieuwe jongen, Mijndert, samen met Adrie, die twee jaar lang met mij een kamer gedeeld had. Ze kwamen van hetzelfde 'eiland'. Mijndert pakte zijn boeken uit en ik keek wat ik daarvan nog niet gelezen had.

De donkere kamer van Damokles, Ga jij de klas maar uit! en boeken van een schrijver wiens naam zelfs nooit gevallen was tijdens de literatuurlessen: Nescio. Mijndert had twee boeken van hem en ik heb ze allebei geleend. Mooi, vond ik. Helder, eenvoudig. Niet dat ik er ondersteboven van was, zoals bijvoorbeeld van Iskander van Couperus, waarvoor ik een nacht opgebleven was om het uit te lezen, maar het trok me toch aan, zoals het werk van Elsschot.

Jaren later heb ik Titaantjes en De uitvreter herlezen. Ze konden nog best mee. Ik vermoed dat ik ook Dichtertje opnieuw heb gelezen, al weet ik niet meer wanneer en waar ik toen was. Mene Tekel heb ik nooit meer ingekeken. Een serie korte verhalen, herinnerde ik me. Ik had er verder geen herinnering meer aan.

Joost Swarte heeft intussen de drie bekendste verhalen van Nescio opnieuw vormgegeven en geïllustreerd. Ze zijn in de afgelopen jaren uitgekomen en het is me geheel ontgaan. Ik heb ze niet in de boekhandel gezien, ik heb geen recensies gelezen, ik heb niemand gesproken die ze gelezen had. Dat is jammer, bedenk ik nu, nu ik Mene Tekel heb gelezen.

De verhalen in Mene Tekel zijn niet allemaal even sterk en sommige zijn misschien niet eens verhalen. Het zouden aanzetten kunnen zijn, of fragmenten. Maar andere zijn het lezen nog steeds waard.  Bijvoorbeeld 'Boven-IJ' en 'Een lange dag', dat eveneens een tweeluik is.

In verschillende verhalen overheerst het titaantjesgevoel: de wil om de hemel te bestormen, zonder daartoe actie te ondernemen. Eerder wordt er afgewacht tot het wonder zich vanzelf zal voltrekken.
En we werden geheel verteederd, de wereld zouden we later wel veroveren, nu dachten wij meer aan wat eten en drinken, brood met koffie, want 't werd koud, en aan den vloer met wit zand en de kachel van 't cafétje in Schellingwou. 
De nuchtere toon, het relativerende, staat mij ook bij herlezing zeer aan. Ik herinner me uit Titaantjes een passages waarop iemand zei dat je eigenlijk altijd wakker zou moeten kunnen blijven en waarom, met meteen daarachter het zinnetje 'Kees sliep'.

Daar moest ik aan denken bij de volgende passage:
'Weet je wat ik dacht vanavond daar bij die kanstanjeboomen?' Ik zweeg en wachtte. 'Ik wou dat ik alles was.' 'Alles?' 'Ja, letterlijk alles, de kastanjeboomen, de lantaarns, de lantaarnopsteker, al die meiden, die jongens, de lucht en 't schemerlicht, alles wilde ik wezen.' 'Dat is veel,'zei ik, 'ik denk dat 't van die meiden kwam. Je sigaar is uit.'
 Alleen zo'n passage rechtvaardigt herlezing al. Maar er zijn meer juweeltjes te vinden. Vooruit, nog eentje:
Op den dijk naar Schellingwou kwam ons een christelijk-historisch uitziend heer tegen; zijn witte gezicht was gladgeschoren, hij had een zwarte pandjesjas aan, maar z'n hoed hatti in z'n hand en z'n overjas over z'n arm en hij floot. Het was 22 November. Dat vonden wij aardig, wij hadden de neiging den man de hand te drukken, maar waren bang, dat hij ons niet begrijpen zou en z'n gezicht was zoo erg wit. 
Het is natuurlijk mooi dat er een nieuwe uitgave van Mene Tekel is, maar vooral dat het deze uitgave is. Joost Swarte koos een lettertype dat me terugvoert naar de romans uit mijn jeugd. Een letter die fors aandoet, omdat hij vet is. En door het hele boek heen zijn er tekeningen van Swarte. Soms roepen ze vooral de sfeer uit verhalen op, soms lijken ze meer een knipoog en in alle gevallen zijn ze fraai.

Over Swarte schreef ik eerder, bijvoorbeeld hier (Kop en staart), hier (Niet zo, maar zo!), hier (Swarte comics) en hier (Bijna compleet). In de eredivisie van onze tekenaars speelt hij altijd bovenin mee. Bladeren, lezen, kijken, genieten!

Nescio, Mene Tekel. Met tekeningen van Joost Swarte.
Uitg. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2015. 56 blz. €18,99

dinsdag 7 juli 2015

Lot (Chrétien Breukers)


Over het lezen van Lot, de roman van Chrétien Breukers, heb ik vrij lang gedaan. Dat ligt niet aan het boek, dat leest vlot en prettig genoeg, maar aan de omstandigheden; de examendrukte bijvoorbeeld. Het is altijd lastig om in te schatten in hoeverre dat je beeld van een boek beïnvloedt. Na een paar dagen niet lezen, pakte ik de draad wel gemakkelijk weer op.

De hoofdpersoon in het boek van Breukers is de schrijver Chrétien Breukers, die in één klap uitzonderlijk rijk wordt. Op het lot dat hij gekocht heeft valt een prijs van 26,6 miljoen. Hij besluit het geld te incasseren, maar zich er daarna van te ontdoen. Weggeven, aan bijvoorbeeld een goed doel, mag niet. Waarom CB (zo noem ik het personage maar even, om het van de schrijver te kunnen onderscheiden) zo streng is voor zichzelf is niet helemaal duidelijk, maar dat geeft niet. Je gaat als lezer wel mee met zijn gedachten.

CB gaat in een hotel wonen en spendeert af en toe geld aan vrouwen. Uiteindelijk koopt hij een huis in Lochem en start een correspondentie met de vrouw uit de plaatselijke boekhandel. Hij ontmoet haar ook, als ze de door hem bestelde Russische bibliotheek komt bezorgen. Verder komt zijn vriend van tijd tot tijd langs.

Wat moet je met je leven als het bepaald lijkt te worden door stom toeval? CB moet er een weg in zien te vinden. Daarnaast zit hij met zijn verleden. Zijn lief werd ziek en overleed en hij torst ook nog een dominante moeder mee op zijn rug.

Lot is niet een gladjes verteld verhaal. Dat geeft CB al aan als hij het over zijn eigen werk heeft:
Ik schrijf boeken die er als een lappendeken uitzien. Verhalen die over elkaar heen buitelen en elkaar tegenspreken. De gemiddelde lezer wordt er een beetje zenuwachtig van, vrees ik. Ik ook. 
Zenuwachtig ben ik er niet van geworden, maar die lappendeken herken ik wel en de ene lap is veel groter dan de andere. Zo vertelt CB soms over wat hij leest, bijvoorbeeld Een vinger op de lippen van Pierre H. Dubois. Het wordt genoemd omdat dat handig is in verband met de thematiek van het boek. Maar wat CB verder leest, vernemen we weer niet, terwijl we er toch van mogen uitgaan dat CB veel leest. Hij zal toch wel iets uit die Russische bibliotheek gelezen hebben in de loop van het verhaal? Van wat hij ooit eerder gelezen heeft, worden we wel af en toe op de hoogte gehouden.

In het boek duiken twee sessies met een psycholoog op. Zelfs binnen de fictie van het boek zijn die waarschijnlijk imaginair. In de eerste sessie staat de moeder centraal in de tweede de overleden vriendin. Door de eerste sessie heb ik me heen moeten worstelen: het wilde maar niet interessant worden, al deed de verteller wel zijn best om het luchtig te houden met hier en daar een grapje. De tweede sessie behoort juist tot de beter geschreven gedeelten van het boek.

Uiteindelijk komt CB tot de conclusie dat het leven geen zin heeft. Hij wil niet meer vluchten, maar het leven onder ogen zien. Er is geen hogere, zingevende instantie. CB zegt Barnes na: Ik geloof niet in God, maar ik mis hem wel. Over God wordt wel meer aardigs gezegd. God als imaginaire vriend bijvoorbeeld en God als tekst.

CB gaat niet langer op zoek naar het geluk (of het ongeluk), hij gaat de weg van de onverschilligheid. 'De weg die je kon inslaan als je wist dat het er allemaal niets toe deed.' Het enige wat hem overblijft is schrijven, zijn boek afmaken en dat gaat hij doen. Dat zal het boek wel zijn dat we in handen houden, want daarin is CB immers de verteller.

Lot is een aardig boek. Niet evenwichtig, maar daar heeft de verteller zich bij voorbaat voor geëxcuseerd. Wat me minder bevalt is dat we niet uit de loop van de gebeurtenissen moeten concluderen wat het verhaal ons wil zeggen, maar dat het expliciet gemaakt is. Er is precies benoemd waar de schrijver mee zat, hoe hij geprobeerd heeft het aan te pakken en tot welke conclusie hij gekomen is. Dat had wellicht allemaal wat subtieler gekund.

Het slot is speels: CB koopt opnieuw een lot bij de Primera. Je zou kunnen zeggen dat het verhaal opnieuw kan beginnen. Maar het zou ook kunnen zijn dat nu de andere mogelijkheid verkend wordt: wat gebeurt er als je niet wint. Als er geen zin is, maakt niet  maakt het dus ook niet uit of je wint of niet en ook niet hoe het verhaal verloopt. Het is er en daar moeten we het mee doen.

Aardig, aardig - dat is het woord dat het boek voor mij het best karakteriseert. Geen meesterwerk, maar aangenaam om te lezen en dat is al meer dan je van veel andere boeken kunt zeggen.

Titel: Lot
Auteur: Chrétien Breukers
Uitgever: Marmer
Baarn 2015; 200 blz. € 17,95

dinsdag 23 juni 2015

De weg naar het noorden (Knipoog 41)




In NRC Handelsblad van 30 mei 2015 vond ik een kop boven een artikel van Marc Leijendekker: ' Op weg naar het noorden'. Dat is bijna hetzelfde als een boektitel van Naima El Bezaz, De weg naar het noorden (1995)

Het is niet zo vreemd dat Leijendekker deze titel bedacht heeft. Zijn artikel gaat over migranten die via Italië op weg gaan naar het noorden van Europa. Ook als hij niet op de hoogte zou zijn van het boek van El Bezaz, zou hij gemakkelijk deze kop kunnen bedenken. Toch veronderstel ik dat Leijendekker het boek kent.

Ook het boek van Naima El Bezaz gaat over een illegaal die noordwaarts door Europa trekt. Hij wordt een tijdje uitgebuit in Frankrijk en trekt verder naar Nederland. Daar gebeurt iets wat zijn leven een wending kan geven. Pas als we het slot lezen, snappen we het begin van het boek.

De weg naar het noorden is een bekend boek. Het vestigde in één klap de naam van El Bezaz als schrijfster. Later zou ze nog een keer zo'n klapper maken met haar boek(en) over vinexvrouwen. Het boek over de illegale buitenlander werd al snel door veel leerlingen op de boekenlijst gezet, wat nog bevorderd werd doordat het enkele jaren later opgenomen werd in een boekenpakket dat leerlingen voordelig konden aanschaffen. Na twintig jaar is die belangstelling voor het boek wel afgenomen, maar veel mensen kennen op zijn minst de titel nog.

Daarop moet Leijendekker vertrouwd hebben toen hij met de kop van zijn artikel knipoogde naar De weg naar het noorden. Terecht. Mij viel de verwantschap, qua vorm en qua onderwerp, meteen op.

zondag 14 juni 2015

Drs. P. (1919 - 2015) overleden


Gisteren, 13 juni, is Drs. P. (Heinz Hermann Polzer) overleden. Het radioprogramma OVT werd vandaag onderbroken voor het overlijdensbericht. Dat is wel een passende omgeving. Drs. P. was de grootmeester van het lichte vers, waarbij hij een voorkeur had voor ingewikkelde rijmvormen. Daarnaast was hij zanger en tekstschrijver. Hij schreef technisch bijzonder goede teksten, die hij monter bracht, ondanks dat ze geregeld gaan over personen met wie het niet goed afloopt.

Wroetend in mijn geheugen blijf ik steken in 1973, het jaar dat Polzer  voor het eerst met een plaatje in de Top 40 kwam: 'Veerpont'. Het nummer stond vijf weken in de Tipparade en daarna vijf weken in de toplijst. Daar kwam het nooit hoger dan nummer 23. Ik vond de tekst erg grappig en kon hem uit mijn hoofd zingen, wat ik ook wel gedaan zal hebben, tijdens het melken van de koeien.

De volgende 'hit' vond ik indertijd misschien wel nog grappiger: 'Dodenrit'. Die stond in 1974 bij de beste veertig, met nummer 26 als hoogste notering. Een vrolijk lied, waarin iedereen doodgaat. Al sinds 1999 staat het lied jaarlijks in de Top 2000.

Hits had de zanger met de rollende huig-r daarna niet meer. In de jaren tachtig kwam 'Knolraap en lof, schorseneren en prei' niet verder dan de Tipparade. Voor de liefhebbers maakte dat niet uit. Die hoorden zijn liederen toch wel vanaf hun LP's of cassettebandjes.

Ik kende in de jaren tachtig aardig wat liederen van Polzer. Ze zullen op de radio te horen geweest zijn. Kende ik ze van programma's als Het podium van de Nederlandse lichte muziek? Dat zal wel. LP's had ik niet zoveel. Eentje van drs. P, maar die heb ik al lang geleden weggegeven aan een lokaal radiostation.

Begin jaren tachtig kocht ik een verzamelbundel met zo'n beetje alle liedteksten. Ik heb ze vaak voorgelezen op de scholen waar ik heb lesgegeven. Daar zal die bundel wel zijn blijven liggen, want in mijn boekenkast vind ik hem niet meer. Ik leerde liedteksten kennen als 'Ank' en 'Troostvogel', die nooit erg bekend geworden zijn en toch de moeite waard zijn.

Vooral 'Troostvogel' is bijzonder. Niet omdat die tekst beter is dan de rest. De zin 'Je hoort hem wel, maar ziet hem niet' vond ik bijvoorbeeld minder geslaagd, maar omdat de tekst nauwelijks binnen de rest van het oeuvre valt: een troostend, bijna lief lied. En zo eenvoudig dat hij door kinderen begrepen kan worden. Of zou de Polzer hem voor kinderen bedoeld hebben? Ik kwam een filmpje tegen van Herman van Veen die met jonge artiesten dit nummer zingt. In het publiek zitten veel jonge luisteraars.


In de jaren tachtig hoorde en zag ik hem optreden, in de Reehorst in Ede, waar een vriendin me mee naar toe had genomen. Het was boekenweek en een stel plezierdichters (zo werden ze genoemd, herinner ik me) trad op: Simon Knepper, Jan Boerstoel en Drs. P. waren daarbij. Was er nog een vierde? Ik twijfel. Zou Dorrestijn erbij geweest zijn?

Polzer zong zijn gospel 'Knolraap en lof, schorseneren en prei', waarbij ik natuurlijk enthousiast meegezongen heb. Het meest verrast was ik door een nummer dat ik toen nog niet kende. Nu pas bedenk ik dat ik toen de verzamelbundel dus nog niet gelezen kan hebben, want daar staat het in. Dat nummer was 'Bieten', waar ik ontzettend om heb moeten lachen. Het lied begint als een overromantisch sentimenteel lied, maar waar je bijvoorbeeld 'bloemen' verwacht, zingt Polzer 'bieten'. Bieten houden van mensen.


Later zag ik hem nog eens achter de piano. Ik vermoed dat het op een Dag van de Literatuur is geweest, georganiseerd door Bulkboek. Drs. P. zong daar zijn liedjes over leestekens.


Ook weer heel grappig. Een wat schrijftaalachtig idioom, dat wat plechtig aandoet, bij een hilarische inhoud. Dat is een mooie combinatie.

Intussen had ik Polzer ook op tv gezien bij verschillende gelegenheden. Ik herinner me nog een soort college waarin hij het verschil uitlegde tussen een smartlap en een levenslied, gezeten achter een piepklein orgeltje. Ik las de interviews met hem, had intussen bundeltjes met bijvoorbeeld ollekebollekes en smulde van alles wat ik kon vinden.

