donderdag 7 mei 2026

De vogel op het nest gevangen

Het onderstaande schreef ik op 29 augustus 2023 in mijn dagboek. Het gaat over wat wij de hooiverkoping noemden (maar wat eigenlijk een hooigrasverkoping was) en over het hooien. In dat laatste deel zit niet zoveel verhaal, maar ik plaats het er toch maar bij. Het laat wel zien hoe ontwikkelingen plaatsvonden. Terwijl er al nieuwe machines waren, werden oude (die bedoeld waren om door een paard getrokken te worden) hier en daar toch nog gebruikt werden. 

Toen ik zocht naar een geschikte foto om daarbij te plaatsen, vond ik er geen. Blijkbaar was er niemand die een foto nam tijdens het hooien. Mijn ouders hadden lange tijd geen fototoestel, dus zo vreemd is dat niet. 

Daarom heb ik maar een foto gekozen waarop mijn vader met de zicht koren aan het maaien is. Zijn jongste zus, tante Gerrie is erbij. Kwam ze hem net koffie brengen?

Mijn vader had een hekel aan het werken met de zicht. Je moest daarbij altijd een beetje krom staan en dat was niet fijn voor je rug. 

Van het koren had je niet alleen het graan, maar ook het stro. Voor zover ik mij herinner, heb ik daar nooit over geschreven. Het stro werd aangevoerd met een grote vrachtwagen, soms helemaal uit Zeeland. Wat ik mij daarvan herinner, zal ik nog wel een keer op papier zetten. 

          
Mijn vader met zijn jongste zus


Verschillende keren ga ik met mijn vader mee naar de hooiverkoping. Het gaat meestal om de uiterwaarden, waar men het gras lang heeft laten groeien. Iemand heeft dan dat grote stuk land verdeeld in percelen. Aan het kopeind (bij de Waal) staan rechte takken in de grond geprikt, met daarin het nummer van het perceel gekerfd, in Romeinse cijfers. Aan de andere kant van het stuk land staan ook zulke stokken. Mijn vader loopt met grote passen langs het grasland, om te meten of alle percelen wel even groot zijn.

Er zijn drie plekken waar hooigras verkocht wordt. Bij Oosterhout ligt De Plaat, de verkoping vindt plaats in Slijk-Ewijk, in het enige café, van Derksen. Er zitten in de voorgevel van het gebouw twee deuren. Als je de linkerdeur pakt, kom je bij de kruidenierswinkel, de rechter voert je naar het café.

De verkoping van het gras van de Andelstse polder is vlak bij ons huis, in café Midden-Betuwe, op de hoek van de Dijkstraat en de Tielsestraat. Ik ben nog klein als ik voor het eerst meega. Pa en ik gaan zitten en iemand komt ons vragen wat we willen drinken. Ik heb geen idee en kijk op naar mijn vader. ‘Zeg maar kasjies’, zegt hij. Dat versta ik tenminste. Ik heb geen idee wat het is. Ik krijg een glas met donkerrode priklimonade.

Ik vind de limonade heerlijk. Zoiets heb ik nog nooit op. Thuis hebben we alleen maar siroop en die smaakt heel anders dan deze limonade. Later zal ik leren dat dit cassis heet.

Ook in Dodewaard is er verkoping, in een gelegenheid die café Zwijnen heet. Er zijn meer onbekende boeren dan in Herveld en Slijk-Ewijk.

Bij de verkoping is een notaris aanwezig en er zijn nog enkele mensen die blijkbaar belangrijk zijn. Ze zitten voor de boeren, als een soort bestuur tegenover de leden. Behalve de boeren zijn de loonwerkers present. Die hopen dat ze een stel percelen mogen maaien. Misschien mogen ze het hooi ook schudden en later op de kits rijden en er balen van persen.

Gért Jansen maakt mooie, stevige balen, maar ze zijn ook altijd erg zwaar. Betalen voor het persen gaat per baal, dus soms is dat aantrekkelijk. Van Boldrik (die vaak gewoon Boldrik of den Boldrik wordt genoemd) maakt lichtere balen, vaak ook wat slapper geperst. Als ik op de middelbare school zit, zal ik meehelpen met hooien. Geef mij dan de lichte baaltjes maar. Tenminste als je het hooi moet opsteken. Als ik moet pakken, de balen op de wagen stapelen, heb ik liever die van Jansen. Daar kun je de vracht gemakkelijk stevig mee houden.

