vrijdag 27 december 2013

Kolenboer (Aan de deur 2)


In een eerdere bijdrage vertelde ik dat ik weinig herinneringen heb aan de olieboer. Aan de kolenboer heb ik er meer, waarschijnlijk doordat hij vaker kwam. Er waren mensen met een kolenhok, die de voorraad voor de hele winter in één keer lieten komen, maar dat hoorde ik pas veel later. Ik herinner het me niet uit mijn familie.

Zou de kolenboer wekelijks langsgekomen zijn? Het zou kunnen, maar ik vermoed dat we steeds brandstof voor enkele weken insloegen. Als het weer zover was, kwam de kolenboer met zijn vrachtwagen. Als ik het mij goed herinner, was het een rode Bedford. Op de spatborden aan voorkant stond aan beide kanten een naar buiten wijzende pin met een knop erop. Pas later heb ik me gerealiseerd dat die pinnen functioneerden als de snorharen van een kat. Ze gaven aan hoe breed de vrachtwagen was. Als de pinnen door de deuropening pasten, paste de hele vrachtwagen erdoor. De foto hierboven (uit 1951) is van een andere vrachtwagen, met andere 'pinnen' voorop.

In gedachten zie ik de kolenboer voorzichtig achteruit de deel op rijden, maar ik vraag me af of mijn geheugen me niet bedriegt. Als de kolenboer maar een beperkte hoeveelheid brandstof moest lossen, zou hij dan wel de moeite genomen hebben om de twee grote achterdeuren te openen, de paal in het midden te verwijderen en de vrachtwagen achteruit door de deuropeningen te manoeuvreren? Kon hij dan niet makkelijker een paar keer heen en weer lopen? Dat gebeurde in ieder geval ook. Ik zie de vrachtwagen ook achter het huis staan.

De kolenboer heette Elting. Zijn bijnaam was 'de cuum', wat ik in gedachten altijd met een 'c' schreef, maar misschien was het wel 'de kuum'. Of ik die naam als klein jongetje al kende of hem wat later hoorde, weet ik niet. Mijn ouders gebruikten die bijnaam nooit, maar hadden het altijd over Elting de kolenboer, om hem te onderscheiden van Jantje Elting, de kachelsmid. Die woonde in het pand naast hem, in Andelst, en ik weet dat hij ook pannen verkocht. Bij een van de twee op het erf stond een ijzeren gevaarte waarin paarden vastgezet konden worden als ze beslagen moesten worden. Ik weet niet zeker meer of ik dat wel eens meegemaakt heb.

Elting de kolenboer droeg een platte pet, een blauwe kiel, een zwarte broek en zwarte schoenen met ronde neuzen. Ik zeg het nog maar eens: voor zover mijn geheugen tenminste klopt. Terwijl ik dit neertik, vraag ik mij bijvoorbeeld af of de kiel oorspronkelijk niet grijs was. Kleuren waren sowieso lastig te zien, want de kolenboer was zwart door het stof van de kolen. De zakken die hij droeg, waren vanboven open. Zodat hij ze gemakkelijk kon storten natuurlijk, maar bij ons hoefde dat niet. De zakken werden voor op de deel neergezet. We schepten de kolen met een kolenschep uit de zak in de kolenkit.

Niet alleen zijn kleren waren zwart van het stof, maar ook zijn handen en zijn gezicht. Dat vond ik altijd een fascinerend gezicht: zijn ogen lichtten bleek op, als van Zwarte Piet. Volgens mij rookte Elting van tijd tot tijd een sigaar, die voor mijn gevoel altijd al opgerookt was tot een stompje als hij bij ons aankwam.

eierkolen in een kolenkit
De zakken kolen droeg hij op zijn schouder/nek. Ik weet dat er kolenboeren waren die een jute zak op hun schouders legden en ik heb ook wel beelden gezien van mensen die een stukgesneden zak als een soort capuchon op hun hoofd hadden, waarbij de punt van de zak als een soort puntmuts op hun hoofd zat. Dat had onze kolenboer in ieder geval niet.

Hoe zwaar zou zo'n zak geweest zijn? Vijftig kilo, schat ik. Maar het zou ook veertig of vijfentwintig kunnen zijn. Of werd de hoeveelheid kolen niet uigedrukt in kilo's, maar in zoveel mud? Dat laatste, vermoed ik, maar dan wil ik toch graag weten hoeveel kilo er in zo'n zak ging. Nam de kolenboer af en toe twee zakken tegelijk op zijn schouders? Het zou kunnen; ik ben er niet zeker meer van.

Wij hadden eierkolen. Antraciet was voor mensen die het beter konden missen. Eierkolen hadden de vorm die de naam al suggereert. Ze bestonden uit samengeperst steenkoolstof. Op hoe we de kachels precies stookten kom ik later nog wel eens terug. In de eierkolen stond soms een tekentje of een letter geperst, herinner ik me.

Naast eierkolen leverde de kolenboer ons turf, dat bij het aanmaken van de kachel gebruikt werd. Turf was niet zwaar, maar wel stoffig. Een baal turf werd door ijzeren banden bij elkaar gehouden. Mijn vader knipte ze met de nijptang door. Dat deed hij ook met de banden die de briketten bij elkaar hielden.

briket
Briketten zagen eruit als een soort zwarte bakstenen. Als je ze in de kachel gegooid had, konden ze uren blijven gloeien. Wat gegoogel leert me dat er bruinkool- en steenkoolbriketten bestaan. Ik heb nooit beter geweten dan dat onze briketten van steenkool waren, maar misschien heb ik dat gewoon aangenomen omdat ik niet beter wist.

De kolenboer kwam ook bij ons in de keuken, herinner ik me. Na afloop, denk ik, als hij de kolen al gelost had. Dat zou dan betekenen dat hij de bestelling vooraf wist. Dat kan vanaf 1969 het geval geweest zijn. In dat jaar verhuisden we van de Merkenhorststraat naar de Schoolstraat. Toen kregen we telefoon, in de gang. Misschien dat we toen telefonisch doorgaven wat er bezorgd moest worden.

Tot die tijd zal de kolenboer waarschijnlijk gewoon zijn ronde gedaan hebben en aan de vrouw des huizes gevraagd hebben of er nog kolen moesten zijn. Werd de kolenboer contant betaald? Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed van wel. Terwijl ik de mogelijkheid opschrijf, zie ik de kolenboer zijn portemonnee pakken en met zijn zwarte vingers rommelt hij in het kleingeld. De bankbiljetten gingen in de portefeuille, die met een kettinkje bevestigd was aan het knoopsgat in de reverskraag van zijn kiel. Of verzint mijn geheugen dat? Uit de Heerenveensche koerier van 8 juli 1949 blijkt in ieder geval dat niet iedereen contant betaalde. Tenminste in die tijd, op die plaats.

Heeft de kolenboer af en toe thee bij ons gedronken als hij de kolen gelost had? Het zou zomaar kunnen, maar ik ben er niet zeker meer van. In ieder geval herinner ik me hem goed. Ik kan zijn stem horen, ik zie zijn handen, met de vrij korte vingers. Zou ik hem herkennen als hij schoongewassen op zijn fiets voorbij zou komen? Misschien wel niet. Ik zag hem immers altijd zwart.

Hoe lang er in Nederland kolenboeren langs de deuren zijn gegaan weet ik niet. In het Limburgs Dagblad van 7 februari 1979 komt Nies Michiel aan het woord, die dan net als kolenboer gestopt. 'Tot 1970 ging het nog redelijk', zegt hij. 'Daarna loonde het nauwelijks de moeite meer.' Bij ons zal niet lang daarna de gaskachel zijn intrede hebben gedaan, vermoed ik. En veel mensen zullen toen al centrale verwarming gehad hebben.

In 1958 werd de Stichting Propaganda Vaste Brandstoffen opgericht. De stichting zette advertenties (zie hieronder) en bedacht slogans als 'Met kolen gezelligheid voor het opscheppen' (1964) en 'Waar een kolenvuur vlamt, leeft de gezelligheid' (1966). Maar het bekendst werd toch 'Gezellige mensen stoken kolen'. Vooral ook omdat die ook bij latere slogans ergens in de advertentie bleef staan.

Dat mensen die kolen stoken gezelliger zijn dan mensen met een centrale verwarming, gelooft niemand meer. Maar een beetje heimwee naar de gloed van de kolenkachel heb ik nog wel.



1966


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen