Deze keer een recensie van een bundel van Harmen Wind, Kilroy, die eerder gepubliceerd is in Liter nr. 58 (jaargang 13, 2010). Ik heb hier al eerder recensies van het werk van Wind afgestoft. Links vind je onderaan.
Mijn indruk is dat de poëzie van Wind een beetje in de vergetelheid raakt en dat is jammer. En zijn roman Het verzet is ook nog altijd het lezen waard.
Nog even kort over wat je kunt verwachten op mijn weblog: ik probeer drie recensies in de week te plaatsen (vaak om en om over literatuur en over strips), maar ik weet niet of ik het helemaal red, door de examencorrectie. Volgende week is het gelukkig al rustiger. Dat zeg ik tenminste tegen mezelf.
Een zoen als een vuistslag
‘Kilroy was here.’ In de Tweede Wereldoorlog en daarna dook deze tekst op de meest vreemde plaatsen op, op stoepen, muren en hekken. Er wordt zelfs verteld dat tijdens de conferentie van Potsdam in 1945 iemand hem in de badkamer van Stalin op de muur gekalkt had.
Er zijn veel theorieën over de betekenis van de kreet. Zo zou die verwijzen naar een werkelijk bestaand hebbende James Kilroy, maar bewijs is daar eigenlijk niet voor.
Harmen Wind noemde zijn nieuwe bundel Kilroy en hij opent met ‘Kilroy was here’:
Kilroy was here
Hoe listig ik hem ook trachtte te ontlopen,steeds weer bleek ik hem te volgen: inal mijn toevluchten ging hij mij voor.De vloek van zijn geurvlag, de spotvan zijn prent, joegen mij keer op keerde deur uit. Waar ik ook arriveerde,ik vond er zijn tekens, nooit trof ikhemzelf. Pas toen ik het opgaf, lietde boodschap zich lezen ik zagdat ik het was, de man die schrijfter overal altijd geweest te zijn,welk heenkomen hij ook kiest.
De eerste regel draait al meteen de zaken om: de Amerikaanse soldaten troffen ‘Kilroy was here’ als tekst op een muur aan. Kilroy was hun dus voor geweest. Hij was alweer verdwenen. Maar bij Wind is Kilroy degene die achtervolgt. De ik probeert hem te ontkomen, maar merkt dat hij hem alleen maar achterna loopt.
Wind houdt van dat soort omkeringen. Hij schrijft bijvoorbeeld ook: Op de vlucht voor de vader van onze / gedachten maken wij mee wat wij willen / ontgaan’; ‘Zie in het gaan de gave om te komen’; ‘Snel raakt zijn spoor hem bijster’; ‘Alleen in wat verloren gaat kom je tot / jezelf’ en ‘o licht / dat mij ontgaat - draag mij, laat mij niet los’.
Het woord ‘toevluchten’ in de eerste strofe deed mij meteen denken aan ‘God is een toevlucht t' allen tijde’, waardoor de alomtegenwoordigheid van Kilroy voor mij ook een religieuze component kreeg.
Het woord ‘heenkomen’ in de laatste strofe is een synoniem van ‘toevlucht’, waardoor het gedicht onnadrukkelijk ‘rond’ wordt gemaakt. Bovendien heet de laatste afdeling van de bundel ‘Heenkomens’.
Zo spant Wind zijn lijntjes van het eerste gedicht naar de rest van de bundel.
De koortsigheid waarmee de ‘ik’ op Kilroy jaagt dan wel hem probeert te ontlopen, wordt duidelijk in de beeldspraak in de tweede strofe, die aan de jacht ontleend is. Ook hier preludeert Wind al op een gedicht verderop in de bundel: ‘Ik, jouw verleden, raak / tussen passanten, meute op / het haarwild, achterhaalde prent.’ De ik jaagt op een onbekende, maar juist als hij het zoeken opgeeft, vindt hij. Zichzelf, de dichter. De man die tekens nalaat, maar zelf onvindbaar blijft. We hebben zijn gedichten; daar zullen we het mee moeten doen.
Dit gedicht lijkt van alles uit te leggen, maar door erbij te zeggen dat het maar een gedicht is, dat het maar tekens zijn en niet meer dan dat, zet Wind het ook meteen weer op losse schroeven. Daarmee wordt het gedicht, wat mij betreft, gered.
Wind heeft wel vaker de neiging uitleggerig te zijn. Een gedicht als ‘Correctie’ zakt erdoor in elkaar. Alles wordt verklaard en voor de lezer blijft er niets meer te genieten over.
Op die momenten verdwijnt de zeggingskracht en jammer genoeg heeft Wind verschillende keren in de bundel zo'n moment. ‘Ooit valt mijn adem stil, trekt mijn zijn / zich terug onder de tekens van een / naam’, lezen we dan, zoals we het zo vaak op zoveel plaatsen hebben gelezen, maar dan misschien zonder dat lelijke ‘mijn zijn’.
Of ‘Dat wit van tanden, blinkend in zacht rood’ of ‘zon / op golvend haar’ of ‘Ademloos strekt de / kust zich uit’. Zulke zinnen of zinsgedeelten doen bijna gemakzuchtig aan. Ik aarzel om zo'n zin te tikken, omdat gemakzucht gewoonlijk het laatste is waarvan ik Wind verdenk. Toch lijkt het alsof hij bij sommige gedichten in deze bundel te weinig kritisch is geweest, alsof ze niet lang genoeg ‘kelder’ hebben gehad, zoals Paul van Ostaijen ooit schreef.
Gelukkig laat Harmen Wind in deze bundel ook zien dat hij veel beter kan. Een zin ‘als een vuist raakte haar mond / mijn lippen’ is bijzonder krachtig, doordat hier twee dingen met elkaar vergeleken worden die wij als tegengesteld ervaren. Ook als lezer word je gezoend door zo'n zin, terwijl je daar alleen van kunt genieten door tegelijk de vuistslag te ontvangen.
In datzelfde gedicht laat Wind de lucht naar adem snakken en mos van dijen kruimelen. Zo lees ik Wind graag. Ik vergeef hem er met plezier de hele afdeling ‘Confrontaties’ voor, waarin ik weinig te beleven had.
Op het moment dat je als lezer aan het werk gezet wordt, kun je ook wel wat voor lief nemen. Zoals bijvoorbeeld in het gedicht ‘Wollegras’:
WollegrasWij merkten wel hoe groothet water was geworden. Eenschuimbekkend monster joegmet zijn razende stormloop overde vlakte ons ontzetting aan.Wij zagen het wel komen doorhet zolderraam, wij voelden welhet radeloze beven van het huis,wij vreesden wel het rauwe brullenvan dat grote water in de tuin -Maar ik rook ook je haren, want het wasmaar een smal dakvenster - en boven datenorme water spiegelde, te midden van zachtwollegras, ons kleine wiel, net toen wij welbeseften dat de draagmuur het begaf.
Op dit gedicht is van alles aan te merken. Er zijn nogal wat zware woorden in de eerste twee strofen en het zijn niet de meest originele: ‘schuimbekkend monster’, ‘razende stormloop’, ‘ontzetting’, ‘radeloze’, ‘rauwe brullen’. De dichter vertelt het ons expliciet, terwijl hij het beter aan ons had kunnen laten zien, zodat dergelijke woorden als vanzelf in ons opgekomen zouden zijn. En dan is er natuurlijk nog de herhaling van dat grote water dat zelfs ‘dat enorme water’ wordt.
Maar daarnaast blijft dit een intrigerend gedicht, waarin de woestheid van het water gepaard kan gaan met de geur van haren en met zacht wollegras. Dat blijkt zelfs het belangrijkste te zijn, ook als de draagmuur het begeeft.
Laten wij het dan ook maar niet zo erg vinden als sommige muren van dit gedicht wankelen. Er waait een geur van haar doorheen en ergens zien we ‘ons kleine wiel’ en we kunnen ons nog lang afvragen wat de dichter daar nou mee wil. Voor dit soort passages wil ik Wind wel blijven lezen, maar ik hoop ze in zijn volgende bundel wel veelvuldiger aan te treffen.
Eerder schreef ik over Harmen Wind:

Geen opmerkingen:
Een reactie posten