De klassiekers in zijn werk zijn natuurlijk niet voor niets klassiek. Ik houd erg van De commensaal.


Een vroege opname (1964) met een versprekinkje aan het eind ('ins' in plaats van 'ons'), maar dat is niet erg. Ik heb begrepen dat de titel in de loop der jaren veranderd is, omdat het publiek niet meer wist wat een commensaal was. Jammer. Ik moet binnenkort maar eens over dat woord gaan schrijven.

Nog maar een klassieker: De zusters Karamazov. Ik herinner mij een audio-opname die gemaakt moet zijn in een klein zaaltje. Misschien was het niet meer dan een cafeetje. Het publiek zong het refrein mee. Ik had het idee dat iedere aanwezige de hele tekst mee had kunnen zingen.


Liefhebbers van het werk van Drs. P. kennen zo'n beetje alles van hem, vermoed ik. Voor degenen die zijn werk nog niet tot in alle uithoeken kenne: luister eens naar 'Jubelzang' (over de kerstengel), met al die maffe geluiden, waar Polzer veel plezier aan beleefd moet hebben. Of naar 'Oost-Groningen' ('Strokarton') met de onvergetelijke regels:
Dat gaat met strokarton, dat gaat met strokarton.
Behalve Tweede Paasdag, dan gebruikt men een kanon.

In veel teksten van Polzer waart de dood. Niet alleen een van de zusters Karamazov vindt de dood, maar ook het meisje in 'Scheepvaartberichten', alle personages in 'Dodenrit', De helderziende, veel vrouwen in 'De commensaal' en meer, veel meer. Er zit een zekere goedmoedige kwaadaardigheid in die mij zeer zint.

Vooruit, nog eentje: 'Een fijne dag', een verslagje van een dagje uit in een clichéstijl. Compleet met stijlfouten, die men nu eenmaal in dit soort verslagen aantreft.


Drs. P. is er niet meer. Hij is 95 jaar oud geworden en altijd is hij, tenminste in het openbaar, beminnelijk gebleven. Een krasse, opgewekte grijsaard noemde hij zich in de opname hierboven. In een interview vertelde hij dat het allemaal wel op had mogen houden toen hij tachtig was.

Laten we blij zijn dat hij een groot oeuvre heeft nagelaten, waarin veel te genieten en misschien ook nog wel te ontdekken is. Ten slotte: opnieuw De Commensaal. Wellicht het eerste tv-optreden van Polzer. Eraan vooraf gaat een gesprek met Willem Duys over prentbriefkaarten.


Bron foto Drs. P.: eerlijkefoto.nl

Kijk ook eens bij stukken waarin ik vergelijkbare overledenen herdenk:
Seth Gaaikema
Herman Pieter de Boer
Maarten van Roozendaal
Michel van der Plas

Lezing Liesbeth Labeur


Als ik het goed onthouden heb, zijn er in Nederland net zoveel mensen die 'reformatorisch' zijn als mensen die moslim zijn. Maar als je niet in de bijbelgordel woont, merk je niet veel van het orthodoxe christendom. Woon je er wel, dan weet je dat er kerken gebouwd zijn of worden voor meer dan tweeduizend bezoekers, dat er reformatorische scholen, een Reformatorisch Dagblad en een reformatorische omroep zijn. Misschien is reformatorische zuil nog de enige die nog een beetje standhoudt.

Wat er binnen zo'n zuil leeft, kunnen velen zich wel een beetje voorstellen. Er zijn mensen die zich nog goed kunnen herinneren dat ze elke maandag op school een psalm moesten opzeggen. Versje: 10, kwam er dan op het rapport te staan. We zijn intussen een paar vertalingen verder, maar men kent de Statenvertaling nog wel en er zullen nog genoeg mensen zijn die psalmen kennen in de berijming van 1773. Niet de moede hinde dus, maar 't hijgend hert.

Vanochtend werden we in de Vluchtheuvelkerk in Zetten weer even bepaald bij dat verleden. We mochten de geur van het nest weer ruiken en  wisten bij de psalmen in de oude berijming dat we behoorden bij het volk dat het geklank kent. Het groepje toehoorders was beperkt, een klein kuddeke, maar de bijeenkomst was goed: een betrokken spreekster, een nieuwsgierig publiek, een intieme sfeer.

De spreekster was Liesbeth LabeurHier schreef ik over haar installatie Een nachthutje in de komkommerhof. Zij groeide op binnen het gedachtegoed van de Gereformeerde Gemeente, maar pas na haar elfde, toen het gezin teruggekeerd was van Curaçao naar Zeeland. De Caribische wereld was natuurlijk heel anders dan de wereld van klei en calvinisme. Later, toen Labeur kunstenaar was, zou ze proberen een evenwicht te vinden tussen die werelden. Zo maakte ze samples van de stem van Nel Benschop en die van dominees met muziek. In een van die 'nummers' is duidelijk Caribische muziek te herkennen.

Labeur brengt het publiek goed in de stemming. Er worden psalmen gezongen in de 'oude' berijming. Niet op hele noten; dat gaat de organist te ver, maar de oude teksten herkennen we:
Laat ons den rustdag wijden
Met psalmen tot Gods eer.
't Is goed, o Opperheer,
Dat w' ons in U verblijden;
't Zij d' ochtendstond, vol zoetheid,
Ons stelt Uw gunst in 't licht,
't Zij ons de nacht bericht
Van Uwe trouw en goedheid.
Er blijkt nog steeds een radioprogramma te bestaan dat 'Laat ons de rustdag wijden' heet. Liesbeth Labeur herinnert het zich uit haar jeugd. Daar werd op zaterdagavond naar geluisterd. De zondagse schoenen waren dan al gepoetst, de soep voor zondag (op de dag des Heren mocht niet gekookt worden) stond al te trekken, alles maakte zich klaar voor de sabbat.

Het zijn allemaal ingrediënten voor de soep van de herinnering. Daar maakte Labeur ooit een filmpje over:


Van woorden woorden maken, hebben al veel schrijvers gedaan. De bijbeltaal werd de taal die terugkwam in hun boeken: Jan Wolkers, Maarten 't Hart, Jan Siebelink, Franca Treur, noem ze maar op. Maar Liesbeth Labeur is beeldend kunstenaar; zij antwoordt in beelden. En in muziek. Want bij de woorden van de psalmen hoort natuurlijk de gedragen muziek. 


Beroemd werd een poster over de brede en de smalle weg. De brede weg (links) leidt naar het verderf en voor je daar bent, kom je langs allerlei bedenkelijke stations: het speelhuis bijvoorbeeld met daarbij de bank van lening, maar ook de trein (die ook op zondag reed). Rechts is de smalle weg die ten leven leidt. Langs de zondagsschool en het diaconessenhuis.


Het inspireerde Liesbeth Labeur tot een installatie, waarbij je over de rode loper de brede weg kon bewandelen. Je kwam terecht in een ballenbak, met rode en gele (vuurkleurige dus) ballen. Maar er was ook een smalle weg. Moeilijker te vinden, maar uiteindelijk ook met een beloning. Niet voor eeuwig, maar dat gold ook voor de ballenbak, waar mensen weer uit konden klimmen.

Het is ondoenlijk om de hele lezing van Liesbeth Labeur weer te geven. In ieder geval maakt ze duidelijk dat de teksten uit haar jeugd een rijke bron zijn voor nieuwe beelden. Daarbij laat ze zien en ervaren dat ook de teksten uit onze jeugd nog steeds in ons verzonken zijn. Verschillende mensen gaven aan geraakt te zijn door verhaal. 

Bij de gedachtewisseling kwamen er heel wat vragen en opmerkingen en tijdens de koffie na afloop werden er veel anekdotes uit de jeugd uitgewisseld. Met de blaaspijpjes die Liesbeth Labeur meegebracht had, werden er schietgebedjes naar het plafond geblazen. Dat gaf vrolijkheid, ondanks dat alle gebedjes weer neerstortten op de aarde. 

Eigenlijk had ik foto's willen maken tijdens de lezing. Maar ik was zo aandachtig aan het luisteren, dat ik het fototoestel in mijn tas vergat. De plaatjes moet ik u dus onthouden. Dat is jammer, maar niet onoverkomelijk. De mens leeft niet bij beeld alleen.