maandag 10 oktober 2011

Wasdom


Als dichter is Hagar Peeters al geruime tijd geleden tot wasdom gekomen en dat ze nu een dikke bundel heeft die Wasdom heet, wil absoluut niet zeggen dat haar vorige bundels onvolwassen waren. Sterker nog: misschien waren die wel beter.

Er staat in deze bundel van 170 bladzijden werk dat in verschillende perioden is ontstaan. Een deel van dat werk had wel ongepubliceerd mogen blijven. Sommige gedichten komen niet veel verder dan woordspel, klank, dingetjes die aardig gevonden zijn.

Maar de beste gedichten ontstijgen dat moeiteloos. Daarin klopt een hart, daarin word je als lezer bij de mouw en soms bij de strot gepakt.

memento van de groningse folkingestraat

Hier oefenen onze blikken langs de gevels
met hun nog niet zo lang geleden
aangebrachte herdenkingskunst
het niet meer zien, dit nooit meer
kunnen bekijken en wanneer we kopen
bij de zevenenvijftig neringdoenden
in deze smalle steeg die in de stad ligt
als een schuilstraat, een verholen spleet

herhalen we het nooit meer iets afnemen
bij de bakker bij de koosjere paardenslager
herhalen we het nooit meer handeldrijven
hier in deze handelsstraat, toegangspoort
tot de stad en bedevaartplaats
waar de synagoge opnieuw openstaat
en woningen opgetrokken uit bestendige steen
met hun simpelweg er zijn
vereeuwigen dat hier leven een herhalen is
van de eindigheid van het leven

dat in deze altijd doorgaande straat
afgebroken is en in een van de talloze cafés
hier, waar we vrolijk zijn, herhalen we
het niet meer maar eens zo vrolijk zijn
van wie toen, in deze straat, zijn weggehaald.

Kijk, daar heeft Peeters me te pakken. Met zo’n gedicht waarin de eindigheid en het doorgaan samenkomen, waarin herhaald wordt wat er niet meer is, waardoorheen de tijd giert en waarin je met lege handen staat en toch een gedicht hebt.

Gelukkig staan er in Wasdom meer van dat soort gedichten. Is dat genoeg, een stuk of wat gedichten? Jazeker!

En soms heeft Peeters niet eens een heel gedicht nodig. Een titel als ‘Hij schreef oog en ik las oorlog’ heeft lading genoeg voor een heel gedicht.

Nog een paar regels die ik aanstreepte:

Met de traagheid van zwijgen kleedt ze zich uit.

--

Je tikt mij aan.
Ik raak alweer van slag.

--

deze kleine dood sterven we samen
om de grote alleen aan te kunnen gaan.

Wasdom verdient veel lezers en veel kopers en Peeters een strengere redacteur.

zondag 9 oktober 2011

Israël in 60 dagen

Israël is een moeilijk land. Bij ons thuis werd na elke maaltijd voorgelezen uit de Bijbel, dus zodra de paplepel neergelegd was, werd mij ingegoten hoe bijzonder het Joodse volk was.

Ook herinner ik mij wel hoe ik als bijna-achtjarige bij mijn oma op de vloer lag om in De Gelderlander het kaartje te bekijken waarop stond wat Israël nu weer veroverd had in wat later de Zesdaagse Oorlog zou gaan heten.

Maar intussen weten we ook genoeg over het lot van de Palestijnen; over De Muur die Israël geplaatst heeft; over de nederzettingen; over al die VN-resoluties waarover Amerika dan weer een Veto uitsprak.

De hoofdpersoon (de ik-figuur) in de beeldroman Israël in 60 dagen van Sarah Glidden is Joods en mag een ‘birthrighttour’ naar Israël maken. Ook zij staat ambivalent tegenover Israël. Ze verwacht op de tour emmers vol propaganda over zich heen te krijgen.

In een dik stripboek doet Sarah Glidden verslag van haar reis en van wat er in haar innerlijk gebeurt. Ze doet dat in bescheiden tekeningen, die helemaal in dienst staan van het verhaal. Uiteindelijk weet ze steeds minder goed wat ze van Israël moet denken, dat land waar ze tegen wil en dank mee verbonden is.

Een citaat: ‘Sommigen van ons ervaren Israël als een gekke oom… We hebben gen invloed op hem, maar we voelen ons wel verantwoordelijk voor zijn gedrag. Als we hem afwijzen, ziet iedereen dat we ons schamen.”

Israël in 60 dagen is een persoonlijk boek geworden. Doordat Glidden haar eigen twijfels ruimte geeft en voor veel meningen openstaat, is het een genuanceerd boek geworden, dat de lezer aan het denken kan zetten.


vrijdag 7 oktober 2011

Het allerslechtste nummer

Tijdens het surfen op het wereldwijde web stuit je surfplank soms op vreemde eilandjes. Zo kwam ik onlangs terecht op Crap from the past, een radioprogramma met daarin ‘oude’ muziek, vooral uit de jaren tachtig en negentig. Mijn podcastprogramma haalt wekelijks de nieuwe aflevering binnen en intussen heb ik al heel wat uren beluisterd en heb ik me laten vermaken door de presentator, Ron ‘boogiemonster’ Gerber.

Crap from the past heeft een prachtig archief, zodat ook alle oude afleveringen te beluisteren zijn. Daarvan download ik soms wat, zoals de aflevering van 11 juni 1997. Daarin werd een nummer gedraaid dat volgens de presentater ‘the worst record ever’ is.

Het betreft het nummer ‘My Pal Foot Foot’ (1969) van het damesgroepje The shaggs. Ik ben geen kenner, maar ik heb het idee dat de instrumenten gebrekkig worden bespeeld en de zang is ook niet veel. Eigenlijk is het vreselijk. Daardoor is het grappig en roept het tegelijkertijd deernis op. Luister maar:



donderdag 6 oktober 2011

Stripgedichten


Edward van de Vendel schrijft leuke gedichten voor kinderen. Waarschijnlijk kennen velen zijn Superguppie. Floor de Goede is de tekenaar van de strip Flo, waar ik wat minder van hou, maar dat zal wel een kwestie van smaak zijn.
Deze twee hebben hun krachten gebundeld in enkele boekjes met stripgedichten: gedichten waar strips van gemaakt zijn. Het is een bijzonder gelukkige combinatie. De gedichten van Van de Vendel lopen altijd als een trein en de tekeningen van Floor de Goede blijken er wonderwel bij te passen.
De onderwerpen van de gedichten zijn voor kinderen herkenbaar: van een afkeer van zoenende tantes tot de gedachte dat gras maaien wreed is. In sommige gedichten is de gedachtegang bijzonder origineel. Bijvoorbeeld dat er ringtones uit mensen bloeien. Een sms’je is dan een doosje met uitgedroogde zaadjes.
Wie kinderen van acht jaar en ouder met poëzie wil laten kennismaken, zou ernstig deze stripgedichten moeten overwegen. Nee, hij zou ze vrolijk moeten overwegen.


Dit plaatje heb ik later toegevoegd, toen bleek dat het oorspronkelijke plaatje was weggevallen. Mogelijk komt het uit een andere bundel van Edward van de Vendel.

woensdag 5 oktober 2011

Vossenblond


De boeken van Rascha Peper lees ik altijd met plezier, ook wanneer ik ze niet helemaal goed vind. Vertellen kan ze wel en ook schrijft ze wel over onderwerpen die niet elke andere schrijver al uitgekauwd heeft.

In Vossenblond (2011) blijft ze zichzelf trouw. Een van de belangrijke personages is een vrouw met rossig haar, zoals in Dooi (1999). De hoofdpersoon voelt zich seksueel aangetrokken tot iemand en dat is niet helemaal koosjer. Dat was ook het geval bij de pedofiele hoofdpersoon in Rico’s vleugels (1993). In Vossenblond  gaat het om een mogelijke incestueuze relatie.

En dan is er de aandacht waarmee de bijzondere bezigheden van de hoofdpersoon worden beschreven. In dit boek gaat het over de skeletten die de archeozoöloog Walter Tervoort moet opgraven uit de Grote Kerk in Altaar en moet bergen. In Vingers van marsepein (2008) ging het over de preparateur Frederik Ruygh, die lichaamsdelen op sterk water zette. Tervoort wordt in zijn beroep bijzonder geloofwaardig neergezet. Dat deed Peper ook met bijvoorbeeld het schelpen verzamelende echtpaar in Rico’s vleugels.

Net als in Dooi verdwijnt er een meisje in Vossenblond en in beide boeken is dat een beetje onbevredigend. Ook de man die zo nodig een meisje wil redden dat in de prostitutie zit, is niet bijzonder origineel, sinds bijvoorbeeld Vals licht van Zwagerman, maar dat heeft me niet zo gestoord.

Er is misschien wel van alles aan te merken op het nieuwste boek van Rascha Peper, maar ook nu heb ik het weer met plezier gelezen. Eigenlijk heb ik liever een niet volmaakt boek, waaraan ik desondanks plezier beleef, dan een volmaakt boek dat me niks doet. Van mij mag Peper nog meer van zulke boeken schrijven.

dinsdag 4 oktober 2011

Er was eens...


Het is natuurlijk een titel van niks: Er was eens… In ieder geval is het een stuk minder dan de originele titel, Il était une fois dans France. Dat verwijst tenminste nog naar de bekende film Il était une fois dans l’ouest of naar Once upon a time in America. Bij Er was eens… denken we alleen aan sprookjes en daar heeft de stripserie van Fabien Nury en Sylvain Vallée niets mee te maken.

Het scenario van Nury gaat over Joodse handelaar in metalen Joseph Joanovici, die vlak voor de Tweede Wereldoorlog vanuit Roemenië in Frankrijk komt. Hij werkt zich in korte tijd op, maar komt in de oorlog natuurlijk in problemen.

Hij verbindt zich zowel met het verzet als met de Duitsers, zodat hij moeilijk te plaatsen is. Is hij een collaborateur? Een verzetsheld? Een opportunist?

In de strip raak je bij hem betrokken, zonder dat hij werkelijk sympathiek wordt. Je weet dat hij over morele grenzen gaat en tegelijkertijd snap je dat hij veel wil doen om zijn huid te redden. Nury oordeelt niet, maar laat het zien in de tekeningen van Vallée. Goed getekend, fraai ingekleurd.

Tot nu toe zijn er drie delen verschenen. Ik snap dat het niet anders kan, maar eigenlijk zou je zo’n fascinerend levensverhaal in één keer moeten kunnen lezen. De afzonderlijke delen hebben iets onafs en ongeduldig moeten we wachten op de delen die nog volgen.

Opmerkelijk overigens dat deze serie verschijnt bij de Standaard Uitgeverij, die we kennen van Suske en Wiske, Kiekeboe en De rode ridder. Dit is heel andere koek. En wat mij betreft is deze koek ook heel wat smakelijker. Wie weet wat we van deze uitgeverij nog kunnen verwachten.

zondag 2 oktober 2011

Mama Tandoori


Er zijn nog maar weinig mensen die Mama Tandoori (2010) van Ernest van der Kwast niet hebben gelezen. Tot voor kort was ik een van die weinigen. Maar nu niet meer.

Voor wie het nog niet weet: in Mama Tandoori schrijft Van der Kwast vooral over zijn Indiase moeder. Een vrouw met vreselijke trekjes, maar hij schetst haar met betrokkenheid. En met humor.

Leuke passages zijn er genoeg te citeren. Deze bijvoorbeeld. Moeder deed aan hardlopen. ‘Hier maakte mijn moeder drie keer een valse start. Ze liep desalniettemin de sprint uit en finishte als eerste, terwijl de andere atleten nog in startpositie zaten. Nog nooit was haar voorsprong zo groot geweest. Aan het einde van de dag waren er acht juryleden nodig om mijn moeder van het erepodium af te trekken.’

Maar er zijn ook genoeg leuke boeken en moeten we dan ook nog Van der Kwast lezen? Niets moet, maar ik zou het maar doen. Vooral ook vanwege de laatste hoofdstukken van het boek. Daarin reist de ik-figuur naar India en ontmoet de zussen van zijn moeder. Een van de zussen is eigenlijk nog moeilijker dan zijn moeder en je merkt hoe hij met haar te doen heeft.

In dat hoofdstuk lukt hem het best wat in de rest van het boek eigenlijk ook al gelukt is: iemands moeilijke kanten laten zien, zonder haar af te vallen. In het slothoofdstuk blijft ook de ik-figuur niet buiten schot.

Natuurlijk is Mama Tandoori leuk. Maar gelukkig is het meer dan dat. Lezen dus!