zaterdag 30 maart 2019

Lichtval (Marianne Grandia)


Christelijke boekenweekgeschenken bestaan officieel niet: de term Boekenweekgeschenk is beschermd en alleen het CPNB-boek mag zo heten. Dit jaar stelde het boekje van Siebelink niet veel voor en vorig jaar was het ook al droef gesteld met het Geschenk. Het christelijke Actieboek, van Els Florijn, was toen beter.

De christelijke Actieboeken zijn in de loop der jaren zeer wisselend van kwaliteit geweest. In deze bijdrage heb ik vier jaar geleden uitgebreid aandacht besteed aan wat ik toch maar de christelijke boekenweekgeschenken noem. Totdat het christelijke geschenk in 2006 het BCB-actieboek ging heten, was het een wonderlijk allegaartje. Nou ja, het officiële Boekenweekgeschenk heeft ook een lange geschiedenis van niet altijd gelukkig gekozen boekjes, totdat men het besluit nam om in ieder gevaleen literair auteur het Boekenweekgeschenk te laten schrijven. Dat garandeert geen kwaliteit, weten we nu.

Hoe de keuze van de auteur bij de christelijke Actieboeken precies verloopt, weet ik niet. Ik heb wel eens de indruk dat de christelijke uitgeverijen om beurten een auteur leveren. Deze keer is dat een auteur van Kok. In het verleden heeft het trouwens ook aardige geschenkjes opgeleverd, zoals Het naaiatelier van Mirjam van der Vegt en afgelopen maand nog besteedde ik aandacht aan het boekje van Cees Pols, dat thematisch interessant is.

Grandia

Dit jaar viel de eer te beurt aan Marianne Grandia. Die naam had ik nooit eerder gehoord, dacht ik, totdat ik me realiseerde dat ze voorbijgekomen is in de podcast De eerste zin. Helemaal beluisterd, hoor, maar ik heb er niets van onthouden. Waarschijnlijk was dat zo'n warmmenselijke aflevering met gedempte stem, die nauwelijks over het boek ging, maar meer over de persoon van de schrijver.

Lichtval heet de novelle en u kunt hem ongelezen laten. Het gaat om een man (Thijs) die weg is bij zijn vrouw (Jolanda) en zijn drie kinderen. Hij is voor zijn werk overgeplaatst naar het noorden des lands, maar de relatie tussen Thijs en Jolanda hield het niet en nu zullen ze uit elkaar gaan: er is al een afspraak gemaakt met een mediator, om de scheiding te regelen.

Grandia is geen auteur van literaire romans, maar van romans die vroeger werden geschreven door Jos van Manen Pieters, Nelly van Dijk-Has en Margreet van Hoorn. Ik weet dat dit een erg slordige vergelijking is. Ik heb de rest van het werk van Grandia niet gelezen en van de andere dames las ik ook niets. In ieder geval voldoet Lichtval aan het beeld dat ik van dit soort romans heb.

Herkenning

Mensen lezen dit soort boeken niet om iets nieuws te lezen, maar om iets wat ze al kennen. Herkenning is altijd prettig: je kunt je hersens uitschakelen en je wentelen in een verhaal dat verloopt zoals je al verwachtte. Wie de eerste pagina van Lichtval leest, weet het al: het komt allemaal weer goed. Nadat de nodige hobbels zijn genomen natuurlijk.

Thijs schrijft een lange brief aan Jolanda, op instigatie van zijn schoonmoeder en hij bekent schuld. Zijn geloofsleven stelde de laatste tijd weinig voor, maar hij is de Bijbel weer gaan lezen. Die lag in het vakantiehuis (chalet) dat hij intussen bewoont. Dat helpt natuurlijk, al gaat het niet helemaal vanzelf. Zoals in Sara Burgerhart tante Hofland tegen Broeder Benjamin al zei: ''t is niet altyd het effen wegje, Broêrtje.'

Deugende mensen

Niet alleen de voorspelbaarheid van het verhaal staat me tegen, maar ook de zeer deugende mensen. Natuurlijk zijn het mensen die fouten maken, anders zouden het heiligen zijn, maar het zijn wel suikerzoete karakters. Keurig, keurig en dus stomvervelend.

Zoals in veel christelijke romans wordt er te veel uitgelegd. De lezer mocht eens gaan denken! Dat kan niet de bedoeling zijn. Een voorbeeld: Thijs gaat fietsen, wat altijd goed is om op frisse gedachten te komen, en bedenkt dat hij de brief moet gaan schrijven:
Zijn tempo op de terugweg lag een stuk lager dan op de heenweg. Deels omdat hij moe was, maar ook om toch nog wat tijd te rekken tot dat moment waarop hij weer achter de laptop moest.
Ja, dat had iedereen al gesnapt, maar voor de zekerheid wordt het toch nog uitgelegd.

