Een paar weken geleden schreef ik al over de toetjes van toen. Nu dus over de broodmaaltijd. Lang geleden vertelde ik hier over de bakker die langs de deur kwam. Het dagboekgedeelte hieronder schreef ik drie jaar geleden, op 17 augustus 2023.
![]() |
| Marinus, neefje Herman, Teunis, Lientje. Brood eten bij opa en opoe Dojewèrd op de bank |
Als baby krijg ik borstvoeding. Elke keer als ik huil, denkt mijn moeder dat ik honger heb en dan geeft ze me weer de borst. Ik groei daardoor als kool. Mijn nicht Johanna is een maand jonger dan ik, maar op sommige foto’s lijk ik anderhalf keer zo zwaar als zij.
![]() |
| Teunis en Johanna |
Ik heb een emaillen bordje met twee konijnen met een wortel erop. Er hoort een bestekje bij dat ik de rest van mijn leven zal bewaren, evenals de metalen beker met een konijntje erop. In het bordje maakt mijn moeder later Brinta klaar. Er is ook Bambix te koop, dat iets fijner is dan Brinta, maar dat krijg ik niet.
Verder is er Liga. Mijn moeder verkruimelt die soms en doet er melk bij en/of een beetje sinaasappelsap. Al gauw eet ik de warme maaltijd met de pot mee. Als ik mijn groente niet wil eten, doet mijn moeder er een schep suiker doorheen en dan eet ik het wel.
Het brood dat wij eten, wordt gebracht door de bakker. Mijn vader snijdt het op de plank die mijn opa (van moederskant) gemaakt heeft. Misschien heeft hij ook wel het houten handvat van de broodzaag gemaakt. Mijn vader snijdt dikke sneden brood, zodat we minder beleg nodig hebben. Als ik wat groter ben, komt er gesneden brood in de handel. Dat koopt mijn moeder niet. Ze noemt het 'luiewijvenbrood'.
Op brood hebben we altijd vleeswaren en kaas. Hagelslag is er ook altijd, net als stroop, basterdsuiker, jam, chocoladepasta (dat wij gewoon ‘pasta’ noemen), vruchtenhagel en soms appelstroop. In de tijd van de pruimen is er ‘slemp’ (gestoofde pruimen). Dat mogen we gerust dik op onze boterham smeren. Bij uitzondering mogen we speculaasjes op brood.
De jam maakt mijn moeder zelf: van bramen, bessen, frambozen, aardbeien, kruisbessen, pruimen of een combinatie. Ook wel eens van kersen, maar die jam wordt meestal niet goed dik, hoeveel Opekta mijn moeder er ook bij doet. Een enkele keer is er jam van vlierbessen, maar misschien is dat maar een eenmalig experiment.
De potjes gaan in de weckketel en die wordt op de grote gaspit gezet, waar mijn moeder ook de was op kookt. Het is een tref als alle potjes daarna dichtzitten.
Als er net geslacht is, is het feest. Van het varken kookt mijn moeder het hart, de lever, de nieren en de tong. We vinden het allemaal even lekker. Er is dan ook smout. Dat smeren we op brood in plaats van margarine en dan smeren we er stroop overheen of we strooien er suiker over.
Na de slacht bakt mijn moeder ook kaantjes. Heel vet, maar het is heerlijk. We smeren stroop op ons brood en daar komen de kaantjes op. Als we geluk hebben, bakt ma smoutappeltjes, dan zitten er ook nog zoete appeltjes door de kaantjes. De appels zijn soms een beetje stroperig.
Mijn moeder maakt ook hoofdkaas. Soms doet ze die in het zuur: zure zult. Maar zonder zuur vind ik de hoofdkaas ook lekker. Ook maakt mijn moeder leverworst. Eigenlijk is het leverpastei. Zowel de hoofdkaas als de leverworst zijn grijs. Later zal er roze leverworst op de markt komen. Daar zit kleurstof in.
En er wordt balkenbrij gekookt. Dat is zwaar werk. Mijn moeder moet de brij roeren, die in een grote pan zit en steeds taaier wordt. Ze breekt er wel eens een houten lepel mee. De balkenbrij is paars. Dat komt door het rommelkruid dat mijn moeder erin doet. Er zitten ook rozijnen in. Andere moeders hebben soms een ander recept. Ik vind de balkenbrij van mijn moeder het lekkerst.
Als de balkenbrij net gekookt is, kun je die warm eten. Mijn moeder schept een diep bord vol. Wij maken een kuiltje in het midden en daar doen we heel veel stroop in. De rest van de balkenbrij gaat in schalen. Daarin koelt de brij af en wordt stijf. Later kunnen er plakken van gesneden worden, die mijn moeder door de bloem wentelt en bakt in de koekenpan. Die plakken eten wij op brood: eerst stroop op je brood en daar de balkenbrij op. Ongebakken zijn de plakken overigens ook smakelijk, maar gebakken zijn ze lekkerder.
