zaterdag 16 augustus 2014

Kalender 1942 (Wie wat waar? 2)



Maanden geleden begon ik aan een serie die nooit verder gekomen is dan een enkele aflevering. Het was de bedoeling dat ik zou schrijven over het curieuze boekje Wie wat waar?, het 'Jaarboek 1942' van de Haagsche Courant.

Na de eerste bladzijden, waarover ik al schreef, volgt de kalender voor 1942, met daarnaast het overzicht van 1941. Aangezien het boekje al eind 1941 uitkwam, bevat het niet het overzicht van november en december 1941. Bij die maanden lezen we wat er in 1940 is gebeurd.

Eerst maar naar het kalendergedeelte. Elke bladzijde bevat een halve maand. Bij de meeste maanden staat een spreuk. Bijvoorbeeld: 'Een koekoekroep ter helft van Maart, is voor den boer een daalder waard.' Of: 'Als April blaast op zijn horen, is het goed voor gras en koren.'

Elke dag wordt genoemd, compleet met datum en dag van de week. Er wordt zelfs vermeld de hoeveelste dag van het jaar het is en hoeveel dagen er resteren tot het eind van het jaar. Als de betreffende dag een feestdag is, wordt dat aangegeven en verder wordt tot op de minuut nauwkeurig vermeld wanneer zon en maan op- en ondergaan. Verder wordt met icoontjes aangegeven wanneer het volle maan, nieuwe maan enz. is.

Interessant lijken me de historische gebeurtenissen. Het feit dat Nederland bezet was in die tijd zal invloed gehad hebben op de keuze van die gebeurtenissen, lijkt me. Aan sommige vermeldingen val je je geen buil: De Ruyter sneuvelt bij Stromboli, 1576 (8 januari), Keurvorst Karel Lodewijk, geb. 1618 (11 januari). Vaak wordt bij een datum vermeld dat het een geboorte- of een sterfdag is.

Maar er zijn ook andere gebeurtenissen: Instelling van de Orde van het Gulden Vlies, 1429 (9 januari) bijvoorbeeld of Prins Maurits verslaat de Spanjaarden bij Turnhout, 1597 (25 januari). Ik loop de maanden door en noteer dingen die me opvallen.

Op 12 januari wordt vermeld: 'Herman Goering. Duitsch generaal veldmaarschalk, geb. 1893.' Op 31 maart overleed de profeet Jeremia in het jaar 570 voor Christus. Maar het sterfjaar en zeker de sterfdatum van Jeremia zijn niet zeker. Even googlen levert verschillende jaren op.

Op 29 april lezen we: 'Michiel de Ruyter, † 1676'. Hee! Even terugbladeren: bij 8 januari staat inderdaad Dat Ruyter honderd jaar daarvoor gesneuveld was bij Stromboli. Dat kan niet kloppen.

De Ruyter is op 29 april gestorven. Een week ervoor was hij getroffen door een kanonskogel, waarna een van zijn benen afgezet moest worden. Dat leek goed te gaan, maar de wond was geïnfecteerd, waarna er wondkoorts optrad. Op 8 januari 1676 (en dus niet 1576) streed De Ruyter wel bij Stromboli. Die slag eindigde onbeslist.

De Ruyter is niet de enige met een dubbele sterfdag. Ook Mohammed stierf, volgens het jaarboek, op twee verschillende dagen: 5 mei en 8 juni, wel in hetzelfde jaar: 632.

De personen aan wie aandacht wordt geschonken komen uit de literatuur, de muziek, de wetenschap, de politiek of het leger. Er worden veel veldslagen vermeld. Wat de literatuur betreft, worden de Engelsen zo ongeveer genegeerd. Pas op 9 december wordt verteld dat de 'Engelsche schrijver I. Walton' overleed in 1683. Er zijn dan al verschillende Nederlanders genoemd en zeker zoveel Duitsche auteurs: Paul Gerhard, F.G. Klopstock, Fr. Hebbel, Fr. Hölderlin, Novalis en Christian Morgenstern. Blijkbaar was de Haagsche Courant voorzichtig in dezen.

Waarom niet geboorte- of sterfdag genoemd van bijvoorbeeld Shakespeare? Mogelijk is hij al genoemd in de voorgaande vijf edities. Ook Goethe en Schiller worden niet genoemd. De Franse dichters komen overigens wel verschillende keren voor in de lijst.

Maar zou in voorgaande jaren aandacht geschonken zijn aan: William Blake, Emily Brontë, Lewis Caroll, Charles Dickens en John Milton? Die waren al een tijdje dood en niemand zou er vreemd van opgekeken hebben als ze genoemd werden. Denk ik. De Haagsche Courant wilde het risico toch niet lopen.

Naast Goering werden er overigens geen andere Duitse kopstukken uit die tijd genoemd. Geen Hitler, Goebbels, Seys-Inquart, Rauter. Maar ook geen verjaardagen van leden van Nederlandse koningshuis. Nou ja, als het lang geleden is (prins Maurits, Frederik Hendrik) mogen ze genoemd worden.

Het voorzichtige of misschien wel bangige beleid had succes: ook de volgende jaren mocht het jaarboek verschijnen. De jaarboeken 1945 en 1946 zijn (waarschijnlijk) niet verschenen. Had dat te maken met de papierschaarste in 1944? Maar waardoor kon eind 1945 het jaarboek 1946 niet verschijnen? Wie het weet, mag het zeggen. Aan jaarboek 1944 besteed ik later nog aandacht.

