vrijdag 3 juli 2026

Afgestoft: Signaleringen (2)

Nu ik wat aan het grasduinen ben in de korte besprekingen die ik schreef voor de rubriek 'Signaleringen' van het tijdschrift Liter valt me op dat die voornamelijk (of misschien wel alleen maar) gaan over gedichtenbundels. In een eerdere bijdrage veegde ik al vijf van deze korte besprekingen bij elkaar en nu heb ik er nog twee. Ze komen uit de derde jaargang Liter (2000), uit nummer 11 en 12. 

Religieuze Gezelle

Als de ziele luistert is een bloemlezing uit de religieuze gedichten van Guido Gezelle. Wie iets van Gezelle weet, zal veel bekends tegenkomen. Van ‘Gij badt op eenen berg alleen’ tot ‘Het schrijverke’ en ‘O! 't ruischen van het ranke riet.’ Dat geeft de poëzie in deze bundel meteen iets vertrouwds en dat is prettig.

Maar in een bundel van meer dan tweehonderd bladzijden staan natuurlijk ook veel gedichten die onbekender zijn, waarmee het aangenaam kennismaken is. Die mix van bekend en volstrekt onbekend maakt deze bloemlezing tot een boek waarin je blijft bladeren en lezen.

De bloemlezing voldoet aan de hoogste eisen die je aan een bloemlezing kunt stellen: een degelijke inleiding met daarin een goede verantwoording van de keuze, een heldere en doordachte opbouw, een goede keuze uit de gedichten en uitgebreide annotaties, die het lezen niet in de weg staan.

Piet Thomas verdeelde de bundel in tweeën: deel 1 (‘Biddenderwijs’) is gebedslyriek, deel 2 (‘Overwegen, mijmeren en belijden’) behelst wat de titel al aangeeft. De delen zijn weer verdeeld in rubrieken als: danken, smeken (deel 1) of De natuur en God en tijd, dood en eeuwigheid (deel 2). Het is maar een greep uit een groot aantal afdelingen.

Bij de keuze van de gedichten heeft Thomas in de eerste plaats naar kwaliteit gekeken. Verder overwoog hij in hoeverre een gedicht thans nog inlevingsmogelijkheden bood. Dat hij op die manier tot een goede keuze kwam, blijkt als je de bundel leest.

In de annotaties toont Thomas zich zeer deskundig. Hij schetst soms de aanleiding tot het gedicht, laat zien in welke context het gefunctioneerd heeft en is goed op de hoogte van de literatuur die erover verschenen is. In noten onder aan de bladzijden zijn woorden verklaard die voor de hedendaagse lezer problemen zouden kunnen opleveren.

Aan de bloemlezing is een cd toegevoegd, waarop Tine Ruysschaert een aantal gedichten leest, afgewisseld met harpmuziek. Dat maakt het helemaal compleet.

Als de ziele luistert is een kwalitatief bijzonder goede bloemlezing. Zo een als Gezelle verdient. 




Maria de Groot

In Brieven uit een hermitage nam Maria de Groot veel gedichten op die geïnspireerd zijn door een reis naar Noorwegen. Dat wordt al duidelijk uit titels als ‘Vikafjell’, ‘Utne’, ‘Het hert van Skjolden’ en ‘Hardangervidda’.

De gedichten geven niet alleen een beschrijving van de bezochte plaatsen, maar ook het verleden klinkt er duidelijk in door. Omdat ook oude Noorse goden als bijvoorbeeld Odin af en toe opduiken en er gerept wordt van onder andere offers en altaren, hebben de gedichten al gauw een mythologische sfeer. Ter illustratie het begin van ‘Rouwsteen’:

Ik gedenk je op de rotsenvidde,
voeg een rouwsteen toe aan de gelaagde
piramide die hier is gestapeld.

Neem mijn offer, schuif het niet terzijde,

[...].


Uit de gedichten spreekt de grote verlatenheid die aan het landschap eigen is. Grond met een geschiedenis, maar zonder de mensen nu. Tegelijkertijd is er een verbondenheid met die grond en is de verlatenheid eerder prettig dan beangstigend.

In de laatste (derde) afdeling is er sprake van een thuiskomst, waarbij het Nederlandse landschap mooi contrasteert met het Noorse:

De geur van nat gras,
de mais zet volle kolven,
nu vlucht de schaduw.


Bij de thuiskomst hoort blijkbaar ook het thuiskomen in het dichterschap, in de taal. De taal neemt zelfs de plaats in van de moeder.

In het slotgedicht vraagt de ‘ik’ zich af of ze in het gedicht zelfs de zoete geuren kan ruiken van ‘eyn sof’, een begrip uit de joodse Kabbala waarmee het Oneindige aangeduid wordt waaruit het geschapene ontvlamt.

Wat vorm betreft, is de bundel nogal divers. Naast vormvaste, bijna klassieke gedichten (sonnetten, een rondeel) staan vrijere verzen en haiku. De eerste soort bevalt mij wat beter dan de tweede, maar dat is wellicht een kwestie van smaak.

Ondanks de diversiteit is het De Groot toch gelukt om van de bundel een eenheid te maken. Ik denk dat dat te maken heeft met de toon die uit de hele bundel spreekt. De stem van de dichteres is in elk gedicht herkenbaar en dat is een verdienste. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten