donderdag 14 mei 2026

Afgestoft: Dieperik / Waar was ik weer (Leo Pleysier)

Het is een tijdje geleden dat ik een oude recensie heb afgestoft. Laat ik dat nu maar weer eens doen. Het is een niet zo lange recensie, over twee uitgaven, maar eigenlijk over vier boeken. Het stukje stond op 10 december 2010 in Nederlands Dagblad. 

De roman Dieperik van Leo Pleysier was net verschenen, een behoorlijke tijd na het enorme succes van Wit is altijd schoon (1989). Naar aanleiding daarvan verschenen in 1989 drie van zijn vroege romans samen in een band in herdruk onder de titel Waar was ik weer? Ik noem de drie titels in het stukje hieronder, al had bij de eerste roman het jaartal 1978 moeten staan. 

Maar waarom besprak ik Waar was ik weer? in 2010. Werd het toen weer herdrukt? Eigenlijk besprak ik de drie boeken niet, wat ook niet gekund had in zo'n kort bestek. Als mijn geheugen mij niet bedriegt kreeg ik wel het beoogde aantal woorden van het stukje als richtlijn. 

Van Pleysier heb ik best wat gelezen, maar ik heb ook nog het een en ander van hem niet gelezen. Een boek als Heel de tijd (2018) zou ik toch eigenlijk wel moeten lezen. 

Er is nog heel veel wat niet recent is en wat het lezen waard is. Binnenkort schrijf ik over De ziener van Simon Vestdijk en ik wil het komende jaar ook weer het een en ander van Hella Haasse en Arthur van Schendel lezen en ik heb ook wel zin in werk van bijvoorbeeld A.H. Nijhoff, Clare Lennaert, Melati van Java, Wilma en Top Naeff. Het is geen belofte dat ik dat ook ga doen, maar het is wel een geheugensteuntje voor mezelf als ik binnenkort een boek van de stapel moet nemen. 

En hopelijk grijp jij een keer naar een boek van Leo Pleysier. Je moet in ieder geval Wit is altijd schoon lezen, maar hij heeft veel meer goede boeken geschreven. 

 

De diepte aan de oppervlakte


Een jongetje rijdt op zijn fiets op het erf van een boerderij een parcours in de vorm van een acht. Buiten, op een bank zit zijn moeder een paar emmers prinsessenbonen klaar te maken voor de weck. Het is zomer.

Een vredig tafereeltje. Leo Pleysier begint er zijn nieuwe roman Dieperik mee. Maar eigenlijk is het helemaal niet zo vredig, want het hoofd van het jongetje Michel barst bijna uit elkaar, omdat er iets in zit wat hij niet mag vertellen. Niet van zichzelf en niet van Nonkel Wies, die bij hen inwoont.

In de epiloog legt de verteller uit dat het dit beeld van het fietsende jongetje is, waar hij taal aan toegevoegd heeft.
En zo is die herinnering nu verdubbeld geraakt tot twee herinneringen: die ene mét woorden, de andere zonder.
Wie Dieperik gelezen heeft, zou zijn schouders op kunnen halen en kunnen zeggen dat het boek nauwelijks over iets gaat: zo'n gebeurtenisje en dat wat uitgesponnen is. Maar juist dat kan Leo Pleysier heel goed: de zaken klein houden, de kleine dingen beschrijven, zodat je weet hoe het ruikt op de boerderij, hoe de mensen praten, wat voor weer het is en hoe dat voelt. Groter hoeft het voor mij, eigenlijk, niet. 

Pleysier laat die kleine dingen bijna achteloos zien. Hij poetst ze niet op, maakt ze niet zwaar symbolisch, wijdt er geen ronkende zinnen aan. Hij is de soberheid zelf en hij weet dat dat genoeg is.

Zijn zinnen lopen gemakkelijk, alsof er nauwelijks aan gewerkt is. Dat is natuurlijk de kunst. Je mag als schrijver zwoegen en zweten, maar de lezer moet dat er niet aan af kunnen zien. Pleysier verstaat die kunst. Het lijkt of hij bij ons aan de keukentafel zit en het ons rustig vertelt. 

Op het hoogtepunt van het verhaal dat Pleysier ons vertelt (en dat ik maar even niet onthul), schieten er zinnen door de hoofdpersoon heen. Het is een bonte verzameling uitspraken van drie bladzijden lang, waarin de vrouw van Potifar, Boerke Naas, Roodkapje, Kapitein Haddock, Herodes, Nonkel Fik en Anton van Wilderode naast elkaar kunnen staan. In het tweede deel van het boek is er nog zo'n lijst, waarin Pleysier aangeeft hoe de tijd verstrijkt. Hij rijgt daarin grote gebeurtenissen aan kleine, bijna zeven bladzijden lang. Het werkt.

Deze opsommingen doen denken aan die in eerdere boeken van Pleysier. Drie daarvan (De razernij der winderige dagen (1977), De weg naar Kralingen (1981) en Kop in kas (1983) zijn onlangs herdrukt in één band, onder de titel Waar was ik weer? 

Het eerste boek begint meteen met een reeks korte zinnetjes onder elkaar: '
Op de boerenbuiten wonen.
In het aloude Kempenland.
In het land van berk en brem.
Het heideland.
De wónderfrisse perel aan de Dietse kroon.
En zo verder. De weg naar Kralingen heeft tegen het einde een inventarislijst van vier bladzijden lang. Hoewel we ze van hem gewend zijn, zijn in Dieperik toch beide opsommingen verrassend en bovendien bijzonder effectief. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die Pleysier verwijten dat hij met zijn laatste boek niet meer de dieperik in gegaan is. Het is een verwijt dat ook ooit Marijke Höweler kreeg, die trouwens een totaal ander schrijfster was dan Pleysier is. Maar haar antwoord zou Pleysier zo in de mond kunnen nemen: 'Bij mij zit de diepte aan de oppervlakte'. 

Dat is Dieperik: een anekdote, een onbeduidendheid, die een heel leven lang in iemand door kan blijven zeuren. Niet iedereen kan dat beschrijven op een manier die blijft boeien. Pleysier wel.

Van Pleysier recenseerde ik ook:

Geen opmerkingen:

Een reactie posten