De volgende keer: het overzicht van 1941 (en een stukje 1940).





vrijdag 15 augustus 2014

De woongroep (Franca Treur)


Over Franca Treur zijn de meningen verdeeld: haar debuut, Dorsvloer vol confetti, werd goed verkocht, maar er was ook kritiek. Sommige lezers uit orthodox christelijke hoek hadden er moeite mee dat de auteur afstand nam van het christelijk geloof, anderen vonden dat er te weinig lijn in het boek zat.

Ik herinner mij het boek als heel aangenaam: een mooi beeld van een plattelandsgemeenschap. Dat we daar in het begin van het boek wat rondkijken, zonder dat er veel plot in zit, vond ik geen bezwaar. Het zal wel meespelen dat ik een boerenzoon ben, die ook nog christelijk is opgevoed: ik herkende er veel in. Ooit heb ik een klein stukje geschreven over hoe ik mij het boek herinner.

Graag zou ik daarom positief zijn over Treurs tweede roman, De woongroep, maar dat valt mij moeilijk. Voor wie het boek niet kent: nog even de inhoud. Elenoor, een vrij onzekere en van tijd tot tijd koopzieke jonge vrouw, besluit om in een woongroep te gaan wonen. De woongroepleden zijn vegetarisch en af en toe voeren ze actie, zonder dat dat veel lijkt uit te halen. Elenoors relatie met haar vriend Erik komt onder spanning te staan en ze gaan uit elkaar. Intussen is er gedoe omtrent een woongroeplid (Alexander), die verdwenen blijkt, en Eriks vader, het toonbeeld van een graaier in een managementfunctie in de zorg. Uiteindelijk raakt Elenoor zwanger en lijkt met Erik een huisje-boompje-beestje-leven te gaan leiden.

Ook dit tweede boek leest weer lekker door. De stijl beviel me niet altijd goed, al staan er ook vondsten in: 'Ira had opengedaan, helemaal in het zwart, met helrode neuk-me-schoentjes eronder.' Of: 'De kennismaking vond plaats in een echt kijk-mij-eens-restaurant.' Ene Elise wordt als volgt gekarakteriseerd: 'Een doortastend moedertje. Iemand die verjaardagen onthoudt en met verse kruiden kookt. Maar ook: een flesje waar al een heleboel uit is.'

Maar voor mijn gevoel moest ik te vaak fronsen bij de formuleringen van Treur. Als iemand omhoog schiet met een blikje bier in de hand, kan er inderdaad wat uit klotsen ('Ik schiet overeind, knoei met mijn bier, het loopt over mijn polsen.'), maar hoe krijg je het dan voor elkaar om over allebei je polsen te knoeien?

Soms had ik het idee dat een zin scherper had gekund. 'Wat mijn oma kookte, smaakte opa niet, en hij zei dat ook. En ook als hij niks zei, voelde ze het toch wel.' Over dat laatste zinnetje struikelde ik. Ik heb het idee dat het samensmelting is van: 'Als hij niks zei, voelde ze het wel' en 'Ook als hij niks zei, voelde ze het'. 

Een ander voorbeeld: 'Maar, denk ik, wie nog nooit een rijpe puist heeft uitgeknepen, die heeft op zich ook iets gemist.' Ik zou hier 'die' en 'op zich' geschrapt hebben. Het zal wel bedoeld zijn om Elenoor te karakteriseren. Elenoor zegt ook consequent 'je wil' en 'je kan'. 

Verder kiest Treur er nogal eens voor om over iets te vertellen in plaats van het laten zien: 'In plaats daarvan antwoord ik bevestigend op de vraag of ik het goed heb kunnen vinden.' 'We zitten doodop op mijn bank, en ineens krijgen we hevige ruzie om een rotopmerking van Erik die ik niet ga herhalen, en ook over iets lulligs dat ik niet terug had moeten zeggen.' 'Ik doe het raam weer dicht en prijs haar het stripboek aan waarin ik zelf aan het lezen ben.'

Elenoor neemt ook vaak genoegen met vaagheden. 'Je kan er altijd íets van leren', denkt ze dan, maar ze vraagt zich niet af, wat dan. Twee mannen legen uit waarom ze niet zijn blijven protesteren: ‘Er waren een paar dingen waardoor wij dachten: we gaan.’ Iedereen in het vertrek vindt dat afdoende. 

Treur heeft een enkele keer de neiging om met opzet twee keer hetzelfde woord te gebruiken: 'vleierij (...) die me natuurlijk toch vreselijk vleit'; 'De knappe man mag dan knap zijn'. Dat vond ik niet zo geslaagd.
  
Dat zijn storende dingetjes, maar je kunt er ook wel overheen lezen. Vervelender vond ik dat het mij maar niet lukte om Elenoor te geloven. In het begin van het boek is ze duidelijk koopziek: ze moet de nieuwste attributen bij haar computer hebben, de nieuwste versie van een smartphone. Ze zegt zelfs: 'Ik weet niet wat ik buiten moet doen als het niet om te winkelen is'. Zo gauw ze lid is van de woongroep, is dat zo ongeveer over. Ik geloof niet dat iemand zo snel afstand doet van een gewoonte die misschien wel een verslaving is. Het zegt natuurlijk ook wel iets over Elenoor, die zich maar al te graag wil aanpassen om ergens bij te horen. 

Ook in haar taalgebruik is Elenoor niet consequent: soms bezigt ze populaire of wat grovere uitdrukkingen, maar op momenten die daar juist om vragen, doet ze dat niet. Ze kan van iets zeggen dat het 'retestrak' is, maar ze kan ook heel truttig zeggen dat ze 'uit haar hum' is. Ze heeft niet een eigen toon, waaraan je haar herkent. Ze kan van iets (het internet bijvoorbeeld) zeggen dat het 'kut' is, maar in een woordenwisseling met Erik komen er nauwelijks vloeken of krachttermen over haar lippen. 

Als Erik bij haar weggaat, zijn Elenoor en hij ook werkelijk uit elkaar. Maar daar lezen we nauwelijks iets over; het lijkt haar niets te doen. Op een gegeven moment is Elenoor angstig, omdat ze denkt dat het spookt in het gebouw van de woongroep. Dat wordt later nog een paar keer genoemd, maar invloed op Elenoor lijkt het niet te hebben. Soms kreeg ik het idee dat Treur losse hoofdstukken had geschreven, niet per se in de volgorde waarin ze in het boek staan. Voor mijn gevoel ontbreekt vaak de continuïteit wat betreft Elenoor. Alsof ze niet meer weet hoe boos of verdrietig of wat dan ook ze was in een vorig hoofdstuk. 

Halverwege het boek komt er werkelijk verhaal in het boek: Alexander verdwijnt en Eriks vader komt in de problemen. Die ontwikkelingen worden heel aardig opgezet, maar tegen het eind van het boek worden de verhaallijnen afgeraffeld.

Elenoor wordt min of meer toevallig zwanger van Erik, omdat ze niet meer kan nagaan op welke dagen ze de pil geslikt heeft. Het is op dat moment nog niet werkelijk aan tussen Erik en Elenoor. Toch is dat geen bezwaar. Elenoor lijkt zich niet af te vragen wat ze nu werkelijk wil en stapt het gezinsleventje in, zoals ze ooit de woongroep in is gestapt. Ik vind dat nauwelijks geloofwaardig. 

Wat zou Treur gewild hebben met dit boek? Ze geeft in ieder geval een beeld van groep actievoerders, van wie je het idee hebt dat de gedachte dat ze protesteren belangrijker is dan de vraag waartegen ze protesteren en of dat effect heeft. Het zijn jonge mensen die het lastig lijken te hebben om lijn aan te brengen in hun leven. 

Treur stipt het probleem aan van de mensen die uit zijn op geld verdienen, ook in de gezondheidszorg. Ze laat Rudy opdraven, een babyboomer die eventjes een vriendin heeft, maar toch terugkeert naar het gezin. Hij is misschien wel te vergelijken met de vader van Erik: ze worden beiden vooral gedreven door eigenbelang. 

Interessant is Katelijne, de aanwezige afwezige. Katelijne was Elenoors voorganger in de woongroep. Haar naamplaatje hangt nog steeds bij de deur. Van tijd tot tijd laat ze weten waartegen geprotesteerd zou moeten worden en dan gebeurt dat. Elenoor, blijft ondergeschikt aan Katelijne. Ze probeert een eigen plaats in de woongroep in te nemen, maar ze leeft in de schaduw van Katelijne. Dat zal ook wel als grapje zijn bedoeld: de hoofdpersoon in Dorsvloer vol confetti heet Katelijne. Het boek was een succes en de hoofdpersoon van de tweede roman zal het altijd moeilijk hebben om volwaardige opvolger te zijn. 

De woongroep viel mij tegen. Maar het boek leest aardig en qua thematiek roept het interessante vragen op: welk ideaal kun je nog volgen, bijvoorbeeld. Ik denk dat Treur De woongroep nodig heeft gehad om Dorsvloer vol confetti van zich af te schudden. Het is geen vlekkeloos boek geworden, maar het zal nodig geweest zijn. Net als Elenoor zoekt Treur haar weg, als schrijver. Het debuut was het boek dat geschreven moest worden, maar hoe ga je daarna verder? Waar Treurs zoektocht toe leidt, wacht ik af. Haar volgende boek zal ik in ieder geval gaan lezen.  

woensdag 13 augustus 2014

De groenteboer (Aan de deur 11)

Groenteboer Valkenier
Bij degenen die hun nering langs de weg zochten, ontbreken nog wat mensen in deze serie. Een voor de hand liggende is de groenteboer. Voor zover ik weet, is die altijd al bij ons geweest. Ik loop terug over de paden van mijn geheugen en kijk of ik hem tegenkom in de eerste tien jaren van mijn leven, de tijd dat wij nog aan de Merkenhorststraat in Herveld woonden. Ik krijg wel een beeld van Valkenier die met zijn busje met open bak ons erf op komt draaien, maar herinner ik mij dat of maak ik dat beeld nu aan?

Mijn vader en Ome Wout planten boerenkool
Eigenlijk lijkt het me sterk dat Valkenier al in de jaren zestig groente bij ons bracht. We hadden een vrij grote tuin en ik zie daar nog de spruiten en de boerenkool in staan. Daar ben ik vrij zeker van, maar ik weet ook dat het geheugen rare streken met iemand uit kan halen. Zo zie ik mij bijvoorbeeld niet mijn vader helpen bij het tuinieren. Ik heb uit die tijd geen enkel beeld van mijn vader in de tuin.

Mijn vader kwam niet altijd aan de tuin toe, druk als hij was met het fruit en met de rest van het boerenwerk. Ik heb nog een vage herinnering aan de zomer dat er twee jongens (Nico en Rokus) bij ons gelogeerd waren, die de tuin flink onder handen namen.

Omdat ik toch met veel twijfels zat, heb ik mijn moeder gebeld. Zij vertelde mij dat Valkenier wel aan de deur kwam, maar niet als groenteboer. Hij kwam op de fiets en verkocht borstels, sponzen en kachelpotloden. Daar wist ik niets van.

Volgens mijn moeder hadden we inderdaad een grote groentetuin, maar deden we daar later niet veel meer aan. Toch herinner ik me dat we ook na de verhuizing (in 1969) naar de Schoolstraat nog aardig wat uit de tuin haalden. Toen ik in de hoogste klas van de lagere school zat of op de middelbare school, heb ik die tuin verschillende keren omgespit en samen met mijn vader heb ik wel aardappelen of koolplanten gepoot. Ook zie ik wel hoe we met zijn allen een teil boontjes aan het rangen zijn.

Mijn opa bij zijn 'broeibakken'
Mijn vader had ook een 'broeibak', zowel bij het oude als bij het nieuwe huis. Als ik mij goed herinner was die bij het oude huis van hout. Op de bak lagen de 'ramen', een beetje hellend, zodat ze veel zon vingen. Aan de ramen zat een ring, zodat je ze makkelijk op kon tillen. Met de gieter werd de grond bevochtigd. Of de ramen eraf gelegd werden als het regende om op die manier vocht te vangen, weet ik niet meer. Als het erg warm was en de sla het te warm dreigde krijgen, werden de ramen iets omhoog zet, door er een baksteen onder te plaatsen.

Ik herinner me niet dat ik bij het oude huis een eigen tuintje had. Later had ik dat wel. Daar zullen in ieder geval radijsjes in gestaan hebben. Verder weet ik het niet. Worteltjes? Dat zou zomaar kunnen.

Bij het oude huis hebben we in ieder geval aardappelen in de tuin gehad. Ik weet nog dat ze in kisten voor de kelder stonden. Ze moesten eerst 'gepoeierd' worden, tegen het uitlopen, en daarna konden ze de kelder in. Wij werden altijd voor de poeder gewaarschuwd: die was giftig.

Nadat we verhuisd waren, in 1969 dus, kwam in ieder geval Valkenier aan de deur, met zijn groentewagen. Achterin hing een weegschaal, met een bak met een knik erin. Daar legde hij de sinaasappels op als hij ze moest afwegen. Zo herinner ik het mij tenminste. Maar op de enige foto die ik van Valkenier heb (boven aan dit stuk, geratst van site van Oud Dodewaard), zie ik dat de weegschaal in ieder geval niet aan de achterkant hangt. Op de foto hiernaast (uit een andere streek, overigens) zie je de weegschaal zoals ik mij die herinner.

Valkenier had een pet op en meestal had hij (in mijn herinnering althans) een zwart manchester jasje aan en zwarte manchester broek. Zijn voeten waren wat naar binnen gekeerd en hij had een wat sloffende gang. Een rustige man, over wie mijn moeder meestal wel positief was. Als hij groente of fruit geleverd had waar wat mee was, zal ze hem dat best duidelijk gemaakt hebben, maar ik geloof dat het meestal wel in orde was.

Mijn moeder wist me ook nog te vertellen dat er, in latere jaren, ook andere groenteboeren langs de deur kwamen: Rikken, Wouters en Crum. Bij Rikken heb ik helemaal geen beeld. Mijn nicht Carola heeft er nog gewerkt, vertelde mijn moeder, maar ik heb er geen enkele herinnering aan. Wouters werd door ons Jippie genoemd. Volgens mij had hij een hoedje op, maar ik weet eigenlijk niets van hem. Crum was eerst boer en ging later in de groente. Om hem van andere Crummen te onderscheiden werd hij d'n baby of Baby Crum genoemd. Waarom dat was, weet ik niet. Mijn vader noemde hem nooit anders.

Intussen komt er weer een Valkenier bij mijn moeder aan de deur. De man is al over de zeventig, maar houdt het venten aardig vol. Hij komt eenmaal per week. Volgens mijn moeder wilde hij wel tweemaal in de week komen, maar vond ze dat niet nodig.

Of er nog veel groenteboeren langs de deur komen, weet ik niet. Ik heb het idee dat de groenteboer van mijn moeder een uitzondering is, maar misschien vergis ik mij erin. Toen de buurtsuper uit Herveld-Zuid verdwenen was, kwam de SRV-man aan de deur en ook in Ede heb ik nog wel zo'n winkelwagen meegemaakt. Daarin was ook groente te koop. Hebben die winkelwagens de groenteboer verjaagd? En rijden die winkelwagens er nog of zijn die intussen ook verdwenen? Veel straathandel is weg, de herinneringen zijn er nog.

Nog weer verder terug: groenteboer met paard en wagen. In dit geval de vader van striptekenaar Dick Heins. 

Foto uit Heerde


maandag 11 augustus 2014

De kanonnen van Navarone (Knipoog 36)


Voor op het katern 'Opinie en Debat' van NRC Handelsblad van afgelopen weekend (9/10 augustus 2014) staat een vraag: 'De kanonnen van augustus?' Op de afbeelding waarover die vraag gedrukt is, zien we kanonnen, zoals ze die wellicht in de Eerste Wereldoorlog hadden, die raketten afvuren, zoals die er nu zijn.

Dat alles wijst vooruit naar het omslagartikel, van Niall Ferguson, die zich afvraagt of een incident als het neerhalen van MH17 net zo'n incident kan zijn als het dodelijke schot op Franz Ferdinand in 1914 was. Tegen het eind van het artikel schrijft Ferguson:
De echte les van de geschiedenis is dat een kleine crisis over een stuk derderangs Oost-Europees onroerend goed alleen tot een mondiaal conflict zal leiden als de mensen die de beslissingen nemen een hele reeks blunders maken. Ik vind het beslist een blunder om Poetin door middel van sancties in een hoek te drijen die hem geen andere keus laat dan zwichten of vechten. Maar de prijs voor die blunder -aangenomen dat er geen MH17's meer volgen- zal voornamelijk door de Oekraïense bevolking worden betaald. 
Het zal je vaderland maar zijn, dat met 'een stuk derderangs Oost-Europees onroerend goed' wordt aangeduid.

'De kanonnen van augustus?' lijkt me een knipoog naar De kanonnen van Navarone, waar al eerder naar geknipoogd werd. Wat bekender was, weet ik niet, de film uit 1961 of het boek van Alister MacLean dat de basis ervan is. Het verhaal speelt zich overigens niet af in de Eerste maar in de Tweede Wereldoorlog.

Het is al meer dan vijftig jaar geleden dat mensen De kanonnen van Navarone in de bioscoop konden zien. Als ik het mij goed herinner, zag ik de film nog nooit en het boek las ik ook al niet. Maar de titel is mij zo bekend dat ik bij 'De kanonnen van augustus?' meteen aan De kanonnen van Navarone denk. Zo zal het wel meer mensen vergaan.


vrijdag 8 augustus 2014

De vergelding (Jan Brokken)


Toen vorig jaar De vergelding van Jan Brokken uitkwam, kreeg het uitgebreid aandacht. In het weekend lees ik drie kranten. In die kranten verschenen niet alleen recensies, maar ook interviews enartikelen, met foto's. Die las ik allemaal, zodat ik al een aardig beeld kreeg waarover De vergelding gaat. Over enkele Duitse soldaten die in oktober 1944 aan het stappen geweest zijn in Rhoon. Ze komen op de terugweg langs de vlasfabriek bij Het Sluisje. Een van de soldaten loopt er tegen een stroomdraad op en komt om. Zeven inwoners van het dorp worden als vergelding gefusilleerd. De vraag is of er wat de stroomdraad betreft sprake is van een ongeluk of van sabotage.

De vergelding leek me een interessant boek; ik hoorde er alleen maar goede berichten over. Aan het eind van het jaar nam ik het op in het lijstje van de beste boeken die ik niet gelezen had. Het boek leek me ook een goede mogelijkheid om opnieuw kennis te maken met het oeuvre van Brokken.

Eind jaren zeventig kocht ik regelmatig een nummer van de Haagse Post met daarin mooie interviews van Jan Brokken met schrijvers. Toen Brokkens debuutroman De provincie (1984) verscheen, kocht ik het boek meteen. De provincie is een degelijke en spannende roman over mensen die elkaar als jongeren hebben meegemaakt en daarna uit elkaar zijn geraakt. Ze komen weer bij elkaar en het verleden herleeft. Het is een formule waarvan veel gebruik wordt gemaakt. Een veelverkochte roman als Ventoux van Bert Wagendorp is op dat patroon geborduurd.

De provincie zag ik onlangs opnieuw bij de boekhandel liggen. Het verkoopsucces van De vergelding werkt blijkbaar ook door op de rest van Brokkens oeuvre. Zojuist kwam ik erachter dat het boek ooit verfilmd is, in 1991. Dat was mij geheel ontgaan. De film had een mooie bezetting: Thom Hoffman, Pierre Bokma, Gijs Scholten van Aschat, Tamar van den Dop.

Het tweede boek van Brokken, de verhalenbundel De zee van vroeger (1986) kocht en las ik ook. Mooi boek, in mijn herinnering. En daarna hield het op. Waarom dat zo ging, weet ik niet. Ik kreeg jaren later nog een exemplaar van De blinde passagiers (1995). Dat lag een aantal maanden op een stapel en daarna had ik dringend geld nodig, waardoor ik genoodzaakt was om met een paar tassen boeken langs antiquariaten te gaan. Ik vond een koper voor het boek.

De vergelding heb ik overigens niet gekocht; ik kreeg het van mijn kinderen. Mooie vakantielectuur, dacht ik en deze week las ik het. Inderdaad: een goed boek. Ten eerste blijkt uit alles dat Brokken goed weet waarover hij schrijft. Bert G. Euser heeft veel researchwerk gedaan en heeft met veel mensen gesproken en Brokken zal zelf ook veel opgezocht hebben. De lijst met geraadpleegde personen, boeken en archieven is indrukwekkend.

Om ergens uitputtend over te kunnen schrijven heb je in de eerste plaats informatie nodig. Die had Brokken. Verder heeft hij de betrokkenheid. Weliswaar kwam hij pas na de oorlog in Rhoon wonen, maar doordat hij zijn jeugd daar grotendeels heeft doorgebracht, is het wel zijn dorp. Dat blijkt ook uit De provincie. Niet voor niets situeerde Brokken dat in een dorp dat wel erg op Rhoon lijkt.

Ten derde is het boek gewoon goed geschreven, waarbij Brokken vertelt op een manier die we zouden verwachten bij een roman. Ik citeer het begin van hoofdstuk vijf.
Oberleutnant Karl Schmitz ging die avond vroeg naar bed. Zoals gewoonlijk had hij goed gegeten. Eten was belangrijk voor Schmitz, zo belangrijk dat hij zijn overplaatsing van Slikkerveer naar Hoogvliet alleen geaccepteerd had toen hij de schriftelijke garantie had gekregen dat hij zijn huishoudster - zelf zei hij: zijn keukenmeisje - mocht meenemen.
Koken konden ze niet in Nederland; het was afschuwelijk wat je op je bord kreeg. Hij had zeker drie keukenmeisjes versleten voor hij Maria in dienst nam. Zij scheen in ieder geval het verschil tussen doorbakken en aangebrand op te merken. Hij had haar tien gulden opslag beloofd als ze een paar gerechten op zijn Duits leerde klaarmaken. Dat had ze gedaan. Sindsdien keek hij naar de avondmaaltijd uit als een hond naar zijn kluif. 
Ik had ook andere delen van het boek kunnen citeren, maar dit is duidelijk genoeg. Zo'n passage zou prima in een roman kunnen staan. Er wordt een personage geïntroduceerd, door hem te laten zien: hij gaat naar bed. We kruipen in zijn hoofd, doordat ook zijn gedachten worden weergegeven ('Koken konden ze niet in Nederland; het was afschuwelijk wat je op je bord kreeg.') Zo leef je makkelijk met iemand mee.

Dat doet Brokken vaker: hij neemt de lezer mee, zodat die zich aanwezig waant bij wat er gebeurt. Als de vijf personen op het dijkje lopen en zonder dat ze het weten op weg zijn naar de stroomdraad, vertelt Brokken wie naast wie loopt: 'Ze liepen over de volle breedte van de dijk. Van links naar rechts Heinz Willems, Sandrien, Ernst Lange, Walter Loos, Dien.' Brokken vertelt er niet bij dat dat de volgorde is als je achter die personen loopt. Al gauw blijkt dat het geval te zijn, als hij vertelt dat Sandrien haar rechterhand op de heup van Ernst Lange heeft gelegd.

Waarschijnlijk heeft Brokken in gedachten meegelopen met de vijf, net als wij, de lezers. We lopen achter de soldaten en de twee meiden, zodat ons niets kan gebeuren: wij zullen niet als eerste op de draad trappen.

Een roman heeft ook een plot en dat heeft De vergelding ook. Al gauw blijkt dat Brokken ervan uitgaat dat er bij de vlasfabriek sprake was van sabotage. Maar wie heeft of wie hebben het gedaan? Eerst volgt Brokken een spoor, dat rechtstreeks naar de daders lijkt te leiden. Maar als we bijna zeker weten wie het gedaan hebben, blijkt er nog een andere mogelijkheid te zijn. En nog verderop in het boek laat Brokken zien dat er nog een derde mogelijkheid is. Omdat je als lezer wilt weten hoe het zit, blijf je doorlezen, hopend op een werkelijke ontknoping.

Van De vergelding zijn veel exemplaren verkocht. Hoeveel het er zijn, weet ik niet, maar het zullen er meer zijn dan honderdduizend. Bijna niemand koopt het boek omdat hij precies wil weten wat er Rhoon gebeurd is. We hebben gehoord dat De vergelding een goed boek is, en daarom lezen we het. Maar wie het gelezen heeft, heeft wel een mooi beeld gekregen van een dorp in de oorlog.

Rhoon is daarbij een atypisch dorp: er zaten wel erg veel Duitsers, zowel in het kasteel als ingekwartierd bij dorpsbewoners. Brokken beschrijft het dorp en heel veel dorpsbewoners. De informatie doseert hij goed. Ondanks het grote aantal personen, raken we de draad niet kwijt.

Het zou me niet verbazen als Rhoon intussen van tijd tot tijd toeristen trekt, al is er van de buurtschap Het Sluisje niets meer over: daar is een snelweg overheen gekomen.

Als ik De vergelding moet vergelijken met een ander literair werk, dan schiet me Brief aan Boudewijn (1980) van Walter van den Broeck te binnen. In dat boek leren we het plaatsje Olen kennen en onze gids neemt ons mee van huis tot huis in het buurtje dat 'de cité' wordt genoemd. Van den Broeck beschreef dat zo beeldend dat het toeristen aantrok. Toen ik het boek gelezen had, ben ik alles van Van den Broeck gaan lezen. Ik schreef een briefje aan de auteur (ik geloof naar aanleiding van Aantekeningen van een stambewaarder, 1977) en kreeg een heel aardig briefje terug.

Brokken heeft intussen een hele reeks interviews, lezingen, workshops, feestavonden en wat niet al achter de rug. Wellicht gaat dat nog een tijdje door. Ook hij zal wel zakken post krijgen en misschien beantwoordt hij die ook nog. Hopelijk komt hij ook nog toe aan het schrijven van een nieuw boek. Dat wachten we af.

donderdag 7 augustus 2014

Het orakel van Parijs


Rudy Kousbroek knipte ooit gravures uit oude Franse tijdschriften. Hij schikte die plaatjes (die bij verschillende verhalen hoorden) zo, dat hij er een verhaal bij kon vertellen. Het werd een wonderlijk, hilarisch verhaal: Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam.

Iets soortgelijks heeft Job Degenaar gedaan. De kunstenares Monica Maat had een serie plaatjes gemaakt op haar computer. Ze zien er als collages uit, waarbij steeds dezelfde figuren terugkomen, onder wie iemand met een cowboyhoed, een Elvisachtige figuur, een man op de rug gezien, een jongen met een een kleine dino (triceratops). Op veel tekeningen is een boog afgebeeld en de naam 'le Miracle' komt ook steeds terug. Door de terugkerende elementen ontstaat er min of meer een eenheid. De tekeningen zijn opgenomen in het zakboekje Het orakel van Parijs.

Degenaar heeft in deze uitgave geprobeerd om bij de verschillende afbeeldingen een verhaal te schrijven en dat viel duidelijk niet mee. Centrale figuur is Sophie Nathalie Lippens, een fotomodel. Nadat zij geïntroduceerd is, moeten de andere personages een plaats krijgen. Degenaar heeft ervoor gekozen om in de eerste hoofdstukken steeds een ander figuur op te voeren. Omdat hij de personages nogal uitgebreid inleidt, komt het verhaal nauwelijks vooruit.

Het grootste deel van het verhaal speelt zich af in het jaar 1989. We gaan door dat hele jaar heen, vanaf het voorjaar tot aan het eind van het jaar, maar de auteur krijgt het niet voor elkaar om de lezer mee te nemen in de beleving van de tijd. Voor mijn gevoel had het zich ook in een week af kunnen spelen.

Plaats van handeling: 'de ondergrondse gangen van Parijs', waar Sophie, vaak vergezeld van haar vriendin Sjaan, de wonderlijke figuren tegenkomt. Sommige mensen stammen uit haar verleden, zoals haar pianoleraar. Je hebt al gauw het idee dat veel van wat er gebeurt symbolisch bedoeld is.

Mij deed Het orakel van Parijs denken aan De kelner en de levenden van Vestdijk, maar Vestdijk levert je een stevig verhaal en dat krijgt Degenaar niet voor elkaar. Ik heb het idee dat hij vooral bezig geweest is om de details kloppend te houden. Sophie is fotomodel, dus af en toe moet er verteld worden dat ze naar een fotoshoot of modeshow moet. Dat wordt altijd terloops meegedeeld, alsof het voor Sophie niet belangrijk is. We vernemen ook nauwelijks wat er dan gebeurt. Haar vriendin Sjaan, heeft werk, maar daar hoeft ze maar twee dagen naar toe in het beschreven jaar.

De stijl van het boekje helpt ook al niet mee. Die heeft iets gewilds. Soms schurkt Degenaar aan tegen de stijl van een oud kinderboek, soms strooit hij met clichés (zweetparels, zweet 'gutst' van het lijf, 'ragfijn' geweven stoffen), spelt hij woorden op een afwijkende manier (exceem, embonpointe) en gebruikt hij samentrekkingen die net niet lijken te kloppen. Misschien zijn deze afwijkingen ontregelend bedoeld.

Dat geldt waarschijnlijk ook voor zinsneden als 'de oude, maar goedlachse gouvernante' en 'Haar silhouet, geflankeerd door een flatteuze hoed' (waarbij Degenaar duidelijk afwijkt van het plaatje, waarbij de vrouw de hoed gewoon op haar hoofd heeft en niet naast haar).

Je zou kunnen zeggen dat het hele verhaal de aanloop is naar het laatste hoofdstuk, waarin Sophie een plotseling inzicht krijgt. Van elk personage wordt verteld wat het verbeeldt en dat wordt samengevat in de onhandige zin 'Allen zijn het deeltjes van 'de ander' die me gevormd hebben en 'ik' werden.

Als de schrijver uit moet leggen wat hij bedoeld heeft, deugt het al niet, lijkt me. Als daar dan ook nog een plotseling inzicht voor nodig is, lijkt dat wel heel erg op een uiting van onmacht. Dat deed Vestdijk een stuk handiger en beter.

Het orakel van Parijs is een curieus boekje. Het is een aardig idee om de tekeningen met elkaar te verbinden tot een verhaal, maar de poging is niet geslaagd.



Titel: Het orakel van Parijs
Tekst: Job Degenaar
Beeld: Monica Maat
Uitgeverij Liverse, Dordrecht 2014.
148 blz. € 12,50

woensdag 6 augustus 2014

Naar zee (A. Wapenaar)



Waarom ik sommige boeken lees en andere niet, kan ik soms niet uitleggen.Waarom heb ik ooit Naar zee van A. Wapenaar gekocht? En waarom heb ik het ook gelezen? Komt het door het plaatje op de voorkant? Dat is een nogal stijfjes geschilderde vissersjongen. Hij lijkt wel te poseren. Dat plaatje roept wel meteen de sfeer van oude kinderboeken op en aangezien ik in mijn jeugd heel veel van dit soort boeken heb gelezen, geeft een verwijzing ernaar meteen een prettig gevoel.

Meer zal meegespeeld hebben dat het boek door Wapenaar is geschreven, iemand van wie ik eigenlijk niet veel afweet. Maar ik weet dat hij een dichter is en bij controle bleek dat ik twee dichtbundels van hem heb: Het komend koninkrijk (1941) en De vuurproef (1949). De oorlog is natuurlijk terug te vinden in die bundels. Het laatste gedicht van Het komend koninkrijk heet 'Bij den ingang van 1941' en het begint als volgt:
Dit jaar dreigt àan ons als een donk're krocht
Waarin we huiverend naar voren schuiven;
Is dit Gods wijnpersbak? Zijn wij de druiven?
Heeft hij vergeefs naar zuiv're vrucht gezocht?
Wapenaar was een christelijk dichter, al is hij in veel naslagwerken over de christelijke literatuur niet terug te vinden. Dat constateerde C. Bregman, die in 1993 een hele pagina van het Reformatorisch Dagblad aan deze auteur wijdde. Bregman acht Wapenaar belangrijker als criticus dan als dichter.

Arij Wapenaar (1883 - 1967) kwam uit een Vlaardings vissersgeslacht (zowel van moeders als van vaders kant) en is zo'n beetje zijn hele leven hoofdonderwijzer geweest in Berkum, een dorpje dicht bij Zwolle. Hij debuteerde in 1924 met de bundel Uit stille uren. Voor de oorlog publiceerde hij nog Het betere land (1931), daarna kwamen de twee bundels die ik al noemde en in 1962 kwam zijn laatste bundel uit: De laatste ronde.

In 1936 bundelde hij een aantal essays: Literaire overdenkingen. Het zullen de stukken zijn die hij publiceerde in De Rotterdammer en De School met den Bijbel. Het boekje dat ik gelezen heb, blijkt zijn enige jeugdboek te zijn. Ik kan mij wel voorstellen dat Wapenaar het na één boekje voor kinderen voor gezien heeft. Het is namelijk niet zo bijzonder. Jan gaat als jongen van nog geen twaalf naar zee op het schip waarop zijn vader kapitein is.

Natuurlijk wordt er verteld hoe hard het vissersbestaan is. Voor Jan valt dat nog wel mee, omdat hij min of meer als toerist meegaat. Er is nog een andere jongen, Janus, die niet wil deugen. Hij wordt betrapt op diefstal. Natuurlijk komt het, naar goed christelijke traditie in kinderboeken, allemaal goed: Janus heeft berouw en Jan, die zulke vervelende gedachten over Janus heeft gehad, gaat positiever over hem denken. Het is een doorsnee verhaaltje, dat eigenlijk nergens door opvalt.

Pas als het boek al over de helft is, komt de godsdienst in het verhaal. Het is het moment dat Janus betrapt is op diefstal. Als er morele overwegingen in het boek moeten, is de godsdienst dichtbij. Dan worden er psalmen gezongen en natuurlijk juist het psalmvers dat begint met 'Gedenk niet meer aan 't kwaad dat wij bedreven.'

Wapenaar heeft het verhaal waarschijnlijk willen vertellen omdat hij als kind ook enkele keren met zijn vader naar zee is geweest. Jan gaat dan ook met een vissersschuit uit Vlaardingen mee. Uiteindelijk leek het vader Wapenaar beter om Arij door te laten leren. Toen Wapenaar Naar zee publiceerde, was hij zevenenvijftig jaar oud, en ik kan mij voorstellen dat dat een leeftijd is waarop hij af en toe, misschien wel met weemoed, terugdacht aan zijn jeugd.

Aan het begin van het boek moet Wapenaar er nog duidelijk in komen. Hij praat dan over de hoofden van zijn personages heen tegen de kindertjes die het boek lezen. Zo vertelt hij dat de meester het wel goed moest vinden dat Jan een aantal weken naar zee ging: 'want een leerplichtwet was er nog niet.' Verderop zit je als lezer meer in het verhaal. De lezertjes (of hun ouders) hebben Naar zee waarschijnlijk wel gewaardeerd: het boek kreeg een tweede druk.

Het stof is intussen wel op Wapenaar neergedaald en dat geeft niet. Van tijd tot tijd zal iemand nog een bundeltje of dit kinderboek van hem tegenkomen op een boekenmarkt en in een opwelling besluiten het mee te nemen. Tot ook dat niet meer gebeurt.

Illustratie van G.D. Hoogendoorn: vechtpartij van Jan en Janus


Portret van A. Wagenaar, opgenomen in de bloemlezing Christelijke dichters van dezen tijd (samenstelling P.J. Risseeuw)