In Dodewaard is Hanhart de loonwerker die de meeste klanten heeft.

Het gras van de percelen wordt bij afslag verkocht. De notaris zegt bijvoorbeeld: 130 staat vast. En dan, in een heel hoog tempo: 29, 28, 27, 26, 25, 24, 23, 22, 21, 120 en dan weer door naar de volgende tien. Je wilt als boer niet te snel roepen, want dat maakt het hooi duur. Het drijft ook de prijs op voor de volgende percelen.

Vaak heeft mijn vader een prijs al in zijn hoofd, bijvoorbeeld 115 gulden. Hij roept dan, als het bedrag genoemd wordt, heel hard ‘Mijn!’ en steekt meteen zijn vinger op. De boeren roepen hard. Het komt wel voor dat enkele boeren tegelijk roepen en dan wil je er zeker van zijn dat jij gehoord wordt.

Niet elke boer is er even gehaaid in. Een verhaal gaat over een boer die langzaam zijn hand naar boven bewoog als hij wilde gaan roepen. Hij was altijd te laat, omdat iemand hem net voor was. Je moet goed op lichaamstaal letten. Sommige boeren gaan rechtop zitten of buigen zich naar voren als ze een perceel willen afmijnen.

Mijn vader laat zich niet gek maken door de prijzen. Hij heeft het grasland goed geïnspecteerd. Zitten er geen plekken in een perceel waar het gras wat dunner is? Pa maakt een schatting van het aantal balen dat van een perceel kan komen en daar is hij goed in.

Hij kan ook het gewicht van een varken heel goed schatten. Soms doet hij een soort wedstrijdje met de slager die wel eens een ‘keutje’ van hem koopt. Ze zeggen dan allebei hoe zwaar het varken is. ‘Vuil gewicht? Nee, schoon aan de haak’. De slager heeft er oog voor, maar vaak wint mijn vader.

Het meest zie ik mijn vader glunderen als hij iedereen te snel af is. Samen met hem heb ik door het grasland gelopen. Mijn vader constateert dat het laatste perceel wel anderhalf keer zo groot is als de andere percelen. De notaris begint bij elk perceel met ‘150 staat vast’. Veel percelen worden verkocht voor tussen de 120 en 135 gulden. Hier en daar doet mijn vader mee. Misschien heeft hij al een of twee percelen gekocht.

Dan is het laatste perceel aan de beurt. ‘150 staat vast,’ zegt de notaris. ‘Mijn!’ roept mijn vader meteen, nog voor de notaris begonnen is met het aftellen. Iedereen kijkt naar mijn vader en de notaris kijkt naar Zwijnen, naast hem. Dat is niet de Zwijnen van het café, maar de vader van mijn vriendje Gerard, Joekie Bil. Die vertelt hem dat het laatste perceel een ietsje groter is. Mijn vader weet dat het anderhalf keer zo groot is en dat hij een koopje heeft.

De andere boeren vinden het een prachtige zet van mijn vader. Ze lachen en zeggen dat hij de vogel op het nest heeft gevangen. Mijn vader glundert. Ik vind mijn vader een held.

Als ik klein ben, kan ik nog niet zo veel doen bij het hooien. Als de hooibalen op de wagen worden geladen, kan ik ze wel ‘aanrollen’. Dan hoeven degenen die het hooi moeten opsteken niet zo ver te lopen.

Als ik iets groter ben, hoogste klassen van de lagere school, ga ik wel mee hooi schudden, bijvoorbeeld in de wei achter ons huis. Iemand (wie?) heeft het gemaaid en het gras ligt netjes in zwadden, rijtjes. Als de bovenkant gedroogd is, gaan pa en ik het keren, met de hooivork, de gavel. Zwad voor zwad, of twee zwadden tegelijk. Het duurt een hele tijd voordat je op die manier al het hooi hebt gekeerd.

Bij ome Wout achter het huis staat nog een vorkjesschudder, waarvoor vroeger een paard werd gespannen. Nu kan er een trekker voor. Maar een enkele keer heb ik gezien dat die schudder gebruikt wordt. Je mag er niet te hard mee rijden. Als zo’n vorkje in de grond prikt kan er een tand breken.
vorkjesschudder

Al gauw komt er een nieuwe manier van schudden: met de trommelschudder. Daar kun je heel snel een groot stuk hooigras mee schudden. Al gauw blijkt ook het nadeel. Het hooi wordt gebroken. Dat is niet erg als je maar een keer moet schudden, maar als je tussendoor regen krijgt, moet je vaak schudden. Het is een dorskast, zegt Thé Lijbers, met wie mijn vader vaak praat na het melken. Hij slaat het hooi kort en klein en je krijgt er veel stof van.

Maar dan is er alweer een nieuwe schudder: een Strela, met twee horizontale cirkels met tanden daaraan. Dat wordt al gauw de schudder.

Voordat het hooi geperst wordt, moet het op de kits. Wij hebben thuis een harkmachine. Ook die hing vroeger achter een paard. Nu kan hij achter de trekker, maar dan moet er nog steeds iemand op het ijzeren zadel van het harkmachien zitten.

Van tijd tot tijd haal je de tanden van de hark omhoog en meteen daarna moet het geheel weer naar beneden. Er blijft een soort grote drol van hooi liggen. De volgende keer, bij de baan ernaast, moet je het machien op hetzelfde moment omhoog halen als de vorige keer, anders krijg je geen rechte kits. Dat is nog lastig genoeg.

harkmachine
Bijna niemand heeft nog een harkmachien. Kitsen gaat vaak met de acrobaat: een wonderlijk apparaat met vier grote ijzeren wielen na elkaar. Nou ja, geen echte wielen. Ze zijn rond, maar het zijn alleen de spaken, niet de band. Eigenlijk zijn het harken in wielvorm. Sommige loonwerkers kunnen daar heel handig mee omgaan. Je kunt ook kitsen met de trommelschudder, als je een soort schermen achter aan de schudder bevestigt. Dan kan het hooi er alleen in het midden uit.

Een enkele maal laat mijn vader het hooi helemaal niet persen. Meestal bij een klein weitje. Hij zet het hooi dan op ‘uppers’, hopen. Die uppers worden dan weer op de wagen geladen. Mijn vader leert me hoe dat moet. Eerst de hoeken opzetten, dan de rest van de rand, dan pas het midden. Ik weet bijna zeker dat weinig jongens van mijn leeftijd dat geleerd hebben en ik weet nu hoe het moet.

acrobaat
Uppers zie je nog wel geregeld staan. Alleen mijn ome Kors doet het anders. Hij komt oorspronkelijk uit Spankeren en daar zullen ze wel andere gebruiken hebben. Hij heeft ook nog een paard voor zijn wagen. Ome Kors zet het hooi op ruiters: Dat zijn houten stellages van drie balken die als een tentje worden opgezet. Met drie dwarsbalken wordt alles bij elkaar gehouden. Als kinderen kruipen we wel eens in zo’n ruiter als er hooi op ligt. Je kunt in het midden wel een holletje maken. Dat mag eigenlijk niet.

Op een ruiter is het hooi van de grond. Dan kan het nog een beetje nadrogen. Ome Kors heeft ook kuilgras. Dat hebben wel meer boeren. Later noemen we dat een natte kuil: het gras wordt meteen na het maaien ingekuild. Als ik groter ben, wordt het gebruikelijk om het gras eerst wat te laten drogen. Dan is er ook een ‘opraapwagen’ waarmee het gedroogde gras verzameld wordt. Het is dan bijna hooi, als het ingekuild wordt.

Ome Kors doet het anders dan de andere boeren met een natte kuil. Hij doet het gras in betonnen silo’s. Hoe ze dat er weer uithalen, weet ik niet. Boeren die kuilgras voeren, kun je altijd ruiken. De geur van kuilvoer trekt overal in. Ik vind het geen fijne geur.

Als de hooibalen op de wagen geladen zijn, moet de vracht nog gebonden worden. De pakker staat altijd op de vracht, de touwen gaan er kruiselings overheen. De pakker trekt het touw omhoog en laat het weer schieten. De man die moet binden, trekt het touw meteen aan.

Dan moet de vracht nog naar huis. Als ik wat groter ben, mag ik boven op de vracht zitten als we naar huis rijden. Ik ga ook wel op mijn rug liggen, zodat ik naar boven kan kijken. Je ziet dan de wolken voorbijgaan en de takken van de bomen. Als de vracht erg hoog is, moet je oppassen, want dan schrapen de takken soms over de vracht.

Midden op de vracht is er een sluitrij van balen en als je je daar strak tegenaan drukt, gaat het altijd wel goed. Het blijft een avontuur. Boven op zo’n wagen voel ik me een koning, die door de straten gereden wordt. Er zijn maar weinig dingen die nog mooier zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten