maandag 16 december 2013

Maarten 't Hart, Jan Siebelink en Franca Treur in Liter


Liter is een prachtig literair tijdschrift. Elke keer als ik een nieuw nummer doorblader, besluit ik om het voor een groot gedeelte te gaan lezen. Daar komt het eigenlijk nooit van. Wel lees ik altijd de korte stukjes achterin, 'Maatwerk', en verder een interview of een paar gedichten.

Ook bij het net verschenen Liter 72 las ik meteen de afdeling Maatwerk. Daarin schrijft Els Meeuse over Het smalle pad van de liefde van Vonne van der Meer en meteen daarna volgt een stuk van Elizabeth Kooman over Donderdagmiddagdochter van Stevo Akkerman.

Kooman schrijft een mooi stuk, waarin ze uitlegt waarom ze het boek van Akkerman goed vindt. Ze gaat daarbij ook in op wat de auteur buiten het boek om verteld heeft:
In een interview in Kunststof -zie de link op leesliter.nl- zegt Akkerman zich te hebben afgevraagd waarom hij dit boek over zijn geloofsweg zou moeten publiceren. Er waren hem tenslotte al zoveel schrijvers voorgegaan, bijvoorbeeld Maarten 't Hart en Jan Siebelink. Akkerman had zijn eigen motieven, maar de belangrijkste reden waarom ik blij ben dat hij over dit thema schreef, noemt hij niet. Anders dan veel van zijn voorgangers is Akkerman een blijver. Hij hangt een geloof met gaten aan, maar een geloof is het wel degelijk.
Dit gedeelte viel me op, omdat twee bladzijden eerder de namen van 't Hart en Siebelink ook al werden genoemd, door Els Meeuse. Meeuse staat stil bij de bekering van May in Het smalle pad van de liefde. Daarna schrijft ze:
In Zondagavond van Vonne van der Meer kwam ook al een indrukwekkende bekering voor. En dan hebben we Stille zaterdag van Désanne van Brederode. Is er sprake van een nieuwe trend in de literatuur? Ontwaken de tegenhangers van Maarten 't Hart, Jan Siebelink en Franca Treur?
Voor een trend in 'de literatuur' heb je meer dan twee auteurs nodig, maar daar gaat het mij even niet om. Opmerkelijker vind ik dat twee keer in drie bladzijden 't Hart en Siebelink (en een keertje Treur) genoemd worden om een tegenstelling aan te duiden.

Kooman schrijft dat Akkerman een 'blijver' is; hij blijft bij het geloof en neemt er dus geen afstand van, al moet hij zich opnieuw leren verhouden tot het geloof van zijn jeugd. De namen van 't Hart en Siebelink worden genoemd door Akkerman. Waarschijnlijk sluit Kooman hen in bij de 'voorgangers', waarvan ze zegt dat het geen blijvers zijn: zij stapten uit de kerk en het geloof.

Akkerman zegt iets over 't Hart en Siebelink, namelijk dat ze gepubliceerd hebben over hun geloofsweg. Is dat zo?

Maarten 't Hart wel. In bijvoorbeeld Wie God verlaat heeft niets te vrezen (1997) neemt hij stelling tegen de Bijbel en daarmee tegen het geloof en de gelovigen. Op meer plekken in zijn oeuvre maakt 't Hart duidelijk dat hij niet veel moet hebben van het geloof uit zijn jeugd.

Siebelink lijkt me een lastiger geval. Niet al zijn boeken heb ik gelezen, maar als het over Siebelink en het geloof gaat, wordt meestal Knielen op een bed violen genoemd. In die roman komen de mannen in de zwarte pakken er niet best af, maar van de gelovige vader wordt een liefdevol portret getekend. Je hebt het idee dat niet het feit dat hij gelooft hem gemaakt heeft tot een man die zijn gezin verwaarloost, maar het feit dat hij in de ban gekomen is van de representanten van een sektarische beweging.

Els Meeuse noemt Maarten 't Hart, Jan Siebelink en Franca Treur tegenhangers van Vonne van der Meer en Désanne van Brederode. Aangezien ze het over 'de literatuur' heeft, mogen we ons hier, zoals het hoort, beperken tot het oeuvre van de auteurs. Zoals gezegd: 't Hart is een duidelijk geval. Siebelink ligt lastiger. En Franca Treur?

Ik weet dat het geheugen niet betrouwbaar is. Als ik een boek gelezen heb, blijft er een globaal beeld hangen en misschien klopt dat niet. Bij Dorsvloer vol confetti denk ik vooral aan een roman die zich afspeelt in plattelandsgemeenschap. Het zal wel komen doordat ik een boerenzoon ben, maar ik zie vooral die boerderij in dat dorp voor me. In het dorp wonen nogal wat gelovige mensen, maar dat lijkt me secundair. Treur had ook een ander dorp als setting kunnen gebruiken.

De hoofdpersoon, Katelijne, is een gelovig meisje dat wel vragen heeft over het geloof. Maar Treur neemt in het boek geen afstand van het geloof. Zij maakt gelovigen niet belachelijk. Zij haalt de Bijbel niet onderuit. Eerlijk gezegd snap ik niet hoe het werk van Treur genoemd kan worden als tegenhanger van bekeringsgeschiedenissen.

Of de auteur zelf wel of niet gelovig is, doet er niet toe. In Dorsvloer vol confetti wordt nauwelijks alcohol gedronken (alweer: als ik het me goed herinner), maar dat wil niet zeggen dat Treur geheelonthouder is. Het maakt trouwens niet uit: ze mag elke avond laveloos op de bank hangen, ze mag elke zondag drie keer naar de kerk gaan. Ze mag zich ook beperken tot een sapje en de kerk elke zondag voorbijlopen. In de literatuur telt alleen het literaire werk.

Stiekem denk ik dat Meeuse afgaat op uitlatingen van Franca Treur in interviews. Voor zover ik die gelezen heb, zet Treur zich ook daarin niet af tegen het geloof, maar vertelt ze dat ze niet meer gelooft. Ook in die interviews is ze niet bepaald een tegenhanger van een schrijver van bekeringsgeschiedenissen. Maar blijkbaar heeft Meeuse wel het beeld dat Treur, net als 't Hart, een kruistocht voert tegen de Bijbel of het geloof. Het zegt iets over het imago dat Treur heeft in bepaalde kringen, niet over haar werk.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen