Op 2 juli 2007 stond in het Nederlands Dagblad deze recensie, van Datumloze dagen van Jeroen Brouwers. Ik hou erg van het werk van Brouwers, zowel van zijn romans als van zijn essays of zijn polemieken. Goed, hij ronkt soms een beetje, maar hij formuleert altijd nauwkeurig en altijd is het volop Brouwers.
Wat zijn beste roman is, kan ik niet zo direct zeggen. Ik was erg onder de indruk van zijn laatste, Cliënt E. Busken, maar Het hout is ook indrukwekkend en indertijd heb ik ook zeer genoten van de andere romans. Datumloze dagen is een ontroerend boek over een vader en een zoon. Afijn, lees maar.
Op dit moment lees ik de briefwisseling tussen Jeroen Brouwers en Geert van Oorschot. Een dik boek, maar ik vind het allemaal weer heerlijk. Ik lees elke dag vijf of tien brieven en dat is een leeswijze waar ik veel plezier aan beleef. Over een paar weken lees je wat ik ervan vind.
De verloren vader
Jeroen Brouwers is een gigant in onze literatuur. Zijn bibliografie telt meer dan vijfenzeventig titels, verspreid over allerlei genres: romans, verhalen, essays, polemieken, toneelstukken, egodocumenten, wat al niet. In al die werken is Brouwers herkenbaar. Al bij de eerste zinnen proef en ruik je het: de zorgvuldige stijl, met daarin de opvallende vergelijkingen en andere vormen van beeldspraak; de toon, waarin altijd de stem van de schrijver terug te horen is; en altijd weer de compositie, waarin dingen herhaald worden en tegelijkertijd een slagje gedraaid, zodat ze hetzelfde en tegelijkertijd niet hetzelfde zijn.
Datumloze dagen past in het oeuvre van Brouwers als een hand in een handschoen. Zoals hij Bezonken rood vooraf liet gaan door een stukje waarin de wind waait die alles aanraakt, begint hij zijn nieuwe roman met een stukje over de schaamte. In het leven doe je dingen verkeerd. Niet per se met opzet, maar ze staan wel op je rekening en je schaamt je erover. 'Hoe ouder je wordt, hoe meer schaamte.' In Datumloze dagen schaamt een man zich over hoe het gelopen is tussen zijn zoon en hem, over hoe hij niet de vader heeft kunnen zijn die hij had moeten zijn.
Het boek draagt als motto een Bijbeltekst: II Samuël 18:33. De tekst wordt niet geciteerd, zodat de lezer die zelf even moet opzoeken. In de NBV blijkt het vers doorgeschoven te zijn naar het begin van hoofdstuk 19, maar ik herinner het me als laatste vers van een hoofdstuk, dat nog nadreunde nadat de Bijbel was dichtgeslagen. Het is een schrijnend Bijbelgedeelte, waarin David treurt over de dood van zijn zoon Absalom en wenst dat hij voor hem had kunnen sterven. In de Statenvertaling luidt de tekst: 'Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!'
Ootmoed
Nu we de Bijbel toch open hebben, kunnen we meteen verder bladeren naar het Nieuwe Testament, de gelijkenis van de verloren zoon. Ook die draait Brouwers een slag: het wordt de gelijkenis van de verloren vader. Een echtpaar, vanaf het begin eigenlijk al niet gelukkig, krijgt toch een kind, hoewel de vader dat uitdrukkelijk niet wil. De zoon heet Nathan, zoals een van de zonen van David, maar ook zoals de profeet die David het oordeel aanzegt. De vader probeert een goede vader te zijn, maar het huwelijk is al broos geworden en het verkruimelt en valt uit elkaar. Vader en zoon (het kind is nog maar vijf, zes jaar oud) worden gescheiden. Ze zien elkaar lang niet terug.
Zoals eens de verloren zoon, trekt de vader de wereld in. Hij werkt aan universiteiten in Amerika en Frankrijk en bezoekt congressen in nog weer andere landen. De tijd glijdt voorbij. Het zijn 'datumloze dagen', schrijft Brouwers, dagen die voorbij gaan zonder indruk achter te laten. Maar de zoon blijft uitkijken naar de vader, reist hem na, zoekt hem op. Zelfs nadat ze opnieuw kennis hebben gemaakt, verliezen ze elkaar uit het oog en bij nieuwe ontmoetingen blijkt de vader steeds zijn zoon niet te herkennen.
Uiteindelijk laat de zoon de vader roepen, aan zijn ziekbed dat zijn sterfbed zal worden. Zoals de verloren zoon in de parabel zijn schuld belijdt en zich zelfs al heeft voorgenomen om te zeggen dat hij niet meer waard is een zoon genoemd te worden, belijdt in Brouwers' boek de vader schuld:
Als er sprake is van schuld, dan neem ik die volledig op mij. Als ik hem door mijn toedoen heb teleurgesteld, verdriet heb gedaan, spijt me dat zolang ik nog adem, misschien kan hij mij de dingen vergeven en als hij dat niet kan, zou ik het in alle ootmoed accepteren.
De zoon trekt de rekeningen gelijk:
Alles wat je daar zegt, zeg ik ook tegen jou, sorry dat het allemaal zo is gelopen, ik ben een even grote klootzak als jij.
Heel groten
Een bladzijde eerder had de vader al gesproken als de treurende David:
Laat mij in dat bed gaan liggen, doe die afgrijselijke ziekte maar over aan mij, jij vindt het leven prachtig en mij heeft het nooit iets uitgemaakt, bovendien hoef ik sowieso niet zo lang meer.
De letterlijk doodzieke zoon doet zijn vader dan een laatste verzoek, hem zo de kans gevend te tonen dat hij werkelijk een vader is. Om des plots wille kan daar verder weinig meer over gezegd worden dan dat Brouwers de lezer bij de keel grijpt en hem meesleurt naar het einde van het boek.
Het hele boek door, als alles achter de rug is, loopt de vader door het bos waarin zijn huis staat. Hij telt bomen. Een zinloze bezigheid, maar wat heeft er nog wel zin? De vader vraagt het zich af. Wellicht toch het feit dat hij vader is, al leeft zijn zoon niet meer. Misschien is het voor hem genoeg.
Brouwers heeft al veel mooie boeken geschreven. In november krijgt hij daarvoor de Prijs der Nederlandse letteren. Die prijs zal hij niet accepteren. Te weinig geld, vindt Brouwers. Een dergelijke prijs zou een schrijver, die immers geen pensioen heeft, in staat moeten stellen riant te leven en daarvoor is het bedrag te klein. In ieder geval wordt Brouwers opgenomen in de lijst van de heel groten, net als drie jaar geleden Hella Haasse en nog weer eerder Harry Mulisch, Gerrit Kouwenaar, Willem Frederik Hermans en Simon Vestdijk. Daar hoort Brouwers thuis.
Eerder schreef ik over:
Dol op Brouwers en toch veel te weinig gelezen. Dank voor het afstoffen. Ik denk dat ik deze eens oppak. Ik ben door jouw recensie eigenlijk wel benieuwd hoe en of het zich verhoudt tot Faulkner's "Absalom! Absalom!"
BeantwoordenVerwijderenVan dat laatste weet ik dan weer helemaal niets, Raymond. Heb je Het hout gelezen? Dat is wellicht nog net iets beter.
Verwijderen