dinsdag 30 januari 2018

Wà gij? (Daan Viergever)


Vroeger was er in het dorpje Zetten een uitstekende boekhandel, die zich goed staande kon houden, mede doordat de scholen de schoolboeken en de boeken voor bibliotheek bij het zaakje betrokken. Maar tegenwoordig is het armoe troef. Tot voor kort was er nog een computerwinkeltje dat ook in boeken deed, maar de boeken gingen eruit en werden onlangs verkocht met dertig procent korting.

Het was een droevige vertoning: een jeugdboekengids van vijf jaar geleden, een HP/De Tijd die een half jaar oud was en verder wat los spul. Maar ik vond er ook het boekje Wà gij? met als ondertitel: 'Verhalen in het Betuws door Djerk van Hanje van Mie'. Onder dat pseudoniem publiceerde Daan Viergever zijn stukjes in een plaatselijk blaadje. Hij las ze ook wel voor bij Radio Gelderland.

Viergever is werkzaam geweest in het onderwijs, maar heeft zijn sporen ook verdiend in het spitten in de streekgeschiedenis. Bovendien heeft hij heel wat opgetreden als entertainer met zijn verhalen in het Betuws.

De stukjes die verzameld zijn in Wà gij? werden gepubliceerd of voorgelezen in de periode 1992 - 2003. Voor in het boek staat '1923 - 2003'. Het is niet duidelijk waarop dat eerste jaartal slaat.

Voor op, voor in en achter op het boek laat Viergever zich portretteren als een plattelander of misschien wel als een boer: pet op en een kiel aan. Ik vermoed dat die grijs is en ik meen me te herinneren dat wij de kiel een 'keel' noemden. Zo laat hij zien dat hij geen buitenstaander is, maar deel uitmaakt van wat hij beschrijft.

Ik had nooit eerder iets gelezen van Viergever; het leek me gewoon leuk om wat te lezen in het Betuws, dat mijn moedertaal is. Ik had eerder ook wel andere boekjes gekocht met titels als Groebele ien de ben, Bètuwse Brökskes en Vad'je van Valburg vertelt. En ik las al lang geleden werk van Attie Nieboer en J.J. Cremer.

De korte columnachtige stukken van Viergever (58 stuks) zijn goed gelukt. Meestal weet hij een stukje mooi rond te breien door aan het slot aan te sluiten bij het begin. Verder neemt hij je in de loop van het boek mee in de loop van het jaar. Dat geeft structuur aan het werk. Behalve dat is Viergever een onderhoudend verteller, die de spreektoon goed weet te vatten in wat hij schrijft.

Stukjes in het dialect hebben, misschien juist wel doordat ze in het dialect geschreven zijn, de neiging wat nostalgisch te worden, maar dat is niet erg. Ze zullen ook bedoeld zijn om oude verhalen over te brengen, die anders wellicht verloren zouden zijn gegaan.

Maar Viergever sluit ook aan bij wat indertijd de actualiteit was: de aanleg van de Betuwelijn, de aanleg van straatverlichting langs het Hemmense pad, het afval in de bermen. Daarmee ontstijgt hij de nostalgie.

Sommige anekdotes zijn kostelijk. Bijvoorbeeld over een analfabete man die een brief krijgt als reactie op een contactadvertentie die zijn collega's voor hem geplaatst hebben. Hij kan de brief zelf niet lezen, dus laat hij hem voorlezen. Hij stopt echter wel de vingers in de oren van de voorlezer, want die hoeft niet te horen wat er in de brief staat.

Bijna alle stukjes eindigen met 'wà gij?' Dat is een uitdrukking in het Betuws waarmee je om bevestiging vraagt. Het betekent zoveel als: 'Nietwaar?' 'Dat vind jij toch zeker ook?' Er komen in de stukjes nog meer fraaie Betuwse uitdrukkingen voor. Sommige waren mij bekend, maar de volgende kende ik nog niet. Als je het hebt over iets dat zich in de verre toekomst afspeelt: 'da's nog zo wijd weg, dan schèt d'r een ekster die nou nog gin kont het.' Of de weerspreuken: 'Een rad um de maon zal in règen en wijnd vergaon' en 'Een rad um de zon, doar schrauwe vrouw en kijnder om'. En vergèt ok nie: 'D'n donder in ut dorre hout gif een vurjoar, schroal en koud.'

Uit alle stukjes blijkt een warme betrokkenheid bij de streek en in het bijzonder bij het fruit. Daaraan worden heel wat stukjes gewijd. Ook met een zekere weemoed. Er zijn in de loop der jaren immers heel wat boomgaarden gerooid. In Andelst en Herveld zouden voor de oorlog niet minder dan 103 kersenboomgaarden te tellen geweest zijn.

Als een kersenplukker een dubbele kers vond, moest er jenever komen, vertelt Viergever. Mij was het gebruik niet bekend, maar mijn moeder bevestigde het. Volgens haar werd de dubbele kers pontificaal opgehangen in de 'tent' die in elke kersenboomgaard tijdens de kersenoogst gespannen was. Wij hadden geen kersen, maar Ome Wout in Loenen wel. Ik herinner mij dat mijn tante kersenpannenkoeken bakte als er een dubbele kers gevonden werd.

Mijn moeder sprak verder over het stoken van een vuurtje in de kersenboomgaard waarboven vogels gebraden werden en ook dat er vaak een vaatje zoute haring in de kersentent stond. Het moet voor mijn tijd geweest zijn en Viergever zegt er niets over.

Wà gij is een leuke bundel. De stukjes geven zicht op een stukje plattelandsleven van vroeger en ook nog wel van nu. Bovendien is Viergever een onderhoudend verteller. Degenen die moeite hebben met het Betuws, moeten zich het advies van de schrijver maar ter harte nemen: hardop lezen. Dan zal het wel te doen zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten