Het is een tijdje geleden dat ik een oude recensie heb afgestoft. Laat ik dat nu maar weer eens doen. Het is een niet zo lange recensie, over twee uitgaven, maar eigenlijk over vier boeken. Het stukje stond op 10 december 2010 in Nederlands Dagblad.
De roman Dieperik van Leo Pleysier was net verschenen, een behoorlijke tijd na het enorme succes van Wit is altijd schoon (1989). Naar aanleiding daarvan verschenen in 1989 drie van zijn vroege romans samen in een band in herdruk onder de titel Waar was ik weer? Ik noem de drie titels in het stukje hieronder, al had bij de eerste roman het jaartal 1978 moeten staan.
Maar waarom besprak ik Waar was ik weer? in 2010. Werd het toen weer herdrukt? Eigenlijk besprak ik de drie boeken niet, wat ook niet gekund had in zo'n kort bestek. Als mijn geheugen mij niet bedriegt kreeg ik wel het beoogde aantal woorden van het stukje als richtlijn.
Van Pleysier heb ik best wat gelezen, maar ik heb ook nog het een en ander van hem niet gelezen. Een boek als Heel de tijd (2018) zou ik toch eigenlijk wel moeten lezen.
Er is nog heel veel wat niet recent is en wat het lezen waard is. Binnenkort schrijf ik over De ziener van Simon Vestdijk en ik wil het komende jaar ook weer het een en ander van Hella Haasse en Arthur van Schendel lezen en ik heb ook wel zin in werk van bijvoorbeeld A.H. Nijhoff, Clare Lennaert, Melati van Java, Wilma en Top Naeff. Het is geen belofte dat ik dat ook ga doen, maar het is wel een geheugensteuntje voor mezelf als ik binnenkort een boek van de stapel moet nemen.
En hopelijk grijp jij een keer naar een boek van Leo Pleysier. Je moet in ieder geval Wit is altijd schoon lezen, maar hij heeft veel meer goede boeken geschreven.
De diepte aan de oppervlakte
Een jongetje rijdt op zijn fiets op het erf van een boerderij een parcours in de vorm van een acht. Buiten, op een bank zit zijn moeder een paar emmers prinsessenbonen klaar te maken voor de weck. Het is zomer.
In de epiloog legt de verteller uit dat het dit beeld van het fietsende jongetje is, waar hij taal aan toegevoegd heeft.
En zo is die herinnering nu verdubbeld geraakt tot twee herinneringen: die ene mét woorden, de andere zonder.
Zijn zinnen lopen gemakkelijk, alsof er nauwelijks aan gewerkt is. Dat is natuurlijk de kunst. Je mag als schrijver zwoegen en zweten, maar de lezer moet dat er niet aan af kunnen zien. Pleysier verstaat die kunst. Het lijkt of hij bij ons aan de keukentafel zit en het ons rustig vertelt.
Op de boerenbuiten wonen.In het aloude Kempenland.In het land van berk en brem.Het heideland.De wónderfrisse perel aan de Dietse kroon.
Van Pleysier recenseerde ik ook:

Geen opmerkingen:
Een reactie posten