vrijdag 22 mei 2026

Afgestoft: Klaagliedjes (Judith Herzberg)

Maar weer eens een poëzierecensie afgestoft. Het is de recensie van Klaagliedjes van Judith Herzberg uit Liter nr. 66, jaargang 15 (2012). Zo heel veel heb ik trouwens niet gedaan aan het afstoffen. Alle citaten uit de gedichten stonden in de oorspronkelijke recensie weergeven als de rest van de tekst, met slashes op de plaats waar een volgende regel begon. Dat kwam waarschijnlijk omdat ik toen de gedichten niet in hun oorspronkelijke vorm kon/mocht citeren. 

Hier heb ik de zinnen weer onder elkaar geplaatst. Waarschijnlijk zijn het maar plukjes uit gedichten en had ik dat strikt genomen aan moeten geven met (...). Dat heb ik niet gedaan, maar ik vermeld het hier. 

Klaagliedjes gaat over een rouwende vrouw, maar ook over een verwoeste stad. Tussen 2012 en nu zijn er heel wat steden verwoest en zijn er heel wat rouwende mensen bij gekomen. De bundel zal wel altijd actueel blijven, vrees ik. 


Ach bed, ach straat


Veertig jaar geleden publiceerde Judith Herzberg 27 liefdesliedjes, een bundel gedichten die geïnspireerd waren op het Bijbelboek Hooglied. In de gedichten bleef ze dicht bij de Bijbeltekst. Van gedicht tot gedicht kon je de corresponderende teksten in de Bijbel aanwijzen.

Nu is er de bundel Klaagliedjes, die ontstond nadat de componist Boudewijn Tarenskeen aan Herzberg vroeg een tekst te schrijven voor een muziekstuk dat gebaseerd was op de Klaagliederen.

Die Bijbelse Klaagliederen zijn eigenlijk alleen in de eerste gedichten herkenbaar. In het eerste hoofdstuk van het Bijbelboek wordt de stad Jeruzalem vergeleken met een weduwe. Herzberg keert de zaken om: de hele bundel door toont ze een treurende vrouw, die ze vergelijkt met een verwoeste stad: ‘Als een vernielde stad die ooit vol pracht / en leven was, zit zij daar, verloren, armlastig.’ Daarmee is Klaagliedjes een bundel over rouw geworden.

Het is nog niet zo gemakkelijk om die rouw te verwoorden. De weduwe moet voor de rouw nog een taal leren. De woorden die ze kent, zoals ‘diep verdriet’ voldoen niet. Het is ook nieuw voor haar dat er een verdriet is waaraan ze geen einde ziet.

Fraai is het gedicht waarin de vrouw het huis tekent: 
De ramen hangen scheef 
in de gerimpelde kozijnen, 
ze zijn beslagen, één veeg 
en je ziet weer even 
wat zien had kunnen zijn.
Natuurlijk verandert het huis als de geliefde er nooit meer kan zijn, maar tegelijk heb je het idee dat de rouwende vrouw zelf dat huis wordt, met de klemmende of kierende deuren, een woning waarin niets meer precies past.

Behalve op de Bijbel gaat Klaagliedjes terug op A mind of my own: my life with Robert Maxwell, van Elizabeth Maxwell. Robert Maxwell was een gevluchte Tsjech, die in Engeland lid van het Lagerhuis werd en een media-imperium opbouwde, dat na zijn dood ineenstortte. In verschillende gedichten in Herzbergs bundel is er een Maxwell-achtige overledene terug te vinden: 
Zijn fondsen bleven rijzen 
er kwamen huizen, fabrieken 
paleizen, of het fortuin 
vrijwillig aan hem kleefde.
In die gedichten zie je een weduwe die haar overleden man niet idealiseert, maar wel solidair met hem blijft: 
Bij hem moest “geven” groots,
en met aplomb, galmend
in alle kranten staan.

Ik snapte dat.

Maxwell werd na zijn dood wel van fraude en corruptie beticht. Herzberg schrijft: 
Corruptie vind ik een vulgair begrip
ik houd het liever op
verwonderlijke kastekorten.
En meteen daarna: 
Ach bed ach straat 
ach laan ach plein 
ach stad. Ach dak.
Op het moment dat de weduwe het begrip ‘corruptie’ nuanceert, lijkt ze alles onder controle te hebben, maar direct erna volgt haar klacht, die als het ware door haar zelfbeheersing heen breekt.

Verder geeft Herzberg aan dat ze Beim Häuten der Zwiebel gelezen heeft, de memoires van Günter Grass. Indertijd deed het boek nogal stof opwaaien, vanwege de onthulling dat Grass ooit lid van de Waffen-SS was geweest. Het verband tussen dit boek en Klaagliedjes is mij niet helemaal duidelijk. Misschien zit dat in het ophalen van herinneringen die pijnlijk kunnen zijn.

Niet alle gedichten van Herzberg spreken mij even veel aan, maar eigenlijk geeft dat niet. De bundel als geheel geeft goed weer wat er met iemand gebeurt die een geliefde verliest. Je bent verwoest, zoals dat met een stad kan gebeuren. En nooit ben je meer te helen, omdat er een verlangen blijft dat niet meer te vervullen is: 
Ik slaap denk praat koop bied 
leef loop ren rem val til en bouw 
voor om door ondanks dankzij jou 
en ik verlang naar jou.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten