woensdag 31 januari 2018

Peren van ooit

Zwijndrechtse wijnpeer
Wie voor peren naar de supermarkt gaat, heeft niet veel keus: Conference, Doyenné de Comice en natuurlijk Gieser Wildeman. Meestal is dat het wel. Hier schreef ik over de appelrassen die ik me herinner uit mijn jeugd. De perenrassen van toen mogen er ook zijn.

Mijn vroegste herinneringen gaan terug naar de Juttepeer. Ik zie de vrij kleine peertjes voor me, maar ik weet niet meer hoe ze smaakten. Mijn herinnering geldt vooral de boom, waarvan de onderste tak bijna horizontaal uit de stam kwam. Mijn vader had daar een schommel aan opgehangen en daarop heb ik als kind heel wat uren doorgebracht. Toen ik groter werd, kon ik me ook aan die tak ophijsen en daarna verder in de boom klimmen.
Juttepeer

Bij het huis aan de Merkenhorststraat stond ook een rij perenbomen, parallel aan de weg, langs de groentetuin, maar ik kan me niet meer herinneren welke peren dat waren. Ik zal er mijn moeder naar vragen.

We hadden meer perenbomen in Herveld. In de achterste bongerd stonden er wat. Er stond bijvoorbeeld een rijtje peren langs de heg die de boomgaard scheidde van het huis van de dominee. Ik vermoed dat het Gieser Wildemannen geweest zijn. Toen mijn oom Ab als jonge man meehielp met de pluk, zong hij keihard rocknummers, zodat die in de pastorie te horen zouden zijn: 'One, two, three o'clock, four o'clock, rock!' klonk het dan door de boomgaard en: 'Hey Baberiba!'

Maar de scherpste herinneringen aan perenrassen heb ik aan de peren uit de boomgaard in Loenen. Als je over 'het slag' de boomgaard in kwam had je aan je linkerhand een stuk of vier Zwijndrechtse Wijnperen. Daar hadden wij een hekel aan. Het waren namelijk heel hoge bomen. Mijn broer en ik hadden een ladder (een leer) van dertig sporten, mijn vader had 'een 43-sporter', een zwaar gevaarte. Daar torenden de bomen overigens nog boven uit.

Wij plukten tot zover we erbij konden en dat was al niet gemakkelijk. Sommige takken reikten ver naar buiten. Je stak dan een been door de leer, klemde een sport in je knieholte en ging achterover hangen om de peren te bereiken. Ik was daar geen held in, maar het moest toch gebeuren.

Als wij klaar waren, kwam mijn vader met de lange leer, zodat de toppen geplukt konden worden. Ik zie nog hoe hij zorgvuldig de 43-sporter in de boom plaatste, mijn broer aankeek en zei: 'Toe maar, jong.' Mijn broer die ook opzag tegen het klusje antwoordde: 'Het oude brood moet eerst op,' waarna mijn vader naar boven klom.

Als we de Zwijndrechtse aan het plukken waren, kon het al flink slecht weer zijn. Het waren de laatste peren van het seizoen. Als ik het mij tenminste goed herinner.

Tegenover de Zwijndrechtse wijnperen stonden de peren die wij de Lucassen noemen: Buerré Alexander Lucas. Ik kwam ook wel de spelling Buerré Alexandre Lucas tegen. Hier las ik dat de peer 'matig' smaakt, maar zo herinner ik mij hem helemaal niet. Peren moet je eten als ze goed rijp zijn en dan is de Alexander Lucas best lekker. Alle perenrassen die beginnen met Buerré (wij zeiden Bré) hebben een iets wrange smaak. Daar moet je wel van houden.

Buerré Hardy, wel wat roder dan in mijn herinnering
Het waren stevige peren, die Lucassen, en als we ze oogstten, maakte mijn moeder er altijd een lekker toetje mee: perendroom. Ze kookte de geschilde, hele peren in rode wijn (dat zal wel een vruchtenwijn geweest zijn). Ieder kreeg een schaaltje met een peer, onderin nog wat wijn en eroverheen chocolademousse. We pakten de peer bij het steeltje en lepelden hem zo op.

Er waren veel soorten bré-peren, maar wij hadden alleen nog de Buerré Hardy, als ik het goed heb. Die was donkerder en bruiner van kleur. Alleen maar lekker als hij goed rijp was. Er stonden een paar bomen in het veldje met Lucassen. Mijn vader pootte er ook een paar stoofperen tussen: Bredero's, vrij ronde peren, die een rode blos konden krijgen.

Wij waren als kinderen niet zo in stoofperen geïnteresseerd. Natuurlijk vonden we ze lekker, maar je kon ze niet zo van de boom eten. Het schillen, zeker van de kleinere peren, was trouwens een heel werk. Mijn vader nam dan een deel voor zijn rekening.

Wij hadden natuurlijk in Loenen ook verschillende bomen met Gieser Wildeman. We hadden verder nog Saint Rémy, waarvan ik niet beter wist of het ras heette Sinteremie. Dat was het wel wat wij aan stoofperen hadden. Ik had in die tijd al wel gehoord van IJsbouten of Winterjannen, maar ik herinner mij niet dat die in onze boomgaard stonden.

De lekkerste peer vonden wij Triumph de Vienne, die wij Triums noemden. Je vindt ze nog wel eens in de supermarkt. Als hij goed rijp is, is de Triumph een erg smakelijke en sappige peer. Laat je hem te lang liggen, dan wordt hij 'buikziek' en rot hij vanbinnenuit.

Triumph de Vienne
Conference hadden we heel wat. Wij spraken over Conferenten. De vogels lustten ze ook en in de toppen van de bomen waren soms verschillende peren aangepikt. Daarin zaten dan vaak wespen. Dat betekende dat je goed moest uitkijken bij het plukken: een peer kon er aan de voorkant gaaf uitzien en aan de achterkant vol wespen zitten.

De mooiste peer vond ik de Bonne Louise, die Bonne Louise d'Avranches blijkt te heten: een glimmende peer met een donkerrode blos. In mijn herinnering spraken wij de naam van het ras uit als 'Bonnewie' of 'Bollewies'. Een doodenkele keer kom ik ze tegen bij de groenteman en dan koop ik ze altijd, voor een deel uit jeugdsentiment, vermoed ik. De smaak vind ik nog altijd goed, maar ook die zal wel beïnvloed zijn door mijn herinneringen.
Bonne Louise d'Avranches

Ik herinner mij ook perenrassen die mijn vader niet teelde. Ome Wout had Claps (Clapps Favourite) en Légipont en ook Precose, waarvan de naam uitgesproken werd met o van 'roze'. De volledige naam is Précose de Trévoux. Ik geloof dat Ome Wout ook Doyenné de Commice had, maar dat weet ik niet zeker.

Verder herinner ik me de Kruidenier. Had ome Kors die? Misschien wel. Ook van het ras Maagdenpeer had ik toen wel eens gehoord. Misschien viel ooit wel eens in een gesprek de naam Kweepeer of Dirkjespeer of Pondspeer, maar ik vermoed dat ik die pas later heb leren kennen, in een fruittuin.

Intussen zijn er veel nieuwe rassen gekomen: Condo, Concorde, Sweet Sensation. Mijn broer zal er nog wel een paar uit zijn mouw kunnen schudden. Natuurlijk zijn het goede peren en ze zullen ook best smakelijk zijn, maar ik heb toch de neiging om eerst te grijpen naar de lekkere peren uit mijn jeugd, zoals de Triumphs en de Bollewies. En anders kan ik nog altijd een Conference eten. Ik vond hem indertijd niet bijzonder, maar de peer heeft zich in de loop van de decennia altijd kunnen handhaven en het zou me niet verbazen als het een van de meest verkochte peren blijkt te zijn.

En dan waren er nog veel meer rassen, waarbij ik geen voorstelling en geen herinnering heb. Maar het is mooi om de namen voor je uit te mompelen: Bloedpeer, Winterrietpeer, Kleipeer, Noord-Hollandse Suikerpeer, Comptesse de Paris, Dubbele Flip, Buerré Superfin, Buerré Chaboceau (Jefkespeer), Durondeau, Jodenpeer.

Naschrift: mijn moeder vertelde me dat het rijtje peren naast de moestuin bestond uit in ieder geval winterjannen. Mogelijk stonden er nog andere peren tussen.
Bert van Binsbergen maakte mij attent op 'het recht van overpoot': het recht om over de sloot, in de berm bomen te poten. Ik weet dat mijn ome Kors zo'n rijtje stoofperen had in de berm. Het recht van overpoot dat ook onder andere namen voorkomt (recht van voorpoting, recht van pootstede, recht van aanschot) stamt uit de tijd voor 1838. Daarna zijn er geen pootrechten meer ontstaan. Kijk hier voor meer details.
Henk Romein maakte me er attent op dat er zoete en zure bredero's waren en dat het ras Kapel-Avezaatse bestond. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten