donderdag 5 december 2013

De beste romans van 2013 (die ik niet gelezen heb)


Vorig jaar, ook omstreeks deze tijd, publiceerde ik een lijst met de beste tien romans van 2012 die ik niet gelezen had. Dat was natuurlijk nattevingerwerk. Ik moest afgaan op wat ik over die boeken gelezen had en op mijn verwachtingen van een auteur.

Achteraf bezien was het een handig lijstje: de meeste van die boeken ben ik alsnog gaan lezen. Aan drie boeken kwam ik niet toe: nummer 4, K. Schippers, Op de foto (maar ik las wel zijn volgende boek); nummer 9, Christian Weijts, Euforie (Ik moet toch eens wat van die man gaan lezen. Verder dan een kort verhaal ben ik nooit gekomen); nummer 10, Stefan Brijs, Post voor mevrouw Bromley. Van De engelenmaker heb ik indertijd zeer genoten. Waarom lees ik dit boek dan niet?

Ook dit jaar heb ik een lijstje gemaakt met nog ongelezen boeken. Hoewel er 'romans' in de titel van dit stukje staat, heb ik ook een verhalenbundel gekozen en zelfs een non-fictiewerk.

1. Arnon Grunberg, Apocalyps
2. Ilja Leonard Pfeijffer, La Superba
3. Tom Lanoye, Gelukkige slaven
4. Allard Schröder, De dode arm
5. A.F.Th. van der Heijden, De helleveeg
6. Bert Wagendorp, Ventoux
7. Margriet de Moor, Melodie d'amour
8. Elvis Peters, Dinsdag
9. Jan van Aken, De afvallige
10. Jan Brokken, De vergelding

Tja, het blijft een min of meer toevallige keuze. Ik had immers ook kunnen kiezen voor Saskia de Coster, Joost de Vries, Joke van Leeuwen, Guus Kuijer, Vonne van der Meer, Arthur Japin, Nelleke Noordervliet of Arthur Japin. Dat is dus niet gebeurd, al wil dat niet zeggen dat ik die boeken niet zal lezen, net zo min als het wil zeggen dat ik de tien boeken uit het lijstje wel zal lezen.

En welke boeken heb ik helemaal over het hoofd gezien? Thuis heb ik al een stapeltje waarop bijvoorbeeld boeken liggen van Elke Geurts en Simon Carmiggelt. Misschien heb ik ze hierboven onterecht niet genoemd. Over een jaar weet ik meer.






woensdag 4 december 2013

De beste poëzie van 2013



Vorig jaar publiceerde ik een klein lijstje met daarin de beste bundels die ik in 2012 had gelezen. Deze keer heb ik een heuse top tien! De meeste van de onderstaande bundels heb ik hier besproken. De linkjes vindt u onder de nummers.

Niet besproken is de nummer 2, Schoon vlees van Henk Knol, een wonderschone bundel die pas uit is. Binnenkort zal ik een gedicht uit die bundel op Bunt Blogt plaatsen, om een voorbeeld te laten zien van het moois dat erin staat. Koop die bundel en geef bovendien minstens één exemplaar cadeau aan een ander.

Ook nummer 7 heb ik niet besproken. Al voor dit jaar las ik de bundel, toen het nog geen officiële uitgave was. Nu is het als bijlage bij het blad Liter verschenen. Hilde Bosma is een jonge dichteres, die vormvaste gedichten schrijft. Ook van haar zal ik hier binnenkort een gedicht citeren.

Nummer 10 is strikt genomen geen poëziebundel, maar ik heb zo van het boek van Breukers genoten, dat ik het hier toch opneem. Niet in de eerste plaats vanwege de gedichten die erin staan (dat zijn er ook heel wat), maar om wat Breukers erover schreef.

1. Willem van Toorn, Bezweringen
2. Henk Knol, Schoon vlees
3. J. Eijkelboom, Verzamelde gedichten
4. Judith Herzberg, Liever brieven
5. Bart Moeyaert, Iemands lief / Histoire du Soldat
6. Mustafa Stitou, Tempel
7. Hilde Bosma, Kruisweg
8. Froukje van der Ploeg, Zover
9. Rodaan al Galidi, Liever niet, antwoordt de liefde
10. Chrétien Breukers, Het eerste gedicht

Er liggen nog wat bundels op lezing te wachten, bijvoorbeeld die van Vroman en Armando. Wellicht lees ik ze zelfs dit jaar nog. Niets aan te doen. Ik schuif ze op naar het lijstje van volgend jaar.

Wat ik over de verschillende bundels geschreven heb, heb ik niet meer nagelezen. Dit lijstje is voor een groot deel gebaseerd op mijn geheugen. Dat zou mij kunnen bedriegen, maar dat moet dan maar.

Ongetwijfeld is er meer goede poëzie verschenen. Een mens kan nu eenmaal niet alles lezen. Kira Wuck heb ik al maanden in huis (haar bundel, bedoel ik), maar ik ben nog niet aan lezing toegekomen. Andere titels zijn mij mogelijk geheel ontgaan. Voor tips houd ik mij natuurlijk aanbevolen.





dinsdag 3 december 2013

Liever brieven


Judith Herzberg publiceerde haar eerste gedichtenbundel in het jaar dat ik leerde lezen, 1963. Al mijn hele leesleven lang kan ik dus recent werk van haar lezen. Met dat lezen begon ik overigens pas in de jaren zeventig, toen ik elke week andere dichtbundels meenam uit de bibliotheek. Daar waren er ook van Herzberg bij, met titels die een beetje op elkaar leken: Zeepost, Beemdgras, Strijklicht. Kort daarna verschenen ook nog Botshol en Dagrest.

Herzberg is al die jaren blijven schrijven. Vorig jaar besprak ik voor Liter nog haar Klaagliedjes. De gedichten kennen geen stemverheffing. Meestal zingen ze niet, maar ze praten. Rustig, een beetje afwezig soms, hoewel ze je wel wat willen vertellen.

Ze vallen niet op door een kunstige vorm of door bijzondere beeldspraak. Soms lijken ze hun schouders op te halen, alsof het ze niet kan schelen wat je van ze vindt: we zijn nu eenmaal zoals we zijn.

Ook in haar nieuwe bundel, Liever brieven, staan enkele gedichten die me weinig zeggen. Niet dat ze slecht zijn, maar ze vallen me niet op, zelfs niet als ik ze lees. Ze willen maar niet blijven hangen. Nou ja, dat is dan maar zo.

Andere gedichten blijken meteen raak. Ik kom er maar moeilijk achter waarom dat is en waarin ze verschillen van de gedichten die me weinig doen. ‘Hoe men zijn vrienden verliest’ kopieerde ik en ik hing het met een magneetje op de kast in mijn leskamer.

Hoe men zijn vrienden verliest


Sommige sterven
voordat men zelf

andere worden
steeds minder snik

droefenis went
woede slinkt

men zet door
bedroefd, onverzoend

één was er nog over
maar die werd beroemd
Het is een eenvoudig gedicht, van nog geen dertig woorden. Wie met zo weinig woorden zoveel kan zeggen, moet wel een groot dichteres zijn. Je kunt preciezer gaan kijken hoe het werkt, hoe het zit met al die oe-klanken of met het koppel ‘snik’ en ‘slinkt’ en natuurlijk is daar best wat over te zeggen, maar toch vang je daarmee niet het gedicht.

Ik merk dat ik het blijf herlezen. Als ik langs de kast loop, nu ik het overtik, als ik Liever brieven opensla. Juist omdat het zo eenvoudig is, misschien. Het is een helder gedicht over iets moeilijks: het verlies van vrienden. Er is geen sentiment, maar wel betrokkenheid.

Het is zoals het is, zegt het gedicht. We moeten verder, ‘men zet door’. En het verdriet went wel, al blijf je bedroefd. Woede slinkt wel, maar je blijft onverzoend, omdat gebeurd is wat domweg niet mag.

Eigenlijk rechtvaardigt één zo’n gedicht al een hele bundel, maar Herzberg geeft meer. In het mooie gedicht ‘Stad’ staat een strofe van één regel: ‘De kortzichtigheid van breken.’ Daar zal ik nog wel een tijdje over blijven denken. En over de hartslag die Herzberg ‘toch nog / toch nog noemde’. Over het woord ‘aarzelaarshakhout’ en over ‘dit halverwege huis’.

Maar meer nog zal mij de stem bijblijven. De stem die praat in de gedichten, de stem van een mens. Eigenlijk lees je Herzbergs gedichten niet, je ontmoet ze.

Laat ik je voorstellen aan het gedicht ‘Toegift’, dat Herzberg schreef voor een Eenzame Uitvaart:

Toegift


Natuurlijk haal je liever iemand uit het water
die nog te redden is. Maar stel dat hij nog leefde
wat hadden we dan voor hem kunnen doen. Hem vragen
waar zijn wanhoop op berustte, hem zijn geliefde
weer terugbezorgen, of zijn werk, of zelfvertrouwen?

Nu kunnen we een heel klein beetje rouwen
niet eens om hem, omdat we hem niet kennen,
maar uit een vaag gevoel van menselijk fatsoen.

De bijna-liefde, bijna aandacht die hij straks nog
meekrijgt in zijn kist was misschien nét dat
kleine beetje dat hem had kunnen redden,
dat hij bij leven heeft gemist.

De dwaling


In 1995 was ik een dag te gast bij Harmen Wind. Ik interviewde hem voor het blad Liter. Vooraf had ik zo'n beetje alle dichtbundels gelezen die er van hem verschenen waren. De laatste was toen Waterstaat, uit 1994. Aan de hand van zijn gedichten stelde ik de vragen.

Het was een prettige dag, al was het geen licht gesprek. Wind was een denker, of misschien wel een piekeraar. Hij wilde eerlijk praten over de opvattingen waarmee hij grootgebracht was en hoe hij die terug te vinden waren in zijn gedichten.Zoekend formuleerde hij.

Later nodigde hij me uit toen in een klein gezelschap zijn eerste roman, Het verzet, werd gepresenteerd. Het was een roman over vader en zoon, over het zoeken en vinden van een andere houding ten opzichte van het geloof. Ik vond het een mooi boek en later heb ik het verschillende keren als cadeau gebruikt.

Na Het verzet bleef Wind gedichten schrijven, wat resulteerde in goede bundels. De meeste ervan las ik. Alleen Aardewerk is mij, om niet meer te achterhalen redenen, ontglipt. Winds gedichten zijn vrij klassiek en veel ervan zitten goed in elkaar. In zijn laatste, Kilroy was hier, vond ik de afdeling 'Confrontaties' onder de maat, maar de beste gedichten waren goed.

Een bloemlezer zou uit elke bundel van Wind de mooiste gedichten moeten halen en die samenbrengen in bundel. Misschien komt het er daar ooit nog van.

Na Het verzet ging Wind ook door met het schrijven van romans. De eerstvolgende was Meesterschap, over een docent die een relatie onderhoudt met drie leerlingen tegelijk. Het boek viel me zo tegen, dat ik verder geen proza van Wind meer gelezen heb. Jaren later kocht ik tweedehands nog een roman, waaraan ik nooit toekwam.

Wind werd ziek. Hij was op dat moment bezig aan een roman. Dat zal De dwaling geweest zijn, het boek dat nu postuum verschenen is. Winds vriend Henk van der Ent hield een dagboek bij over de laatste maanden met de dichter. Ik heb het gelezen en het leek me dat er een publiek voor moest zijn, maar tot nu toe bleek geen uitgever geïnteresseerd.

De dwaling is geen goede roman, al leest het boek nog aardig weg. Vooral in het begin weet Wind er een boeiend verhaal van te maken. Gerben Opmaat ziet op zijn rondje joggen een fiets half onder de struiken en meent iets te horen. Zo wordt hij getuige van een poging tot verkrachting. Het slachtoffer, de zwemkampioene Sanne Visser, verweert zich en doodt daarbij haar aanvaller, waarna ze in verwarring de plek verlaat.

In plaats van de politie in te lichten, doet Opmaat allerlei domme dingen (hij neemt bijvoorbeeld de portefeuille van de overledene mee), waardoor hij van getuige verandert in verdachte. Hij wordt tijdelijk in hechtenis genomen.

In zijn gedachten hemelt Gerben Sanne op. Als hij haar ontmoet, beziet hij haar als ware zij de heilige maagd: 'Wees gegroet, Sanne, Zilveren Sanne, vol van genade, de Heer is met u. Gij zijt de gezegende onder de vouwen...'

Het blijkt dat Gerben bereid is zich op te offeren als Sanne maar niet de schuld krijgt van de moord, die hij een daad van rechtvaardigheid acht. Wind benadrukt Gerbens opofferingsgezindheid door het verhaal rond Pasen te situeren. Die nadrukkelijke symboliek maakt het verhaal er niet beter op.

In de loop van het boek wisselt Wind van perspectief. Van Gerben naar Sanne en dan achtereenvolgens naar Gerbens vrouw Gerda en hun kinderen Janneke en Arie. Er zit nog wel enige ontwikkeling in het verhaal, maar het belangrijkst zijn toch de gedachten van de personages. Die zijn een groot deel van de tijd aan het redeneren. Daarbij is het Wind niet gelukt om iedereen zijn eigen stem te geven. Alle personages lijken op elkaar.

Verder lijkt het of Wind met de plot geworsteld heeft. De roman ontwikkelt zich naar een rechtszaak, waarin duidelijk zal worden wat recht is en of het recht in overeenstemming te brengen is met het rechtvaardigheidsgevoel. Maar voor het zover kan komen, is De dwaling afgelopen. Op een niet zo aannemelijke manier is er een eind aan gebreid.

Dat De dwaling verschenen is, kan ik me wel voorstellen. Het boek was immers af, al weet je nooit of Wind er nog meer aan gesleuteld zou hebben als hij daarvoor de tijd gehad zou hebben. Als het geschreven is, wil je het ook in druk hebben. Dat is overigens op een goedkope manier gedaan, met een flodderkaftje erom.

De dwaling is er en dat is het dan. Het behoort tot het oeuvre van Wind, en thematisch gezien past het daar ook in. Maar Wind zal vooral herinnerd blijven als dichter en als auteur van Het verzet. 

zondag 1 december 2013

Wielergek deel 5


Er zijn veel strips waarin er op elke bladzijde een grap gemaakt moet worden in steeds ongeveer dezelfde omgeving. Bij Game Over is dat bijvoorbeeld een computerspelletje dat altijd eindigt met de woorden uit de titel van de strip, bij 40 hours speelt zich alles af op een kantoor, bij Hotel Nevelzicht (dat altijd een paar bladzijden nodig heeft) is dat een hotel.

Wielergek is ook zo'n strip. Alle grappen moeten met het wielrennen te maken hebben. In dit vijfde album draait veel om Richard Virenque, de bergkoning, die dan ook een groot deel van het album de bolletjestrui draagt. Belangrijker dan zijn klimkwaliteiten is in dit album zijn aantrekkingskracht op vrouwen. Op de voorkant van het album zie je dan ook een horde vrouwen, die als een jagend peloton Virenque op de hielen zitten.

Het scenario van de verhaaltjes is geschreven door Jean-Luc Garréra, de tekeningen zijn van Alain Julié. In het Frans zijn er intussen al negen delen verschenen, dus er is blijkbaar publiek voor. Het vriendelijkste dat ik over het album kan zeggen, is dat het niet onaardig is. De meeste grappen zijn niet slecht, maar bovenal zijn ze niet goed. Net niet leuk genoeg, net niet scherp genoeg. Te middelmatig.

Misschien dat er aan het eind van de reeks een keer een albumpje met de beste gags zou kunnen komen. Misschien levert dat nog een aardig album op.




zaterdag 30 november 2013

Amoras. Deel 2: Jérusalem



Een half jaar geleden verscheen het eerste deel van een compleet nieuwe serie van Suske en Wiske, Amoras. Ik schreef er hier over. Suske en Wiske worden naar 2047 geflitst met de tijdmachine van professor Barabas. Ze komen op het eiland Amoras terecht en kunnen niet meer terug, omdat de machine in het ongerede is geraakt. Barabas is in de macht van Krimson, die het ook op Amoras voor het zeggen heeft.

Het eerste deel ging met veel vaart van start. In deel 2 is het tempo nog steeds heel behoorlijk, zodat je wel door blijft lezen. De 'fout' uit het eerste deel (Jérusalem is doof, maar daar merk je niks van) wordt in het tweede deel hersteld: ze blijkt te simuleren. Suske komt daar wel erg laat achter; op het moment dat de lezer het al lang in de gaten heeft.

Opnieuw is er een continuïteitsfoutje gemaakt. In een worstelpartijtje ruïneert Suske het hemdje van Jérusalem. Even later kan ze het weer ongeschonden dragen.



















Het gaat er op Amoras heftig aan toe. Wiske lijkt dood, al snappen we dat een dergelijke heldin niet nu al uit het verhaal kan verdwijnen. Als ze echter tijden in een plas ligt, met haar mond en neus onder water, begin je toch te twijfelen. Suske en Jérusalem moeten op de vlucht om hun huid te redden.

In 2013 gaan de zaken ook niet vanzelf: Sidonia moet opgenomen worden in een sanatorium. Als medepatiënte zien we een meisje met grote schrikogen, dat mysterieuze teksten mompelt. Het kan zijn dat het misverstaan van die teksten door Lambiek een aardigheidje is, maar het zou zomaar kunnen zijn dat dit meisje in een volgend deel een grotere rol krijgt. Ook de slavendrijfster in de mijnen, op Amoras, zullen we in een volgend deel ongetwijfeld terugzien.

Suske trekt langzaam wat meer toe naar Jérusalem. Ze is een interessant personage: zij weet hoe ze moet overleven en ze kan Suske nog wel wat hardheid bijbrengen. Tegelijkertijd is het de bedoeling dat we haar als een mooie meid ervaren, die overigens, ook als ze naakt is, wel steeds zeer kuis getekend is.

Jérusalem is een aardige strip. Het tekenwerk (van Charel Chambré) is, net als in het vorige deel, in orde en het scenario (door Marc Legendre) is boeiend genoeg. Dat Amoras zo'n hit is, wordt zeker ook veroorzaakt door de populariteit van de oorspronkelijke Suske en Wiske. Ze zitten ook steeds in mijn achterhoofd als ik de nieuwe serie lees. Daar is niets aan te doen en eigenlijk is dat ook helemaal niet erg. Degenen die de eerste twee delen gekocht hebben, zullen ongetwijfeld ook de rest van de serie kopen. Project geslaagd.


Voor de trailer: klik hier.
En hier vind je de recensie van deel 1.
Deel 3 wordt hier gerecenseerd.

donderdag 28 november 2013

Lokaal verleden


Of je het nog aan mij kunt zien, weet ik niet, maar ik ben geboren in het dorpje Herveld, in de Betuwe. Toen ik een puber was, telde het dorp drieduizend zielen, verdeeld over twee kernen: Herveld-Noord, met de katholieke kerk in het midden, en Herveld-Zuid, rond de hervormde kerk. Vlakbij de kerken stonden de scholen: een katholieke en een hervormde.

Sinds enkele weken waan ik mij van tijd tot tijd in de periode waarin ik in dat dorp opgroeide. Voor een deel komt dat natuurlijk door mijn leeftijd: ik ben ook geen vijftig meer. Maar het komt ook doordat er op Facebook een pagina is aangemaakt over Oud Herveld-Andelst. Andelst lag tegen Herveld aan. Ook een dorp met een kerk en een school.

Op die Facebookpagina worden dagelijks foto’s en berichten geplaatst uit de tijd van mijn jeugd, ook wel uit een nog grijzer verleden en soms uit een wat recentere tijd. Mensen reageren daarop en halen herinneringen op.

De pagina over Herveld-Andelst is er maar een van de vele: er zijn ook pagina’s over bijvoorbeeld Oud Dodewaard, Oud Gemeente Valburg en Oud Elst, allemaal daar uit de buurt. Als je landelijk zoekt, heb je tientallen mogelijkheden tot een sentimental journey: van Oud Vollenhove tot Oud Heverlee en van Oud Amelandt tot Oud Sluis. Er is ook een pagina Foto’s Oud Ede, maar ik neem aan dat die bij de echte Edenaren wel bekend is. Ik heb het idee dat mensen gretig op die pagina’s kijken en commentaar geven.

Waarom is er zoveel belangstelling voor het lokale verleden? We leven toch in een tijd van globalisering? We zijn wereldburger of op zijn minst Europeaan. Als er aan de andere kant van de wereld een orkaan is geweest, worden er hier een avond lang op verschillende zenders uitzendingen aan gewijd. Als er in Duitsland een nieuwe coalitie is, of als een Italiaanse politicus zijn senaatszetel verliest, dan is dat dezelfde avond bij ons op het journaal.

Maar voor velen van ons is de wereld of Europa toch te groot om zich mee te identificeren. Daarom klampen we ons vast aan wat ons wel bekend is: ons landje met zijn eigen cultuur. Misschien dat ook daarom de zwartepietendiscussie zo fel was.

Bovendien krijgen we bijna dagelijks te horen op tv en te lezen in de krant dat we in een tijd van crisis leven. Mensen die hun baan behouden en hun huis niet te koop hebben staan, merken daar niet zo veel van, maar bijna niemand ontkomt aan het idee dat hij in een zware tijd leeft. Dat geeft onzekerheid: wie weet wat er allemaal nog te gebeuren staat.

Daarom zoeken we naar houvast. Vroeger gaf de godsdienst steun; in tijden van nood liepen de kerken vol. Maar voor veel mensen is religie geen optie meer. Dan kun je altijd nog terug om te dromen van het verleden, van de veilige tijd toen je kind was. Toen was de wereld tenminste nog overzichtelijk. Of, om Kees van Kooten te citeren: toen was geluk heel gewoon.

Daarom kijken we graag naar het verleden dat we kennen. Daarom waren de Kameleonfilms populair; daarom kijken we naar series als Dokter Tinus en Moeder, ik wil bij de revue. Ze spelen zich af in een tijd toen we het overzicht nog hadden.

Natuurlijk bedriegen we onszelf. De jaren vijftig, zestig of zeventig zijn overzichtelijk omdat we toen nog een kind waren en we alleen maar aandacht hadden voor ons kleine kinderwereldje. Ook toen zullen de oudere mensen gezegd hebben dat het een jachtige tijd was en dat ze terugverlangden naar de overzichtelijkheid van de jaren voor de oorlog.

En over dertig of veertig jaar zullen mensen die dan onze leeftijd hebben zeggen dat het er in de jaren negentig en aan het begin van de eenentwintigste eeuw zo gemoedelijk aan toe ging. Als Facebook dan nog bestaat, zullen er pagina’s aangemaakt zijn met namen als Ede 2000 of Ede rond de eeuwwisseling en de senioren van dat moment zullen zwijmelen bij het terugdenken aan deze tijd.

Wie van ons dan nog leeft, denkt terug aan 2013, toen je nog met zijn allen bij elkaar kwam in Cultura om bij een kopje koffie en een biertje wat te luisteren naar muziek en naar gedichten en naar nog veel meer moois. Dat was een pas tijd! Om het te bewijzen scrollen we door de foto’s van Edwin. De pagina Oud Dante zal honderden ‘likes’ krijgen.

(Column voorgelezen in Cultureel Café Dante. Foto: Edwin Nieuwstraten)