Clichés

Een docent die het begrip 'cliché' wil uitleggen, kan ruim putten uit Lichtval: het hangt van clichés aan elkaar. Als er een brief bezorgd wordt, ploft hij op de mat; als iemand spijt heeft, heeft ze dat 'als haren op haar hoofd'; als echtgenoten ruzie krijgen, gaat dat over rondslingerende kleren en haren die niet uit het doucheputje gehaald worden; als mensen met elkaar praten geven ze een inkijkje in hun hart; als de deur al openstaat als het bezoek arriveert, verwarmt dat gebaar iemand tot op het bot; als iemand verdriet heeft, schreeuwt hij, huilt hij, stompt in zijn kussen, bonkt met zijn hoofd tegen de muur en loopt hij rondjes; en gemis slaat een krater in het hart.

Eerlijk gezegd werd ik wat lacherig van de opeenhoping van clichés, al snap ik dat dat ongepast is. Dit boekje is bedoeld is om met halfgesloten ogen en een schuin hoofd te lezen.

Typetje

Vliegt er dan nooit eens iemand uit de bocht? Is er dan geen enkele dwarsheid in het boek? Nou ja, die Jolanda (Jootje) is wel een typetje, hoor. Waarschuwing vooraf:  hier volgt een heftig citaat:
Ze liep de trap af en ging naar de keuken. De koffie was natuurlijk al lauw. En ze vertikte het om nog een kop te zetten. Ze nam gewoon een wijntje.
Ter geruststelling: het is geen zuipfestijn geworden: ze drinkt het wijntje niet eens op.

Zo'n boek dus: mensen die fouten maken, maar weer vergeving krijgen en geven, met een duwtje in de rug van de tekst die de dominee bij hun huwelijk heeft gebruikt. Gezellig verteld, maar toch slaapverwekkend, omdat de hoop dat er echt iets nieuws zal gebeuren er al gauw niet meer is.

Ten slotte

Uit sympathie met Siebelink heeft ook Grandia een fout gemaakt in de spelling van een werkwoord: 'Waar leidt je dat uit af?' (blz. 84). Het zal best een aardige mevrouw zijn, maar haar boeken zijn aan mij niet besteed.

Elk jaar roep ik dat Janne IJmker onderhand aan de beurt is om het christelijke actieboek te schrijven. In 2020 misschien?


vrijdag 29 maart 2019

Podcast: De Grote Vriendelijke Podcast


Er zijn pas (of al) acht afleveringen beschikbaar van De Grote Vriendelijke Podcast, een podcast over kinder- en jeugdliteratuur. De makers zijn Jaap Friso en Bas Maliepaard, die elke aflevering een of meer gasten ontvangen. Om maar meteen met een oordeel te komen: het is een voorbeeldige podcast.

Allereerst zijn de makers goed ingeleid in de materie; ze weten wat er op hun vakgebied speelt. Verder zijn ze betrokken en daardoor enthousiast en dat slaat vanzelf over op de luisteraar, althans op deze luisteraar.

Duo

Het duo is evenwichtig: de twee zijn aan elkaar gewaagd en voluit collegiaal; ze kunnen best wat van elkaar hebben en geven elkaar de ruimte als dat nodig is. De sfeer is altijd goed.

De keuze van de schrijvers/onderwerpen is mooi afwisselend: van boekjes voor peuters tot die voor jongvolwassenen. Er is altijd een aanleiding in de actualiteit, maar ook de oudere jeugdliteratuur komt ter sprake. Elke aflevering wordt er een boek tot de Grote Vriendelijke Parel uitgeroepen. Dat is voor een luisteraar met een leesverleden altijd prettig: je mag weer even terugdenken aan Boris of Papa is een hond of Winterijs. Maar er komen ook boeken voorbij die (bij mij) minder bekend zijn, zoals De oorlog die mijn leven redde. 

Alle parels zijn hier terug te vinden. Vreemd genoeg staan in de stukjes over de boeken de titels tussen aanhalingstekens en niet cursief. Je moet de tekstjes bij de boeken helemaal lezen om aan de gegevens te komen en de plaatjes van de voorkanten van de parels zijn nogal klein. Het zou helpen als de gegevens van de boeken overzichtelijk onder elk stukje zouden staan.

Tips

Er worden ook tips gegeven door presentatoren en gasten en dat heeft bij mij geleid tot het lezen van bijvoorbeeld 67 seconden, een bijzonder boek van Jason Reynolds.

Verder is aandacht voor verschillende aspecten: niet alleen het schrijven, maar ook het vertalen en het illustreren komen aan bod.

Het hoofdbestanddeel van elke aflevering is het gesprek met een schrijver. Dat zijn soms schrijvers die al een tijdje meedraaien, zoals Jacques Vriens. Natuurlijk kende ik zijn naam, natuurlijk kon ik enkele titels noemen, maar ik had nooit de moeite genomen wat van Vriens te lezen. Na de bewuste aflevering las ik het boek Code Kattenkruid. Niet een heel bijzonder boek, maar dat weet je pas na het lezen.

Prima gesprekken die Maliepaard en Friso voeren. Goede vragen, waardoor de schrijvers niet op de automatische piloot antwoorden. Na een aflevering heb ik altijd zin om te gaan lezen en dat zal ook wel de bedoeling zijn.

In memoriam

Ook zeer te waarderen: na het overlijden van Peter van Gestel was er al heel snel een aflevering waarin hij en zijn werk centraal stonden. Mooi gedaan. Door zo snel aandacht aan deze schrijver te besteden, laat je zijn belang zien. Het werd een mooi beeld van de mens, de schrijver en zijn oeuvre.

Als er een nieuwe aflevering van De Grote Vriendelijke Podcast is, beluister ik die gewoonlijk binnen  een dag: ik leer er veel van en het is ook heel goed voor mijn humeur.

Op de site van de GVP is veel informatie te vinden. Alle aflevering zijn er te beluisteren.

donderdag 28 maart 2019

De Moeder de Vrouw (Andreas Oosthoek)


Het thema van de Boekenweek is 'De moeder de vrouw'. Daar was gedoe over, wat waarschijnlijk minder te maken heeft met het thema zelf dan met het feit dat voor geschenk en essay twee mannen zijn gevraagd, terwijl er heel veel vrouwelijke schrijvers zijn die ook in aanmerking hadden kunnen komen. 

Intussen is die ophef voorbij en gaat het gesprek vooral over het gebrek aan kwaliteit van Siebelinks Boekenweekgeschenk. Ik schreef daar hier over. Niet leuk voor de CPNB, die vorig jaar ook al met een prul het Nederlandse boek moest propageren. Het thema van de week komt vooral terug in het essay van Murat Isik, dat goed verkoopt, en bloemlezingen met gedichten over moeders en andere boeken en boekjes waarin moeder centraal staat. 

Mythe en misverstand

Andreas Oosthoek ging terug naar de bron, het gedicht van Nijhoff, in zijn boekje De Moeder de Vrouw, met de ondertitel 'Mythe en misverstand rond het beroemde gedicht van Martinus Nijhoff'. Die ondertitel zal wel bedoeld zijn om de interesse op te wekken; het boekje gaat over veel meer dan over mythen en misverstanden. En zo veel mythe is er nu ook weer niet rond het gedicht geweven. 

Oosthoek is goed ingeleid in het werk van Nijhoff. Hij kende de dichter lange tijd persoonlijk, kocht het huis van Nijhoff in Valkenisse en heeft de rechten over diens werk. Nijhoffs zoon Faan (Wouter Stefan) heeft veel spullen en papieren weg laten halen uit het huis en over laten brengen naar zijn eigen woonstee, maar er bleven ook dingen (boeken, documenten) achter. Oosthoek beheert die en gaat ze overdragen aan instanties die de zorg over zullen nemen. 

Oosthoek vertelt er smakelijk over in De Moeder de Vrouw. Verder geeft hij inzicht in de drukgeschiedenis van het gedicht. Nijhoff stond erom bekend dat hij nog eindeloos aan zijn werk bleef prutsen, ook als het al gepubliceerd was. Van het beroemde Bommelgedicht is een eerdere versie bekend, zodat we kunnen lezen dat de overzijden van vrienden buren werden en dat de vrouw eerst aan het roer stond en later bij het roer. 

Op een inhoudelijke eigenaardigheid als 'het schip dat zij bevoer' gaat hij niet in, maar er is intussen zo veel over dit gedicht geschreven, dat er vast wel iemand zich daarover heeft gebogen. 

Vragen

Kende Nijhoff de brug wel? En dronk hij liggend in het gras zijn thee? Op dat soort vragen geeft Oosthoek een helder antwoord. Prettig is dat hij altijd ingang heeft gehad tot de mensen die dicht bij Nijhoff stonden. Zo lezen we een mooi verhelderend gesprek met zus Pien, degene bij wie Nijhoff zijn thee altijd dronk. 

Er komen psalmen voor in 'De Moeder de Vrouw'. De christelijke letteren hebben geprobeerd Nijhoff te annexeren, hoewel hij zelf bij geloof of kerkgenootschap 'Geen' invulde. En zijn moeder dan die bij het Leger des Heils was? Ze was zoekende, zegt zus Pien. Ze raakte ook in de ban van de theosofie en de Vrij-Katholieke kerk en daar hoor je gewoonlijk geen psalmen. 

Gras

Het gras uit het gedicht zou ook kunnen duiden op de vergankelijkheid van het leven, zeggen de annexeerders. Oosthoek verwijst daarbij in een noot naar Jesaja 40 ('Alle vlees is gras'), maar niet naar Psalm 103, waar ongeveer hetzelfde in staat. Hoe dan ook, het is in dit gedicht gewoon gras. Lezers mogen in een tekst lezen wat ze willen, maar dat Nijhoff dit soort noties erin heeft gestopt is onwaarschijnlijk. 

Verder geeft Oosthoek wat je al in zo'n boekje verwacht: varianten op het gedicht, waarvan die van Kopland en Komrij het bekendst zijn. Er zijn er meer, waaronder een gedicht van Wolkers, dat meer markant is dan goed. Van Zuiderent nam Oosthoek het gedicht 'Weg' in het Duits op. Ik neem aan dat het een vertaling is. Als dat zo is, is mij niet duidelijk waarom het origineel niet geciteerd wordt. 

Vertalingen van het gedicht van Nijhoff vinden we ook terug, net als de geschiedenis van de bruggen in Zaltbommel. Daarnaast zijn er wat foto's. Op de voorkant een niet al te duidelijke foto van de dichter. Het blijkt een uitsnede te zijn van een foto die op de achterkant staat, waar er nog iemand naast Nijhoff staat. Zou dat Oosthoek zijn? Uitleg krijgen we jammer genoeg niet. 

Geen biografie

Oosthoek weet veel over Nijhoff en hij zou misschien wel een biografie kunnen schrijven, maar dat gaat hij niet doen. Wel wil hij aantekeningen maken bij het materiaal dat hij heeft en zo moeten we dit boekje dan ook zien. Dat verklaart en verontschuldigt ook een zekere rommeligheid. Zo is er niet echt een afsluiting, tenminste in mijn leeservaring. In de eerste hoofdstukken komen verder wel erg veel namen voorbij. Interessant voor iemand die zich op de Nijhoffstudie wil storten, maar de vraag is of ze genoemd hadden moeten worden in dit boekje. 

Van Oosthoek zijn nog meer van dit soort aantekeningen te verwachten. Hij kondigt het boek Nijhoff, Wind en Storm aan. Nijhoffs vrouw heette Netty Nijhoff-Wind en zijn zoon Wouter Stephan fotografeerde onder de naam Stephen Storm.

Wie van Nijhoff houdt of wie in ieder geval van het gedicht 'De Moeder de Vrouw' houdt, zal met veel plezier het boekje van Oosthoek lezen. En nu maar hopen dat iemand aan de hand van het aangereikte materiaal zich verder in Nijhoff verdiept. 

Toch nog maar even het hele gedicht:

De Moeder de Vrouw 
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd -
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken. 
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer, 
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

dinsdag 26 maart 2019

Afgestoft: Column 'Gelukkig!'


Veel van wat ik ooit schreef, ben ik kwijt en vergeten. Verloren geraakt op oude computers, zoekgeraakt tussen papieren, gedeletet om ruimte te maken. Heel soms vind ik iets terug, waarvan ik al niet meer wist dat ik het geschreven had. 

Onderstaande column schreef ik voor het Cultureel Café Dante en ik las het stukje voor op 26 mei 2011, nog voor Bunt Blogt bestond. Sommige dingen waarnaar verwezen wordt ontgaan mij nu: wat hebben hoofddoeken met de fiscus te maken? 

Blijkbaar was er, vlak voor ik de column schreef een onderzoek gedaan naar geluk. Dat is onlangs weer gebeurd, lees ik hier, en ook nu scoren de Nederlanders weer hoog. We zijn gelukkig! Indertijd schreef ik er dit over:

Gelukkig!


Wij zijn gelukkig. Niet alleen u en ik en de dames achter de bar, maar de Nederlanders. Goed, er zal nog wel ergens een mopperpot zijn die op dit moment sikkeneurig in zijn koffie staart, maar gemiddeld genomen zijn de Nederlanders gelukkig. Ik las het vanochtend in mijn krant en ik heb het nog eens nagekeken op internet.

Ik was meteen gerustgesteld. Over geluk hoef ik dus niet meer in te zitten; dat is binnen.

Dat wij zo gelukkig zijn, vind je terug op de Better Life Index van de OESO. We staan daarop vierde, achter Denemarken, Canada en Noorwegen.

Nu verbaast het mij niet dat wij gelukkiger zijn dan bijvoorbeeld mensen uit Griekenland. Die moeten al op hun eenenzestigste met pensioen, in de zomer sterft het er van de toeristen en dan heb je ook nog heel vaak hetzelfde weer: zon en anders niks.

Of je zult inwoner van IJsland zijn. Dan zijn er steeds mensen boos op je. Omdat ze hun geld niet terugkrijgen, bijvoorbeeld. Of omdat er weer een aswolkje ontsnapt is, waar jij als eenvoudige IJslander ook niets aan kunt doen. Dat lijkt een beetje op een verjaardag waar iedereen je boos aankijkt, terwijl volgens jou de ontglipte wind van iemand anders was.

Toch had ik niet verwacht dat ons land zo hoog zou eindigen op de geluksindex. Per slot van rekening wordt er heel wat afgeklaagd in dit land en we hebben zelfs een politieke partij die alleen maar dankzij dat geklaag bestaat.

Zo gauw de leider van die partij zijn mond opentrekt, komt er een tsunami van geklaag over je heen. Om het niet te hoeven horen, had ik een dubbel geïsoleerde hoofddoek omgedaan, maar dat bleek fiscaal weer niet handig te zijn.

En, laten we dat hier ook maar een keer hardop zeggen, we hebben toch eigenlijk ook wel redenen om te klagen. We hebben bijvoorbeeld alweer het Eurovisie songfestival niet gewonnen. Sterker nog, we hebben de finale niet eens gehaald.

Ik zal het wel weer niet mogen zeggen, maar volgens mij komt dat niet door de autochtone Nederlanders. Die stonden allemaal als één man achter de artistiek hoogbegaafde musici die wij afgevaardigd hadden. Hoe ze heten weet ik eigenlijk niet. Je schrijft 3JS, maar ze zeggen zelf de 3 j’s. Aan de Nederlanders (en onze premier zegt dan altijd: de hardwerkende Nederlanders) heeft het niet gelegen. Het zijn natuurlijk weer de buitenlanders die ons buiten de finale hebben gehouden.

Het zijn die onbetrouwbare Grieken, die hun rekeningen niet betalen, die IJslandse luchtvervuilers, die Belgen zonder regering, de Turken natuurlijk en de Marokkanen, want die zitten in alle Europese landen. Die drie j’s komen uit Volendam en daar stemt iedereen PVV, dus de link is gauw gelegd.

Reden genoeg dus om te mopperen. Maar we doen het niet. We laten snotverdorie ons geluk niet verpesten door dit soort kleinigheden. We lachen erom. 'Wij zijn gelukkig!' roepen we en als ze niet willen luisteren roepen we het nog iets harder: 'Wij zijn hartstikke gelukkig!'

En nu ook nog de pauze aanbreekt en de columnist zijn mond houdt, vallen we elkaar om de hals. We kunnen ons geluk niet op.

maandag 25 maart 2019

Alack Sinner; Het leven is geen stripverhaal, baby (Muñoz/Sampayo)


Onze maatschappij is veiliger dan ooit en er zijn maar weinig burgers die in aanraking komen met de zware misdaad. Tegelijkertijd heeft de misdaadwereld een brede belangstelling: we lezen boeken over misdadigers, volgen processen tegen zware criminelen per podcast en kijken eindeloos Netflixseries waarin politiecommissarissen of detectives moorden of verdwijningen oplossen.

Persoonlijkheid

Die series staan of vallen vaak bij de persoonlijkheid van de hoofdpersoon. Dat moet een figuur zijn die zich onderscheidt, of hij nu Sorjonen, Luther of Saga heet. Alack Sinner past in het rijtje markante misdaadoplossers. Hij heeft jarenlang bij de politie gewerkt en heeft daar nog steeds zijn contacten. Intussen is hij privé-detective. Hij zou zich kunnen bezighouden met weggelopen echtgenoten, maar om een of andere reden komen er altijd meer duistere zaken op zijn pad.

Alack Sinner is een creatie van het Argentijnse duo José Muñoz en Carlos Sampayo. De strip oogt al hard, door de inkleuring met grote vlakken zwart, zonder grijstinten, en ook de wereld van Sinner is hard. Hij lijkt illusieloos: een man die liever met rust gelaten wil worden. Maar als hij zich vastbijt in een zaak, laat hij niet meer los. Hij wil namelijk wel dat er recht gedaan wordt: de schuldige moet gestraft worden.

Wie geen illusies heeft, kan ook niets verliezen. Sinner neemt de zaken zoals ze komen en gaat er zo goed mogelijk mee om. Hij kan met afstand naar de omgeving en zichzelf kijken, altijd met wat je misschien zwarte ironie zou moeten noemen. Als hij gemarteld wordt, om informatie uit hem te krijgen is aan het begin de tekst: 'De verwennerij begon.' En na een poosje: 'Ik raakte bewusteloos. De jongens deden hun werk goed. Maar ik had echt niks te vertellen.' Alsof Sinner snapt dat hij zo hard wordt aangepakt: de anderen doen ook maar wat ze moeten doen.

Weinig emotie

Je merkt weinig emotie bij Sinner. Ook als er staat 'Ik had zin om te janken', kun je je niet voorstellen dat hij dat ook daadwerkelijk zal doen. Emoties leiden maar af en Sinner wil gewoon zijn werk doen en verder geen gezeur. Hij heeft een zekere onaantastbaarheid, maar hij blijft menselijk en hij neemt het op voor de zwakken, omdat zijn rechtvaardigheidsgevoel dat ingeeft. Dat het veiliger zou zijn om zich anders op te stellen, weet hij ook wel, maar zo zit hij niet in elkaar. De emotie zit bij Sinner in de daden. Daarin toont hij zijn betrokkenheid.

Bij uitgeverij Sherpa verschijnen de strips over Alack Sinner nu in een integrale uitgave. In het eerste deel staan zes verhalen: 'Gesprek met Joe', 'De zaak Webster', 'Viet Blues', 'Het leven is geen stripverhaal, baby', 'Hij wiens goedheid oneindig is', en 'Twinkle, twinkle'. In integrale uitgaven staat vaak een uitgebreid dossier. Dat is hier beperkt tot een bladzijde door Mat Schifferstein. De strip zal het zelf moeten waarmaken.

Eerlijk gezegd kende ik Alack Sinner niet. Ik voel me nog altijd meer een liefhebber dan een kenner en af en toe word ik pijnlijk geconfronteerd met mijn blinde vlekken. Sinner is zo'n vlek. Het voordeel is dat ik hem alsnog kan leren kennen en dat ik de kans krijg om hem voor het eerst te lezen. Na een enkel verhaal was ik al verkocht.

Sinner is geen gezellige man, maar je wilt alles van hem weten, waarbij je beseft dat hij tegelijkertijd een raadsel zal blijven. Maar wie de verhalen leest, kan hem even volgen en zich verbeelden dat hij een tijdje zwijgend naast Sinner aan de bar heeft gezeten. Hoofdpersoon en lezer wachten samen op het volgende verhaal.

Titel: Alack Sinner. Het leven is geen stripverhaal, baby.
Auteurs: José Muñoz en Carlos Sampayo
Uitgeverij: Sherpa
Haarlem 2019, hardcover, 208 blz. € 29,95

zondag 24 maart 2019

Jas van belofte (Jan Siebelink)


Een vader met een tuinderij, die zijn bedrijf af en toe in de steek laat om naar een kringgebed te gaan; een docent Frans die wil promoveren en in zijn school in een lokaal zit, afgezonderd van de rest van de schoolgemeenschap; iemand die een roman wil schrijven over zijn vader - waar kennen we dat van? Inderdaad, Siebelink heeft zijn oude orgeltje nog maar eens tevoorschijn gehaald om het deuntje te spelen waar hij succes mee gehad heeft.

In Siebelinks oeuvre kwamen altijd al twee thema's terug: het onderwijs (van Een lust voor het oog tot Laatste schooldag en Suezkade) en zijn vader en diens zware geloof, culminerend in Knielen op een bed violen.

Dat laatste heeft Siebelink nogal uitgemolken, in twee niet zo geslaagde romans: Margje en De buurjongen. Ook in het zojuist verschenen Boekenweekgeschenk Jas van belofte gaat Siebelink op die weg voort. Net als bij de vorige twee boeken worden de accenten wel anders gelegd dan bij het violenboek. Hier heten bovendien de personages anders. De zoon met wie we meeleven heet Arthur Siebrandi. De setting (de tuinderij) klopt met de voorgaande boeken en vader verlaat weer van tijd tot tijd het bedrijf om te gaan bidden met de broeders, maar op de elfde verjaardag van het jongetje Arthur verdwijnt vader. Men vindt alleen zijn fiets en zijn jas.

Proloog, epiloog

In de proloog wordt Arthur met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht en in de epiloog sterft hij. In het middenstuk wordt het verhaal van Arthur verteld, met af en toe een verwijzing naar de Arthur onderweg of in het ziekenhuis. Het zijn schaarse zinnetjes en je kunt je afvragen of die de constructie rechtvaardigen. Zonder proloog en epiloog was Jas van belofte eerder beter dan slechter geweest, lijkt me.

Er zitten, zoals gebruikelijk bij Siebelink, wat ongeloofwaardige wendingen in het verhaal: de nog jonge Arthur heeft een verhaal in een damesblad gepubliceerd en wordt naar aanleiding daarvan opgebeld door Edwin Wopereis, 'de zo gevreesde poëziecriticus'. Die vindt het verhaal goed en krijgt zelfs een uitgever zo ver dat het verhaal uitgegeven wordt. Waarom zou iemand die zich met poëzie bezighoudt moeite getroosten voor een verhaal? En welke uitgeverij gaat een los verhaal uitgeven?

Die uitgave heeft verder geen enkel gevolg. Siebelink had het alleen maar nodig om Edwin Wopereis te introduceren. Arthur is op dat moment bezig aan een dissertatie over de Franse schrijver Jean de Tinan en aan een dikke roman (waarbij de lezer automatisch denkt aan Knielen op een bed violen). Wopereis bemoeit zich met de roman, niet altijd naar de zin van Arthur.

Een schrijver die dichter bij hem staat, is Loet IJzertje, die gemodelleerd lijkt naar Louis Ferron. Later wordt hij overigens Loet Petit-Fer genoemd. Hij is de schrijver met wie Arthur nog wat kan praten over het geloof waarmee hij is opgegroeid en dat hij nooit helemaal is kwijtgeraakt.

IJdeltuit

Dan zijn er de vertrouwde schooldingen: de docent die zijn eigen gang gaat en zich afzondert van de schoolgemeenschap. Ook hier herkennen we Siebelink in en die is ijdel genoeg om te benadrukken dat Arthur zo populair bij leerlingen is. Ze komen zelfs om kwart over zes 's ochtends naar school om les van deze topdocent te krijgen. Waar ik opgroeide reageerde men op zo'n ongeloofwaardig verhaal gewoonlijk met: 'Ik kan het nog sterker vertellen, maar dan moet ik liegen.' Ook aan het eind van het boek moet iemand nog een keer zeggen dat de dikke roman van Arthur zo veel met haar gedaan heeft. Ook hier kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de schrijver zichzelf erg aan het kietelen is, net als in zijn vorige boeken. Het irriteert me, merk ik.

Arthur krijgt zelfs een relatie met een leerling, Caroline. Siebelink neemt grote stappen door de tijd. De relatie is begonnen voordat we het goed en wel in de gaten hebben (Arthur en Caroline zijn ineens op weg naar Parijs) en is ook zo weer over. Net als in de vorige boeken krijgt Siebelink het niet voor elkaar om de overgangen in de tijd een beetje soepel te doen verlopen.

Op bladzijde 78 vertelt de administrateur dat Arthur achtenvijftig is, op bladzijde 79 zegt de rector: 'Je wordt binnenkort vijfenzestig', zonder dat ik in de gaten had dat er een tijdsprong van zeven jaar was geweest. Op bladzijde 82 er dan al de tweeënzeventigste verjaardag van Arthur. Ja, de tijd gaat snel.

Je merkt het verlopen van de tijd ook aan Caroline, die ineens van de middelbare school af is en studeert en aan het slot is ze arts, zodat ze -handig- bij het sterfbed kan zijn. Arthur en zijn vrouw Lisette hebben geen kinderen. Hun enige kind werd dood geboren. Caroline heeft de leeftijd van hun kind. Doordat ook expliciet benoemd wordt, geeft dat de verhouding tussen Arthur en Caroline voor mijn gevoel ook iets onsmakelijks.

Het boek als kind

Geen kind, maar in de loop van de novelle is er steeds die dikke roman die misschien ooit zal verschijnen. Een boek als een kind, die vergelijking is al meer gemaakt. Als je dat impliciet houdt, heeft nog iets, maar het wordt ook nog eens uitdrukkelijk gezegd, waarmee alles platgeslagen wordt.

Dat expliciete is een probleem van Jas van belofte. Al in het begin komt de jas uit de titel voor, het enige wat vader heeft nagelaten. Verderop staat ook nog de bijbelpassage, waarin Elia met een vurige wagen ten hemel vaart. De jas die achterblijft wordt omgeslagen door zijn opvolger, Elisa. De vergelijking met vader en Arthur is duidelijk, maar die wordt dan ook nog een keer -pijnlijk, pijnlijk- uitgelegd. Zonde: zo werk je al het leven uit het boek. Aan het eind, vlak voor de epiloog is er nog een goed geslaagde verwijzing naar de hemelvaart van Elia (en mogelijk van vader). Daar had het boek mee moeten eindigen, lijkt me.

Dialogen

Dialogen zijn nooit de sterkste kan geweest van Siebelink. Het lukt hem niet om personen een eigen toon mee te geven. Caroline heeft -ze is dan nog leerling op de middelbare school- de sjaal van Arthur meegenomen op en zegt tegen hem: 'Ik ging op in het aanschouwen van je sjaal.' Dat geloof ik niet.
Of deze dialoog:
'Lisette, speel wat,' riep hij vanaf de overloop.
'Mozart?'
'Nee, liever de Prélude. Dat past beter.'
'Goed, Debussy.'
Die laatste zin heeft Lisette (die hier en ook elders in het boek nogal als dienstbaar wordt getekend) natuurlijk niet gezegd. Waarom zou ze? Hier horen we niet Lisette, maar de schrijver, die vindt dat er weer wat uitgelegd moet worden. Dat was niet nodig, want vijftig bladzijden eerder was ook al verteld dat de Prélude à l'après-midi d'un faune van Debussy is.

Er had een aardig boekje gezeten in Jas van belofte als de schrijver niet alles had uitgelegd, wat aan zijn dialogen had gedaan, zijn ijdelheid wat bedwongen had, meer gelet had op de overgangen in tijd, meer geschrapt had wat we niet nodig hadden, niet geleund had op oude successen. Dat is allemaal niet gebeurd en dat is jammer.

Ik weet best dat het lastig is om in minder dan honderd bladzijden een verhaal te vertellen als je gewend bent om dikke boeken te schrijven, maar Siebelink heeft ook boeken van geringe omvang geschreven, zoals Met afgewend hoofd, in mijn herinnering een van zijn beste boeken.

Ook hoeft niet altijd de autobiografie herkauwd te worden, zoals we zagen in Oscar. Als Siebelink nog een keer wat wil schrijven, hoop ik dat hij echt met iets nieuws komt.

Over andere Boekenweekgeschenken:
Gezien de feiten (Griet Op de Beeck)
Makkelijk leven (Herman Koch)
Broer (Esther Gerritsen)
De zomer hou je ook niet tegen (Dimitri Verhulst)
Een mooie jonge vrouw

Christelijk Actieboek 2018
Zeeglas (Els Florijn)

zaterdag 23 maart 2019

De schaduw van de Tambora (Philip Dröge)


Er is een indrukwekkende lijst te maken van boeken die ik ooit wilde lezen en waarvan het (tot nu toe) nooit gekomen is. In de afdeling non-fictie staan in ieder geval op de lijst: Congo, een geschiedenis (David van Reybrouck), Jacob van Lennep, een bezielde schavuit (Marita Mathijssen) en de biografieën van de koningen Willem I, II en III. Ja, en de boeken over de Boerenoorlog (Martin Bossenbroek), 1672 (Luc Panhuysen) en over bevindelijken in de Tweede Wereldoorlog (Ewart Bosma).

Soms komt het er toch van. Zo las ik onlangs De schaduw van de Tambora (2015) van Philip Dröge. De ondertitel: 'De grootste natuurramp sinds mensenheugenis'. Het is natuurlijk lastig om natuurrampen te vergelijken: een tsunami tegenover een vulkaanuitbarsting, een lawine tegenover een orkaan. Moet je alleen naar het aantal slachtoffers kijken om te zien hoe groot een natuurramp is? Nu ik het boek van Dröge gelezen heb, vermoed ik dat de uitbarsting van de vulkaan Tambora een goede kans maakt op de betiteling 'grootste natuurramp', vanwege de wereldwijde impact.

Uitbarsting

De Tambora is te vinden op het eiland Soembawa in wat destijds Nederlands-Indië was. Op 10 april 1815 is er een eruptie, met een knal waarvan mensen 2500 kilometer verder schrikken. Moderne geluidsdeskundigen denken dat de geluidssterkte 347 decibel is geweest. Het gruis en het fijne stof (tefra) dat omhooggespuugd wordt, komt tot 43 kilometer hoogte, volgens vulkanologen van nu. Dat is tot in de ozonlaag.

De stoffen die in de lucht terechtkomen, worden meegevoerd over de hele wereld. Het duurt twee maanden voordat Europa bereikt is. Intussen wordt overal het weer ontregeld, mislukken oogsten en breken er dus hongersnoden uit. Er vallen dode dieren uit de lucht, het sneeuwt waar nooit eerder een sneeuwvlok viel. In 1816 zal er in grote delen van Europa geen zomer zijn.

Gevolgen

Welke gevolgen heeft de uitbarsting zeker of mogelijk gehad? Philip Dröge heeft het nauwgezet voor ons geïnventariseerd. Sommige gevolgen zijn wellicht wat speculatief: zou China na de Tweede Wereldoorlog communistisch geworden zijn doordat het weer in 1815 zo in de war was? Er zal ongetwijfeld meer hebben meegespeeld.

Zelfs de uitvinding van de fiets zou (mede) veroorzaakt kunnen zijn door de uitbarsting van de Tambora. Het aantal paarden was gedecimeerd: er waren geen middelen om ze te blijven voeden en paardenvlees diende ook als voedsel voor de mens. Het zou kunnen zijn dat daardoor Karl von Drais een extra aansporing vond om tot een loopfiets te komen. Dröge maakt het wel aannemelijk, al kan hij natuurlijk geen sluitend bewijs geven.

Het kleurgebruik in de schilderijen van William Turner en Caspar David Friedrich is opmerkelijk, maar mogelijk staat het niet zo ver af van de kleuren die toen in de werkelijkheid te zien waren, door de stoffen die zich in de lucht bevonden. De schepping van het boek over het monster van Frankenstein (Mary Shelley) zou het gevolg zijn van de naargeestige zomer van 1816 en als de ouders van Joseph Smith niet hadden moeten vluchten voor de armoede was misschien de sekte van de Mormonen nooit ontstaan.

Honger

Schrijnend zijn de verhalen over de honger in bijvoorbeeld Zwitserland en in een missiepost van de Hernhutters bij wie toen de eskimo's werden genoemd. Huiveringwekkend is hoe door een enkele oorzaak het weer op zoveel plaatsen zo sterk ontregeld kan zijn. De sporen zijn terug te vinden in oude bomen, maar ook in ijs en in koraal. Er is nog steeds na te gaan welke stoffen toen naar beneden kwamen. Het is verbazingwekkend.

Het onderwerp is fascinerend, maar dat is niet het enige wat De schaduw van de Tambora tot zulke aangename lectuur maakt. Vaak gebruikt Dröge technieken die je zou verwachten bij romanschrijvers: we maken kennis met een historisch persoon, die door de beschrijving een personage wordt.  Die gaat de lezer volgen, waardoor hij met die persoon gaat meeleven. Het begin van elk hoofdstuk zou zo uit een roman kunnen komen:
Diep in zijn jas gedoken loopt een nog jonge man alleen over de winderige kade. Om hem heen heerst de vertrouwde bedrijvigheid van een havenplaats; zeelui, sjouwers, scheepsmakelaars, iedereen is bezig met werk. Maar de eenzame wandelaar heeft geen bestemming, hij loopt rond om de tijd te doden en warm te blijven in de snijdende herfstkou. 
In dit geval gaat het over Rudolf Zurlinden. Niet dat hij nu zo belangrijk is, maar hij is een voorbeeld van de mensen die probeerden Europa achter zich te laten om in Amerika een nieuw bestaan op te bouwen. De verhalen over de reizen naar Amerika zijn gruwelijk. Ik kende ze alleen met betrekking tot het vervoer van slaven. Deze witte mensen werden overigens soms ook behandeld als slaven.

Zijpaden

Als Dröge eenmaal zo'n personage gekozen heeft, volgt hij hem ook zo ver hij kan. Dan dwalen we wel af van de Tambora. De uitvinder van de fiets kreeg later bijvoorbeeld nog veel problemen door een uitspraak die zijn vader als rechter in een rechtszaak had gedaan. Dat hoeft niet allemaal verteld te worden in een boek over de gevolgen van een vulkaanuitbarsting, maar omdat de schrijver een goede verteller is, volgen we hem ook graag op de zijpaden.

Het laatste hoofdstuk is gewijd aan het onderzoek van de Tambora. Pas dertig jaar na de uitbarsting beklimt een onderzoeker voor het eerst de vulkaan. Het verhaal van deze man, Heinrich Zollinger, wordt uitvoerig verteld. Dat van de onderzoekers na hem is beknopt weergegeven - beknopter dan we van Dröge gewend zijn. Maar hij wilde misschien ook naar het einde van zijn boek.

Voordat In de schaduw van Tambora verscheen, had ik nooit van de vulkaan gehoord en dus ook niet van de uitbarsting en de gevolgen ervan. Nu ik het boek gelezen heb, snap ik niet dat een zo grote gebeurtenis zo lang buiten mijn blikveld heeft kunnen blijven. Vreselijke gebeurtenis, heerlijk boek.