Na de slacht gaan de metworsten naar de rokerij. Als die terugkomen, worden ze op zolder gehangen, wat heerlijk ruikt. Die worsten worden ook geregeld in plakjes gesneden en op brood gedaan.
Roomboter hebben we alleen in het weekend. Door de week hebben we margarine op brood, gewoon uit pakjes. Later zal men zeggen dat dat bakmargarine is, maar iedereen smeert het gewoon op brood. Dat valt niet altijd mee, want de margarine is vaak behoorlijk hard.
Bona brengt margarine in een kuipje op de markt. Ik kan de radioreclame goed meezingen: ‘Rij maar mee in de arreslee door de sneeuw. Wij nemen Bona mee, wij nemen Bona mee.’ Mijn moeder vindt die boter te duur en er wordt verteld dat het gewoon margarine is met water erdoorheen.
Wij eten altijd dubbele sneden brood, een witte op een bruine. Daarom eten we altijd een oneven aantal sneden, want dan kun je eindigen met een enkele. Beschuit is er ook. Die kun je apart eten, maar je kunt hem ook op een snee brood leggen. Altijd met zoet beleg. We mogen best zoet beleg eten, maar altijd eerst ‘hartig’ (vleeswaren of kaas).
Bij het beleg ontbreekt de pindakaas. Die hebben we nooit. Opoe Loenen heeft het wel. Houdt mijn moeder er niet van?
Mijn vader houdt van sinaasappeljam en van gemberjam. Dat krijgt hij van zijn zussen wel eens op zijn verjaardag en daar is hij altijd blij mee. Honing is er aanvankelijk ook. Later vindt mijn moeder de honing te duur worden en dan is er alleen in het weekend honing. Bij opoe Loenen zit de honing in een potje dat de vorm heeft van een bijenkorf, met enkele grote bijen op de buitenkant.
Opoe heeft ook Smac, blikworst. Een nieuw blikje moet je met een sleuteltje openmaken. Dat sleuteltje zit op de bovenkant of op de zijkant geplakt. In het sleuteltje zit een gleufje. Het lipje van het blikje moet door het gleufje en als het goed is, kun je dan zo het blikje opendraaien. Dat gaat nog wel eens verkeerd, als je het sleuteltje niet goed recht kunt houden.
Zo’n sleuteltje zit er ook bij de blikjes sardines, die wij ook wel eens op brood hebben, net als de haring in tomatensaus. Volgens mij maakt mijn moeder dat blik gewoon met de blikopener open. Dan zien we de haringen liggen, maar niet zo lang: mijn moeder prakt de tomatensaus door de haringen heen, zodat iedereen hetzelfde heeft.
Als de visboer geweest is, hebben we soms gebakken vis op brood. Er komt ook wel eens een oom een maaltje vis brengen. Soms smaakt die vis een beetje naar grond, maar dat vinden we niet zo erg. Mijn vader heeft een hekel aan graatjes. Die moet mijn moeder eerst voor hem verwijderen. Paling is het lekkerst, maar die is er niet zo vaak.
Bij de jam uit de winkel kun je boekjes van Flipje krijgen, maar we hebben meestal eigen jam. In de winkel halen we wel bijvoorbeeld abrikozenjam, want die maakt mijn moeder zelf niet.
Een paar boekjes van Flipje hebben we. Er is een verhaal bij waarin iemand natgespoten wordt en dat is favoriet bij mij. Ik vraag mijn moeder of ze nog een keer wil voorlezen van ‘Pies, nat is-tie’. Later zal ik meer van deze boekjes lenen van de kinderen van Methorst, de mulder, die er heel veel van hebben.
Bij de chocoladepasta kun je boekjes krijgen van Sjokkie. Net als bij Flipje zijn het verhalen die uit gedichtjes bestaan. Sommige zinnen ken ik na verloop van tijd uit mijn hoofd. Als Sjokkie pasta heeft geïntroduceerd heeft in het wilde westen is er een cowgirl die zegt: ‘Ik eet mai fingers erbai op!’ De pasta noemen we trouwens ook wel chocopasta of pastachoca.




Leuk Teunis. Veel uit dit verhaal herken ik uit de verhalen van mijn ouders. Herinneringen aan toen komen ook regelmatig bij mij boven en die publiceer ik ook regelmatig. Met de reacties kom je steeds weer op nieuwe verhalen.
BeantwoordenVerwijderen